3. Johan Hendrik Bernhard, plantagedirecteur en slavenhouder in Suriname (1795 – 1859).

Op 29 november 1817 ontving de 22-jarige Johan Hendrik Bernhard zijn paspoort voor Suriname[i]. Hij zal nog bij zijn ouders gewoond hebben, en dus in het Aalmoezeniersweeshuis aan de Amsterdamse Prinsengracht, waar zijn vader hoofd-provoost (zeg maar directeur) was. Wellicht zag hij tien dagen later ’s avonds om een uur of negen hoe het vondelingetje Gerritje Spinhoven werd binnengebracht[ii].

Op 24 april 1818 arriveerde hij in Paramaribo, als enige passagier op het fregatschip ‘Johanna en Maria Constantia’ met Matthijs de Harder als kapitein en 19 bemanningsleden[iii]. Zo’n overtocht duurde soms zo’n twee maanden, soms een kleine maand. Niet duidelijk is, wanneer hij vertrok, maar hij vertrok ongetwijfeld van Texel.

Figuur 1. Rotterdamsche Courant, 16 juli 1818.

In Suriname werd Johan Hendrik beheerder van verschillende plantages. In 1827 vinden we hem voor het eerst terug als directeur van de suikerplantage Vredenburg, gelegen aan de linkerkant van de Parakreek. De plantage was eigendom van Jan van der Tuuk, maar was na diens overlijden in 1824 geveild[iv]. De jaren daarna is Johan Hendrik ook directeur van de plantage Sint Barbara.

Op 9 februari 1835 plaatste hij in de Surinaamsche Courant een overlijdensadvertentie voor zijn broer Abraham, vier maanden eerder in Amsterdam overleden. Johan Hendrik had toen Plantage Bl[e]ijendaal als adres. Daarvan was hij enkele jaren eerder directeur geworden. Hij bleef dat tot 1844. In augustus dat jaar kreeg hij van de eigenaar van Bleijendaal, de Sociëteit ‘Weduwe J.S. van de Poll’, de omstreeks zeven jaar oude kindslaaf Johan cadeau. Een afscheidsgeschenk? Hij liet hem enkele maanden later vrij.

Figuur 2. Surinaamsche Courant, 9 september 1844.

Bij zijn manumissie kreeg slaafje Johan als nieuwe naam ‘Johan Hendrik Bernhard’. Het was dus zijn zoon. Johans moeder was Amelia, de huisslavin van Johan Hendrik sr. Zij was eigendom van de plantage[v]. Johan Hendrik sr. kocht slavin Adjoeba van A.J. Wakker, en ruilde haar op 31 december 1844 voor Amelia. Pas in 1848 liet hij haar vrij. Ze ging voortaan door het leven als Elisabeth Amelia Peto[vi]. Dat ze de vrouw van Johan Hendrik Bernhard is, blijkt bij zijn overlijden in 1859: ze wordt dan zijn weduwe genoemd, en benoemd tot executeur van zijn erfenis. Hun zoon Johan Hendrik Bernhard erfde zijn spullen en het huis met erf in de Keizerstraat.

Plantagedirecteur Johan Hendrik keerde nog één keer terug naar zijn oude vaderland. Op 9, 10 en 11 maart 1837 verschenen in de Surinaamsche Courant en de Nieuwe Surinaamsche Courant een eenregelige advertentie: “J.H. Bernhard Jr. vertrekt”.  Hier stuiten we op de beperkingen van dit soort historisch onderzoek, gebaseerd op zeer schaarse bronnen: wat zal dit betekend hebben? Was hij niet van plan terug te keren? Begrepen lezers eruit, dat ze hem cash geld of brieven mee konden geven? Speelde er iets heel anders? Wilde hij zijn doodzieke vader nog eenmaal zien? Pas op 5 juni vertrok hij naar Amsterdam, met het fregatschip Catharina Anna Helena[vii]. Aan boord waren zeven passagiers, vier volwassenen en drie kinderen. De lading bestond uit 388 vaten suiker, 26 balen schone en 3 balen vuile katoen, 1590 ponden koper en 850 ponden tin. Op 18 juli kwam het schip bij Texel aan[viii].

Figuur 3. Fregatschip Catharina Anna Helena. Jan Mooij, 1822.

Waarom voer hij ‘even’ heen en weer? Want dik een half jaar later kwam hij weer aan in Paramaribo, met het ‘gekoperd barkschip’ Catharina[ix]. Hij was op 7 december van Texel vertrokken. Drie dagen later had het schip het Engelse Hastings gepasseerd. De overtocht duurde 52 dagen. Aan boord waren elf passagiers en een zeer gevarieerde lading van etenswaren en (vaak luxe) goederen[x]. Hij was ongeveer halverwege, toen zijn vader overleed.

Bij zijn dood was Johan Hendrik directeur van de plantages Accariba en La Liberté. Beide plantages waren eigendom van scheepsreder Thomas van Schaak en, na zijn overlijden in 1862, van zijn bijna 30 jaar jongere weduwe Anne Justina Winkler. Op de plantage waren in 1853 79 slaven die geschikt waren om te werken en 40 die ongeschikt waren. Op 8 juli 1861 kocht weduwe en voormalig slavin Elisabeth Amelia Peto zelf drie slavinnen: Georgtina en haar twee dochters: Charlotte van circa 14 jaar en Wilhelmina van nog geen 3[xi].

Figuur 4. Algemeen Handelsblad, 24 oktober 1859.

Hoofdstuk 4.

Terug naar Inhoud.


[i] NA, 2.10.01 Inventaris van het archief van het Ministerie van Koloniën, 1814-1849;  3312 Register van uitgegeven paspoorten voor West-Indië en de Kust van Guinea; met klapper. 1816-1843 1 deel

[ii] https://theokentie.nl/blog/maria-berkhof/.

[iii] NA, 1.05.10.01 Inventaris van het digitaal duplicaat van het archief van de Gouvernementssecretarie der Kolonie Suriname, (1684) 1722-1828, 746 Lijst van namen van en opgaven betreffende aangekomen passagiers. 1816-1825; https://www.marhisdata.nl/schip?id=16991. Het schip verging op 7 december 1822 op de Rede van Texel, op weg naar Suriname. Aan boord bevonden zich o.a. kelders [kisten met vakken waarin 15 vierkante flessen jenever passen] jenever, vaten wijn en bier en azijn, een rijtuig met chinees koper, paardentuigen en zwepen, vaten haver, een vat tarwemeel, een partij dames- en herenschoenen en -laarzen, wannen [manden], medicijnen, enige boeken, circa 150 paar wollen sokken, enige scheepszeilen, touwwerk, watervaten, Amsterdamsche Courant, 25-2-1823

[iv] Surinaamsche almanak voor het jaar 1827 (p. 53). Uitg. Departement Paramaribo der Maatschappij Tot Nut van ’t Algemeen, 1826.  Jan van der Tuuk was in Suriname stinkend rijk geworden, eerst als ambtenaar in dienst van de Engelse bezetter. Hij kocht Vredenburg in 1818 voor fl. 160.000,-.  De plantage werd overigens een fiasco. In 1824 overleed hij.    Fred. Oudschans Dentz, ‘Levensbeschrijving van Jan van der Tuuk; een stuk Surinaamsche geschiedenis’. In: De West-Indische Gids. 23ste Jg. (1941), pp. 148-160.

[v] NA, Suriname: Vrijgelaten slaven en hun eigenaren (manumissies); Slavenregister InvNr 12 FolioNr 2590a.

[vi] NA, Suriname, registers totslaafgemaakten (Slavenregisters), 1826-1863; InvNr 13 FolioNr 0146.

[vii]. Over het schip: https://www.marhisdata.nl/schip&id=12728; De Zeebrief was aangevraagd door reder en plantagehouder Thomas van Schaak. Het schip was in de Verenigde Staten gebouwd. Kapitein was F.H. Zeylstra, tot aan de sloop twee jaar later, nadat het schip bijna was vergaan op de Doggerbank.

[viii]  Surinaamsche Courant, 8 juni 1837; Algemeen Handelsblad, 20 juli 1837.

[ix] Algemeen Handelsblad, 9 december 1837. Algemeen Handelsblad, 18 december 1837. Surinaamsche Courant, 1 februari 1838.

[x] Nieuwe Surinaamsche Courant, 31 januari 1838. In de lading zat o.a. ries, tabak, boter, komijnekaas, hammen, spek, schorseneren, peren in mandjes, Hoornse wortelen, bitterkoekjes in flessen, bijouterieën, galanterieën, lampen, Frans porselein,goud- en zilverwerk, snuifdozen met muziek, bloedkoralen en granaten, schoenen, laarzen, hoeden, cravatten, zijden stoffen, ‘etc., etc.’.  Dezelfde overtocht met hetzelfde schip en dezelfde kapitein maakte enkele jaren later de (behoorlijk racistische) dominee W. Boekhoudt. Zie: W. Boekhoudt, Bijdrage tot de kennis van Suriname. Winschoten: J.D. van der Veen, 1874, pp. 9-23.

[xi] NA, Suriname, registers totslaafgemaakten (Slavenregisters), 1826-1863; InvNr 38 FolioNr 1878.

Copyright Theo Kentie.

Geverifieerd door ExactMetrics