Nederlanders die het transport meemaakten.

(Dit bericht is in ontwikkeling).

In mei 1946 doet een team van het Nederlandse Rode Kruis onderzoek in de Britse zone naar gegevens van Nederlanders. Het team lijkt vooral gegevens te hebben verzameld in het tuchthuis te Celle, en geen bezoek te hebben gebracht aan de gevangenis van Wolfenbüttel of daarvan geen documenten te hebben ontvangen.
Het stelt lijsten op van Nederlanders die in het gevangenishospitaal hebben gelegen en van Nederlanders die in het tuchthuis hebben gezeten en waarheen ze zijn vertrokken. Het verzamelt, kennelijk, de gevangenisdossiers van Nederlanders, want deze dossiers bevinden zich nu bijna allemaal het NIOD in Amsterdam. Bij mijn eerste bezoek aan het NIOD op zoek naar informatie over mijn vader kreeg ik diens dossier. Men kon niet verklaren hoe dat dossier in Amsterdam was beland. Duitse onderzoekers waren verbaasd over het feit, dat in Amsterdam Duitse gevangenisdossiers worden bewaard.
Ik heb geprobeerd meer informatie te vinden over de mensen op deze lijst van wie genoteerd staat dat ze op 6 april 1945 uit Celle vertrokken. Ik gebruikte daarvoor de vele mogelijkheden die ingternet biedt. Ik doorzocht via Delpher kranten, tijdschriften en boeken. Ik raadpleegde archieven waar persoonsgegevens uit de burgerlijke stand teruggevonden kunnen worden, bij voorbeeld via Open Archieven. Ook het online archief van Arolsen Archives leverde informatie. Daarnaast keek ik rond op genealogische sites. Ik probeerde ook direct contact te leggen met iemand die wel familie moest zijn van een van de mannen, in een enkel geval succesvol. En ik plaatste, zonder resultaat, oproepen op Facebook-sites van in lokale of oorlogsgeschiedenis geïnteresseerden.

Online vind je steeds meer, maar veel ook niet. Personen die minder dan honderd jaar geleden werden geboren, worden in de regel afgeschermd, tenzij ze langer dan vijftig jaar dood zijn. De als basis gebruikte lijsten uit Celle geven soms wel, soms niet een geboortedatum. Sommigen zonder geboortedatum hebben veelvoorkomende voor- en achternamen. Het is dus niet altijd absoluut zeker, dat ik de juiste heb geïdentificeerd. Via de lijsten uit Celle komen we aan de namen van 24 Nederlanders. Van 22 of 23 van hen liggen de dossiers bij het NIOD. De Duitsers maakten de nodige fouten bij het spellen van de namen.
We gaan ze een voor een na: wat kunnen we over hen vinden? Al gauw stuiten we op een aantal problemen. Om te beginnen: wanneer ben je een Nederlander? Je zou verwachten, dat juist dat eenvoudig zou zijn. Maar niets is minder waar.

We beginnen met Gerhard Tülk. Hij is op 18 mei 1921 geboren in Nordhorn, waar hij werd opgevoed door zijn grootouders. Je zou dus zeggen, dat hij een Duitser is. Maar nadrukkelijk staat in zijn Celle-dossier, dat hij een Nederlander is. Hij ging op zijn 14e als Hilfsarbeiter werken, in een fabriek, ook in Nordhorn. Ook op documenten in de Arolsen Archives staat hij als Nederlander vermeld. Zijn adres bij arrestatie is overigens Jacobsstrasse 4 in Hannover. Hij wordt als Kriegswirtschaftsverbrecher in 1944 gepakt, en in september dat jaar tot twee jaar en negen maanden tuchthuis veroordeeld. Hij was al eens eerder veroordeeld, in mei 1942, voor Wilddieberei.

Van Jan Willem van Arkel ligt geen dossier bij het NIOD. Hij was een Nederlander, geboren in 1894 in Driebergen, die naar Duitsland was geëmigreerd. In Bremen hield hij zich bezig met de handel in en certificering van zeldzame postzegels. Hij was een gewaardeerd medewerker van de Friedemann catalogus. Op internet vinden we een door hem geschreven brief terug met als datum 1950. Zijn adres is dan Georg Grönningstrasse 88c in Bremen. Ook van hem vinden we geen nadere gegevens op Nederlandse websites.

Herbert Stahl werd als Herbert Heinrich Jacques geboren op 12 augustus 1921. Hij werd geboren in Rotterdam en groeide daar op, maar hij was formeel Duits, want zijn vader kwam uit Duitsland. Zijn vader was de uit Hannover afkomstige matroos en bootwerker Heinrich Karl Hermann Konrad Gottfried Stahl, zijn moeder de uit een joods Amsterdams muzikantengeslacht stammende Esther Vreeland. Na de lagere school volgde Herbert een opleiding tot slotenmaker. Hij woonde thuis in de Sint Mariastraat 38. Als Duitser moest Herbert op 25 maart 1943 in dienst. Hij werd op 20 april 1944 grenadier in het Panzer Regiment 79, maar drie dagen later al opgepakt vanwege Fahnenflucht. Hij zal toen wellicht hebben gehoord, dat zijn broer Karl aan het Oostfront gesneuveld was. Herbert werd veroordeeld tot 5 jaar tuchthuis. Die straf moest beginnen op de dag dat de oorlog afgelopen zou zijn. Hij werd opgesloten in Kattowitz, vervolgens in het Strafgefangenlager in Brual-Rhede, Emsland (vlak bij Winschoten), maar daar wilden ze hem niet, een zoon van een Volljüdin. En dus werd hij afgevoerd naar het tuchthuis in Celle. Zijn broer Karl sneuvelde als Duits soldaat bij Odessa aan het Oostfront op 4 maart 1944. Waarschijnlijk voordat hij in dienst ging was hij aan het werk in een revisiewerkplaats van de Lufthansa in Schkeuditz, gezien een document in de Arolsen Archives.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is Deutsche-Zeitung-in-der-NL-26-4-1944.jpg
Deutsche Zeitung in der Niederlande, 26 april 1944.

In de overlijdensadvertentie voor broer Karl heet Herbert Heinrich. De naam van zijn Joodse moeder wordt niet genoemd.

De volgende acht gevangenen hebben dicht bij elkaar liggende nummers in het gevangenisboek, suggererend dat ze tegelijkertijd in Celle werden ‘ingeboekt’. Van drie staat vast, dat ze uit Hameln via Hannover en Hamburg in het tuchthuis Celle belandden (brief Waller), een tocht die begon met het vertrek uit de gevangenis in de Utrechtse Gansstraat, op 6 september 1944 (de dag na Dolle Dinsdag). Hoorden ook de andere vijf tot deze Utrechtse gevangenen? Waren het allemaal politieke gevangenen? Of zaten er ook criminelen tussen?

Jan Bruco Broekema, geboren in 1907, was reserve-eerste luitenant bij de artillerie. Hij was chef staf van de Ordedienst (OD), een verzetsorganisatie, die in het begin van de oorlog werd opgericht door hoge militairen om in samenspraak met de bezetter de orde te bewaren, maar al gauw een verzetsrol ging spelen dankzij contacten met de regering in Londen. De OD wilde een rol spelen zodra het land bevrijd was, en wilde, dat een driemanschap van sterke mannen met steun van koningin en prins Bernhard, met wie ze nauw contact had, zonder parlement controle het land autoritair zou besturen. De OD werd tijdens de oorlog voortdurend geteisterd door verraad. Veel leden werden gearresteerd, tot lange gevangenisstraffen veroordeeld of geëxecuteerd. Broekema werd in april 1944 opgepakt en veroordeeld tot 15 jaar vanwege ‘Feindbegünstigung’.
“Onze Vader heeft vanaf maart 1944 in ca. tien tuchthuizen, gevangenissen en kampen gezeten, drie in Nederland en vanaf medio september zeven in Duitsland met – voor wat betreft Duitsland – Hans Waller. Wel denk ik in aparte cellen, hoewel ik daar niet zeker van ben.
Vader is medio september 1944 plotseling ’s nachts op transport per trein gezet, ik denk vanuit Utrecht, met vele anderen. Vader dacht dat dit met Arnhem te maken had omdat eerder die zelfde dag een armada aan geallieerde vliegtuigen naar het oosten vloog.
Het tuchthuis in Anrath was het eerste Duitse tuchthuis dat werd aangedaan (16 – 26 sep 1944). De verplaatsingen naar andere tuchthuizen dieper in Duitsland waren een gevolg van de opmars van de geallieerden.
V.w.b. het verblijf in Wolfenbüttel ben ik behalve de naam Hans Waller de naam Andries Graafhuis tegengekomen, met wie vader na de bevrijding door het negende Amerikaanse leger in het lazeret van de gevangenis heeft gelegen. Een Britse officier heeft verzocht hen beide, daar zij niet meer tot lopen in staat waren, op hun verzoek over te brengen naar een hospitaal opdat zij na hun herstel zich in Brunswick Camp weer bij hen zouden voegen. gebracht.’ Mail Menno Broekema, 24-9-2020.
Zijn vrouw schreef een boek over de verzetsactiviteiten van haar en haar man.

Andries Graafhuis (De Jong, 6: 195; 7: 951, 952n, 977,981) was een van de oprichters van de Raad van Verzet (RVV). Het initiatief voor de RVV kwam oorspronkelijk uit kringen van de OD. Graafhuis was een medewerker van de radiodienst van de OD. Hij was ook lid van Fiat Libertas. De leiders van die groep, onder wie vader en zoon Graafhuis, werden in 1943 en 1944 gearresteerd, en in juli 1944 ter dood veroordeeld, en opgesloten in de gevangenis Utrecht Gansstraat. De executies lieten op zich wachten. De dag na Dolle Dinsdag werd deze groep afgevoerd naar Duitse gevangenissen. Ze hadden geluk: hun dossiers waren zoek. Ze waren ‘Häftlinge ohne Papiere’ geworden.
De RVV moest een overlegorgaan worden voor de verschillende verzetsgroepen. De oprichting vond plaats op 1 mei 1943. Later traden communist Gerben Wagenaar en, namens het kunstenaarsverzet, beeldhouwer Gerrit Jan van der Veen toe. Maar er ontstond een conflict met name met de OD over de communicatie met Londen. De OD wilde bovendien pas rondom de bevrijding in actie komen, terwijl de RVV juist sabotageacties wilde. Hoewel Londen in de RVV een belangrijk orgaan zag, speelde ze al gauw nauwelijks meer een coördinerende rol, maar werd het een zelfstandige verzetsclub. De OD maakte de RVV in Londen succesvol zwart door te beweren dat ze links was.

Algemeen Dagblad, 5 januari 1953.

RVV was niet zo rechts als de OD, maar zeker niet links of communistisch, zoals de OD aan Londen meldde. Ook liberalen en gereformeerden speelden er een rol in. Vlak voor de bevrijding ging de RVV min of meer op in de Binnenlandse Strijdkrachten. Hij emigreerde in 1953 naar de Verenigde Staten (Grand Rapids), een feit, dat nieuwswaardig werd gevonden (Algemeen Dagblad, 5 januari 1953). Het onderschrift bij de foto meldt, dat hij vlak voordat hij terecht zou worden gesteld in een Duits concentratiekamp, door de Amerikanen werd bevrijd. Dat concentratiekamp was echter de gevangenis te Wolfenbüttel. Zijn dochter Bertha claimt in november 1955 in de Evening Standard uit Washington, dat haar vader door de Amerikanen werd bevrijd, een week voordat hij zou worden doodgeschoten, en dat hij in Buchenwald had gezeten. Beide claims lijken niet correct.

Graafhuis overlijdt in 1982 in Arnhem. Hij was de vader van verzetsheld Wubbo ‘Bob’ Graafhuis. Zie ook: De Jong, 7, deel 2, p. 950-952n, 977n.

Joannes Deodatus (John, Hans) Waller, geboren in 1906, was directeur van de Amsterdamsche Superfosfaatfabriek (nu ICL Fertilizers). Hij naam deel aan twee verzetsorganisaties die neergestorte geallieerde piloten naar Engeland trachtten te laten vluchten. De eerste, Vrij Nederland, liep fout in Frankrijk. Vervolgens sloot hij zich aan bij Fiat Libertas (De Jong, passim). Soms hielpen ze 20 man per week over de grens met België. Op 1 april 1944 wordt hij met andere leden van de groep gearresteerd en opgesloten in de gevangenis van Scheveningen. In juni wordt hij overgeplaatst naar de gevangenis in de Gansstraat in Utrecht (later het Pieter Baancentrum) en, begin juli, berecht. Er vallen 11 doodvonnissen, maar Waller wordt veroordeeld tot 12 en een half jaar tuchthuis. Op 6 september wordt hij met bijna de hele gevangenis naar Duitsland afgevoerd. Er volgt een tocht langs diverse gevangenissen en tuchthuizen. Op 16 december arriveert hij in het tuchthuis te Celle, waar hij verblijft tot 6 april 1945.

Gommert Traas, geboren in 1885. Op 10 mei 1945 kwam hij weer thuis op zijn boerderij in Rilland-Bath. Hij was daar aan het werk, toen in juni 1943 een Brits vliegtuig in de Schelde neerstortte. Een bemanningslid wist zich met de parachute te redden, en verborg zich tussen de paardenbonen, waar hij door boer Traas de volgende dag werd gevonden. Traas bracht hem water en brood, verzorgde zijn gewonde voet en bracht hem later samen met zijn dochter naar een schuurtje, maar haalde hem al gauw naar zijn woning. Daar verbleef de Engelsman zes weken tot hij, in augustus, door verzetsman Sam Buijs werd opgehaald om hem over de Belgische grens te brengen. Maar in Zeeuws-Vlaanderen werden zij opgepakt. Later bleek dat ze verraden waren door de Duitse deserteur Fransz Still. In september werd eerst de zoon van Traas, en de volgende dag Gommert zelf opgepakt. Vader Traas bekende gedeeltelijk om zijn zoon vrij te krijgen. In Utrecht werd hij berecht en op 1 juli 1944 tot levenslang tuchthuis veroordeeld. Die straf werd op 8 augustus omgezet in tien jaar. Meer dan waarschijnlijk behoorde hij tot de gevangenen uit de Utrechtse Gansstraat, die de dag na Dolle Dinsdag op transport werden gesteld. Hij maakte de zelfde tocht als Waller noemt in een brief uit 1961. Alleen wordt in een krantenverslag van 19 mei 1945 opgetekend, dat hij van Wolfenbüttel in Celle belandde, waar hij op 19 april 1945 door de Britten zou zijn bevrijd. Dat kan niet waar zijn. Ik ga ervan uit, dat de journalist die Traas na zijn bevrijding sprak, een en ander fout heeft genoteerd. Hij kwam op 10 mei 1945 weer thuis. Traas verkreeg het Verzetsherdenkingskruis. In 1955 overleed hij in een Vlissingse instelling, waar hij was opgenomen, omdat hij door de Duitsers geestelijk gebroken was.

Vrije Stemmen, 14 mei 1945.

Pieter van de Geest. Hij werd in 1908 in Ede geboren, en werd leraar Duits en decaan op een school in Goes. Hij behoorde tot het Zeeuwse verzet en werd ook opgepakt door het verraad van Fransz Still. Ook hij werd tot levenslang tuchthuis veroordeeld, omgezet in tien jaar, vanwege ‘Feindbegünstigung’. Ook hij zal de dag na Dolle Dinsdag op transport zijn gezet om uiteindelijk in Celle te belanden. Hij ontving het Verzetsherdenkingskruis.

Het vinden van sporen van deelnemers aan het transport die niet om politieke redenen waren veroordeeld, is een stuk lastiger. Het zal hier gaan om mannen die als crimineel werden veroordeeld. Vaak was dat omdat ze iets misdaan hadden als dwangarbeider. Vaak komen ze uit arme tot zeer arme milieus. Hun geboorte werd niet in een krantenadvertentie gemeld. Sommigen hebben geen enkel genealogisch spoor nagelaten. Wie na 2020 werd geboren, is ook niet goed vindbaar in de stedelijke archieven: documenten zijn niet in te zien. Sommigen hebben bovendien veelvoorkomende namen, wat zoeken lastig maakt, vooral als er ook geen geboortejaar bekend is. Door de groep gevangenen loopt een dikke scheidslijn. Politieke gevangenen die schreven over hun opsluiting in Duitse gevangenissen of kampen klagen vaak over de aanwezigheid van door hen niet gewaardeerde ‘criminelen’.

De broers Severin werden veroordeeld wegens sabotage en Feindbegünstigung, maar hebben ook hun sporen nagelaten in Amsterdamse politierapporten uit de oorlog. Hun vader zat zelfs verschillende malen wegens misdrijven in de gevangenis.

Petrus en Johannes Jacobus Severin zijn twee Amsterdamse broers. Johannes Jacobus werd in 1925 geboren. Hij gaat op zijn veertiende werken, eerst anderhalf jaar als leerling-bakker bij bakkerij Verbeek, en daarna als kok bij Dikker en Thijs, nog steeds te vinden in Amsterdam. In de oorlog wordt hij kok in de Volkskeuken. Hij wordt een viertal keren geregistreerd in de politierapporten van Amsterdam, maar waarom hij werd opgepakt (als dat al het geval was) is niet in te zien. Zijn broer Petrus werd geboren op 4 augustus 1918. Na de lagere school gaat hij als slager aan de slag bij slager Lus aan het Boerhaaveplein, tot aan zijn arrestatie. Dat meldt hij althans bij zijn intake in Celle. Maar bij de keuring voor militaire dienst, enkele jaren eerder, noemt hij als banen poelier en aardappelwerker. Hij was gtijdens de oorlog bietenkoer en betonwerker. Petrus wordt diverse malen opgepakt in Amsterdam gedurende de oorlogsjaren: wegens het overtreden van de spertijd, wegens diefstallen, een keer wegens ontucht met een minderjarige. Van veroordelingen is niets bekend. Bij een inbraak werd bij fouillering 8 cent gevonden. Dat kan geen succesvolle klus geweest zijn. Zijn vader zat overigens diverse malen langere tijd gevangen wegens inbraken. In 1943 vraagt hij een paspoort aan voor Frankrijk. Maar op 21 maart 1944 worden beiden veroordeeld tot 10 jaar tuchthuis door het Gericht des Marinebefehlhabers in die Niederlanden, vanwege Feindbegünstigung en sabotage. Die rechtbank zat in een schoolgebouw aan de Utrechtse Plompetorengracht. Johannes deed dat uit patriottisme, zijn broer uit vaderlandsliefde en om politieke redenen dus. Het zijn kleine dossiers, maar in die van Johannes liggen briefjes met toestemming aan familieleden voor bezoek, verstrekt namens de marinebevelhebber. Toch zullen beide broers in de gevangenis in de Gansstraat te Utrecht zijn beland. Ze arriveren in Celle uit het tuchthuis te Lüttringhausen via Hannover op 16 december 1944. Op 25 mei 1945 halen beiden de kranten, zoals het communistische dagblad De Waarheid. Ze publiceren een enkele dagen eerder door ‘Herrijzend Nederland’ vrijgegeven lijst van politieke gevangenen uit concentratiekampen te Luttinghausen, Buchenwald, Dachau, Rochenberg en Siegburg. In het communistische dagblad De Waarheid wordt dit, enkele dagen later, “expolitieke gevangenen”, bevrijd uit gevangenkampen te (o.a.) Celle, Buchenwald, Dachau.


Antonius Adrianus Christiaan Huppelschoten, geboren in 1918 in Utrecht, was tot 6 jaar veroordeeld wegens veldpostdiefstal. Ik heb geen gevangenisnummer van hem. Hoorde hij ook tot hierboven behandelde groep? Ook hij staat op de in mei 1945 in kranten gepubliceerde lijst met teruggekeerde politieke gevangenen. Op enig moment lag hij in het Repatriëringsziekenhuis in Maastricht.

Andries Kooi werd in 1923 in Sneek geboren. Op een gegeven moment woont hij in de Javastraat in Amsterdam. Hij vraagt daar een paspoort aan, hij staat op een lijst met Amsterdamse tewerkgestelden. Maar deze bronnen zijn niet in te zien. Verdere informatie ontbreekt.

Johannes de Koning kwam uit Rotterdam, waar hij in 1924 werd geboren. Hij werd wegens ordeverstoring veroordeeld tot anderhalf jaar. Eind 1946 woont hij (nog steeds) in de Groningerstraat. Hij biedt dan een drumstel te koop aan. Meer informatie is er niet over hem te vinden.

Het Vrije Volk, 5-12-1946.

Arie van Spronsen, geboren op 15 april 1921 in Loosduinen, was in Loosduinen postbeambte, woonde in de Vianderstraat, en wordt op enig moment tewerkgesteld bij de posterijen in Hannover. Hij werd ondergebracht in de Grosse Packhofstrasse 24. Op dat adres waren Nederlandse PTT’ers in het ‘Holländische Postlager’ gehuisvest. In een brief uit december 1942 klaagden deze bij hun Nederlandse bazen over de erbarmelijke huisvestings- en voedingssituatie. Van Spronsen verhuisde in februari 1943 naar de Pertszstrasse 17, waar inmiddels ook mijn vader Cornelis Kentie woonde.. Hij belandde in het Nordstadt ziekenhuis begin 1944, maar kwam na een week weer thuis, wat inmiddels de toenmalige Misburgerdamm 64 was. Omstreeks augustus 1944 werd hij gearresteerd voor het roven van postpakketten en, op 1 september 1944 door het Sondergericht Hannover als Volksschädling tot 1 jaar en 3 maanden tuchthuis veroordeeld. Hij belandde in het tuchthuis van Celle, waar hij in oktober dat jaar moest betalen voor een kwijtgeraakte vaatdoek. Op 6 mei 1945 verliet hij Duitsland. Op internet is een foto te vinden, gemaakt van PTT’ers voor het postkantoor in Loosduinen, gemaakt in 1945 en waarop hij zou staan.

PTT-personeel in Loosduinen, 1945. Een van hen is Arie van Spronsen.


Arie de Man werd in 1922 of 1924 geboren in Rotterdam, maar woonde in Schiedam in de Buys Ballotstraat. Op enig moment zat hij waarschijnlijk in kamp (PDL = Polizei Durchgangs Lager) Amersfoort. Dat was een door de SS beheerd kamp, waar politieke maar ook andere gevangenen werden opgesloten. Vooral opgepakte onderduikers die aan tewerkstelling trachtten te ontkomen, belandden er. De Man zou op transport worden gesteld naar LAA Brandenburg, maar op een archiefkaart uit Arolsen staat: ‘niet vertrokken’. Hij belandde uiteindelijk, waarschijnlijk eind 1944 gezien zijn gevangenisnummer, in Celle en werd daar opgenomen in het lazaret vanwege aambeien.

Gerardus Verbeek is een PTT’er uit Haarlem, waar hij op 14 januari 1921 werd geboren. Op 6 januari 1944 werd hij door het Sondergericht Hannover veroordeeld tot 1 jaar 6 maanden tuchthuis als Volksschädling vanwege herhaalde diefstal. Verbeek volgde na de lagere school drie jaar gymnasium, en ging toen aan de slag als boekhouder bij een accountant. In juli 1943 werd hij tewerkgesteld bij de Reichspost in Hannover. Hij woonde daar in het Lager Vahrenwald, een Gemeinschaftslager aan de Stader Chaussee 6, eens een SA-Reitschule. Hij zou post hebben gestolen omdat hij honger had.

Dirk Veeninga werd op 4 april 1922 in Emmen geboren. Hij ging naar school tot en met zijn dertiende en ging toen aan de slag bij een boer. Hij staat ook ergens als veenarbeider vermeld. In augustus 1943 werd hij naar Hannover gestuurd, waar hij als’Aushilfsgepäckarbeiter‘ bij de Reichsbahn aan het werk werd gesteld. Op 22 september 1944 werd hij voor diefstal gearresteerd. Hij woonde toen in een kamp in de Hindenburgstrasse in Lehrte. Op 8 december 1944 werd hij naar Tuchthuis Celle gestuurd.


Sjoerd van der Meulen uit Terwispel werd wellicht op 7 maart 1909 geboren in de gemeente Opsterland, waarvan Terwispel deel uitmaakt. Maar in Arolsen is nog een ander met die naam geregistreerd, uit 1922.

Arnod of Arend Hoekveen uit Vlaardingen werd op 2 januari 1913 geboren, en veroordeeld tot 3 jaar vanwege het bezit van een wapen. Als we de juiste hebben geïdentificeerd, dan emigreerde hij naar Australië, waar hij in 1973 overleed.

Herman Habing. De archieven kennen geen Herman Habing. Wellicht gaat het om Henricus Habing, maar daarvan zijn er minstens drie in Arolsen. Habing kwam uit Emmen, werd veroordeeld voor zware diefstal tot 2 jaar en 6 maanden.

Arend Veneman werd op 13 maart 1884 geboren in Zwollerkerspel. Beide ouders waren schoenmaker. Hij ging nooit naar school en ging aan het werk op zijn tiende bij een boer. Zeven jaar later vertrok hij naar Duitsland, waar hij allerlei verschillende beroepen uitoefende. Soms keerde hij terug naar Nederland. In 1916 werd hij hier veroordeeld tot een half jaar gevangenis. In de gevangenis leerde hij lezen en schrijven. In 1939 vertrok hij weer naar Duitsland en vestigde zich in Senne II. Hij was gehuwd met Bertha Schutzeigel uit Iserloh. Op 26 mei 1941 werd hij tot een onbekende tuchthuisstraf veroordeeld vanwege kindermisbruik (§ 176 Ziff. 3 StGB) door de Jugendschutzkammer Bielefeld. Hij werd opgesloten in Tuchthuis Celle. In februari 1944 vroeg hij daar om een Nederlandse bijbel: Duits kon hij niet lezen. Zijn vrouw mocht een keer niet op bezoek komen, omdat ze kritiek op de straf had geuit. Hij overleed op 25 mei 1945 in Wolfenbüttel, logischerwijs in de gevangenis.

Peter Stuivenberg uit Den Haag staat op de op 20 mei 1945 gedateerde en enkele dagen later in kranten gepubliceerde lijst met teruggekeerde politieke gevangenen. Bij het NIOD ligt een gevangenisdossier van een Pieter Stuyvenberg. Die komt uit Polsbroek en werd veroordeeld voor het stelen van 9 kippen. Er is geen dossier van Peter Stuivenberg bij het NIOD.


Johannes Antonius Maassen werd geboren in Millingen op 9 januari 1920, als we de goede hebben. Een document uit Arolsen meldt, dat hij op 17 februari 1945 gevangen werd gezet. Waar dat was, is niet duidelijk.

Cornelis Kentie, mijn vader. Zie elders op dit blog.

Heb je meer informatie over een van deze mensen? Vul dan onderstaand formulier in!

Theo Kentie, mei 2021

Bronnen

‘Uit Duitsche gevangenschap teruggekeerd’. In: Provinciale Zeeuwsche Courant, 19-5-1945;

Vrije Stemmen, 14 mei 1945;

https://www.genealogieonline.nl/stamboom-traas/I141.php;

Databank Oorlogsslachtoffers Zeeland;