Nederlanders die het transport meemaakten.

(Dit bericht is in ontwikkeling).

In mei 1946 deed een team van het Nederlandse Rode Kruis onderzoek in de Britse bezettingszone van Duitsland naar informatie over Nederlanders die in Duitse gevangenissen hadden gezeten. Het team lijkt vooral gegevens te hebben verzameld in het tuchthuis te Celle, en niet op zoek te zijn gegaan naar informatie of documenten uit de gevangenis van Wolfenbüttel. Het stelde lijsten op van Nederlanders die in het tuchthuis van Celle hebben gezeten en waarheen ze zijn vertrokken en van Nederlanders die er in het gevangenishospitaal hebben gelegen. Het verzamelde, kennelijk, de gevangenisdossiers van Nederlanders, want deze dossiers bevinden zich nu bijna allemaal bij het NIOD in Amsterdam. Bij mijn eerste bezoek aan het NIOD op zoek naar informatie over mijn vader kreeg ik diens gevangenisdossier uit Celle. Men kon toen niet verklaren hoe dat dossier in Amsterdam was beland. Duitse onderzoekers waren overigens verbaasd over het feit, dat in Amsterdam Duitse gevangenisdossiers worden bewaard.
Ik heb geprobeerd meer informatie te vinden over de mensen die volgens de opgestelde lijsten op 6 april 1945 uit het tuchthuis van Celle zijn vertrokken. Vaak staat er nadrukkelijk bij, dat ze naar Wolfenbüttel gingen. Ik gebruikte voor mijn zoektocht de vele mogelijkheden die internet tegenwoordig biedt. Ik doorzocht via Delpher kranten, tijdschriften en boeken. Ik raadpleegde archieven waar persoonsgegevens uit de burgerlijke stand teruggevonden kunnen worden, bij voorbeeld via Open Archieven. Ook het online archief van Arolsen Archives leverde informatie. Daarnaast keek ik rond op genealogische sites. Ik probeerde ook direct contact te leggen met mensen die wel familie moesten zijn van een van de mannen. In een enkel geval was dat succesvol. En ik plaatste, helaas zonder resultaat, oproepen op Facebook-sites van in lokale of oorlogsgeschiedenis geïnteresseerden.

Online vind je steeds meer, maar veel ook niet. Personen die minder dan honderd jaar geleden werden geboren, worden in de regel afgeschermd, tenzij ze langer dan vijftig jaar dood zijn. De als basis gebruikte lijsten uit Celle geven soms wel, soms niet een geboortedatum. Sommigen zonder geboortedatum hebben veelvoorkomende voor- en achternamen. Het is dus niet altijd absoluut zeker, dat ik de juiste heb geïdentificeerd. Via de lijsten uit Celle kom ik aan de namen van 24 Nederlanders. Van 22 of 23 van hen liggen de dossiers bij het NIOD. De Duitsers maakten overigens de nodige fouten bij het spellen van de namen.
Ik ga ze een voor een na: wat kan er over hen gevonden worden? Al gauw stuite ik op een aantal problemen. Om te beginnen: wanneer ben je een Nederlander? Je zou verwachten, dat juist dat eenvoudig zou zijn. Maar niets is minder waar.

Ik begin met Gerhard Tülk. Hij werd op 18 mei 1921 geboren in Nordhorn, waar hij werd opgevoed door zijn grootouders. Je zou dus zeggen, dat hij een Duitser is. Maar in zijn Celle-dossier staat nadrukkelijk vermeld, dat hij een Nederlander is. Het lijkt erop te wijzen, dat zijn vader een Nederlander was. Ook op documenten in de Arolsen Archives staat hij als Nederlander vermeld. Tulk is een veel voorkomende achternaam in de grensregio bij Nordhorn, bij voorbeeld in Weerselo. Gerhard ging op zijn 14e als Hilfsarbeiter werken, in een fabriek in Nordhorn. Zijn adres bij arrestatie is overigens Jacobsstrasse 4 in Hannover. Hij werd in 1944 als Kriegswirtschaftsverbrecher opgepakt (meestal duidt dat op zwarthandelaars), en in september dat jaar tot twee jaar en negen maanden tuchthuis veroordeeld. Hij was al eens eerder veroordeeld, in mei 1942, voor Wilddieberei, stropen dus.

Van Jan Willem van Arkel ligt geen dossier bij het NIOD. Hij was een Nederlander, geboren in 1894 in Driebergen, die naar Duitsland was geëmigreerd. In Bremen hield hij zich bezig met de handel in en certificering van zeldzame postzegels. Hij was een gewaardeerd medewerker van de Friedemann catalogus. Op internet vinden we een door hem geschreven brief met als datum 1950. Zijn adres is dan Georg Grönningstrasse 88c in Bremen. Op Nederlandse websites was niets te vinden over hem.

Herbert Stahl werd als Herbert Heinrich Jacques geboren op 12 augustus 1921. Hij werd geboren in Rotterdam en groeide daar op, maar hij had de Duitse nationaliteit, omdat zijn vader uit Duitsland kwam. Zijn vader was de uit Hannover afkomstige matroos en havenarbeider Heinrich Karl Hermann Konrad Gottfried Stahl (Karl Stahl sr.), zijn moeder de uit een Joods venter- en kermismuzikantengeslacht stammende Esther Vreeland. Na de lagere school volgde Herbert een opleiding tot slotenmaker. Hij woonde thuis in de Sint Mariastraat 38, nadat het ouderlijk huis in de Lijnbaanstraat bij het bombardement van Rotterdam van 14 mei 1940 was verwoest. Als Duitser moest Herbert op 25 maart 1943 in dienst. Waarschijnlijk voordat hij in dienst ging was hij aan het werk in een revisiewerkplaats van de Lufthansa in Schkeuditz, gezien een document in de Arolsen Archives. Hij werd op 20 april 1944 grenadier in het Panzer Regiment 79, maar drie dagen later al opgepakt vanwege Fahnenflucht. Hij zal toen wellicht hebben gehoord, dat zijn broer Karl aan het Oostfront gesneuveld was. Die sneuvelde als Duits soldaat bij Odessa aan het Oostfront op 4 maart 1944. Herbert werd veroordeeld tot 5 jaar tuchthuis, wat een lichte straf lijkt voor desertie. Die straf moest beginnen op de dag dat de oorlog afgelopen zou zijn. Hij werd opgesloten in Kattowitz (35 kilometer ten noorden van Auschwitz), vervolgens in het Strafgefangenenlager in Brual-Rhede, Emsland (vlak bij Winschoten), maar daar wilden ze hem niet, een zoon van een Volljüdin. En dus werd hij al vast afgevoerd naar het tuchthuis in Celle.

Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is Deutsche-Zeitung-in-der-NL-26-4-1944.jpg
Deutsche Zeitung in der Niederlande, 26 april 1944.

In de overlijdensadvertentie voor broer Karl jr. wordt de naam van zijn Joodse moeder niet genoemd, en ook niet de niet meer thuis wonende broer en zussen. Er waren nog twee broers en twee zusters van moeder Esther Vreeland in leven, toen de oorlog uitbrak. Drie van hen werden vermoord in Auschwitz. Daarnaast werden talloze neven en nichten en andere familieleden vermoord. Esther kwam uit een groot, straatarm gezin, waarin ook Sophia Vreeland opgroeide, dochter van oudste zus Judith. Ze werd later geëcht tot Sophia de Jong. Sophia en haar echtgenoot Meijer Frank werden beiden vermoord in Auschwitz. Hun dochter, de vermaarde violiste en actrice Jetty Cantor, overleefde Westerbork, Theresienstadt, Auschwitz en Bergen-Belsen. Tijdens een van de dodentochten aan het eind van de oorlog wist ze te ontsnappen door uit een trein te springen. Karls vrouw is Maria van der Buuse. Zij werd om een onbekende reden in juli 1943 gearresteerd, opgesloten in Konzentrationslager Herzogenbusch (het SS-kamp Vught) en later afgevoerd naar een Duits concentratiekamp. Ze overleefde de oorlog. Haar vader hertrouwde de zus van Esther Vreeland, Alida Vreeland. Ook zij overleefde de holocaust. De drie zonen van Karl en Maria werden in de oorlog gedwongen geplaatst in een Duits pleeggezin.

Karl Stahl sr. en Karl Stahl jr. (familiebezit).

Het lijkt er sterk op, dat Herbert Stahl het transport of, waarschijnlijker, de dagen erna in de gevangenis van Wolfenbüttel niet heeft overleefd. Hij zal geen papieren bij zich hebben gehad. De kans is groot, dat hij nooit is geïdentificeerd. Familieleden hebben nooit van hem gehoord, en er was dus geen contact na de oorlog tussen hem en zijn ouders. Er zijn geen foto’s van hem bekend. Ik kan nergens een bericht van overlijden vinden.

De volgende acht gevangenen hebben dicht bij elkaar liggende nummers in het gevangenisboek, suggererend dat ze tegelijkertijd in Celle werden ‘ingeboekt’. Van drie staat vast, dat ze uit Hameln via Hannover en Hamburg in het tuchthuis Celle belandden (brief Waller), een tocht die begon met het vertrek uit de gevangenis in de Utrechtse Gansstraat, op 6 september 1944 (de dag na Dolle Dinsdag). Hoorden ook de andere vijf tot deze Utrechtse gevangenen? Waren het allemaal politieke gevangenen? Of zaten er ook criminelen tussen?

Jan Bruco Broekema, geboren in 1907, was reserve-eerste luitenant bij de artillerie. Hij was chef staf van de Ordedienst (OD), een verzetsorganisatie, die in het begin van de oorlog werd opgericht door hoge militairen om in samenspraak met de bezetter de orde te bewaren, maar al gauw een verzetsrol ging spelen dankzij haar contacten met de regering in Londen. De OD werd tijdens de oorlog voortdurend geteisterd door verraad. Veel leden werden gearresteerd, tot lange gevangenisstraffen veroordeeld of geëxecuteerd. Broekema werd in april 1944 opgepakt en veroordeeld tot 15 jaar vanwege ‘Feindbegünstigung’.
“Onze Vader heeft vanaf maart 1944 in ca. tien tuchthuizen, gevangenissen en kampen gezeten, drie in Nederland en vanaf medio september zeven in Duitsland met – voor wat betreft Duitsland – Hans Waller. Wel denk ik in aparte cellen, hoewel ik daar niet zeker van ben. Vader is medio september 1944 plotseling ’s nachts op transport per trein gezet, ik denk vanuit Utrecht, met vele anderen. Vader dacht dat dit met Arnhem te maken had omdat eerder die zelfde dag een armada aan geallieerde vliegtuigen naar het oosten vloog. Het tuchthuis in Anrath was het eerste Duitse tuchthuis dat werd aangedaan (16 – 26 sep 1944). De verplaatsingen naar andere tuchthuizen dieper in Duitsland waren een gevolg van de opmars van de geallieerden. V.w.b. het verblijf in Wolfenbüttel ben ik behalve de naam Hans Waller de naam Andries Graafhuis tegengekomen, met wie vader na de bevrijding door het negende Amerikaanse leger in het lazeret van de gevangenis heeft gelegen. Een Britse officier heeft verzocht hen beide, daar zij niet meer tot lopen in staat waren, op hun verzoek over te brengen naar een hospitaal opdat zij na hun herstel zich in Brunswick Camp weer bij hen zouden voegen” (E-mail Menno Broekema, 24-9-2020).

Jan Bruco’s vrouw schreef een boek over de verzetsactiviteiten van haar en haar man. Daarin stelt zij, dat haar man na de gevangenis van Utrecht steeds verder naar het oosten werd verplaatst, middels de beruchte ‘dodenmarsen’. “In bittere koude, nauwelijks voedsel, kleding en schoeisel sjokten ze voort, urenlang. Velen bezweken, vielen neer en werden doodgeschoten”. Uiteindelijk kwam hij aan in Wolfenbüttel, waar hij door de Amerikanen werd bevrijd. Dat laatste klopt dus, ik denk, dat de verplaatsingen gruwelijk waren, maar nog niet zo ernstig als de genoemde dodenmarsen.

Andries Graafhuis (De Jong, 6: 195; 7: 951, 952n, 977,981) was een van de oprichters van de Raad van Verzet (RVV). Het initiatief voor de RVV kwam oorspronkelijk uit kringen van de OD. Graafhuis was een medewerker van de radiodienst van de OD. Hij was ook lid van Fiat Libertas. De leiders van die groep, onder wie vader en zoon Graafhuis, werden in 1943 en 1944 gearresteerd, en in juli 1944 ter dood veroordeeld, en opgesloten in de gevangenis Utrecht Gansstraat. De executies lieten op zich wachten. De dag na Dolle Dinsdag werd deze groep afgevoerd naar Duitse gevangenissen. Ze hadden geluk: hun dossiers waren zoek. Ze waren ‘Häftlinge ohne Papiere’ geworden.
De RVV moest een overlegorgaan worden voor de verschillende verzetsgroepen. De oprichting vond plaats op 1 mei 1943. Later traden communist Gerben Wagenaar en, namens het kunstenaarsverzet, beeldhouwer Gerrit Jan van der Veen toe. Maar er ontstond een conflict met name met de OD over de communicatie met Londen. De top van de OD wilde bovendien pas rondom de bevrijding in actie komen, terwijl de RVV juist sabotageacties wilde. Hoewel Londen in de RVV een belangrijk orgaan zag, speelde ze al gauw nauwelijks meer een coördinerende rol, maar werd het een zelfstandige verzetsclub. De OD maakte de RVV in Londen succesvol zwart door te beweren dat ze links was.

Algemeen Dagblad, 5 januari 1953.

Graafhuis emigreerde in 1953 naar de Verenigde Staten (Grand Rapids), een feit, dat nieuwswaardig werd gevonden (Algemeen Dagblad, 5 januari 1953). Het onderschrift bij de foto meldt, dat hij vlak voordat hij terecht zou worden gesteld in een Duits concentratiekamp, door de Amerikanen werd bevrijd. Dat concentratiekamp was echter de gevangenis te Wolfenbüttel. Zijn dochter Bertha claimt in november 1955 in de Evening Standard uit Washington, dat haar vader door de Amerikanen werd bevrijd, een week voordat hij zou worden doodgeschoten, en dat hij in Buchenwald had gezeten. Beide laatste claims lijken niet correct.

Graafhuis overlijdt in 1982 in Arnhem. Hij was de vader van verzetsheld Wubbo ‘Bob’ Graafhuis. Zie ook: De Jong, 7, deel 2, p. 950-952n, 977n.

Joannes Deodatus (John, Hans) Waller, geboren in 1906, was directeur van de Amsterdamsche Superfosfaatfabriek (nu ICL Fertilizers). Hij naam deel aan twee verzetsorganisaties die neergestorte geallieerde piloten naar Engeland trachtten te laten vluchten. De eerste, Vrij Nederland, liep fout in Frankrijk. Vervolgens sloot hij zich aan bij Fiat Libertas (De Jong, passim). Soms hielpen ze 20 man per week over de grens met België. Op 1 april 1944 wordt hij met andere leden van de groep gearresteerd en opgesloten in de gevangenis van Scheveningen. In juni wordt hij overgeplaatst naar de gevangenis in de Gansstraat in Utrecht en, begin juli, berecht. Er vallen 11 doodvonnissen, maar Waller wordt veroordeeld tot twaalf en een half jaar tuchthuis. Op 6 september wordt hij met bijna de hele gevangenis naar Duitsland afgevoerd. Er volgt een tocht langs diverse gevangenissen en tuchthuizen. Op 16 december arriveert hij in het tuchthuis te Celle, waar hij verblijft tot 6 april 1945.

Gommert Traas, geboren in 1885 in Rilland, waar hij boer was. Hij was op zijn land in Rilland-Bath aan het werk, toen in juni 1943 een Brits vliegtuig in de nabije Schelde neerstortte. Een bemanningslid wist zich met de parachute te redden, en verborg zich tussen de paardenbonen, waar hij door boer Traas de volgende dag werd gevonden. Traas bracht hem water en brood, verzorgde zijn gewonde voet en bracht hem later samen met zijn dochter naar een schuurtje, maar haalde hem al gauw naar zijn woning. Daar verbleef de Engelsman zes weken tot hij, in augustus, door verzetsman Sam Buijs werd opgehaald om hem over de Belgische grens te brengen. Maar in Zeeuws-Vlaanderen werden zij opgepakt. Later bleek dat ze verraden waren door de Duitse deserteur Fransz Still. In september werd eerst de zoon van Traas, en de volgende dag Gommert zelf opgepakt. Vader Traas bekende gedeeltelijk om zijn zoon vrij te krijgen. In Utrecht werd hij berecht en op 1 juli 1944 tot levenslang tuchthuis veroordeeld. Die straf werd op 8 augustus omgezet in tien jaar. Meer dan waarschijnlijk behoorde hij tot de gevangenen uit de Utrechtse Gansstraat, die de dag na Dolle Dinsdag op transport werden gesteld. Hij maakte de zelfde tocht als Waller noemt in een brief uit 1961. Alleen wordt in een krantenverslag van 19 mei 1945 opgetekend, dat hij van Wolfenbüttel in Celle belandde, waar hij op 19 april 1945 door de Britten zou zijn bevrijd. Dat kan niet waar zijn. Ik ga ervan uit, dat de journalist die Traas na zijn bevrijding sprak, een en ander fout heeft genoteerd. Traas was op 10 mei 1945 weer thuisgekomen. Traas verkreeg het Verzetsherdenkingskruis. In 1955 overleed hij in een Vlissingse instelling, waar hij was opgenomen, omdat hij door de Duitsers geestelijk gebroken was.

Vrije Stemmen, 14 mei 1945.

Pieter (Piet) van de Geest werd in 1908 in Ede geboren, en werd leraar Duits en decaan op een school in Goes. Hij was bovendien reserve-majoor. Hij was lid van de OD en behoorde ook tot de makers van de gereformeerde verzetskrant Trouw. Hij maakte deel uit van de Zeeuwse tak van Dienst Wim, een verzetsgroep die in handen van de Duitsers viel dankzij de beruchte verrader Anton van der Waals. Hij werd echter berecht met degenen die door het verraad van de Duitse deserteur Fransz Still waren opgepakt. Hij werd tot levenslang tuchthuis veroordeeld, omgezet in tien jaar, vanwege ‘Feindbegünstigung’. Ook hij zal de dag na Dolle Dinsdag op transport zijn gezet om uiteindelijk in Celle te belanden. Hij ontving het Verzetsherdenkingskruis.

Piet van der Geest (nr. 11) op schoolfoto uit 1941.

Het vinden van sporen van deelnemers aan het transport die niet om politieke redenen waren veroordeeld, is een stuk lastiger. Het zal hier gaan om mannen die als crimineel werden veroordeeld. Vaak was dat omdat ze iets misdaan hadden als dwangarbeider. Vaak komen ze uit arme tot zeer arme milieus. Hun geboorte werd niet in een krantenadvertentie gemeld. Sommigen hebben geen enkel genealogisch spoor nagelaten. Wie na 2020 werd geboren, is ook niet goed vindbaar in de openbare archieven: documenten zijn nog niet in te zien. Sommigen hebben bovendien veelvoorkomende namen, wat zoeken lastig maakt, vooral als er ook geen geboortejaar bekend is. Door de groep gevangenen loopt een dikke scheidslijn. Politieke gevangenen die schreven over hun opsluiting in Duitse gevangenissen of kampen klagen vaak over de aanwezigheid van door hen niet gewaardeerde ‘criminelen’.

De broers Severin werden veroordeeld wegens sabotage en Feindbegünstigung, maar hebben ook hun sporen nagelaten in Amsterdamse politierapporten uit de oorlog.

Petrus en Johannes Jacobus Severin zijn twee Amsterdamse broers. Johannes Jacobus werd in 1925 geboren. Hij ging op zijn veertiende werken, eerst anderhalf jaar als leerling-bakker bij bakkerij Verbeek, en daarna als kok bij Dikker en Thijs, nog steeds te vinden in Amsterdam. In de oorlog werd hij kok in de Volkskeuken. Hij werd een viertal keren geregistreerd in de politierapporten van Amsterdam, maar waarom hij werd opgepakt is niet in te zien. Zijn broer Petrus werd geboren op 4 augustus 1918. Na de lagere school ging hij als slager aan het werk bij slager Lus aan het Boerhaaveplein, tot aan zijn arrestatie. Dat meldde hij althans bij zijn intake in Celle. Maar bij de keuring voor militaire dienst, enkele jaren eerder, noemde hij als banen poelier en aardappelwerker. Hij was tijdens de oorlog bietenkoker en betonwerker. Petrus werd diverse malen opgepakt in Amsterdam gedurende de oorlogsjaren: wegens het overtreden van de spertijd, wegens diefstallen, een keer wegens ontucht met een minderjarige. Van veroordelingen is niets bekend. Bij een inbraak werd bij fouillering 8 cent gevonden. Dat kan geen succesvolle klus geweest zijn. Zijn vader zat overigens diverse malen langere tijd gevangen wegens inbraken. In 1943 vroeg Petrus een paspoort aan voor Frankrijk.

Op 21 maart 1944 werden beide broers door het Gericht des Marinebefehlhabers in die Niederlanden veroordeeld tot 10 jaar tuchthuis, vanwege Feindbegünstigung en sabotage. Die rechtbank zat in een schoolgebouw aan de Utrechtse Plompetorengracht. Johannes handelde, zo claimde hij volgens zijn dossier, uit patriottisme, zijn broer uit vaderlandsliefde, om politieke redenen dus. Het zijn kleine dossiers, maar in die van Johannes liggen briefjes met toestemming aan familieleden voor bezoek, verstrekt namens de marinebevelhebber. Beide broers zullen in de gevangenis in de Gansstraat te Utrecht zijn beland. Ze arriveerden in Celle uit het tuchthuis te Lüttringhausen via Hannover op 16 december 1944. Op 25 mei 1945 haalden beiden de kranten. Ze stonden eind mei 1945 vermeld op een door ‘Herrijzend Nederland’ vrijgegeven lijst van politieke gevangenen uit concentratiekampen te Luttinghausen, Buchenwald, Dachau, Rochenberg en Siegburg. In het communistische dagblad De Waarheid wordt dit, enkele dagen later, “expolitieke gevangenen”, bevrijd uit gevangenkampen te (o.a.) Celle, Buchenwald, Dachau.

Antonius Adrianus Christiaan Huppelschoten, geboren in 1918 in Utrecht, was tot 6 jaar veroordeeld wegens veldpostdiefstal. Ik heb geen gevangenisnummer van hem. Hoorde hij ook tot groep afkomstig uit Utrecht? Ook hij staat op de in mei 1945 in kranten gepubliceerde lijst met teruggekeerde politieke gevangenen. Op enig moment lag hij in het Repatriëringsziekenhuis in Maastricht.

Andries Kooi werd in 1923 in Sneek geboren. Op een gegeven moment woonde hij in de Javastraat in Amsterdam. Hij vroeg in Amsterdam een paspoort aan en hij staat op een lijst met Amsterdamse tewerkgestelden. Maar deze bronnen zijn niet in te zien. Verdere informatie ontbreekt.

Johannes de Koning kwam uit Rotterdam, waar hij in 1924 werd geboren. Hij werd wegens ordeverstoring veroordeeld tot anderhalf jaar. Eind 1946 woonde hij (nog steeds) in de Groningerstraat. Hij biedt dan een drumstel te koop aan. Meer informatie is er niet over hem te vinden.

Het Vrije Volk, 5-12-1946.

Arie van Spronsen, geboren op 15 april 1921 in Loosduinen, was in Loosduinen postbeambte, woonde in de Vianderstraat, en wordt op enig moment tewerkgesteld bij de posterijen in Hannover. Hij werd ondergebracht in de Grosse Packhofstrasse 24. Op dat adres waren Nederlandse PTT’ers in het ‘Holländische Postlager’ gehuisvest. In een brief uit december 1942 klaagden deze bij hun Nederlandse bazen over de erbarmelijke huisvestings- en voedingssituatie. Van Spronsen verhuisde in februari 1943 naar de Pertszstrasse 17, waar inmiddels ook mijn vader Cornelis Kentie woonde.. Hij belandde in het Nordstadt ziekenhuis begin 1944, maar kwam na een week weer thuis, wat inmiddels de toenmalige Misburgerdamm 64 was. Omstreeks augustus 1944 werd hij gearresteerd voor het roven van postpakketten en, op 1 september 1944 door het Sondergericht Hannover als Volksschädling tot 1 jaar en 3 maanden tuchthuis veroordeeld. Hij belandde in het tuchthuis van Celle, waar hij in oktober dat jaar moest betalen voor een kwijtgeraakte vaatdoek. Op 6 mei 1945 verliet hij Duitsland. Op internet is een foto te vinden, gemaakt van PTT’ers voor het postkantoor in Loosduinen, gemaakt in 1945 en waarop hij zou staan.

PTT-personeel in Loosduinen, 1945. Een van hen is Arie van Spronsen.


Arie de Man werd in 1922 of 1924 geboren in Rotterdam, maar woonde in Schiedam in de Buys Ballotstraat. Op enig moment zat hij waarschijnlijk in kamp (PDL = Polizei Durchgangs Lager) Amersfoort. Dat was een door de SS beheerd kamp, waar politieke maar ook andere gevangenen werden opgesloten. Vooral opgepakte onderduikers die aan tewerkstelling trachtten te ontkomen, belandden er. De Man zou op transport worden gesteld naar LAA Brandenburg, maar op een archiefkaart uit Arolsen staat: ‘niet vertrokken’. Hij belandde uiteindelijk, waarschijnlijk eind 1944 gezien zijn gevangenisnummer, in Celle en werd daar opgenomen in het lazaret vanwege aambeien.

Gerardus Verbeek is een PTT’er uit Haarlem, waar hij op 14 januari 1921 werd geboren. Op 6 januari 1944 werd hij door het Sondergericht Hannover veroordeeld tot 1 jaar 6 maanden tuchthuis als Volksschädling vanwege herhaalde diefstal. Verbeek volgde na de lagere school drie jaar gymnasium, en ging toen aan de slag als boekhouder bij een accountant. In juli 1943 werd hij tewerkgesteld bij de Reichspost in Hannover. Hij woonde daar in het Lager Vahrenwald, een Gemeinschaftslager aan de Stader Chaussee 6, eens een SA-Reitschule. Hij zou post hebben gestolen omdat hij honger had.

Dirk Veeninga werd op 4 april 1922 in Emmen geboren. Hij ging naar school tot en met zijn dertiende en ging toen aan de slag bij een boer. Hij staat ook ergens als veenarbeider vermeld. In augustus 1943 werd hij naar Hannover gestuurd, waar hij als’Aushilfsgepäckarbeiter‘ bij de Reichsbahn aan het werk werd gesteld. Op 22 september 1944 werd hij voor diefstal gearresteerd. Hij woonde toen in een kamp in de Hindenburgstrasse in Lehrte. Op 8 december 1944 werd hij naar Tuchthuis Celle gestuurd.

Sjoerd van der Meulen uit Terwispel werd wellicht op 7 maart 1909 geboren in de gemeente Opsterland, waarvan Terwispel deel uitmaakt. Maar in Arolsen is nog een ander met die naam geregistreerd, uit 1922.

Arend Hoekveen uit Vlaardingen werd op 2 januari 1913 geboren. Hij werd veroordeeld tot 3 jaar vanwege het bezit van een wapen. Hij emigreerde naar Australië, waar hij in 1973 overleed.

Herman Habing. De archieven kennen geen Herman Habing. Wellicht gaat het om Henricus Habing, maar daarvan zijn er minstens drie in Arolsen. Habing kwam uit Emmen, werd veroordeeld voor zware diefstal tot 2 jaar en 6 maanden.

Arend Veneman werd op 13 maart 1884 geboren in Zwollerkerspel. Beide ouders waren schoenmaker. Hij ging nooit naar school en ging aan het werk op zijn tiende bij een boer. Zeven jaar later vertrok hij naar Duitsland, waar hij allerlei verschillende beroepen uitoefende. Soms keerde hij voor enige tijd terug naar Nederland. In 1916 werd hij in ons land veroordeeld tot een half jaar gevangenis. In de gevangenis leerde hij lezen en schrijven. In 1939 vertrok hij weer naar Duitsland en vestigde zich in Senne II. Hij was gehuwd met Bertha Schutzeigel uit Iserloh. Op 26 mei 1941 werd hij tot een onbekende tuchthuisstraf veroordeeld vanwege kindermisbruik (§ 176 Ziff. 3 StGB) door de Jugendschutzkammer Bielefeld. Hij werd opgesloten in Tuchthuis Celle. In februari 1944 vroeg hij daar om een Nederlandse bijbel: Duits kon hij niet lezen. Zijn vrouw mocht een keer niet op bezoek komen, omdat ze kritiek op de straf had geuit. Hij overleed op 25 mei 1945 in Wolfenbüttel, logischerwijs in de gevangenis.

Peter Stuivenberg uit Den Haag staat op de op 20 mei 1945 gedateerde en enkele dagen later in kranten gepubliceerde lijst met teruggekeerde politieke gevangenen. Bij het NIOD ligt een gevangenisdossier van een Pieter Stuyvenberg. Die komt uit Polsbroek en werd veroordeeld voor het stelen van 9 kippen. Er is geen dossier van een Haagse Peter Stuivenberg bij het NIOD. Ik heb geen geboortedatum. In de Haagse archieven komt geen Peter Stuivenberg voor. Ten minste twee personen met de naam Pieter Stuivenberg uit Den Haag komen in aanmerking.

Johannes Antonius Maassen werd geboren in Millingen op 9 januari 1920, als we de goede hebben. Een document uit Arolsen meldt, dat hij op 17 februari 1945 gevangen werd gezet. Waar dat was, is niet duidelijk.

Cornelis Kentie, mijn vader, werd op 28 september 1919 in Rotterdam geboren. Op zijn veertiende ging hij aan het werk, waarschijnlijk als kantoor- en of magazijnbediende. Bijna direct na het binnenvallen van de Duitsers op 10 mei 1940 werd hij krijgsgevangen gemaakt en afgevoerd naar Stargard II D in Pommeren. Op 6 juni kwam hij weer thuis. Op 15 mei 1941 kwam hij als hulpbesteller in dienst bij de PTT. Op 19 november 1942 werd hij naar Hannover gestuurd. Hij kwam te werken op het hoofdpostkantoor en werd ondergebracht in een kamp in de Schierholzstrasse. Na klachten van PTT’ers werd hij met collega’s ondergebracht in nieuwbouw voor de Fernmeldedienst in de Pertszstrasse in Kleefeld. Daar werd hij op 7 april 1943 gearresteerd. In zijn koffers vond men 47 afgestempelde adreskaarten van door hem opengemaakte postpakketten. Het was vooral veldpost met daarin koeken en koekjes voor aan het front gelegerde soldaten. Op 21 mei werd hij door het Sondergericht Hannover als Volksschädling ter dood veroordeeld. Hij werd opgesloten in de gevangenis van Wolfenbüttel, waar doodvonnissen werden voltrokken. Op 10 september dat jaar werd zijn straf veranderd in 10 jaar tuchthuis. Hij werd aan het werk gezet. Begin juni 1944 werd hij overgeplaatst naar het tuchthuis in Celle, waar hij op 9 juni arriveerde.

Cornelis Kentie, tuchthuis Celle, juni 1944.

Direct na de bevrijding van de gevangenis van Wolfenbüttel op 11 april liep hij naar Hannover, waar hij werd opgenomen in het Ricklingen-ziekenhuis (Krankenhaus Siloah). Vier weken later, op 9 mei ging hij met een transport naar Eindhoven. Op 12 juni kwam hij weer thuis bij zijn ouders op de Noorderhavenkade in Rotterdam.

.

Van ten minste zes personen kon geen naoorlogs levensteken gevonden worden. Betekent dat, dat ze onderweg of in de gevangenis van Wolfenbüttel gestorven zijn? Dat laatste is goed mogelijk: er moeten veel gevangenen rondom de bevrijding zijn overleden door ziekte , uitputting, mishandeling. Er is niet veel bekend over deze periode in de gevangenis. Maar de kans lijkt me groter, dat ze niet online gevonden kunnen worden. Gegevens van de burgerlijke stand zijn alleen openbaar als personen minder dan honderd jaar geleden zijn geboren of minder dan vijftig jaar geleden zijn overleden. Vier van de zes zijn in of na 1921 geboren. Twee van de zes heb ik niet precies kunnen identificeren: ik weet hun geboortedatum dus niet.

Heb je meer informatie over een van deze mensen? Vul dan onderstaand formulier in!

Theo Kentie, mei 2021

Bronnen

Carla Rus, Breekbare helden; het verzet in Zeeland 1940-1944. Goes: Het Paard van Troje, 2019.

‘Uit Duitsche gevangenschap teruggekeerd’. In: Provinciale Zeeuwsche Courant, 19-5-1945;

Vrije Stemmen, 14 mei 1945;

https://www.genealogieonline.nl/stamboom-traas/I141.php;

Sieke Broekema-Kruize, Een familie in verzet; het verhaal van Aagje’s Hoeve in Blaricum, het huis met de beschermengel 1940-1945. Blaricum: Historische Kring Blaricum, 1995;

http://resources.huygens.knaw.nl/vrouwenlexicon/lemmata/data/Cantor;

https://theaterencyclopedie.nl/wiki/Column_Jacques_Kl%C3%B6ters_27_januari_2015

Databank Oorlogsslachtoffers Zeeland;