Het transport van tuchthuis Celle naar gevangenis Wolfenbüttel.

(Dit bericht wordt nog voortdurend aangepast)

Toen mijn vader in juni 1944 van Wolfenbüttel naar Celle werd overgebracht, werd ieder deel van zijn transport via de gevangenis in Hannover door zijn bewakers minitieus vastgelegd. Zo kwam hij op 9 juni 1944 om 06:33 uur aan op het station van Celle. Dit missen we geheel voor zijn ‘terugreis’. Om dat transport te reconstrueren maak ik gebruik van schaarse en elkaar soms tegensprekende getuigenissen van deelnemers en van enkele documenten. Ik probeer daarbij ook meer te weten te komen over de Nederlanders die met mijn vader deel uitmaakten van dit transport.

Vertrekplaats: tuchthuis Celle.

Een van de mannen die deel uitmaakten van het transport, was Richard Trampenau. Hij was in juli 1933 ter dood veroordeeld na een schietpartij op 31 januari met fascisten in Wilhelmsburg. Vier man werden geraakt, een van hen wees de communist Trampenau aan als dader. Die wist wie het wel was, maar weigerde diens naam te noemen. De straf werd veranderd in levenslang en hij werd in Celle opgesloten. Hij schrijft kort na de oorlog, dat er in het tuchthuis plaats was voor zo’n 450 gevangenen, maar dat er aan het eind van de oorlog zo’n 1600 waren. Deze overbevolking leidde voor velen tot de dood. Iedere dag stierven er zes tot tien gevangenen, als gevolg van ondervoeding, aan oedeem, dysenterie, tbc. Er werd voortdurend geslagen, maar hij maakte niet mee, dat iemand dood werd geslagen. Wel werden doodzieke gevangenen geregeld op ‘Todeskommando’ gestuurd: ze werden dan buiten de gevangenis onder beroerde omstandigheden aan het werk gezet, wat ze natuurlijk niet overleefden. Hij noemt de Hollander Sipke de Hoop bij naam. Buitenlanders werden er extra slecht behandeld. Hij schatte, dat 30% van de gevangenen ernstig ziek was.

Tuchthuis Celle.

Met de trein naar Braunschweig

Het precieze aantal gevangenen op het transport is niet duidelijk. Oberverwalter Röbbeling heeft het op 5 november 1945 in een bericht over 350 man. John Waller noteert anderhalve maand later, dat het om circa 300 gevangenen ging. Onder die 300 à 350 man bevonden zich 24 Nederlanders. Dat aantal heb ik geconstrueerd uit verschillende lijsten die een Nederlands Rode Kruisteam in het tuchthuis van Celle verzamelde. Dat team deed onderzoek in de Britse bezettingszone in het voorjaar van 1946. Ook OTS Arolsen (nu Arolsen Archives) heeft lijsten, al dan niet van dit Nederlandse team verkregen. Op een van die lijsten staat wanneer Nederlandse gevangenen het tuchthuis verlieten, dood of levend. Achter 24 namen staat als datum 6 april 1945, soms staat er nadrukkelijk bij, dat iemand naar Wolfenbüttel was vertrokken. Van 23 van hen ligt het gevangenisdossier uit Celle in het archief van het NIOD in Amsterdam. Mijn veronderstelling is, dat die dossiers door het Rode Kruisteam zijn meegenomen. In een volgend hoofdstuk wordt geprobeerd meer informatie over deze 24 Hollanders te geven.

Station van Celle.

Het transport vertrok op 6 april ‘s avonds lopend naar het 500 meter verderop gelegen station van Celle (Trampenau noemt 2 en 4 april, maar dat is dus niet correct). De route ging wellicht over de Trift, de Arndstrasse en dan rechtsaf de Bahnhofstrasse in, met aan het einde daarvan het station. Daar werden de mannen op open goederenwagons geladen (Hauser). Ze reden die nacht naar station Braunschweig Gliesmarode, aan de oostkant van het stadje, nu een rit van circa 2 uur. Om een uur of vier in de ochtend kregen de gevangenen een plakje brood, terwijl de bewakers zich te goed deden aan hele broden, belegd met spek.

Voormalig station Gliesmarode.

Lopen naar Wolfenbüttel.

Vandaar moesten ze lopen naar Wolfenbüttel, een afstand van zo’n 15 kilometer, waar een gezond persoon dik drie uur over doet. Maar de mannen waren ‘Sterbenskrank’, ‘skin over bone’. Ze liepen op houten slippers, of op blote voeten, kapotgelopen op het beton van het wegdek. Of ze werden voortgesleept door hun kameraden; dat gold voor minstens 20 à 30 mannen. Het zal dus niet snel gegaan zijn, ook al deden SS Sturmführer Baumgarten en zijn mannen er alles aan om het tempo hoog te houden. Ze joegen ze op met hun honden en dreigden met pistolen. Ze sloegen hen tot bloedens toe, al dan niet met de doornentak van bewaker Kubiak. Baumgarten zelf schoot diverse malen. Minstens vier mannen werden letterlijk doodgeslagen, meldt Trampenau direct na de oorlog. Meerdere zijn door uitputting onderweg gestorven of achtergelaten om te sterven. Twee Nederlandse politieke gevangenen, Broekema en Graafhuis, konden twee weken later nog steeds niet lopen.

Ze zullen over de Leipziger Strasse in Braunschweig en de Neuer Weg in Wolfenbüttel gegaan zijn. Het was door bewoond gebied, want ze werden vijandig gadegeslagen door vrouwen en kinderen, contateert Waller.

Aankomstplaats: de gevangenis van Wolfenbüttel.

De gevangenen moeten op 7 april omstreeks het middaguur of in de loop van de middag in de gevangenis van Wolfenbüttel gearriveerd zijn. Daar was niet op hen gerekend. In allerijl werd de zaal in huis III ontruimd: de gevangenen daar werden verplaatst naar gereed gekomen barakken, bedoeld voor de opvang van zieken. Ongeveer 200 nieuwkomers werden in de zaal van huis III ondergebracht, de rest in huizen I en II.

Binnenplaats van de gevangenis van Wolfenbüttel.

Heel veel nieuwkomers waren ernstig ziek. Zo’n veertien à zeventien werden direct naar het lazaret overgebracht. In de toch al overvolle gevangenis met een capaciteit van circa 1000 gevangenen bevonden zich nu 1500 gevangenen. Op 8 april werden ongeveer 300 gevangenen, vooral NN-gevangenen, van de gevangenis van Wolfenbüttel op transport gezet
De getuigenverklaringen over wat er na aankomst gebeurde, verschillen. De 34-jarige gevangene Karl Kóller getuigde waarschijnlijk niet lang na de bevrijding, dat hij over de behandeling in Wolfenbüttel niks te klagen had, want er waren helemaal geen bewaarders meer. Eind 1945 schrijft Waller, dat hij met zo’n 120 man in een grote ruimte werd opgesloten, en dat de guillotine was begraven op het binnenterrein. Op dat binnenterrein waren bij aankomst de bloedende gewonden neergelegd, schrijft Trampenau ongeveer in dezelfde tijd. Maar in een brief gedateerd 11 juli 1963 schrijft Waller, dat er per dag ’30 onzer’ willekeurig gekozen middels de guillotine werden terechtgesteld. Je vraagt je dan af, waarom hij dit niet noemde in zijn enkele maanden na de bevrijding geschreven verslag. Ook wil je dan weten op welke dag precies de valbijl werd begraven. Ton Velder, die ik interviewde, wist zich te herinneren, dat de valbijl werd opgegraven. Hij had er zelfs mee in zijn handen gestaan.
Mathieu Smedts, die in het voorjaar van 1944 als NN-gevangene in Wolfenbüttel werd opgesloten, schrijft, dat op een gegeven moment de executies waren opgehouden ‘op speciaal bevel van de Führer’ [p. 139]. Wanneer dat precies was, is niet duidelijk. Hij noemt de aankomst van de honderden mannen uit Celle niet. Op zaterdagavond 7 april, schrijft hij, wilde de opzichter van de werkplaats waar de NN-gevangenen artillerie-instrumenten hadden gemaakt, alle machines vernielen. Smedts wist kennelijk niet, dat in de zaal waar hij maandenlang samen met andere NN-gevangenen nachtkijkers in elkaar had moeten zetten, nu gevangenen waren opgesloten. De Britten waren die dag nog 50 kilometer verwijderd. Smedts ging die avond ‘min of meer’ gelukkig’ naar bed. De volgende ochtend kreeg hij te horen, dat hij met andere NN-gevangenen op transport moest. Enkele uren later vertrokken ze, 298 NN-gevangenen en 47 ter dood veroordeelden, naar het oosten, en uiteindelijk naar de gevangenis in Brandenburg-Görden. Dat aantal komt van Jean-Luc Bellanger, die ook niets meldt over de komst van meer dan 300 nieuwe gevangenen. Hij en Smedts denken dat het was om de geallieerden voor te zijn, maar wellicht speelde ook mee, dat er ruimte gemaakt moest worden. Zestien Todeskandidaten gingen mee, maar na een oponthoud in Maagdenburg waren ze verdwenen.

(Theo Kentie, mei 2021)