Wim Pijbes en de verzonnen geschiedenis van de volkstuin.

In de NRC van zaterdag 25 mei 2022 schreef Wim Pijbes in zijn interessante rubriek over tuinen en parken het volgende:

“In tegenstelling tot publieke parken zijn volkstuintjes bij uitstek voor particulier gebruik. Begonnen in 1838 in Franeker, vanuit een filantropische gedachte door de gegoede burgerij op initiatief van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen, waren volkstuinen of arbeiderstuinen bedoeld voor de verarmde bevolking. Lange tijd waren arbeiderstuintjes moestuinen waar groenten werden geteeld voor een gezonde maaltijd, zelf gekweekt in de gezonde buitenlucht. Gaandeweg de negentiende eeuw kregen de tuintjes ook een opvoedkundige en zelfs moralistische invulling naar de dwingende ideeën van de Duitse huisarts en pedagoog Daniel Gottlob Moritz Schreber, onder andere auteur van Der Hausfreund als Erzieher und Führer zu Familienglück, Volksgesundheit und Menschenveredelung. Met dat soort boektitels weet je het wel en het moet voor Schreber vast een gruwel zijn geweest toen de groenten gaandeweg plaatsmaakten voor bloemen en siergewassen. De volkstuin was niet langer moestuin maar veranderde door de naoorlogse stijgende welvaart naar een plek voor recreatie, klaverjasavonden en tuinkabouters.”

Elke zin bevat een of meer onjuistheden of klinkklare verzinsels. Natuurlijk komt dat, omdat Pijbes’ bronnen niet deugen. En dat is jammer, want de stadsgeschiedenis, tuingeschiedenis en armoedebestrijdingsgeschiedenis verdienen beter. Al meer dan 100 jaar geleden begonnen ‘volkstuinhistorici’ , vooral uit kringen van Het Nut en de volkstuinverenigingen, met het creëren van onzin en mythes over de geschiedenis van deze tuinen. Voortdurend schrijft men elkaar over, inclusief aperte fouten. We gaan ze een voor een af.

In 1838 werd in Franeker de Spaarbank opgericht. Die Spaarbank begon pas in 1850 met het verhuren van aardappel-  of arbeiderstuintjes. Al eerder, in 1847 was het Nutsdepartement in Uithuizen begonnen met deze verhuur. De Franeker Spaarbank volgde dat voorbeeld. 1847 is een logisch jaartal. In 1845 en 1846 heerste er, ook in ons land, ‘aardappelnood’. In 1847 hadden de oogsten zich hersteld, maar aardappels waren peperduur. Daarnaast hadden landarbeiders in het noorden van het land vaak geen eigen tuin: ze woonden in dorpjes en stadjes strak op elkaar in tuinloze huisjes. Landarbeiders hadden ’s winters vaak geen inkomen. En dus was men aangewezen op wat er eerder het jaar aan voorraad was aangelegd. Varkens, aardappels en peulvruchten vormden vaak die voorraad: goed houdbaar, goedkoop. Als je tenminste je eigen lapje grond had. En ja, Het Nut adviseerde landarbeiders ook ooit om een varken te houden. In 1817 importeerde Het een ander idee: spaarbanken. Je kon nu sparen met behulp van een aardewerken spaarvarken.

  • De volkstuinen begonnen in Franeker in 1838 en op initiatief van Het Nut.

Het aanleggen van een wintervoorraad was natuurlijk ook eerder van belang. Aardappels stonden nog niet zo lang op het menu, maar landarbeiders hadden Het Nut niet nodig om aardappelveldjes / arbeiderstuintjes te huren. Andere liefdadigheidsinstellingen, kerken, gemeenten en particulieren hielden zich er ook mee bezig, ook voor 1847.  In 1809 bij voorbeeld bepleitte J.F. Serrurier in zijn plan om de landbouw te hervormen, om dagloners een tuintje voor groenteteelt te geven.

  • Het was een filantropische gedachte van de gegoede burgerij voor de verarmde bevolking.

Je kan het filantropie noemen, maar het was ook vrij simpel eigenbelang. Landarbeiders zonder wintervoorraad klopten aan bij kerken en armenbesturen. De kassen daarvan werden gevuld door die gegoede burgerij. En een deel van die burgerij had de arbeidskrachten weer nodig in de rest van het jaar. De doelgroep was in deze tijd niet de verarmde bevolking in het algemeen, maar dagloners in gebieden waar ze geen enkel stukje eigen grond hadden. De Nutsinitiatieven vonden dus vooral in kleine stadjes en dorpjes in Groningen, Friesland en Noord-Holland plaats. Daar was veel grootgrondbezit, vaak in eigendom van elders wonende landeigenaren.  In andere streken hadden dagloners altijd wel een stukje grond voor het houden van kippen, geiten, varkens en het verbouwen van aardappelen en groenten. Ze waren dagloner én keuterboer.

  • Het waren al volkstuinen of arbeiderstuinen.

De volkstuingeschiedschrijvers proberen een soort evolutionair verband aan te brengen tussen de aardappelveldjes en de volkstuinen, die in de 20ste eeuw opkwamen. Beide hadden een zekere band met Het Nut, dat wel. In Nutskringen zal Darwins evolutietheorie behoorlijk weerklank hebben gevonden, maar het is natuurlijk onzin. Het voor de slacht houden van een varken leidt niet automatisch tot het houden van twee parkietjes in een kooitje. De arbeiderstuintjes hadden niks te maken met de stedelijke volkstuinen.

  • “Lange tijd waren arbeiderstuintjes moestuinen waar groenten werden geteeld voor een gezonde maaltijd, zelf gekweekt in de gezonde buitenlucht”.

Die arbeiderstuintjes bevonden zich dus op het platteland. Landarbeiders daar werkten altijd al in die ‘gezonde buitenlucht’. Arbeiderstuintjes waren geen moestuintjes voor een gezonde maaltijd, maar moesten bijdragen aan het overleven in de wintertijd. Het ging dus niet om een gezonde maaltijd maar om het voorkomen van de hongerdood.

  • “Gaandeweg de negentiende eeuw kregen de tuintjes ook een opvoedkundige en zelfs moralistische invulling naar de dwingende ideeën van de Duitse huisarts en pedagoog Daniel Gottlob Moritz Schreber, onder andere auteur van Der Hausfreund als Erzieher und Führer zu Familienglück, Volksgesundheit und Menschenveredelung.”

Ja, er is een relatie met Moritz Schreber, maar nee, hij heeft zich nimmer met volkstuintjes bezig gehouden. Moritz Schreber was een orthopedagoog, die zich vooral bezig hield met turnen en turntoestellen. En hij had apparaten bedacht, waarmee kinderen op hun bed werden vastgebonden (want je moest op je rug slapen), of gedwongen werden rechtop te zitten bij schrijven, ‘opvoedingsapparaten’. Drie jaar na zijn dood in 1864 wilde een schooldirecteur in Leipzig een speelweide. Hij richtte hiertoe een pedagogische vereniging op, die hij ter ere van de orthopedagoog ‘Schreberverein’ noemde (nadat hij een voorstel om de vereniging naar zichzelf te vernoemen, had afgewezen). Een jaar later werd een speelweide verworven, die Schreberplatz werd genoemd. Aan de rand ervan werden kindertuintjes aangelegd. En die werden langzamerhand ‘Schrebergärten’ genoemd. Schreber zelf had daar niets mee van doen, maar op een gegeven moment werden in Leipzig bij elkaar gelegen volkstuintjes Schrebertuintjes genoemd. In 1891 waren er in die stad zes Schreberverenigingen, en daarna verspreidde het zich over het hele land. Andere benamingen verdwenen langzamerhand uit het spraakgebruik: Familiengärten, Arbeitergärten, Laubenkolonien. Alleen de benaming Kleingärten voor volkstuintjes bleef bestaan.

  • “Met dat soort boektitels weet je het wel en het moet voor Schreber vast een gruwel zijn geweest toen de groenten gaandeweg plaatsmaakten voor bloemen en siergewassen. De volkstuin was niet langer moestuin maar veranderde door de naoorlogse stijgende welvaart naar een plek voor recreatie, klaverjasavonden en tuinkabouters.”

Onder het vorige punt maakte ik duidelijk, dat de zin over Schreber nergens op slaat. Maar ook het vervolg is onzinnig. De volkstuin, waarin je geen groenten verbouwde, was een geheel ander verzinsel van de Maatschappij tot Nut van het Algemeen. In 1905 schreef de secretaris van Het Nut, Bruinwold Riedel (van hem komt de foute informatie over Franeker), een boek over allerlei soorten volks- en arbeiderstuintjes in binnen- en buitenland. Hij had daartoe een internationaal congres bezocht. In sommige landen had je recreatietuinen waarin gerecreëerd moest worden. Er moesten tuinen komen, moderne volkstuinen, waarin de werkman na gedane arbeid in de frisse buitenlucht kon herstellen (terwijl zijn vrouw de gekochte piepers schilde en de kindertjes gezellig in het gras speelden). Een volkstuin, die een ander streven van Het Nut diende: het stimuleren van huiselijkheid. Dat had oorspronkelijk ook veel te maken met spaarzaamheid: huiselijkheid weerhield de man om zijn genoegens buiten de deur te zoeken. Daar zou hij zijn geld aan nutteloze zaken verbrassen in plaats van het te sparen voor moeilijkere tijden. Volkstuingeschiedschrijvers uit eigen kring beweerden en beweren, dat die moderne tuinen niet alleen logisch voortkomen uit de aardappelveldjes, maar ook, dat ze door Het Nut bedacht zouden zijn. Ook die laatste claim is onzin. In die moderne volkstuin, en dat was wel nieuw, moest geen plaats zijn voor groenten, aardappels of kippen, zo bedacht men enkele jaren voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. De Wereldoorlogen gooiden roet in het eten: parken, voetbalvelden en volkstuintjes werden cruciaal voor de voedselvoorziening: waar het maar mogelijk was, groeiden voedingsgewassen.

Mijn ouders hadden in de jaren vijftig nog een oorlogstuintje, bedoeld voor groenteteelt, in het Laantje van Nooitgedacht in Rotterdam. De groenten werden door mijn moeder geweckt of ingezouten. Dat tuintje verdween toen groenten en aardappels weer betaalbaar waren geworden. De gemeente Schiedam dacht Het Nut voor te zijn en legde in 1909 een volkstuincomplex aan, enkele honderden meters verwijderd van waar ik dit zit te schrijven. Het was bedoeld voor “de werkman, die den geheelen dag vertoeft in werkplaats of fabriek verlangt in zijn vrije uren naar afwisseling in de buitenlucht”. Maar de geschiedschrijvers laten de geboorte van de moderne volkstuin niet in Schiedam plaatsvinden, want je mocht er ook kippen houden en groenten verbouwen. En dus geldt het complex Tuinwijck, dat werd gesticht bij de Amsterdamse Linnaeusstraat door onder andere H.P. Berlage (die het tuinhek ontwierp) in de mythevorming als eerste.

Maar ook dat is natuurlijk onzin. Al in de middeleeuwen lagen er tuinencomplexen net buiten de stadsmuren, soms voor warmoezeniers, maar ook toen al waren sommige tuinen bedoeld voor recreatie. In latere eeuwen had je bij veel steden laancomplexen, met koepels erop: tuinhuizen. Ze waren bestemd voor redelijk welgestelde stadsbewoners die zich geen buiten konden veroorloven. De eerste tuinhuizen namen wel de vorm aan van de theekoepels die op die buitens stonden, vandaar de naam. In 1851 beschrijft Hildebrand hoe Mientje, de dochter van de familie Deluw, ‘buitentje’ speelde in ‘Engelse landschapsstijl’: op een groene tuinbank las ze een boek, met de hond aan haar voeten en met handschoentjes aan. De tuin (“en geen buiten”, merkt Hildebrand nadrukkelijk op), genaamd ‘Veldzicht’, lag samen met andere tuinen als ‘Bijstad’, ‘Landzicht’, ‘Q 4 No 33′ op het complex ‘Weltevreden’ bij een klein Overijssels stadje. De koepel zelf was zeegroen, vrij ruim en had nog een bijkamertje. Er was ook een vuurplaat om water op te koken.

Aan de rand van Rotterdam had je complexen met namen als Boschlaan, Landzicht, de Eendragtslaan. Ze werden bestuurd als kleine republiekjes, zoals ooit polders werden bestuurd. In Rotterdam waren in de 18e eeuw duizenden tuinen op deze complexen. Stadsuitbreidingen in de tweede helft van de 19e eeuw betekenden het einde van de laancomplexen. In 1872 viel het doek voor een van de machtigste laancomplexen, de Eendragtslaan. De volkstuincomplexen, die enkele decennia later verschenen, kwamen niet uit de lucht vallen, waren geen logische voortzetting van de aardappeltuintjes en waren geen bedenksels van Het Nut.

Copyright Theo Kentie.

Geverifieerd door ExactMetrics