Waar komen de Kenties toch vandaan?

Alexander Kenti

De eerste gesignaleerde persoon met de achternaam Kentie in ons land was Alexander Kenti. We komen hem voor het eerst tegen in de archieven omdat hij op 30 juli 1673 in de gereformeerde kerk van Woudrichem met Catharina van Gool in het huwelijk trad. Hij kwam uit Schotland, en was soldaat in de compagnie van Crabeth, staat er bij de inschrijving. Voor mij is deze voorvader tien generaties terug.

Over de afkomst van Alexander Kenti is heel wat gespeculeerd onder dragers van zijn achternaam en andere nakomelingen. Was hij een zoon van ene Colin Kintey uit Dyke in Morayshire, die omstreeks 1630 huwde met Isobel Rett? Het is een slag in de lucht, zonder enig spoortje van bewijs. Is Kentie (een achternaam die in Schotland niet in deze of bijna dezelfde spelling (Kenti, Kenty) voorkwam of -komt) een verbastering van MacKenzie, en zijn ‘we’ dus afkomstig van een van de bekende Schotse clans? Wijst het familiewapen niet ook op een soort adellijke afkomst? Maar MacKenzie geassimileerd tot Kentie, ik geloof er niks van. Ik ken maar één Engelstalige bron, waarin we het woord ‘kentie’ tegenkomen, en wel als verengelsing van het Schotse ceann-taighe, hoofd van een tak van een clan, in het Engels te vertalen met ‘chief’[1] Dit woord ‘kentie’ spreek je uit met de klemtoon op de laatste lettergreep. Je kan je overigens niet voorstellen, dat een ceann-taighe als gewoon soldaat tegen een magere soldij in de Republiek terechtkwam. Het is speculeren, maar zal Alexander Kenti wellicht pas in de Republiek deze achternaam hebben verzonnen? Of is het een fonetische notatie van de van oorsprong Ierse achternaam Canty? We zullen het, verwacht ik, nooit te weten komen.

Fig. 1. Bron: Salha: Trouwen (Nederduits gereformeerde gemeente), archiefnummer 0178, inventarisnummer 027, blad 83v.

En dan dat familiewapen: drie eenden, drie bloemen. Welke rondtrekkende eenvoudige huursoldaat had een eigen wapen? Trouwens, familiewapens kwamen in Schotland in deze vorm niet voor. In de loop van de achttiende eeuw wisten twee zalmvissers Kentie, nakomelingen dus, het te schoppen tot schepen en thesaurier in Woudrichem. Dat lijkt heel wat, maar de bovenlaag in vissersstadje Woudrichem was uiterst dun. Dus een succesvolle visserszoon kon uiteindelijk belanden in de lokale elite. Zal een van deze personen zich als teken van deze sociale stijging, een wapen hebben aangemeten, bij voorbeeld voor in de kerkbank?

Het Staatse leger.

We weten dus niet wanneer Alexander is geboren, en waar hij vandaan komt. In het Trouwboek staat niet veel, maar toch hebben we best wel wat informatie[2]. Catharina Jans is Catharina Jans van Gool. Die achternaam komen we te weten bij de doop van hun tweede kind, Adriaen, op 15 september 1675. Bij de doop van oudste zoon Joris, op 22 juli 1674, zijn Hans van Gool, Arien Willemsz en Lijsbeth Jans getuigen. Hans is ook getuige bij de doop van Adriaen, naast Lijsbeth van Gool. Dat moet dus Lijsbeth Jans zijn, en ze is dan Catharina’s zus, geboren op 25 oktober 1643 in Woudrichem als dochter van Hans (ook wel Jan) van Gool en Aeltge Cornelis. Hans van Gool kwam uit Mol bij Antwerpen. Mij zal het gezien deze herkomst niets verbazen, als hij soldaat was. Willen we meer over Alexander Kenti te weten komen, dan moeten we wat meer te weten zien te komen over het leger en vooral over kapitein Crabeth en zijn compagnie.

Het Staatse leger, het leger van de Republiek der Zeven Verenigde Provinciën, was in 1586 opgericht door de Staten-Generaal, het landsbestuur. Het was een groot en staand (permanent bestaand) leger van beroepssoldaten. Omstreeks 1675 bestond het uit 60.000 man (een halve eeuw eerder zelfs 80.000 man), terwijl de Republiek ongeveer anderhalf miljoen inwoners had. Vaak werden complete legereenheden, inclusief hun officieren, van elders ingehuurd. Ze kwamen uit een van de Duitse landen, Frankrijk, Wallonië, Engeland, Italië of Schotland. Alle manschappen in Schotse regimenten waren dus Schots. En er waren in het Staatse leger veel Schotse eenheden, die samen de Schotse Brigade vormden.

Maar je had natuurlijk ook veel ‘Nederlandse’ compagnieën. Een compagnie bestond uit 113 tot 200 man voetvolk of uit 100 ruiters. Zo’n compagnie stond onder leiding van een kapitein of ritmeester, aangevuld met een luitenant en een vaandrig. De kapitein was natuurlijk de baas. Hij was in feite een soort ondernemer: hij zette zo’n compagnie op met zijn eigen geld. Achteraf gaven de Staten aan de kapitein dan een vergoeding. Soldaten moesten zelf zorgen voor wapens en uniformen. En ze rekenden natuurlijk op soldij. Iedere compagnie had dan ook een schrijver in dienst voor de boekhouding. Een kapitein kreeg ook vaak een eigen ronselgebied toegewezen. Hij wierf zijn mannen meestal in de Republiek, maar Schotse kapiteins van Schotse compagnies in Staatse dienst mochten onbelemmerd in Schotland werven. Ongeveer de helft van het Staatse leger bestond uit buitenlanders. Ook in ‘Nederlandse’ compagnieën dienden veel buitenlanders, die dus logischerwijs in de Republiek zelf waren geronseld. Het moet dan gaan om afgezwaaide soldaten uit buitenlandse compagnieën of buitenlanders, die hierheen waren gekomen om werk te zoeken: de Republiek was, met haar leger, de VOC en de WIC, een gigantische banenmachine voor migranten op zoek naar werk. In 1688 had de VOC, het grootste handelsbedrijf ter wereld, minstens 22.000 personeelsleden, hier, op haar schepen en op de handelsposten. Daarbovenop kwamen pakhuislieden en werfarbeiders. Een kwart tot de helft van het VOC-personeel kwam uit het buitenland. De Republiek was een multiculturele maatschappij bij uitstek, een land vol immigranten, zeker in de handels- en garnizoenssteden.

Fig. 2. Muurschildering Schotse kamer, slot Loevestein (1750-1754).

Onder die immigranten waren duizenden Schotten. De meesten hadden werk als huursoldaat, maar velen zullen ook op zoek zijn geweest naar zulk werk: hun contract was geëindigd, of ze waren op de bonnenfooi als gelukszoeker de Noordzee overgestoken.

Kapitein Gerart Crabeth, pionier van het Korps Mariniers, en de Tocht naar Chatham

Kapitein Crabeth is Geeraart of Gerrit Crabeth (in documenten soms verhaspeld tot Carbet, Crabbet), afkomstig uit Gouda. Hij zal verwant zijn aan de Goudse burgemeesters- en kunstenaarsfamilie van die naam. Nergens vinden we zijn geboortedatum of wie zijn ouders waren (een bron suggereert, dat zijn vader notaris was). Maar Crabeth was geen Schot, dus was Kenti geen soldaat in een Schots regiment. Kenti was al helemaal niet gelegerd op het bij Woudrichem gelegen slot Loevestein, zoals wel beweerd is. Daar is weliswaar een Schotse kamer, waar soldaten van de Schotse brigade muurtekeningen hebben achtergelaten, maar die soldaten waren er gehuisvest tussen 1750 en 1754.

Crabeth komt in de archieven voor voordat hij in Woudrichem gelegerd was. Op 10 december 1665 richtte Johan de Witt, raadspensionaris van Holland, op advies van Willem Joseph Baron van Ghent het Regiment des Marines op, de directe voorloper van het Korps Mariniers. Van Ghent werd kolonel-commandant. François Palm werd benoemd tot luitenant-korporaal. Graaf Johan Belgicus van Hoorn werd majoor. Er werden zestien kapiteins benoemd, onder wie Johan de Witt zelf, én Geraert Crabeth (vermeld als Gerrit Crabet). Van Ghents eigen compagnie telde 170 man, de andere ieder 120 man. Het Korps startte dus met ruim 2000 mariniers[3].

In de Compagnie van Crabeth dienden vooral ‘Nederlanders’. Zo gingen in Geertruidenberg in 1670 soldaten Jan Jansz. Crabbe uit Etten en Heijndrik Bartels uit Utrecht in ondertrouw. Ook Jan Jansze en Jan Aertse (soldaten onder kapitein Craberg volgens de archieven, maar dat moet Crabeth zijn) deden dat. Soldaat Cajus Johan Adelunt kwam uit Holstein, een Duitser dus. Op 21 augustus 1672 ging soldaat Pieter Jansze met Rebecca Jans van Deventer uit Geertruidenberg in ondertrouw[4]. Crabeths compagnie bevond zich toen in Woudrichem.

Ook Geertruidenberg en het nabijgelegen Breda waren garnizoenssteden. De bruiden zullen vaak soldatendochters zijn geweest.  Dat verklaart dan waarom garnizoensstad Geertruidenberg zo populair was als ondertrouwlocatie. Andere soldaten uit de compagnie van Crabeth zijn Gerrit Coeck en Jan Mattheus. Coeck laat in 1672 in Woudrichem via twee chirurgijns vastleggen dat hij ziek is. Mattheus laat dat attesteren door de schepenen[5]. Kortom, in Crabeths compagnie dienden ‘autochtonen’. Er zal dus in de Republiek geronseld zijn.

Een van de eerste en grootste heldendaden van het nieuwe Korps Mariniers was deelname aan de tocht naar Chatham onder leiding van Michiel de Ruyter. Op 29 mei 1667 had kapitein Crabeth de opdracht gekregen om zich met zijn manschappen te begeven naar de oorlogsvloot, gelegen in Den Briel. Was Alexander Kenti al geronseld, en was hij dus als een van de eerste mariniers hierbij? Helaas zijn er geen namenlijsten van gewone soldaten. De vloot lag klaar om Engeland aan te vallen. Op 3 juni hield De Ruyter krijgsraad en algemene pitscharing. Er werd besloten dat een speciaal eskader de rivier de Medway zou opvaren. Dit eskader kwam onder bevel te staan van Van Ghent. Het bestond uit 24 schepen en 5 branders, scheepjes gevuld met zeer brandbare stoffen, die naar de vloot van de vijand werden gestuurd. In de avond van 3 juni kwamen de ‘landkapiteins’ aan boord, onder wie dus Gerard Crabeth. Die voer met zijn manschappen (er gingen zo’n 1000 mariniers en landsoldaten mee) op het vlaggenschip van het eskader, de Agatha, onder commando van kapitein Van Vollenhoven. Aan boord van de Agatha bevond zich ook de broer van Johan de Witt, Cornelis de Witt[6]. Hij ging mee als gedeputeerde te velde, de gevolmachtigde van de Staten-Generaal.

Luitenant in de compagnie van Crabeth was Dirk van Bronsvelt. Hij publiceerde nog in 1667 zijn journaal, waaraan we het volgende ontlenen. De volgende dag, zondag 4 juni, zeilde de vloot de monding van de rivier de Thames op. Van Ghent hield met de onder hem ressorterende mannen algemene pitscharing. Op maandag gingen groepen soldaten aan land. Ze plunderden en staken enkele huizen in de fik.

Ontwerp van het nieuwe fort van Sheerness. Het was in 1667 nog in aanbouw. Ontwerp en deze tekening zijn van Sir Bernard de Gomme, een andere voorouder van mij.

Landsoldaten werden bij het fort Sheerness aan land gezet om het fort in te nemen en er de prinsenvlag op te plaatsen. Het fort was grotendeels verlaten. Bovendien was het nog in aanbouw, naar een ontwerp van Sir Bernard de Gomme. De overgebleven verdedigers waren Schotten. Negen van hen werden gevangengenomen. Ze liepen aan boord van de Agatha over naar de Nederlanders. Was Alexander Kenti een van hen? Fort Sheerness stond op het eiland Scapeia of Quinenburgh (Queensborough), het eiland Sheppey dus. Op dezelfde plek staat nu het Garrison Point Fort[7].

Fig. 3. Van Ghent. Boven: Chatham en de brandende schepen. Onder: soldaten trekken op naar het Fort Sheerness op het eiland Scapeia. 1667. Romeyn de Hooghe, 1667 (Rijksmuseum).

Crabeth gaf enkele dagen later mede leiding aan de branders die de Engelse schepen de Royal James en de Victory in brand staken. Het werd “the most serious defeat [the British] has ever had in its home waters.”

Wanneer Kenti werd ingehuurd door Crabeth, zullen we wellicht nooit te weten komen. Maar in 1673, als hij trouwt, maakt hij deel uit van diens compagnie. Nog in 1682 is hij militair, inmiddels korporaal, de hoogst bereikbare functie als je niet uit de ‘betere kringen’ kwam. Per compagnie waren er drie korporaals en die kregen als traktement 13 florijnen per maand uitbetaald, 3 meer dan gewone soldaten (Crabeths traktement was 10 keer zo hoog). Kenti, dan waarschijnlijk bijna 50 jaar, laat dat jaar door de Schepenen van Woudrichem in een Acte van Certificatie vastleggen, dat hij vanwege ziekte niet in staat is zich bij de compagnie van Gerard Crabeth te voegen. Die compagnie is dan gelegerd in Willemstad. Hij volgde Crabeth dus niet, en dus ook niet naar het zuiden van Afrika, waarheen Crabeth datzelfde jaar nog vertrok. Meldde Kenti zich ziek, omdat hij geen zin had om uit Woudrichem te vertrekken? Het zal in ieder geval het einde van zijn militaire carrière hebben betekend. Hij had inmiddels vier kinderen, en was, zo lijkt het, een gesetteld burger van Woudrichem geworden. Was hij al zalmvisser? Zijn twee oudste zonen Joris en Adriaan staan als gildebroeders vermeld in het boek van het Woudrichems vissersgilde. Ze werden daarvan lid in 1700 respectievelijk 1695. Vader Alexander overleed in 1697. Maar het gildeboek gaat zover niet terug.

Kaart en/of ontwerp van de fortificaties van Woudrichem en Loevestein van de hand van Bernard de Gomme een andere voorouder van mij. Getekend in opdracht van Frederik Hendrik, ca. 1640? British Library. Bernard de Gomme was later architect in het Engelse leger. Hij herstelde en verbeterde de fortificaties aan de Medway, nadat ze bij de tocht naar Chatham waren verwoest.

Garnizoensstad Woudrichem en het Rampjaar 1672

Het is, als ik dit schrijf, precies 350 jaar geleden: 1672, het Rampjaar. De Republiek is verwikkeld in een verwoestende oorlog met Engeland, Frankrijk en de bisdommen van Munster en Keulen. In juli werd ter verdediging van Holland de linker Merwedijk doorgestoken. Het Land van Altena stond tot aan de muren van Woudrichem onder water. De Staten van Holland wilden dat Woudrichem werd verlaten zodat de soldaten konden helpen met het verdedigen van Gorinchem, maar het militair gezag ter plaatse meldde, dat het stadje goed te verdedigen was. Die verdediging was op dat moment onder andere in handen van de compagnie van Crabeth[8]. Anders was het met het dichtbijgelegen Loevestein. Daar waren naast beroepssoldaten gewapende burgermilities uit Rotterdam ingezet, maar die waren er met een smoes vandoor gegaan. Woudrichem werd mede verdedigd door burgers uit Enkhuizen en Schiedam. Ook zij wilden de benen nemen, maar konden weerhouden worden. Op 21 juli dat jaar werd de situatie nijpend in het stadje: de belegerende Fransen eisten de overgave. Maar Woudrichem hield stand.

Een jaar later, op 21 augustus 1673 (volgens de Engelsen met hun juliaanse kalender 11 augustus), nam Kapitein Crabeth met zijn compagnie deel aan de Slag bij Kijkduin (‘the Battle of Texel’). Alexander Kenti was op 30 juli in Woudrichem getrouwd, maar moest dus bijna direct vertrekken met de rest van zijn compagnie[9].

Fig. 4. De Slag bij Kijkduin. Willem van de Velde de Jonge, 1687.
Scheepvaartmuseum Amsterdam.

Gerard Crabeth, van Woudrichem naar Kaapstad

In 1671 was Gerard Crabeth (“de Heer Cap.n. Gerardus Crabet”) in Ravenstein getuige geweest bij de doop van Gerardus van Swaenswijck, zoon van luitenant Wilhelmus van Swaenswijck en Maria van der Mijll. Maria was de dochter van Frederik van der Mijll, kapitein in onder andere Klundert en Willemstad, en, in 1672, in Arnhem[10]. Omstreeks 1677 trouwde Crabeth zelf in Woudrichem met de in Den Haag geboren Maria Catharina van Swaenswijck[11]. Ze zou op 14 december 1660 geboren zijn. Ook van haar weten we niet wie de ouders waren. Ook zij was vast en zeker verwant aan de Goudse burgemeestersfamilie van die naam. Was ze de zus van Wilhelmus en dus de dochter van Andriesz van Swaenswijck, die zo’n tien jaar eerder in Heusden kapitein was van zijn eigen compagnie[12]?

Fig. 5. Familiewapen Van Swaenswijck, Sint Janskerk, Gouda

Of was ze de kleindochter van de Goudse notaris Isbrant van Swaenswijck, die voor de VOC in Batavia had gewerkt? Diens zoon Ysbrant van Swaenswijck was in 1650 in het dorpje Palicol aan de Indiase Coromandelkust (of op Ceylon) in het huwelijk getreden met het weeskind Sara van Nooy (Noye), die toen 15 jaar was. Ze stierf binnen enkele jaren. Ysbrant had met een onbekende vrouw nog enkele kinderen. Hij was in Palicol van 1648 tot 1651 opperhoofd, nadat hij eerder resident was in Pegu (nu Myanmar). Van 1651 tot 1654 was zijn broer Joannes van Swaanswyk (ca. 1615 – voor 1715) opperhoofd van Palicol. Broer Laurens Isbrantsz was van 1641 tot 1642 assistent van de VOC in het Japanse Hirado en Deshima, waarheen de VOC in 1641 vanuit Hirado moest verhuizen[13]. Deze globetrotters zullen dus bekend geweest zijn met Kaap de Goede Hoop. Weliswaar stichtte Jan van Riebeeck er pas in 1652 een officieel verversingsstation voor de VOC, maar al eerder legden veel VOC-schepen er aan als tussenstop.

Fig. 6. Coromandel.

Gerard Crabeth had in 1681 een financieel geschil met de Haagse arts Johan van den Hove, die ook als solliciteur-militair werkzaam was[14]. Een solliciteur-militair schoot de te verwachten, maar door de overheid vaak te laat uitbetaalde soldij in maandelijkse betalingen voor, natuurlijk tegen een bepaalde rente. Hij vormde daardoor een extra garantie voor de soldijbetalingen. Soldaten in het Staatse leger kregen daardoor meestal hun geld op tijd, zodat er in de Republiek zelden gemuit werd.

Crabeth en zijn vrouw emigreerden in 1682 naar Kaap de Goede Hoop, in het huidige Zuid-Afrika. Dat was een buitengewoon avontuurlijke stap. Stichter Jan van Riebeeck was pas vijf jaar eerder overleden! Kaapstad bestond inmiddels uit een kasteel en vier straten, er woonden nog geen 300 Europeanen. Crabeth stierf binnen enkele jaren na aankomst. De nieuwe bewindvoerder van de Kaap, Simon van der Stel, dwong zijn weduwe Maria om snel een tweede huwelijk aan te gaan met de uit de Republiek verbannen dominee Sybrand Jacobsz Mancadan, die al enkele jaren als eerste kolonist in het net gestichte Stellenbosch woonde[15]. Het huwelijk werd voltrokken op het Kasteel aan de Kaap, op 11 januari 1687. Mancadan, zoon van de fameuze Friese landschapsschilder uit de 17e eeuw, Jacobus Sibrandi Mancadan, was niet alleen ziekentrooster, maar werd ook benoemd tot koloniesecretaris: hij had als enige inwoner gestudeerd. En ook hier hield hij zich vooral bezig met drank en vrouwen. Hij verwekte bij minstens één slavin een dochter. Maria Catharina huwde op 9 augustus 1693, zes weken na het overlijden van Mancadan, met kapitein in het Staats leger Jan Geel, weer op het Kasteel aan de Kaap[16]. Ze overleed vijf jaar later op 21 juli 1698 in Stellenbosch. In deze plaats werd door wijnmaker Teddy Hall 10 jaar geleden een naar Maria vernoemde Chardonnaywijn op de markt gezet: de Cape Winemakers Guild Maria Van Swaanswijk Auction Reserve Chardonnay, een van de beste wijnen ter wereld[17]. Bij haar overlijden bezat Maria 150 schapen, 5 melkkoeien, een merrie met een veulen, een huisje met tuin in Stellenbos, een slavin genaamd Catharijn, een grote spiegel met zwarte lijst, een kist met daarin een gedemonteerd verguld ledikant, een papieren kastje met kleding, een kist met van alles en nog wat, zoals tabaksdozen en veel porselein, een mompijp met Kaapse wijn, keukengerei, zilveren penningen, een portretje van haar neef, diverse boekjes, etc., etc.

Fig. 7. Maria van Swaanswijk-wijn.

Genealogische Kentie-informatie vind je HIER.

STUUR JE REACTIE.



[1] Rev. A. Maclean Sinclair, The clan Gillean. Charlottetown: Haszard and Moore, 1899. P. 491-492.

[2] Salha: Trouwen (Nederduits gereformeerde gemeente), archiefnummer 0178, inventarisnummer 027, blad 83v.

[3] Leupe en Van Braam Houckgeest (1867), p. 4; de Opregte Haerlemmer Courant van 22 december 1665.

[4] Zie Trouwboek Geertruidenberg 1614-1698 (https://genbook.dordtenazoeker.nl/Overige_Links/geertruidenberg_tr_d.htm)

[5] 0331 Oud-rechterlijk archief, Woudrichem, 1579-1811, nr. 1233 en 1279.

[6] https://historiek.net/ooggetuigenverslag-van-cornelis-de-witt-van-de-tocht-naar-chatham/69596/. Zie ook: Lieuwe Van Aitzema, Saken van Staet en Oorlogh; In, Ende omtrent de Vereenigde Nederlanden. Seste deel, Tweede stuck, Beginnende met het Jaer 1667, ende eyndigende met Jaer 1669. Amsterdam : J. Veely, Joh. Tongerloo u. Jasper Doll, [1672].

[7] [Dirck van Bronsvelt,] Journael, gehouden door Dirck van Bronsvelt, Luytenant van de Heer Capiteyn Crabet van de expeditie gedaen met ‘s lands Schepen onder commando van den ed. heer Wilhem Joseph van Gent, Luyt. Admirael van Hollandt en West-Vrieslandt. Op den 21, 22, 23, 24, 25 en 26 Junij 1667. Z.pl., 1667. Zie ook: – Staten-Generaal, Resolutien ende verbael van ‘t gebesoigneerde van den ed. heere Cornelis de Witt, ruart van den lande van Putten … als gedeputeerde ende gevolmachtighde van de Ho. Mo. Heeren Staten Generael de Vereenighde Nederlanden tot d’ expeditieende over ‘t employ van ‘s Landts vlote mitsgaders meer andere resolutien en missiven ter materie dienende. Z.pl., 1668.

[8] Leupe, Pieter A. & Floris A. van Braam Houckgeest, De geschiedenis der Mariniers van het jaar 1665 tot op heden. Nieuwediep: L.A.Laury, 1867. P. 170.

[9] J.W Sypesteyn, Jan Philip de Bordes,  De verdediging van Nederland in 1672 en 1673 : bijdragen tot de staats- en krijgsgeschiedenis van het vaderland : voor een groot deel uit onuitgegeven stukken zamengesteld.’s Gravenhage: J & H van Langenhuysen, 1850. Deel 2. P. 40 – 41.

C.J.O. Dorren, De geschiedenis van het Nederlandsche Korps Mariniers van 1665-1945. Den Haag: Ad.M.XC. Stok/Zuid-Hollandsche Uitgevers Maatschappij, 1948. P. 238.

[10] J.W Sypesteyn, Jan Philip de Bordes, De verdediging van Nederland in 1672 en 1673 : bijdragen tot de staats- en krijgsgeschiedenis van het vaderland : voor een groot deel uit onuitgegeven stukken zamengesteld.’s Gravenhage: J & H van Langenhuysen, 1850. Deel 1. Bijlage 1, p. 91. https://www.bhic.nl/memorix/genealogy/search/persons?ss=%7B%22q%22:%22Wilhelmus%20van%20Swaenswijck%22%7D.

[11] SALHA: 0331 Oud-rechterlijk archief, Woudrichem, 1579-1811: 1937 Akte van procuratie door Gerard Cravelt, ten behoeve van Maria Catharina van Swaenswijck, 1677. Zie ook: https://www.genealogieonline.nl/stamboom-van-swaenswijck-tot-zwaanswijk/I86.php.

[12] http://daktari.antenna.nl/swaenswijck.htm

[13] François Valentyn, Keurlyke beschryving van Choromandel, Pegu, Arrakan, Bengale, Mocha, van ‘t Nederlandsch comptoir in Persien, en eenige fraaje zaaken van Persepolis overblyfzelen : een nette beschryving van Malakka, ‘t Nederlands comptoir op ‘t eiland Sumatra : mitsgaders een wydluftige landbeschryving van ‘t eyland Ceylon … : als ook van ‘t Nederlands comptoir op de kust van Malabar, en van onzen handel in Japan, en eindelyk een beschryving van Kaap der Goede Hoope, en ‘t eyland Mauritius. Deel 3. Dordrecht: Joannes van Braam; Amsterdam: Gerard onder de Linden, 1726.

[14] S. van Leeuwen, Bellum juridicum: ofte den oorlogh der advocaten, Bestaende in Consultatien, Advysen, Deductien, Advertissementen, en diergelijcke Schriftuyren van Rechten, waer van d’een, d’andere, directelijck is contrariërende, En welckers voorvallen, alle in het byzonder bekrachtight zijn, Met Resolutien, Placaeten, Sententien, en Gewijsdens. Amsterdam: Hendrik en weduwe van Dirk Boom, 1683. P. 639-641.

[15] https://www.easterwierrum.nl/dominee-sybrand-mancadan/; http://www.allemaalfamilie.nl/mgd_allemaalfamilie.php?pageid=7649&langid=1

[16] Jan Geel. Zie: Adolph Linder, The Swiss at the Cape of Good Hope, 1652-1971. [Basel]: Basler Afrika Bibliographien, 1997.

[17] https://www.vivino.com/NL/nl/teddy-hall-auction-reserve-chardonnay/w/5523649?year=2012

STUUR JE REACTIE.

Copyright Theo Kentie.

Geverifieerd door ExactMetrics