Waar komen de Kenties toch vandaan?

De eerste gesignaleerde Kentie in ons land was Alexander Kenti, die we in de archieven tegenkomen omdat hij op 30 juli 1673 in Woudrichem met Catharina van Gool in de gereformeerde kerk in het huwelijk trad. Hij kwam uit Schotland, en was soldaat in de compagnie van Crabeth. Voor mij is deze voorvader tien generaties terug. Alle tien voorvaderen passen in mijn woonkamer. Het aantal voorouders is heel wat groter. Tot tien generaties terug gaat het om (maximaal) 2046 personen. Dat is wat exponentiële toename betekent!

Over voorvader Alexander en zijn afkomst is heel wat gespeculeerd onder dragers van zijn achternaam en andere nakomelingen. Was hij een zoon van ene Colin Kintey uit Dyke in Morayshire, die omstreeks 1630 huwde met Isobel Reth? Het is een slag in de lucht, zonder enig spoortje van bewijs. Is Kentie (een achternaam die in Schotland niet in deze of bijna dezelfde spelling als Kenti of Kenty voorkwam of -komt) een verbastering van MacKenzie, en zijn ‘we’ dus afkomstig van een van de bekende Schotse clans?  Wijst het familiewapen niet op een soort adellijke afkomst? Maar MacKenzie geassimileerd tot Kentie, ik geloof er niks van. Ik ken maar één Engelstalige bron, waarin we het woord ‘kentie’ tegenkomen, en wel als verengelsing van het Schotse ceann-taighe, hoofd van een tak van een clan, in het Engels te vertalen met ‘chief’[1]. Dit woord ‘kentie’ spreek je uit met de klemtoon op de laatste lettergreep. Je kan je overigens niet voorstellen, dat een ceann-taighe als gewoon soldaat tegen een hongerloontje in de Republiek terechtkwam. Het is speculeren, maar zal Alexander Kenti wellicht pas in de Republiek (waar achternamen niet vanzelfsprekend waren) deze achternaam voor zich hebben verzonnen? Is het een fonetische notatie van de van oorsprong Ierse achternaam Canty? We zullen het nooit weten. En dan dat wapen: drie eenden, drie bloemen. Welke rondtrekkende huursoldaat had een eigen wapen? In een tijd waarin afkomst alles was, is niet goed voor te stellen, dat een gewoon soldaat een wapen had. Trouwens, familiewapens kwamen in Schotland in deze vorm niet voor.  In de loop van de achttiende eeuw weten twee zalmvissers Kentie of hun nakomelingen het te schoppen tot schepen en thesaurier in Woudrichem. Nou was de bovenlaag in vissersstadje Woudrichem uiterst dun. Dus een succesvolle visserszoon kon uiteindelijk belanden in de lokale elite. Zal een van deze persoon zich als teken van toch ongewoon snelle sociale stijging niet een wapen hebben aangemeten?

.

Figuur 1. Bron: Salha: Trouwen (Nederduits gereformeerde gemeente), archiefnummer 0178, inventarisnummer 027, blad 83v.

We weten dus niet wanneer Alexander is geboren, en waar hij vandaan komt. In het Trouwboek staat niet veel, maar toch hebben we best wel wat informatie[2]. Catharina Jans is Catharina Jans van Gool is: die achternaam komen we te weten bij de doop van hun tweede kind, Adriaen, op 15 september 1675. Bij de doop van oudste zoon Joris, op 22 juli 1674, zijn een Hans van Gool, een Arien Willemsz en Lijsbeth Jans getuigen. Hans is ook getuige bij de doop van Adriaen, naast een Lijsbeth van Gool. Dat moet dus Lijsbeth Jans zijn, en is dan Catharina’s zus, geboren op 25 oktober 1643 in Woudrichem als dochter van Hans (ook wel Jan) van Gool en Aeltge Cornelis. Van Gool kwam uit Mol bij Antwerpen. Mij zal het gezien zijn afkomst niets verbazen, als hij soldaat was.

Kenti kwam uit Schotland. Het Streekarchief Langstraat Heusden Altena (SALHA) stelt, dat hij woonachtig is in Schotland, maar dat is natuurlijk onzin. Hij was soldaat in de compagnie van kapitein Crabeth. Willen we meer over Kenti te weten komen, dan moeten we wellicht uitzoeken wie die kapitein Crabeth is.

Kapitein Crabeth is Geeraart of Gerrit Crabeth, afkomstig uit Gouda. Hij zal verwant zijn aan de Goudse burgemeesters- en kunstenaarsfamilie van die naam. Nergens (online) vinden we zijn geboortedatum of wie zijn ouders waren. Maar hij is geen Schot, dus was Kenti geen soldaat in de Schotse brigade. Hij lag ook niet op het bij Woudrichem gelegen slot Loevestein. Daar is weliswaar een Schotse kamer, waar soldaten van de Schotse brigade muurtekeningen hebben achtergelaten, maar die soldaten waren er gehuisvest tussen 1750 en 1754.

Het Staatse leger was een groot leger, bestaande uit huursoldaten. Omstreeks 1675 bestond het uit 60.000 man (een halve eeuw eerder zelfs 80.000 man), terwijl de totale bevolking van de Republiek uit ongeveer anderhalf miljoen inwoners bestond. Vaak werden complete legereenheden van elders ingehuurd. Ze kwamen uit een van de Duitse landen, Frankrijk, Wallonië, Engeland, Italië of Schotland. Al eind 16e eeuw werden er soldaten uit Schotland ingehuurd. Vanaf 1577 vormden ze een verband. Pas in 1783 werden de laatste Schotse regimenten genationaliseerd.  Regimenten en compagnieën werden in hun geheel, inclusief eigen officieren, ingehuurd. Alle manschappen waren dus Schots.

Daarnaast had je ‘Nederlandse’ compagnieën. Een compagnie bestond uit 113 tot 200 man voetvolk of uit 100 ruiters. Zo’n compagnie stond onder leiding van een kapitein of ritmeester, aangevuld met een luitenant en een vaandrig. De kapitein was natuurlijk de baas. Hij was in feite een soort ondernemer: de compagnie werd opgezet met voldoende eigen geld. Achteraf gaven de Staten een de kapitein een vergoeding. Soldaten moesten zelf zorgen voor wapens en uniformen. En ze rekenden natuurlijk op soldij. Iedere compagnie had dan ook een schrijver in dienst voor de boekhouding. Een kapitein kreeg ook vaak een eigen ronselgebied toegewezen. Hij wierf meestal dus in de Republiek, maar Schotse kapiteins in Staatse dienst mochten onbelemmerd in Schotland werven. Ongeveer de helft van het Staatse leger bestond uit buitenlanders. Ook in ‘Nederlandse’ compagnieën dienden veel buitenlanders, die dus meestal in de Republiek zelf waren geronseld. Het moet dan gaan om afgezwaaide soldaten uit buitenlandse compagnieën of buitenlanders op zoek naar werk. De Republiek was, met haar leger, de VOC en de WIC, een gigantische banenmachine voor migranten op zoek naar werk. In 1688 had de VOC minstens 22.000 personeelsleden, hier, op haar schepen en op de handelsposten. Daarbovenop kwamen pakhuislieden en werfarbeiders. Een kwart tot de helft van het personeel kwam uit het buitenland. De Republiek was een multiculturele maatschappij bij uitstek, een land vol immigranten, zeker in de handels- en garnizoenssteden.

Figuur 2. Muurschildering Schotse kamer, slot Loevestein (1750-1754).

In de Compagnie van Crabeth dienden ook ‘Nederlanders’. Zo gingen in Geertruidenberg in 1670 soldaten Jan Jansz. Crabbe uit Etten en Heijndrik Bartels uit Utrecht in ondertrouw. Ook Jan Jansze en Jan Aertse (soldaten onder kapitein Craberg volgens de archieven, maar dat moet Crabeth zijn) deden dat. En soldaat Cajus Johan Adelunt uit Holstein, een Duitser. Op 21 augustus 1672 ging soldaat Pieter Jansze met Rebecca Jans van Deventer uit Geertruidenberg in ondertrouw[3]. Crabeths compagnie bevindt zich dan inmiddels in Woudrichem.

Het is, precies 350 jaar geleden, het Rampjaar. De Republiek is in een verwoestende oorlog met Engeland, Frankrijk en de bisdommen van Munster en Keulen. In juli werd ter verdediging van Holland de linker Merwedijk doorgestoken. Het Land van Altena stond tot aan de muren van Woudrichem onder water. De Staten van Holland wilden dat Woudrichem werd verlaten zodat de soldaten konden helpen met het verdedigen van Gorinchem, maar het militair gezag meldde, dat het stadje goed te verdedigen was. Anders was het met Loevestein. Daar waren naast beroepssoldaten gewapende burgers uit Rotterdam ingezet, maar die waren er met een smoes vandoor gegaan. Woudrichem werd mede verdedigd door burgers uit Enkhuizen en Schiedam. Ook zij wilden de benen nemen, maar konden weerhouden worden. Op 21 juli dat jaar werd de situatie nijpend in het stadje, toen de Fransen de overgave van Woudrichem eisten. Maar het stadje hield stand[4].

Geertruidenberg en het nabijgelegen Breda waren garnizoenssteden. De bruiden zullen vaak soldatendochters zijn geweest.  Dat verklaart dan waarom garnizoensstad Geertruidenberg zo populair was als ondertrouwlocatie. Andere soldaten uit de compagnie van Crabeth zijn Gerrit Coeck. Hij laat in 1672 in Woudrichem via twee chirurgijns vastleggen dat hij ziek is. Jan Mattheus laat dat attesteren door de schepenen (0331 Oud-rechterlijk archief, Woudrichem, 1579-1811, nr. 1233 en 1279). Kortom, in Crabeths compagnie dienden ook ‘autochtonen’. Er zal dus in de Republiek geronseld zijn. We weten ook, dat de compagnie eerder in Breda of Geertruidenberg gelegerd was. En dat ze in augustus 1672 in Woudrichem was.

Soms waren er vele duizenden Schotse mannen in de Republiek. De meesten hadden werk als huursoldaat, maar velen zullen ook op zoek zijn geweest naar zulk werk. Hun contract was wellicht geëindigd, of ze waren op de bonnenfooi als gelukszoeker de Noordzee overgestoken. Het kan haast niet anders, of Alexander Kenti was een van hen. Wanneer hij werd ingehuurd door Crabeth, zullen we wel nooit te weten komen. Nog in 1682 is hij militair, inmiddels korporaal, waarvan er per compagnie drie waren. Hij laat dat jaar door de Schepenen van Woudrichem in een Acte van Certificatie vastleggen, dat hij vanwege ziekte niet in staat is zich bij de compagnie van Gerard Crabeth te voegen, dan gelegerd in Willemstad. Hij volgde Crabeth dus niet, en dus ook niet naar het zuiden van Afrika, waarheen Crabeth datzelfde jaar nog vertrok. Meldde hij zich ziek, omdat hij geen zin had om uit Woudrichem te vertrekken? Hij had inmiddels vier kinderen, en was, zo lijkt het, een gesetteld burger. Was hij al zalmvisser? Zijn twee oudste zonen Joris en Adriaan staan als gildebroeders vermeld in het boek van het vissersgilde. Ze werden daarvan lid in 1700 respectievelijk 1695.  Vader Alexander overleed in 1697. Maar het gildeboek gaat niet verder terug.

Gerard Crabeth.

In 1671 is Gerard Crabeth (“de Heer Cap.n. Gerardus Crabet”) in Ravenstein getuige bij de doop van Gerardus van Swaenswijck, zoon van luitenant Wilhelmus van Swaenswijck en Maria van der Mijll. Maria was de dochter van Frederik van der Mijll, kapitein in onder andere Klundert en Willemstad, en, op 3 mei 1672, in Arnhem[5]. Omstreeks 1677 trouwde Crabeth zelf in Woudrichem met de in Den Haag geboren Maria Catharina van Swaenswijck[6]. Ook van haar weten we niet wie de ouders waren. Ook zij was vast en zeker verwant aan de Goudse burgemeestersfamilie van die naam. Was ze de zus van Wilhelmus en dus de dochter van Andriesz van Swaenswijck, die zo’n tien jaar eerder in Heusden kapitein was van zijn eigen compagnie[7]?

Of was ze de kleindochter van de Goudse notaris Isbrant van Swaenswijck, die voor de VOC in Batavia had gewerkt? Diens zoon Ysbrant van Swaenswijck was in 1650 in het dorpje Palicol aan de Indiase Coromandelkust (of op Ceylon) in het huwelijk getreden met het weeskind  Sara van Nooy (Noye), die toen 15 jaar was. Ze stierf binnen enkele jaren. Ysbrant had met een onbekende vrouw nog enkele kinderen. Hij was in Palicol van 1648 tot 1651 opperhoofd, nadat hij eerder resident was in Pegu (nu Myanmar). Van 1651 tot 1654 was zijn broer Joannes van Swaanswyk (ca. 1615 – voor 1715) opperhoofd van Palicol.  Broer Laurens Isbrantsz was van 1641 tot 1642 assistent van de VOC in Hirado en Deshima (Japan) [8]. Ze zullen dus bekend geweest zijn met Kaap de Goede Hoop. Weliswaar stichtte Jan van Riebeeck er in 1652 een officieel verversingsstation voor de VOC, maar al eerder legden veel VOC-schepen er aan als tussenstop.

Figuur 3. Coromandel.

Gerard Crabeth had in 1681 een financieel geschil met de Haagse arts Johan van den Hove, die ook als solliciteur-militair werkzaam was[9]. Een solliciteur-militair schoot de te verwachten, maar door de overheid vaak te laat uitbetaalde soldij in maandelijkse betalingen voor, natuurlijk tegen een bepaalde rente. Hij vormde daardoor een extra garantie voor de soldijbetalingen. Soldaten in het Staatse leger kregen daardoor meestal hun geld op tijd, zodat er nauwelijks muiterijen waren.

Figuur 4. Univ. van Kaapstad: Sybrand Mancadangebou.  

Crabeth en zijn vrouw emigreerden in 1682 naar Kaap de Goede Hoop, in Zuid-Afrika. Dat was een buitengewoon avontuurlijke stap. Stichter Jan van Riebeeck was pas vijf jaar eerder overleden! Kaapstad bestond inmiddels uit een kasteel en vier straten, er woonden nog geen 300 Europeanen. Crabeth stierf binnen enkele jaren na aankomst. De nieuwe bewindvoerder van de Kaap, Simon van der Stel, dwong Maria om snel een tweede huwelijk aan te gaan met de uit de Republiek verbannen dominee Sybrand Jacobsz Mancadan, die al enkele jaren in Stellenbosch als eerste kolonist in het net gestichte Stellenbosch woonde[10]. Het huwelijk werd voltrokken op het Kasteel aan de Kaap, op 11 januari 1687. Mancadan, zoon van de fameuze Friese landschapsschilder uit de17e eeuw, Jacobus Sibrandi Mancadan,  was niet alleen ziekentrooster, maar werd ook benoemd tot koloniesecretaris.  Hij had als enige inwoner gestudeerd. En ook hier hield hij zich ook vooral bezig met drank en vrouwen. Hij verwekte bij minstens één slavin een dochter. Maria Catharina huwde op 9 augustus 1693, zes weken na het overlijden van Mancadan, met Jan Geel, op het kasteel aan de Kaap[11]. Ze overleed op 21 juli 1698 in Stellenbosch. In deze plaats werd door wijnmaker Teddy Hall 10 jaar terug een naar Maria vernoemde Chardonnay wijn op de markt gezet: de Cape Winemakers Guild Maria Van Swaanswijk Auction Reserve Chardonnay, een van de beste wijnen ter wereld[12].

Figuur 5. Maria van Swaanswijk-wijn.

Maar Crabeth komt eerder voor. Op 10 december 1665 richtte Johan de Witt op advies van Willem Joseph van Ghent het Regiment des Marines op, wat we kennen als het Korps Mariniers. Van Ghent werd benoemd tot commandant in de rang van kolonel. Er werd een luitenant-kolonel en een majoor benoemd, en 16 kapiteins. Een van die kapiteins was Geeraert Crabeth, Gerrit Crabet volgens de Opregte Haerlemmer Courant van 22 december 1665.

Een van de eerste en grootste heldendaden van het nieuwe Korps Mariniers was deelname aan de tocht naar Chatham onder leiding van Michiel de Ruyter. Op 29 mei 1667 kreeg kapitein Crabeth de opdracht om zich met zijn manschappen te begeven naar de vloot, gelegen in Den Briel. Was Alexander Kenti al geronseld, en was hij dus een van de eerste mariniers? Helaas zijn er geen namenlijsten van gewone soldaten. Die vloot lag klaar om Engeland aan te vallen. Het eskader van Van Ghent bestond uit 24 schepen en 5 branders, scheepjes gevuld met zeer brandbare stoffen die naar de vloot van de vijand werden gestuurd. Op 18 juni hield De Ruyter krijgsraad en algemene pitscharing. In de avond kwamen de ‘landkapiteins’ aan boord, onder wie dus Gerard Crabeth. Die voer met zijn manschappen mee op het schip de Agata, onder commando van kapitein Van Vollenhoven. Aan boord bevond zich ook Cornelis de Witt[13]. De volgende dag, zondag, zeilde de vloot de monding van de rivier de Thames op. Van Ghent hield met de onder hem ressorterende mannen algemene pitscharing. Op maandag gingen groepen soldaten aan land en plunderden en staken enkele huizen in de fik. Landsoldaten werden bij het fort Quinenburg aan land gezet om het fort in te nemen en er de prinsenvlag op te plaatsen. Het fort was grotendeels verlaten. De verdedigers waren Schotten. Negen van hen werden gevangen genomen. Ze liepen aan boord van de Agata over naar de Nederlancders. Was Alexander Kenti een van hen? Het fort Quinenburgh op het eiland Scapeia is natuurlijk het fort Queensborough op het eiland Sheppey. Op dezelfde plek staat nu het Garrison Point Fort[14].

Figuur 6. Van Ghent. Boven: Chatham en de brandende schepen. Onder: soldaten trekken op naar het Fort Quinenburg op het eiland Scapeia. 1667.

Crabeth gaf enkele dagen later leiding aan de branders die de Engelse schepen de Royal James en de Victory in brand staken “the most serious defeat [the British] has ever had in its home waters.”


[1] Rev. A. Maclean Sinclair, The clan Gillean. Charlottetown: Haszard and Moore, 1899. P. 491-492

[2] Salha: Trouwen (Nederduits gereformeerde gemeente), archiefnummer 0178, inventarisnummer 027, blad 83v.

[3] Zie Trouwboek Geertruidenberg 1614-1698 (https://genbook.dordtenazoeker.nl/Overige_Links/geertruidenberg_tr_d.htm).

https://www.openarch.nl/brd:d4e1f276-2457-7a4a-41a6-90fd1c65655b

[4] J.W Sypesteyn, Jan Philip de Bordes, De verdediging van Nederland in 1672 en 1673 : bijdragen tot de staats- en krijgsgeschiedenis van het vaderland : voor een groot deel uit onuitgegeven stukken zamengesteld.’s Gravenhage: J & H van Langenhuysen, 1850. Deel 2. P. 40 – 41.

[5] J.W Sypesteyn, Jan Philip de Bordes, De verdediging van Nederland in 1672 en 1673 : bijdragen tot de staats- en krijgsgeschiedenis van het vaderland : voor een groot deel uit onuitgegeven stukken zamengesteld.’s Gravenhage: J & H van Langenhuysen, 1850. Deel 1. Bijlage 1, p. 91. https://www.bhic.nl/memorix/genealogy/search/persons?ss=%7B%22q%22:%22Wilhelmus%20van%20Swaenswijck%22%7D.

[6] SALHA: 0331 Oud-rechterlijk archief, Woudrichem, 1579-1811: 1937 Akte van procuratie door Gerard Cravelt, ten behoeve van Maria Catharina van Swaenswijck, 1677.

[7] http://daktari.antenna.nl/swaenswijck.htm

[8] – François Valentyn, Keurlyke beschryving van Choromandel, Pegu, Arrakan, Bengale, Mocha, van ‘t Nederlandsch comptoir in Persien, en eenige fraaje zaaken van Persepolis overblyfzelen : een nette beschryving van Malakka, ‘t Nederlands comptoir op ‘t eiland Sumatra : mitsgaders een wydluftige landbeschryving van ‘t eyland Ceylon … : als ook van ‘t Nederlands comptoir op de kust van Malabar, en van onzen handel in Japan, en eindelyk een beschryving van Kaap der Goede Hoope, en ‘t eyland Mauritius. Deel 3. Dordrecht: Joannes van Braam; Amsterdam: Gerard onder de Linden, 1726.

[9] – S. van Leeuwen, Bellum juridicum: ofte den oorlogh der advocaten, Bestaende in Consultatien, Advysen, Deductien, Advertissementen, en diergelijcke Schriftuyren van Rechten, waer van d’een, d’andere, directelijck is contrariërende, En welckers voorvallen, alle in het byzonder bekrachtight zijn, Met Resolutien, Placaeten, Sententien, en Gewijsdens.  Amsterdam: Hendrik en weduwe van Dirk Boom, 1683. P. 639-641.

[10] https://www.easterwierrum.nl/dominee-sybrand-mancadan/; http://www.allemaalfamilie.nl/mgd_allemaalfamilie.php?pageid=7649&langid=1

[11] Jan Geel. Zie: Adolph Linder, The Swiss at the Cape of Good Hope, 1652-1971. [Basel]: Basler Afrika Bibliographien, 1997.

[12] https://www.vivino.com/NL/nl/teddy-hall-auction-reserve-chardonnay/w/5523649?year=2012

[13] https://historiek.net/ooggetuigenverslag-van-cornelis-de-witt-van-de-tocht-naar-chatham/69596/. Zie ook: Lieuwe Van Aitzema, Saken van Staet en Oorlogh; In, Ende omtrent de Vereenigde Nederlanden. Seste deel, Tweede stuck, Beginnende met het Jaer 1667, ende eyndigende met Jaer 1669. Amsterdam : J. Veely, Joh. Tongerloo u. Jasper Doll, [1672].

[14] [Dirck van Bronsvelt,] Journael, gehouden door Dirck van Bronsvelt, Luytenant van de Heer Capiteyn Crabet van de expeditie gedaen met ‘s lands Schepen onder commando van den ed. heer Wilhem Joseph van Gent, Luyt. Admirael van Hollandt en West-Vrieslandt. Op den 21, 22, 23, 24, 25 en 26 Junij 1667. Z.pl., 1667.

Zie ook: – Staten-Generaal, Resolutien ende verbael van ‘t gebesoigneerde van den ed. heere Cornelis de Witt, ruart van den lande van Putten … als gedeputeerde ende gevolmachtighde van de Ho. Mo. Heeren Staten Generael de Vereenighde Nederlanden tot d’ expeditieende over ‘t employ van ‘s Landts vlote mitsgaders meer andere resolutien en missiven ter materie dienende. Z.pl., 1668.

Genealogische Kentie-informatie vind je HIER.

STUUR JE REACTIE.

Copyright Theo Kentie.