Voorouders V: Den Bommel, Zaltbommel: who cares? Het korte leven van Maria Berkhof.

(In ontwikkeling)

 

Van mijn voorouders die geboren werden vanaf zeg circa 1750 is niet veel bekend. Anders dan van hun voorgangers kennen we van de meesten wel een geboorte- of doopdatum, de data van ondertrouw en huwelijk en wanneer ze overleden of werden begraven. Soms kennen we een beroep, of weten we welk stuk grond ze ooit pachtten. Maar daarmee houdt het ongeveer op. Ze waren te arm en onbeduidend om indruk te maken, en leefden een niet of nauwelijks geregistreerd leven. Alleen de grootste pechvogels maakten kans op nog wat meer sporen: zij die in een of ander instituut belandden: een gasthuis, een gevangenis, een kolonistenkolonie. Een van hen is een oudtante van mijn oma Kentie (Alida Berkhof). Ze had de pech syfilis op te lopen en in Veenhuizen te belanden.

Maria Berkhof was de jongste zus van oma’s grootvader. Ze werd op 11 augustus 1819 in Den Bommel op Goeree-Overflakkee geboren als dochter van Cornelis Arents Berkhof en Francina Kaghelland. Van haar vader kennen we geen sterfdatum, mijn laatste voorouder bij wie dat het geval is.

Maria duikt op in Amsterdam: ze wordt op 12 augustus 1844 in het Buitengasthuis opgenomen, lijdend aan syfilis. Ze is 25, heeft geen beroep, krijgt kribbe T34 toegewezen, is ongehuwd, woont aan de Goudsbloemgracht, maar komt uit [Den] Bommel. Haar vader, Cornelis, was werkman, beide ouders zijn overleden, en ze is g[ereformeerd]. Op 1 december 1844 mag ze naar huis.

Had je in die tijd een zwak gestel, dan kon je beter niet in een ziekenhuis belanden, maar al helemaal niet in het Buitengasthuis in Amsterdam. In 1853 berekende een van de twee geneesheren van het Buitengasthuis, dat in de twaalf jaar daarvoor 231 patiënten waren gestorven niet zozeer vanwege hun ziekte, maar door het gasthuis zelf. Bezoekende buitenlandse artsen zien in die jaren ‘un asile de douleur’, ‘un véritable enfer’, met personeel, dat ‘abschreckende Bilder der Roheit, Trägheit und Unreinlichkeit sind’.  Binnenkomende patiënten, onder wie veel bedelaars, werden niet gebaad en kregen geen ziekenhuiskleding, maar werden met vuile kleren vol ongedierte in de kribben gelegd.

[J.A. Verdoorn (1991), p. 134-135.]

Figuur 1: Het Buitengasthuis in 1883.

Op 22 februari 1845 is Maria weer terug. Ze woont nu in de Barndesteeg in het centrum van Amsterdam (zie F. Bordewijk, Bij gaslicht (1947) over ‘het grootste armoedepand’ van Amsterdam in de Barndesteeg). Nog steeds staan er in die straat overblijfselen van het oude Bethaniënklooster, circa 1450 gesticht voor ‘gevallen vrouwen’. Het klooster werd na 1578 veranderd in woonruimte. Het is nog steeds een straat met raamprostitutie. Het is natuurlijk niet zeker, dat Maria prostituee was. Maar syfilis, woonadressen en het feit, dat ze later naar Veenhuizen wordt afgevoerd, zijn sterke indicaties.

Op 24 juni mag ze weer naar huis. Op 9 juli het jaar daarop wordt ze weer opgenomen. Ze is nu ergens dienstmeid, woont in de Hoefijzergang (dat waren er twee, de Nieuwe en de Oude) bij de Koestraat, “inpandige krotten”, waar grote ellende heerste (http://www.onsamsterdam.nl/component/content/article/15-dossiers/dossiers/2735-de-koestraat-sjiek-en-sjofel).

Figuur 2: De Nieuwe Hoefijzergang bij de Koestraat.

Ze wordt dat jaar niet ontslagen: ze verblijft meer dan een jaar in het Buitengasthuis. Pas op 2 juli 1847 gaat ze naar huis. Het kan niet anders, of ze was er beroerd aan toe. We verliezen ook even zicht op haar, maar vier jaar later duikt ze weer op in de archieven: ze overlijdt op 17 mei 1851 om 9 uur ’s ochtends in het Derde Gesticht te Veenhuizen (Norg). Ze is van beroep ‘koloniste’. Ze is 31 jaar. Haar doodakte wordt opgemaakt in Zaltbommel, een plaats waar ze waarschijnlijk nooit is geweest, maar waar haar overlijden desondanks wordt verwerkt in de Burgerlijke Stand.  Zaltbommel ligt zo’n 100 kilometer van Den Bommel.

Figuur 3: De binnentuin van het Derde Gesticht in Veenhuizen.

Vier weken nadat Maria het Buitengasthuis voor de laatste keer verlaat, op 29 juli 1847, wordt Gerritje Spinhoven opgenomen vanwege een vrouwenziekte. Ook zij heeft een dienstje en is ongehuwd. Ze is 28, woont in de Weesperstraat op nummer 27 en het is onbekend wie haar ouders zijn. Op 11 oktober mag ze weer naar huis.

Op 15 juli 1848 is ze terug, op 24 juli wordt ze weer ontslagen. Maar op 19 september wordt ze weer opgenomen. Ze zou nu werkster zijn, en woont in de Weesperstraat op de hoek van de Keizersgracht, op nummer 26. Pas op 30 juni 1849 kan ze weer naar huis. Twee weken later, op 13 juli 1849, overlijdt ze, ergens op de Overtoom in Amsterdam. Ook zij werd 31 jaar.

Maar Gerritje had Veenhuizen overleefd. Ze werd op 9 november 1817 geboren in Utrecht. Haar moeder heette ook Gerritje, en is een voorouder van mijn dochter (via haar moeder, natuurlijk). Moeder Gerritje had op 8 maart 1803 al een kind laten dopen, van wie de vader niet bekend was. Ze trouwt twee jaar later met Arij van der Tol, kreeg met hem enkele kinderen, en was nog steeds officieel met hem gehuwd, toen Gerritje werd geboren. Het kind krijgt desondanks moeders achternaam: de vader is onbekend.

Een maand later, op 9 december 1817 om 9 uur ‘s avonds wordt Gerritje op de Prinsengracht in Amsterdam vlak bij de Utrechtsestraat, dus waarschijnlijk voor de deur van het Aalmoezeniersweeshuis, gevonden. Ze heeft een briefje bij zich met haar naam. Ze had een hemdje en een borstrokje aan, en een navelbandje, en wat wollen lappen om zich heen. Op het briefje staat ook haar geboortedatum, dat ze niet is gedoopt, maar wel ‘griffermeerd’.

Het Aalmoezeniersweeshuis aan de Prinsengracht was voor de meest hopeloze wezen en vondelingen: de allerarmsten die vaak geen band met de stad hadden en ook niet met een kerkgenootschap. Rond de tijd dat Gerritje werd opgenomen groeide het aantal weeskinderen enorm. De stad wist zich geen raad. In 1818 werd de Maatschappij van Weldadigheid opgericht, die in het Drentse Veenhuizen  wezen en vondelingen ging opvangen. Vanaf 6 november 1822 moesten Amsterdamse vondelingen en wezen zonder andere opvang allemaal naar Veenhuizen zodra ze zes jaar waren. In het archief van het weeshuis staat, dat Gerritje in 1824 naar Veenhuizen zou zijn gestuurd. Ze is dan zes. In het archief van Veenhuizen staat als aankomstdatum 11 augustus 1829. Wellicht ging het hier om een interne verhuizing.

In april 1839 werd ze, meldt het archief van het Aalmoezeniersweeshuis, uit Veenhuizen ‘ontslagen’. Ze is dan 21.

 

De oorlogsjaren van mijn vader, deel 9: bijlagen.

9. Bijlagen.

 

 

  1. Brieven aan de dominee.

[Briefkaart]

Hannover, 20 Nov. 1942.

Geachte Dominé,

In Duitschland aangekomen, zal ik u vast mijn adres schrijven. Daar ik pas één dag ben kan ik geen verdere bijzonderheden nog mededelen, doch ik hoop U spoedig een brief te sturen. Mijn adres is:

C. Kentie

D.A.F. Gemeinschaftslager P.T.T.

Schierholzstrasse

Hannover-Buchholz

Duitschland

Met vr. groeten en vaste hoop

 

[w.g.] C. Kentie

 

 

– – – – – – – – – – –

 

 

 

Hannover, 1 Januari 1943

Geachte Dominé,

Voor de derde maal zal ik trachten U een brief te schrijven. Tot twee maal toe heb ik, om een bepaalde reden, de brief terug gestuurd gekregen.

Hoe hier de toestand in Duitschland is, valt moeilijk te schrijven. De bevolking zelf is tegenover ons zeer hoffelijk. Dat is hier dan ook een eisch. ook onderling [?] zijn ze zoo.

We zijn tijdelijk ondergebracht in een z.g. Gemeinschaftslager. Als ik nu ‘we’ schrijf, bedoel ik daarmee mijn Hollandsche collega’s en ikzelf. In het lager is van alles ondergebracht, Polen Franschen, Duitschers, Italianen, Hollanders en zelfs Arabieren.

Onder mijn collega’s hebben zich direct kringetjes gevormd, bestaande uit stadgenoten, enz. Ook zijn hier enige Protestanten onderling verenigd. Alleen moet ik U tot mijn spijt mededelen, dat er weinig Christelijke of hun geloof uitdragende hier zijn. Het is dan ook een pracht taak, die hier voor een Christen is weggelegd.

Er valt voor een vreemdeling hier niet veel te beleven, als bioscoop, café, enz.

Het meest wordt hier gesnakt naar goede Hollandsche lectuur, want die ontbreekt hier totaal.

Dominé, ik moet gaan eindigen en hoop dat deze brief U dan moge bereiken. Ik wensch U tevens nog een door God gezegend Nieuwjaar toe en groet U.

Van Uw oud-cathechisant,

[w.g.] C. Kentie

 

Hannover, 25 Januari 1943

– – – – – – – – – – – – – –

Geachte Dominé,

Reeds Woensdag heb ik Uw brief ontvangen, maar kon door verhuizing niet eerder antwoorden.

We zijn n.l. uit het Gemeinschaftslager vertrokken naar een eigen onderkomen, een nieuw nog niet in gebruik genomen Postkantoor, wat gedeeltelijk afgebouwd is. We liggen nu als Holl. Postbeambten alleen in dit gebouw. Het is veel frisscher en gezonder als het vorige onderkomen, want daar lagen allerlei Nationaliteiten. Men mag niemand wel ergens om verachten, maar als Hollander kijkt men toch wel eens raar, zoo vuil als Polen en Franschen zijn en dan blijft men liever toch maar een beetje uit de buurt.

Wat de Godsdienst betreft is hier maar weinig te doen. Vele kerken zijn gesloten wegens de groote leegte en misschien nog wel om een andere reden.

Als Christenen en Hollanders onder elkaar houden we over de Bijbel en haar inhoud dikwijls diepgaande gesprekken. Ook niet Christenen doen daar aan mee. Het gebeurt dikwijls dat er tot 12 à 1 uur des nachts over gepraat wordt.

Waarom oorlog? Omdat we er niet uit kunnen komen. Dominé, ook hier rijzen de vragen omhoog, maar ook hier kunnen we deze [?] niet beantwoorden op een bevredigende manier.

Daartegenover is het toch heerlijk, dat er Een is Die er antwoord op kan en wil geven. Heerlijk is het te weten, dat er Een is die nooit verlaat, ook al werkt men in den vreemde niet. Hij is het die mij hier naar toe haalt, en Hij zal, als Hij dat wil me ook weer terugbrengen. Ik bid alleen dat het spoedig moge zijn. Dat is hier ook de eenige en grote troost die men kan en zal vinden.

Dominé, ik ga U weer groeten tot een volgende keer. Met blijvende hoop

 

(w.g) Cornelis Kentie

 

 


 2. Het vonnis.

Abschrift

6 S Ls. 92/43.

21/24 S 1 – 110/ 43

Im Namen des Deutschen Volkes

Srafsache

gegen den holländischen Postfacharbeiter Cornelius K e n t i e aus Hannover, geb. Am 28. 9. 1919 zu Rotterdam, zurzeit in H a f t,

wegen Postdiebstahls.

./.

Das Sondergericht Abteilung 1 für den Oberlandesgerichtsbezirk Celle beim Landgericht in Hannover hat in der Sitzung vom 21. Mai 1943, an der teilgenomen haben:

Landesgerichtsdirektor Dr. Stein

als Vorsitzer

Amtsgerichtsrat Dr. Hamelberg

Landgerichtsrat Dr. Schmedes

als Beisitzer

Staatsanwalt Hille

als Beamter der Staatsanwaltschaft

für R e c h t erkannt:

Der Angeklagte wird als Volksschädling wegen

Amtsunterschlagung zahlreicher Feldpostpäckchen

zum T o d e

und zum lebenslänglichem Ehrverlust verurteilt.

Die Kosten des Verfahrens fallen dem Angeklagten zur Last.       .!.

G r ü n d e

Der 23 jährige, ledige Angeklagte ist holländischer Staatsangeh[ö]riger. Nach dem Besuch der Volkssch[ü]le seines Geburtsortes Rotterdam besuchte er vom 11. Bis 15. Lebensjahre eine hohere Schule. Anschliessend arbeitete er bis zum 19. Lebensjahre auf einem Büro in Rotterdam. In den Jahren 1938 /39 war er Soldat. In Mai 1941 wurde er als Hilfszusteller bei der holländischen Postverwaltung eingestellt. Am 19. November 1942 wurde er nach Deutschland vermittelt. Er wurde dem Postamt I in Hannover zur Beschäftigung überwiesen. Er war in der Brief abgab[e]stelle [t]ätig. Seine Dienstobliegenheiten bestanden darin, dass er die Briefe abstempeln, zu ordnen und aufzustellen, dass er die Post zu den Zügen zu bringen und Briefkasten zu legen hatte.

Von Januar 1943 an bis seiner Festnahme am 7. April 1943 nahm der Angeklagte fortlaufend ins Feld gehende Feldpostpäckchen die ihm bei seiner Beschäftigung bei der Post in die Hände kamen, weg. Er [ö]ffnete sie und nahm den Inha[l]t, der vor allem in Keks und Kuchen, sowie Süssigkeiten bestand, heraus und verzehrte ihn. Es fielen ihm aber auch Rauchwaren und ein Füllhalter in die Hände. Die Umhüllungen der Päckchen versteckte er in seinen zwei Koffern, die er in dem Lager, das er in Kleefeld bewohnte, stehen hatte. Der Angeklagte nahm insgesamt 47 Feldpostpäckchen weg. Der Angeklagte gibt diesen S[a]chverhalt zu. Er will zu dem Verbrechen gekommen sein, weil er Hunger gehabt habe. Dies ist keine Entschuldigung für sein Verhalten. Nach seinen eigenen Angaben hat er das Mittagessen in der Kantine erhalten und er hat hierfür w[ö]chentlich nur 40 gr. Fett und 150- 200 Gr Fleischmarken, sowie Kartoffelmarken abgeben brauchen. Es blieben also für die [ü]brige Verpflegung noch genügend Lebensmittel, mindestens ebensoviel wie der deutschen Bevölkerung und auch seinen holländischen Arbeitskameraden. Von einer besonderen Notlage kann daher nicht gesprochen werden.

Der Angeklagte war Beamter im Sinne des § 359 STGB denn er war zu Verrichtungen bestellt, die zu der von der Post als Hoheitsverwaltung ausge[ü]bten Beförderungstätigkeit geh[ö]ren. Er hat sich daher durch die Fortnahme und Oeffnung der 47 Päckchen in fortgesetzter Handlung der Amtsunterschlagung – § 350 ST- GB und der unbefugten Er[ö]ffnung von Postsendungen  – § 354 STGB- schuldig gemacht. Gleichzeitig hat er dadurch, dass er die mit dem Poststempel abgestempelten, auf der Packetumhüllung angebrachte Empfängeranschriften- [ö]ffentliche, ihm anvertraute Urkunden in seinen Koffer verschwinden liess und damit beiseitegeschaffte, eine Urkundenunterdrückung im Amte § 348 Abs. 2 STGB begangen. Da er hierbei in der Absicht handelte, sich den Inhalt der Päckchen, einen Verm[ö]gensvorteil zu verschaffen, liegt eine erschwerte Urkundenunterdrückung – § 349 STGB vor.

Der Angeklagte hat zugleich aber auch gegen § 4 der Volksschädlingsverordnung verstossen. Er hat die Straftat unter Ausnutzung der durch den Krieg verursachten aussergew[ö]hnlichen Verhältnisse begangen. Die Feldpost ist eine durch den Krieg notwendig gewordene Einrichtung, die bei den meist grossen Entfernungen zwischen Absender und Empfänger und der dadurch längeren Dauer der Bef[ö]rderung schwer zu überwachen ist. Darüber hinaus sind aber auch bei allen Postsendungen infolge der durch den Personalmangel hervorgerufenen verringerten Dienstaufsicht die Verluste von Postsendungen zahlreicher geworden und die M[ö]glichkeit die Verluste aufzudecken, erschwert. Diese kriegsbedingten Umstände und die Tatsache, waren dem Angeklagten bekannt. Er hat sie ausgenutzt, um sich in den Besitz der von ihm begehrten Dinge zu setzen. Die Tat der Angeklagten ist besonders verwerflich denn der Angeklagte hat sich an dem Gut vergriffen, dass sich deutsche Volksgenossen unter erheblichen Einschränkungen abgespart haben, um ihren Angeh[ö]rigen an der Front eine Freude zu machen und ihnen die Gewissheit zu geben, dass die Heimat an sie denkt. Wenn der Angeklagte hierfür als Ausländer vielleicht auch nicht das richtige Empfinden gehabt hat, so hat er doch verstandesgemässig erkannt, wie sehr sein Verhalten geeignet war, die Verbindung zwischen Front und Heimat zu st[ö]ren.

Es kann dem Angeklagten nicht widerlegt werden, dass er bei seiner Einstellung nur auf die gewissenhafte und uneigennützige Erfüllung seiner Dienstobliegenheiten und auf die Befolgung der Gesetze und Anordnungen der Nat. soz. Staats verpflichtet worden sei, dass ihm aber nichts über die schwere Bestrafung von Feldpostpackchendiebstählen gesagt worden sei, und dass er hiervon auch in der folgenden Zeit seiner Dienstleistung nichts erfahren habe, denn der Sachverständige Oberpostinspektor M e y e r ware nicht in der Lage, f[ü]r den Angeklagten ungünstige Angaben in dieser Aufsicht zu machen.  Das Gericht hat aber keinen Zweifel, dass der Angeklagte sich bewusst war, dass er ein schweres Verbrechen beging. Mit Rücksicht auf die grosse Zahl der von dem Angeklagten in der verhältnissmäsig kurzen Zeit von 3 Monaten geraubten Päckchen ist seine Straftat besonders verwerflich. Wenn sich der Angeklagte bisher auch straffrei geführt hat, so wiegt sein Verbrechen doch schwer, dass seine Bestrafung als Volksschädling gemäss § 4 der Volksschädlingsverordnung geboten ist. Das gesunde Volksempfinden verlangt zum Schutze der Einrichtung der Feldpost und der Verbindung von Heimat und Front die Verhängung der Todesstrafe gegen den Angeklagten.

Als Volksschädling sind dem Angeklagten die bürgerlichen Ehrenrechte auf Lebensdauer aberkannt worden. § 32 S[tPO]. Die Kostenentscheidung beruht auf § 465 StPO.

Gez. Stein                                             gez. Dr. Hamelberg                            gez. Dr. Schmedes

Beglaubigt:

gez. Jaffa Just. Assistent

Als Urkundsbeamter der Geschäft des Landsgerichts.

 

3. Krantenartikel. 

http://www.braunschweig-spiegel.de/index.php/politik-2/kultur/5693-jva-wolfenbuettel-zwei-tage-im-april-11-april-1945-und-11-april-2015

11. April 1945(vor 70 Jahren)

Gegen Mittag war nach der “Übergabe” der Stadt Wolfenbüttel an die 9. US-Armee durch den nationalsozialistischen Bürgermeister Fritz Ramien endlich befreit. Schon bald darauf öffneten GI’s die Zellen im Gefängnis und befreiten die dort eingepferchten 1512 registrierten Häftlinge.

Zeitzeuge dieses Ereignisses war Fritz Counradi, der in den Gefängnisbetrieben seit Ende 1943 die Produktion optischer Geräte der Firma Voigtländer für die Wehrmacht geleitet hatte. Seine Erinnerungen veröffentlichte Wilfried Knauer, Leiter der Gedenkstätte von 1990 bis 2015, im Heimatbuch des Landkreises Wolfenbüttel 1995.

Ausschnitte dieses eindrucksvollen Berichts sollen hier zitiert werden:
Am Morgen des 11. April waren offensichtlich nur noch der Lazarettbeamte und der für die sogenannte „Kammer” mit der privaten Habe der Gefangenen zustän­dige Wachtmeister im Dienst. Fritz Counradi und seine Kollegen hatten schon seit dem Abtransport „ihrer” N.N.-Gefangenen, mit denen sie über 16 Monate ge­meinsam gearbeitet hatten, keine Möglichkeiten zur Fortsetzung der Produktion. Sie blieben in ihren Werkstätten und bei den Anlagen, um den ganzen Betrieb ordnungsgemäß den alliierten Truppen zu übergeben.

Eine merkwürdige Unruhe hatte an diesem Morgen die ganze Anstalt erfaßt. Aus den Fenstern, die zum Herzogtore lagen, beobachtete Counradi, wie amerikani­sche Infanteristen gebückt, die Gewehre schußbereit im Anschlag und an den Straßenrändern Deckung suchend in Richtung Breite Herzogstraße vorrückten. Wenige Minuten später drang ein leichter Panzer durch das hintere Tor in die Anstalt ein. Sofort setzte ein ohrenbetäubender und inferna­lischer Lärm” ein. Die Gefangenen schlugen in ihren Zellen mit den Hockern gegen die zum Teil eisenbeschlagenen Türen, sie schrien und heulten.

Ein baum­langer, farbiger amerikanischer Soldat hatte offensichtlich Schlüssel gefunden, die er einem im Grauen Hause umherlaufenden Hausarbeiter zuwarf. Dieser rannte über die Galerien und öffnete jede einzelne Zelle. Mit rasender Geschwindigkeit bewegten sich Hunderte von Gefangenen zum Küchengebäude und zur Kammer. Der Kammerbeamte, ein kleingewachsener, älterer Mann, der sich auf der Treppe schützend vor den Eingang des Gebäudes stellte, „flog” im hohen Bogen über die Köpfe der Gefangenen hinweg auf den Holzhof. Die Kammer wurde geplündert.

Dem Lazarettbeamten, der bis zum Schluß bei „seinen” Patienten ausgeharrt hatte, halfen Gefangene mit einer Leiter über die Mauer. Die wegen krimineller Delikte Verurteilten beschafften sich sofort Zivilkleidung in der Kammer, sollen wohl anschließend auch ihre Personalakten  und sonstige möglicherweise bela­stende Unterlagen beseitigt haben, um dann zu verschwinden. (…)

In der Küche fanden die Gefangenen zu ihrer großen Überraschung umfangreiche Lebensmittel bestände vor, die sogleich verteilt wurden. In den hinter dem Küchen­gebäude liegenden Stallungen war noch der gesamte Bestand an Mastvieh vor­handen, so daß einige Gefangene begannen, die Schweine, ca. 200 Stück, und den gesamten Kaninchenbestand zu schlachten. Über offenen Feuerstellen, die auf dem Holzhof eingerichtet wurden, briet man das Frischgeschlachtete. Große Kessel mit Fleisch wurden in der Küche aufs Feuer gesetzt. Die Szene schien geradezu idyllisch. So zog am Abend dieses denkwürdigen Tages, wie Fritz Counradi berichtet, der lange vermißte Duft von gebratenem und gekochtem Fleisch über das Anstaltsgelände. Aber schon wenige Stunden später erfüllte entsetzliches Schreien und Stöhnen die Zellengebäude. Viele der völlig ausgehun­gert Gefangenen vertrugen das frischgeschlachtete, fettige Fleisch nicht und starben unter großen Qualen noch in derselben Nacht.

Die Anzahl auch dieser Opfer wird wohl nicht mehr festzustellen sein. Der Abwicklungsbericht des Registrators Walter Niemeier resümiert die Ereignis­se dieses 11. April 1945 und gibt ihnen folgende Deutung: „Die in hiesiger Anstalt herrschenden vorhergehenden Zustände lassen das Verhalten der Gefangenen bei ihrer Befreiung einigermaßen erklären, insofern der Ernährungszustand fast sämtlicher Gefangenen als unterernährt zu bezeichnen war. Den Inhaftierten wurden nicht im Mindesten ausreichende Nahrung zuteil,… dabei wurde aber das tägliche Arbeitspensum verlangt.” Das durchschnittliche Körpergewicht lag so­mit unter 100 Pfund.

Afbeelding 1: Soldaten der 9. US Armee nehmen am 11. April 1945 in den Straßen von Wolfenbüttel Deutsche Wehrmachtssoldaten gefangen.

  

 

De oorlogsjaren van mijn vader, deel 8.

8. Thuiskomst.

Op 27 februari 1946 meldde het informatiebureau van het Nederlandsche Roode Kruis aan de familie Kentie op de Noorderhavenkade 44b te Rotterdam, dat een opsporingsteam van het Rode Kruis had ontdekt, dat “Cornelis Kentje” op 6 april 1945 van het tuchthuis Celle naar Wolfenbüttel was overgebracht, maar dat verdere gegevens ontbreken. Weet de familie meer? Op 5 maart 1946 wordt het schrijven ontvangen en per kerende post schrijft mijn vader zelf terug, dat hij geen Kentje maar Kentie heet. In de nacht van 5 op 6 april 1945[i], zo meldt hij, is hij inderdaad op transport gesteld naar Wolfenbüttel. Hij kwam er ’s middags aan[ii]. Enkele dagen later werd hij door Amerikaanse troepen bevrijd. Hij is toen gaan lopen naar Hannover (een afstand van circa 80 km), waar hij enkele dagen over deed.

Wanneer hij precies is vertrokken uit de gevangenis, is niet duidelijk. De meeste gevangenen konden niet weg: de Amerikaanse frontsoldaten die hen hadden bevrijd, wilden ze niet laten gaan. Na de frontsoldaten kwamen er militaire autoriteiten. Toen mochten ze weg, maar Hausser bij voorbeeld weigerde te vertrekken zonder papieren. Vervolgens kwamen de Engelsen, en die haalden de papieren op uit Celle. Omdat het uit Celle afkomstige gevangenisdossier van Cornelis Kentie zich bij het NIOD in Amsterdam bevindt, heeft hij daar kennelijk ook op gewacht.

Hij werd vervolgens opgenomen in het Krankenhaus Ricklingen. Dat deels weggebombardeerde ziekenhuis had toen 280 bedden[iii].

Afbeelding 1: Krankenhaus Ricklingen, Hannover (nu: Siloah).

Op 9 mei ging hij met een transport naar Eindhoven, waar hij twee dagen later aankwam. Daar bracht hij enige weken in de omgeving door. Op 12 juni 1945 kwam hij weer thuis in Rotterdam[iv]. Hij werd een onbekende tijd later opgenomen in het hulpziekenhuis van het Rode Kruis aan de Mecklenburglaan in Kralingen. Waarvoor en hoe lang is niet bekend, waarschijnlijk tot december 1945 toen hij weer aan de slag ging bij de PTT. Hij ontmoette in het ziekenhuis mijn moeder, die er als hulpverpleegster werkte. Op 12 november 1946 trouwden ze.

Afbeelding 2: Hulpziekenhuis Mecklenburglaan.

 

Het einde van de oorlog betekende overigens niet, dat mijn vader van zijn straf af was. Op 5 juli 1945 constateert de Oberstaatsanwalt in Hannover, dat Kentie nog 7 jaar en 10 maanden moet zitten, tot 20 mei 1953. Maar waar is hij? Tuchthuis Celle meldt, dat Coneluis Kentje werd overgeplaatst naar Wolfenbüttel. Op 21 februari 1946 vraagt de Oberstaatsanwalt aan de gevangenisautoriteiten, of Cornelius Kentie zich daar nog bevindt. Op 1 maart antwoordt men, dat hij er vandoor is. Op 18 maart 1946 wordt het dossier officieel gesloten: het ziet er niet naar uit, dat Kentie weer gegrepen kan worden. Hij is bij de invasie van de geallieerden uit gevangenschap verdwenen en waarschijnlijk naar zijn vaderland teruggebracht. Aanbevolen wordt te doen alsof hij vrijgelaten is op basis van een besluit van de militaire regering. Het heeft, zo vindt men,  weinig zin om de zaak verder te onderzoeken.

Afbeelding 3: Noorderhavenkade, met puin gedempt, april 1945.

Op 11 december 1945 ging hij weer aan de slag bij de PTT. Pas op 26 juli 1947 kreeg hij weer een vaste aanstelling. Toen mijn vader dacht 25 jaar in overheidsdienst te zijn, bleek dat de PTT de jaren van zijn gevangenschap niet meetelde. Hij was vervolgens een jaar ziek thuis. Bij zijn pensioen als briefsorteerder (expediteur 2e klasse) kreeg hij een kalenderstandaard, waaraan een ieder jaar te ontvangen losbladige kalender voor gepensioneerde PTT’ers gehangen kon worden. Op de standaard stonden zijn dienstjaren vermeld, twee aaneengesloten periodes met een nadrukkelijk hiaat, bestaande uit zijn oorlogsjaren. Toch stond deze standaard gewoon in de kamer. Mijn broer Martin weet zich nog iets anders te herinneren. Bij de officiële plechtigheid vanwege zijn pensionering kreeg hij van de PTT ook een oorkonde, met daarop vermeld zijn dienstjaren. Thuisgekomen in de flat in Ommoord smeet mijn vader deze oorkonde vanaf het balkon naar beneden.

Tot zijn dood in 1998 bleef zijn veroordeling officieel van kracht, inclusief het eeuwige eerverlies. Pas in 1998 nam het Duitse parlement de Gesetz zur Aufhebung nationalsozialistischer Unrechtsurteile in der Strafrechtspflege aan: veel veroordelingen, waaronder alle op basis van de Volksschädlingsverordnung, werden herroepen[v].

 

[i] In het verslag van Trampmann [?] is slechts sprake van één transport van Celle naar Wolfenbüttel met 4 april als vertrekdatum. Gezien de afstand (70 km) kan de tocht nooit in één dag gedaan zijn, ervan uitgaande, dat er niet per trein werd gereisd, maar zoals meestal per voet of per open kolenwagen, zoals het transport naar Butzow, dat daar overigens een week over deed (brief afdeling Oude IJssel van het Rode Kruis, 26 februari 1946).

[ii] N.B.: vertrektijd uit Celle en duur van de tocht wijken af van de gegevens van Trampenau.

[iii]  http://de.wikipedia.org/wiki/KRH_Klinikum_Siloah en http://www.klinikum-hannover.de/sil/his/2postwar.htm. Het ziekenhuis bestaat nog steeds onder zijn oorspronkelijke naam Siloah.

[iv] Archief Rode Kruis, Den Haag.

[v] Gesetz zur Aufhebung nationalsozialistischer Unrechtsurteile in der Strafrechtspflege (1998):

  • 1

Durch dieses Gesetz werden verurteilende strafgerichtliche Entscheidungen, die unter Verstoß gegen elementare Gedanken der Gerechtigkeit nach dem 30. Januar 1933 zur Durchsetzung oder Aufrechterhaltung des nationalsozialistischen Unrechtsregimes aus politischen, militärischen, rassischen, religiösen oder weltanschaulichen Gründen ergangen sind, aufgehoben. Die den Entscheidungen zugrunde liegenden Verfahren werden

eingestellt.

  • 2

Entscheidungen im Sinne des § 1 sind insbesondere

  1. Entscheidungen des Volksgerichtshofes,
  2. Entscheidungen der aufgrund der Verordnung über die Einrichtung von Standgerichten vom 15. Februar 1945 (RGBl. I S. 30) gebildeten Standgerichte,
  3. Entscheidungen, die auf den in der Anlage genannten gesetzlichen Vorschriften beruhen.

Anlage:

  1. Verordnung gegen Volksschädlinge vom 5. September 1939 (RGBl. I S. 1679)

 

De oorlogsjaren van mijn vader, deel 7.

7. Terug naar Wolfenbüttel.

De gevangenisautoriteiten hadden al de nodige ervaring met verplaatsingen van grote groepen geïnterneerden: de bommenregens van de geallieerden zorgden voortdurend voor verhuizingen. Toen de fronten in het oosten en het westen dichterbij kwamen, trokken steeds grotere groepen gevangenen bijna dagelijks van gevangenis naar tuchthuis of andersom, van het ene concentratiekamp naar het andere, soms per trein of op open wagens, meestal lopend. Thierack had in 1943 al duidelijk kenbaar gemaakt, dat gevangenen niet mochten worden vrijgelaten, op hele lichte gevallen na. In Hamburg hadden de autoriteiten na het zware bombardement van eind juli 1943, waarbij verschillende strafinrichtingen zwaar waren beschadigd, grote aantallen gedetineerden, ook langgestraften, vrijgelaten. Dat was dus niet de bedoeling. De Hamburgse Oberstaatsanwalt werd hiervoor tot vier maanden gevangenis veroordeeld.

Eind 1944 werden veel gevangenissen in het westen en oosten van Duitsland ontruimd. De geëvacueerden werden naar het midden van het land getransporteerd. Er kwamen officiële richtlijnen over hoe te handelen bij ontruimingen, met een ongebruikelijk element in nazi-Duitsland: men mocht improviseren. Dat vergrootte de chaos. Kortgestraften mochten worden vrijgelaten, anderen moesten eventueel worden overgedragen aan andere autoriteiten, maar een grote groep politieke gevangenen en langgestraften moest naar elders worden overgebracht, of desnoods ‘geneutraliseerd’, met verwijdering van alle sporen, door ze dood te schieten.

In januari werden strafinrichtingen in het oosten verder ontruimd. Op 12 januari was het winteroffensief van de Sovjets begonnen. 35.000 gevangenen gingen op pad, onder chaotische omstandigheden, meestal lopend. Uitgehongerde mannen en vrouwen liepen zeer lange afstanden in ijzige kou, met minimale rantsoenen of helemaal niks te eten, slecht gekleed en op houten slippers of blootvoets. Gevangenen uit Stargard liepen bij voorbeeld gedurende zeventien dagen naar het 315 kilometer westelijker gelegen Bützow. De gevangenisdirecteur noteerde:

“De weersomstandigheden waren rampzalig. De voortgang van de tocht werd belemmerd door zware sneeuwval, de kou, de massa voertuigen van vluchtelingen en het leger, en het terugstromen van massa’s troepen, krijgsgevangenen enz. Elke weg was verstopt, zodat de groepen soms uren op dezelfde plek moesten wachten om niet meer dan een paar honderd meter vooruit te komen”.

Duizenden kwamen om. De vrouwengevangenis in Fordon werd op 21 januari 1945 geëvacueerd naar Krone. Veertig van de 565 vrouwen overleefden deze tocht.

Gevangenen bezweken van de honger, de kou, de uitputting, of werden doodgeschoten. Soms voor de lol, door gefrustreerde SS’ers, die een groep gevangenen uit Krone met machinegeweren neermaaiden. Bij de  beruchtste dodenmarsen uit de concentratiekampen vielen meer dan een kwart miljoen doden.  Gevangenispersoneel was meestal niet te vergelijken met de SS, hoewel aan het eind van de oorlog heel wat van het oostfront teruggekeerde SS’ers in gevangenissen en tuchthuizen aan het werk gingen. Cipiers die de marcherende groepen gevangenen moesten bewaken, deden dat vaak met tegenzin: ook hun hachje was nu in groot gevaar. Vaak ook waren ze slecht bewapend. Soms wisten grote groepen gevangenen dan ook, ondanks het bevel om iedere wegloper te executeren, er vandoor te gaan.

Verantwoordelijk voor de transporten uit Celle in april 1945 was volgens een verslag van Richard Trampenau ene Langebartels, die sinds 1933 lid van de NSDAP was. De gevangenen werden op transport gestuurd vanwege de oprukkende Engelsen. Volgens de schrijver werden ze de dood ingestuurd. Op 4 april 1945 (volgens Trampenau) vertrok onder leiding van SS-Sturmführer Baumgarten (die op de vlucht voor de Russen in Celle was beland) een groep gevangenen naar de gevangenis van Wolfenbüttel. Hij en zijn ondergeschikten sloegen de gevangenen tot bloedens toe. Het ging daarbij vooral om gevangenen die op sterven na dood waren, en het marstempo niet bij konden houden. Sommigen die niet meekonden, werden langs de kant van de weg achtergelaten. De rest joeg Baumgarten met pistolen op om verder te marcheren. Hij schoot diverse malen, maar de auteur weet niet of hij iemand raakte. Sommigen moesten meegesleept worden. Voor velen was dat extra pijnlijk, omdat ze hun houten slippers waren kwijtgeraakt. Een ondergeschikte, Kubiak, had een doornentak afgesneden en sloeg daarmee gevangenen in het gezicht. De gevangenen kregen ’s morgens om vier uur een dunne plak brood, en mochten toekijken hoe de bewakers zich tegoed deden aan hele broden en spek uit de gevangeniskeuken[i].

Er zijn weinig bronnen over het transport van Celle naar Wolfenbüttel. Cornelis Kentie meldt in 1946 aan het Rode Kruis, dat hij niet op 4 april, maar in de nacht van 5 op 6 april op transport werd gezet, en in de loop van 6 april in Wolfenbüttel arriveerde. In 1998 werd voor de door Steven Spielberg opgerichte Shoah Foundation Alfred Hauseer geïnterviewd. Hij was als communist eind 1934 gearresteerd en tot 15 jaar tuchthuis veroordeeld. Hij vertelt dat hij in 1943 naar Celle werd getransporteerd, en daar door de Amerikanen werd bevrijd. Of nee, herinnert hij zich dan. Hij was plotseling, enkele dagen voor de bevrijding, op transport gezet. Hij moest een deken meenemen, en ze werden staand in open goederenwagons per trein naar Braunschweig vervoerd. Daar moesten ze uitstappen, en in rijen van vier op hun houten slippers twaalf kilometer naar Wolfenbüttel marcheren. De bewakers hadden honden en dreigden iedereen die probeerde te vluchten, dood te schieten. In de gevangenis van Wolfenbüttel werden ze in een grote zaal opgesloten[ii].

Alfred Hausser in 2000
Afb. 1: Alfred Hausser in 2000.

Eerder genoemde Baumgarten was ook de baas over het transport van gevangenen van Celle naar Bützow-Dreibergen, in een open kolenwagen. Tijdens dat transport bezweken circa 180 man. De gevangenis was vol, dus werden de overlevende gevangenen in een nabij gelegen kamp ondergebracht. Op 10 april braken daar tyfus en buikloop uit, waaraan nog eens ongeveer 860 gedeporteerden stierven[iii].

Op 6 april 1945 kwam het transport met mijn vader aan in de gevangenis van Wolfenbüttel: hij had de helse tocht uit Celle overleefd[iv]. Twee dagen later werd een groep NN-gevangenen, waaronder Smedts, uit Wolfenbüttel afgevoerd: per trein naar het oosten, naar Maagdenburg, vervolgens naar Burg en tenslotte naar tuchthuis Brandenburg-Görden, dat pas op 27 april door de Russen werd bevrijd[v]. Ook op 8 april ontruimden de Duitsers diverse buitenkampen in de omgeving van Celle en zetten ze meer dan 4000 gevangenen per trein op transport naar Bergen-Belsen.  ’s Middags stopte de trein op het goederenstation in Celle. Enkele uren later vielen Amerikaanse bommenwerpers Celle aan. De trein kreeg de volle laag. De schattingen lopen uiteen, maar volgens sommige onderzoekers stierf meer dan de helft van de treinpassagiers. Veel overlevenden vluchtten de bossen of de stad in. Soldaten, politie en burgers begonnen een klopjacht. Honderden gevangenen  vonden daarbij de dood. Vijfhonderd gevangenen die het bombardement op hun trein hadden overleefd, werden alsnog door gewone soldaten naar Bergen-Belsen gedreven, en ook bij deze dodenmars vielen vele doden. Een grote groep werd in Celle zonder enige verzorging opgesloten in een kazerne. Daar werden ze twee dagen later,  vaak stervend of al dood, op 12 april door de Britten gevonden.

Afbeelding 2: 11 april 1945: Amerikaanse militairen houden in de straten van Wolfenbüttel enkele Wehrmachtssoldaten onder schot.

Mijn vader was dus op tijd uit Celle vertrokken, en moet er bij geweest zijn, toen de gevangenis van Wolfenbüttel op 11 april, vijf dagen na zijn terugkeer, door de Amerikanen werd bevrijd. Een tank ramde de poort open, vertelde Ton Velder. Bewakers maakten een paar cellen open, gaven de sleutels aan de mannen die naar buiten kwamen om de andere deuren te openen en vluchtten weg. Iedereen stormde de trappen af. Buiten stond een overijverige bewaker met een machinegeweer voor de deur. Enkele Franse gevangenen leidden hem af: hij werd totaal onder de voet gelopen, wat hij niet overleefde. De keuken werd bestormd. Niemand had oog voor de ander. Sommigen werden doodgedrukt op de trap naar boven. Daar lag het warme brood nog in de oven. Er waren er die zich niet konden beheersen: ze pakten een stuk vet en begonnen te likken. Er waren erbij, die deze overvloed niet aan konden: ze stierven aan hun vraatzucht. Dood rolden ze de trap af.

Hausser vertelt, dat ze opeens op een ochtend pantserwagens buiten hoorden: de Amerikanen. Een uur later maakten die de cellen open en iedereen werd naar de binnenplaats gestuurd. Ze mochten de gevangenis niet uit, maar hoefden ook niet meer in de cellen te blijven. Iedereen had honger, de bakkerij, waar brood klaar lag, werd bestormd. Men rukte het brood uit elkaars handen. Hausser schreef toen in zijn dagboek: “Ich habe das Tier im Menschen erlebt.”

 

Afbeelding 3: Direct na de bevrijding in de gevangenis van Wolfenbüttel, april 1945.

Velder was erbij, toen de verstopte valbijl weer werd opgegraven. Hij had de bijl zelfs in zijn handen. Ook bekeek hij voor het eerst het executiegebouwtje van binnen. In de dodencellen lag een laag stront, de executieruimte zelf was bedekt met bloed.

 

[i] Einige Erlebnisse […]. Gezeichnet: Richard Trampenau. In archief NIOD. Trampenau was een Duitse communist die in 1933 ter dood werd veroordeeld. Zijn straf werd omgezet in levenslang. Zie: http://www.dkp-hamburg.de/index.php?mact=News,cntnt01,detail,0&cntnt01articleid=113&cntnt01origid=39&cntnt01detailtemplate=Sample&cntnt01returnid=39

[ii]  Brief Cornelis Kentie aan Rode Kruis, 5 maart 1946.  Hausser, Alfred. Interview 43805. Visual History Archive. USC Shoah Foundation. Transkript Freie Universität Berlin. 2012.

[iii] Zie hierboven en een brief van de afdeling Oude IJssel van het Nederlandsche Roode Kruis aan het Informatiebureau van het Rode Kruis, gedateerd 26 februari 1946, aanwezig bij het NIOD, met daarin een verslag van ene J.H.L. Evers.

[iv] Op diezelfde dag werden in het nabije Hannover de vijf ‘KZ-Aussenlager’ van Neuengamme geëvacueerd, juist richting het noorden. Men passeerde Celle nog, maar Neuengamme werd niet bereikt. Degenen die de dodentochten overleefden, belandden omstreeks 8 april in Bergen-Belsen. Rainer Fröbe u.a. (1985), p. 503-513.

[v] Smedts (1978), p. 147-152.

De oorlogsjaren van mijn vader, deel 6.

6. Tuchthuis Celle.

Op 26 mei 1944 stuurde de Oberstaatsanwalt van het Sondergericht te Hannover naar het tuchthuis te Celle het bericht, dat mijn vader daarheen zou worden overgeplaatst. Op 3 juni 1944 werd hij om 7 uur ’s morgens afgevoerd naar de politiegevangenis in Hannover. Op 9 juni stond hij om 5:10 uur in de ochtend klaar op station Hannover om naar Celle te worden gebracht. Na een treinreis van 1 uur en 25 minuten kwam hij daar aan. Niet veel later arriveerde hij in het vlakbij het station gelegen tuchthuis van Celle.

Afbeelding 1: Direct na aankomst in Celle, begin juni 1944.

Twee dagen later volgde de officiële inboeking. Hij moest een vragenformulier invullen en een korte levensbeschrijving op papier zetten. Zijn handschrift is nog verbazend vast. Hij noemt zich zelf foutief maar conform eerder opgestelde papieren Cornelius, en meldt dat er in Rotterdam een invalidenkaart aanwezig is, maar dat zal een vergissing zijn. Een fotograaf maakte twee foto’s, en profil en en face. Hij ziet er met zijn kaal geschoren hoofd slecht uit. Hij woog 51 kilo, en was dus met zijn 1 meter 73 ernstig ondervoed.

Afbeelding 3: Levensloopformulier

De gevangenis in Celle werd begin 18e eeuw, naar Frans voorbeeld gebouwd als tuchthuis, werkhuis en, tot 1833,  gekkenhuis. Boven de ingang staat dan ook: “Puniendis facinorosis custodiendia furiosis et mente captis publico sumptu dicata domus”[i].  Achter een stevige muur rijst het monumentale hoofdgebouw op, omklemd door twee vleugels. De oorspronkelijke laagbouw erachter werd later vervangen door kazerneachtige hoogbouw, waarin de cellen zaten en zitten.

Een tuchthuisstraf, zeker van tien jaar, was in nazi-Duitsland inmiddels niets anders dan een doodstraf met vertraging geworden.  Om steeds geringere feiten werd voortdurend zwaarder gestraft en daardoor raakten de gevangenissen en tuchthuizen overvol. Daarom besloten minister van justitie Thierack en Himmler op 18 september 1942 om ‘asociale elementen’ in de gevangenissen onder het gezag van de Gestapo te brengen en ze “te vernietigen door arbeid”.   In eerste instantie ging het om gevangen gezette Joden, Sinti en Roma, en Russen en Polen die tot meer dan drie jaar waren veroordeeld. Duitsers en leden van ‘broedervolken’ die veroordeeld waren tot een tuchthuisstraf van meer dan acht jaar, zouden individueel worden beoordeeld. Een commissie van het ministerie van justitie moest de mate van onmaatschappelijkheid onderzoeken, en wie voorgoed zonder waarde voor de volksgemeenschap was, werd aan de politie overgedragen[ii].  Verschillende gevangenen uit Celle, ook doodzieke die in het gevangenishospitaal lagen, werden in het kader van de Vernichtung durch Arbeit afgevoerd naar Neuengamme of voor wegenonderhoud in het Noorden van Noorwegen aan het werk gezet[iii]. Op 24 april 1943 waren er al 14.700 asociale Duitsers en leden van broedervolken geïdentificeerd en naar werkkampen afgevoerd. Het waren meestal gewone misdadigers, maar ook politieke gevangenen. Het doel werkte: het sterftecijfer in Mauthausen bij voorbeeld was 35%, per maand. De gemiddelde overlevingstijd was daar dus drie maanden.

Afbeelding 4: Maquette van het tuchthuis in Celle (1930).

Mijn vader werd dit lot bespaard. Op het eerder genoemde overplaatsingsverzoek van 26 mei 1944 stond nadrukkelijk vermeld, dat hij niet als crimineel (Gestrauchelter) moest worden beschouwd (onderstreping op het formulier). Niet duidelijk is, waarom dat zo was. Was dat overeengekomen met de personen die de gratie hadden weten te bewerkstelligen? Was er al een onderzoek naar zijn eventuele asocialiteit geweest?

Maar ook in tuchthuis Celle was je je leven niet zeker. Het viel weliswaar onder het gewone gevangeniswezen, maar het regime was er bikkelhard. In december 1938 begon Bernhard Hartung als arts in het tuchthuis. Hij zou dat blijven tot 15 januari 1944, toen hij werd overgeplaatst. Wel bleef hij wonen in de dienstwoning direct naast het tuchthuis. In 1986 publiceerde hij zijn deels op bewaarde documenten gebaseerde  memoires als wat late ‘aanklacht en apologie’. Ja, hij kon niet anders dan lid worden van de SA en de NSDAP, en ja, hij had een foto van Hitler in huis hangen, maar niet boven zijn bureau! En natuurlijk had hij niet in het openbaar kritiek geleverd op het regime. Maar hij had vanuit zijn functie als tuchthuisarts wel diverse malen geprobeerd te protesteren tegen de behandeling van de gevangenen.

Zo schreef hij op 13 juli 1942 de hoofdofficier van justitie over het afnemen van het gemiddelde gewicht van de gevangenen, in enkele maanden van 61,5 naar 57 kg. Sommige mannen van 175 à 176 cm wogen nog maar 50 kg of minder. De gevangenen kregen in die tijd steeds minder te eten, en wat ze kregen was van belabberde kwaliteit. Door deze ondervoeding en de verlenging van de arbeidsdag tot elf uren konden de gevangenen natuurlijk veel minder produceren, terwijl de productie-eisen steeds hoger werden en de straffen voor het niet halen daarvan steeds harder. Er trad hongeroedeem op, en er waren, door gebrek aan weerstand,  steeds meer gevallen van ziektes als tbc, ook een groot risico voor het personeel. Broodrantsoenen mochten echter niet worden verhoogd, ook niet voor de mannen in de ziekenzaal.

Mishandelingen door beambten, hulpbeambten, hulpopzichters en kennelijk voorgetrokken gevangenen namen toe, vooral bij de buitencommando’s. Steeds meer bij de buitencommando’s tewerkgestelden gingen dood zonder voorafgaande ziekte, steeds meer werden ‘op de vlucht’ neergeschoten, ook al zou geen normaal mens overdag in gevangeniskledij op de vlucht slaan. Sommige gevangenen werden als gevolg van  de honger bevangen door een soort toeval, liepen verdwaasd de verkeerde kant op en werden dan neergeschoten.

Bij het NIOD bevindt zich een slechte kopie van een typoscript van ene Richard Trampeman, een politieke gevangene die in 1934 tot levenslange tuchthuisstraf was veroordeeld en in Celle verbleef tot april 1945. Celle was een tuchthuis met een verzwaard regime. Er zaten politieke gevangenen, Joden, zigeuners en buitenlanders, maar de meeste gevangenen waren gewone criminelen.  Trampeman werkte vooral in de timmerwerkplaats waar zo’n 50 man werkten, 30 daarvan criminelen. Er werkten vier Nederlanders, twee Belgen, twee Fransen, twee Russen, een Oekraïner en een Joegoslaaf. En negen politieke gevangenen. Vooral het laatste jaar was de gevangenis overbevolkt. De capaciteit was 450, maar er zaten 1600 gevangenen, die stierven als ratten: zes tot tien man per dag: 30% van alle gevangenen was ziek. In de timmerwerkplaats moesten de doodskisten worden getimmerd, dus wie daar werkte, kon het aantal doden vaststellen. Ook in de timmerwerkplaats werden gevangenen  zwaar mishandeld, hoewel er nooit  één werd doodgeslagen. Maar in het algemeen  werd het gauw slechter. Zo sloeg ziekenverzorger Leppelt iedere dag de doodzieken in de ziekenzaal, en liet ze vervolgens aan hun lot over. Velen stierven.

Trampeman vertelt het geval van de Hollander Sipke de Hoop. Die werd ernstig ziek: hij had wekenlang zware arbeid verricht. Dat en de slechte voeding bezorgden hem een zware longontsteking. Hij kon niet meer werken, en dus werd hij op doodscommando gestuurd. Dan waren de omstandigheden nog veel slechter en werkte je dus tot je dood neerviel.

Vooral de buitenlanders werden zeer slecht behandeld. Trampeman praatte met de buitenlanders, en daarom noemden de bewakers hem ‘staatsvijand nummer één’: al zijn gesprekjes werden gerapporteerd bij de politie, waar hij zich geregeld moest verantwoorden.

Ook in Celle moesten de gevangenen werken voor allerlei bedrijven. In diverse afdelingen werden elektromotoren gemaakt (ankerwikkelaars) voor het bedrijf Trillke-Werke uit Hildesheim, een bedrijf dat door Albert Speer tot militair modelbedrijf was aangewezen, en onderdeel was van het Bosch-concern[iv]. Anderen werkten bij de meubelmakerij of in de drukkerij, de schoenfabriek van Gehrken uit Celle, in een recyclingbedrijf van oude legeronderdelen, de zakkenfabriek, de mattenfabriek of in de wagenfabriek. De werkzaamheden werden beloond met 10, 20, 30 of 40 Pfennig per dag. Er waren naast de zogenaamde Außenkommandos in onder andere Tiste en Westermünde ook nog drie à vier ‘boerencommando’s’. Tot slot waren er nog ‘stadscommando’s’ in Ratsmühle, en in de Trillke-fabrieken.

Mijn vader begon op 13 juni 1944 bij het mattenbedrijf, tot 6 september dat jaar. Toen werd hij wegens longtuberculose opgenomen in de ziekenzaal, een lange brede ruimte met grote ramen[v],  waar hij ruim vier maanden verbleef, tot 8 januari[vi]. In die eerste maand van 1945 stierven zeventien gevangenen en tot de bevrijding door de Britten op 15 april nog eens 211 in het inmiddels door overplaatsingen overvolle complex[vii].

Bij ons bezoek aan de gevangenis in 2001 konden mijn broer Martin en ik vaststellen, dat er nog steeds een meubelmakerij is, nu als Arbeitstherapie. Prijzen van houten speelgoed en meubelen op aanvraag.

Afbeelding 5: Cel in tuchthuis Celle. Situatie 1963. Ansichtkaart.

Bij het NIOD ligt een lijst met Hollanders die tussen 1940 en 1945 in Celle vastzaten[viii]. Ik heb een kopie van een deel van die lijst, met 54 namen. De meesten waren, als ze niet in voorarrest zaten, veroordeeld wegens diefstal, heling, vervalsen. Er was iemand bij, die ook wegens onderduiken werd veroordeeld, een ander volgde bevelen van de regering niet op. Een paar luisterden naar een buitenlandse radiozender. Straffen voor deze groep varieerden van enkele maanden tot anderhalf jaar, een enkeling kreeg meer, tot zes jaar toe. Voor hoogverraad kreeg iemand vijf jaar tuchthuis, een ander voor voorbereidingen tot hoogverraad twee jaar. Een homoseksueel (althans een man die veroordeeld werd voor tegennatuurlijke ontucht) moest zes jaar zitten. Iemand die een deserteur had geholpen, werd tot twee jaar veroordeeld. De langst gestrafte was een deserteur: twaalf jaar en zes maanden. Niet veel korter moesten twee andere mannen zitten: tien jaar voor postdiefstal, en tien jaar voor ambtsverduistering. Deze laatste is mijn vader. Tien mannen van de lijst waren in de loop der tijd aan de politie overgedragen. Eén Nederlander werd officieel bij een vluchtpoging doodgeschoten (op 14 maart 1945). Zes van de 54 stierven tussen maart en april 1945 in het tuchthuis te Celle. Hoeveel doden er waren bij de Nederlanders die tussentijds naar andere gevangenissen en tuchthuizen werden afgevoerd, staat niet vermeld.

Begin april 1945 werden elf Nederlanders naar de gevangenis in Wolfenbüttel afgevoerd [ix].

 

[i] Dit huis werd gebouwd met publiek geld om de criminelen te bestraffen en de dwazen en de gekken te bewaken.

[ii] Wachsmann (2005), p. 272 e.v.

[iii] Hartung (1986), p. 183-184.

[iv] Manfred Overesch, Bosch in Hildesheim, 1937-1945: Freies Unternehmertum und Nationalsozialistische Rüstungspolitik. Göttingen. 2008.

[v] Karl Tuttas (1980), p. 257. Tuttas was een Duitse communistische verzetsstrijder., die eind jaren dertig twee keer een korte periode in Celle vastzat.

[vi] Data afkomstig uit brief Rode Kruis, Oorlogsnazorg aan mij, begin 2003 (eerste bladzijde ontbreekt).

[vii] http://www.celle-im-nationalsozialismus.de/Stationen/Zuchthaus.html

[viii] NIOD: ongedateerde Werklijst van de hand van L. Meijers uit Blerick (g[01.039]315.1).

[ix] Niet alleen naar Wolfenbüttel, ook naar Bützow-Dreibergen werd een groep afgevoerd.

De oorlogsjaren van mijn vader, deel 5.

5. ‘Hergabe seiner ganzen Arbeitskraft’.

Op 10 september 1943 wijzigde Rijksminister van Justitie Dr. Otto-Georg Thierack, en daartoe gemachtigd door de Führer zelf, de doodstraf van Cornelius Kentie in een tuchthuisstraf van 10 jaar[i]. Dit feit werd hem overigens pas tien dagen later op 20 september, waarschijnlijk door Staatsanwalt Goerck persoonlijk, in de gevangenis van Wolfenbüttel medegedeeld. Vervolgens verbleef hij nog eens negen maanden in Wolfenbüttel, zonder ooit bezoek te ontvangen.

Direct de dag nadat hem de gratieverlening was medegedeeld werd mijn vader aan het werk gezet. Gevangenisarbeid was lang een vorm van verheffing geweest, maar de nazi’s vonden, dat werken door veroordeelden een vorm van boetedoening was. Een veroordeelde moest door “Hergabe seiner ganzen Arbeitskraft dem Volksganzen” dienen. In 1939 werkten 250 van de 931 gedetineerden in de gevangenis zelf zoals in de Holzhof of de eigen tuinen, of ze werkten voor private ondernemingen, al dan niet gevestigd binnen de gevangenis. Onder deze bedrijven waren rubberverwerker Schroers & Simmerling, kachelpijpfabriek Grüttemans Nachfolger, de nog steeds bestaande lijmfabriek Ludwig Noltemeyer, erwtensorteerder Conrad Wrehde en de Hamburgse fabrikant van rubber matten H.C. Meyer jun. Bijna 500 gevangenen werkten bij zogenaamde Außenbetriebe bij bedrijven buiten de gevangenis. Ze verlieten nog vóór zes uur onder bewaking de gevangenis en kwamen ongeveer twaalf uur later weer terug. Enkelen van hen werkten bij tuinders. Anderen werkten in de kalkfabriek Bahl & Conen, bij de ‘Reichswerke Hermann Göring’ in Börßum en Braunschweig (nu onderdeel van Salzgitter), bij de railfabriek van Büssing & Sohn, bij transportbedrijf Walter Wagner of bij wegwerkbedrijf Gustav Stabbert. De meesten werkten bij de nog bestaande wegenbouwer Friedrich Preuße. Later werkten steeds meer gedetineerden bij Außenkommandos die direct voor de oorlogsindustrieën werkten. Deze gevangenen, uiteindelijk meer dan 800, werden gehuisvest bij hun arbeidsplaats.

Afbeelding 1: Een buitencommando aan het werk.

Op het formulier A36 uit de gevangenis van Wolfenbüttel staan voor mijn vader drie soorten door hem verrichte werkzaamheden vermeld: Zwiebeln, Gümmi en Matten. De uien hebben als begindatum 21 september 1943. Een maand later, op 19 oktober, gaat hij kennelijk aan het werk bij rubberverwerker Schroers & Simmerling. Wat hij ook deed, het betekende minstens elf uur per dag, zes dagen per week, het hele jaar door zonder enige pauze op de korte middagpauze na, werken.

Afbeelding 2: De Holzhof in de gevangenis van Wolfenbüttel.

‘s Ochtends kregen de gevangenen een stukje brood, tussen de middag was er koolraapsoep met wellicht wat aardappels erin, als je het geluk had één der laatsten te zijn die zijn portie kreeg, en ‘s avonds weer een stukje brood. Het was iedere dag honger lijden. Werkte hij buiten, op houten slippers en met veel te weinig kleren, zodat het in de winter voortdurend kou lijden was, dan was hij wellicht in staat wat te jatten, zoals Ton Velder vertelde.

Velder werd op 16-jarige leeftijd in Utrecht bij een razzia in Utrecht gearresteerd. De Duitsers zagen in zijn Ausweis een vervalsing, omdat ze niet konden geloven dat de ouder uitziende Velder pas 16 was. Via Scheveningen en Kleve belandde hij in Wolfenbüttel, waar hij tot de bevrijding verbleef. Hij was aan het werk gezet op de Holzhof, en vertelde me op 30 november 2001 over de werkomstandigheden. Het magere rantsoen wist hij een heel klein beetje aan te vullen dankzij de varkens. In een grote ruimte ergens in de gevangenis werden varkens gehouden. Op het binnenterrein stond ook een klein houten huisje, dat als wc diende. Erin stond een emmer, die, als hij vol was, geleegd moest worden in het varkenshok. Na het legen stopte men gauw wat bieten of knollen die voor de varkens bestemd waren, in de emmer. Met behulp van een uit blik gemaakt ‘mesje’ werden ze geschild, vooral om de poep en de pis te verwijderen. Als het binnenste was genuttigd, bestormden Polen en Russen het hok: zij aten de vervuilde schillen zonder aarzelen op. Eens in de zoveel dagen kwam er een kar met voer voor de varkens. Had je geluk, dan kon je uit de laadbak wat half rotte aardappels of ander voer gappen.

Er was sprake van enorme honger, en alleen al daarom was je nooit je leven zeker, zo vertelde Velder. Want van enige solidariteit onder de gevangenen was geen sprake. Voor een stukje brood kon je vermoord worden, en je wist nooit wie je kon vertrouwen. Je zat weliswaar met drie man in een cel, maten die je wellicht op den duur kon vertrouwen, maar de kans dat die op zekere dag op transport werden gesteld naar een andere gevangenis was groot. Gevangenen praatten niet veel met elkaar, want je kon zomaar verraden worden: anderen kon je niet vertrouwen. Je kon het zelfs wel eens treffen met de bewakers, in dienst van het ministerie van Justitie, en dus geen Gestapo of SS. Toch waren de meesten volgens Ton Velder allesbehalve zachtzinnig. Werkte je niet hard genoeg, of praatte je met een medegevangene, dan kon je een afstraffing met de gummilat verwachten. Betrapten ze je op sabotage, dan wachtte de guillotine. Want sabotage was zelfs bij het hout hakken mogelijk: een gevangene met technische kennis van de houtgeneratoren waarvoor ze waren bestemd, wist in welke vorm je ze moest hakken om de generatoren te verstoppen.

Ook volgens Velder wist iedereen van de doodstraffen. Dat lag als een doem over alle gevangenen. Hij zag vaak hoe ruwhouten kisten op een kar werden geladen en de gevangenis uit werden gereden. De kisten van gevangenen die waren gestorven door ziekte, honger of geweld stonden op een andere plek.

 

[i] In zijn dossier, aanwezig in het Niedersächsische Hauptstaatsarchiv te Hannover (Hann. 171A, nr. 638) is een afschrift van deze beschikking aanwezig, gedateerd 9 november 1944. De Staatsanwalt had daar op 26 mei 1944 om gevraagd omdat de originele stukken door ‘Feindeinwirkung’  vernietigd waren.

De oorlogsjaren van mijn vader, deel 4.

4. ‘Todeskandidat’ in Wolfenbüttel.

Mijn vader liet nooit de naam Wolfenbüttel vallen. Het was dan ook een verrassing toen ik bij het NIOD  zijn gevangenisdossier aantrof in een map van de strafgevangenis in die stad. Op 7 juni 1943 om 9.40 uur werd mijn vader in Wolfenbüttel ‘ingeboekt’ als nummer 271 onder de naam Cornelius Kentie en opgesloten in Haus II, het zogenaamde Rode Huis. Bij hem werd een bedrag van 77,28 RM aangetroffen, terwijl maximaal 50 RM in zijn bezit mocht blijven. Het teveel werd in beslag genomen, en later vond men nog eens 159,98 RM. Zijn weekloon bij zijn arrestatie was overigens 21 RM. Hij vulde de Aufnahmeverhandlung (formulier nr. 36 van het gevangeniswezen) in en werd in Einzelhaft en geboeid opgesloten, naar alle waarschijnlijkheid in een dodencel.

Afbeelding 1: Maquette van de gevangenis van Wolfenbüttel.

De gevangenis in Wolfenbüttel heeft zijn hoofdingang in een nauwe straat in het met eeuwenoude vakwerkhuizen volgebouwde historische centrum. Het hoofdgebouw van de gevangenis stamt uit 1506. In 1619 werd het voor het eerst een (militaire) gevangenis. Sinds 1790 is het een tuchthuis. In 1873 werden achter het hoofdgebouw twee cellencomplexen gebouwd, Haus I en Haus II. Her en der op het terrein staan werkplaatsen. De gevangenis werd vanaf het begin van de machtsovername door de nazi’s gebruikt voor het opsluiten van politieke gevangenen. In de tweede helft van de jaren dertig was bijna de helft van de circa 800 gevangenen veroordeeld vanwege politieke delicten. De gevangenis werd beheerd door regulier justitiepersoneel, en dat was aanvankelijk te merken. Joden mochten bij voorbeeld Pesach vieren en gebedenboeken hebben. Soms werd iemand tegen de zin van de Gestapo op strikt juridische gronden vrijgelaten. Maar de Gestapo kreeg in de loop der tijd steeds meer grip op de gevangenis, en het werd een beruchte gevangenis voor Nacht-und-Nebel-gevangenen (NN-gevangenen)[i].   De gevangenis had een capaciteit van duizend gevangenen, maar gedurende de oorlog verdubbelde dat aantal tot tweeduizend.

Afbeelding 2: Haus II te Wolfenbüttel, het Rode Huis (2001).

Op het binnenterrein van de gevangenis staat een oud gebouwtje, de oude smederij. Deze smederij werd in 1937 tot een executieplaats omgebouwd, nadat besloten was de voltrekking van de doodstraf te centraliseren in elf executieoorden. Een valbijl (guillotine), afkomstig uit een gevangenis in Hannover en een galg werden geplaatst, een bloedgoot gegraven, enkele ruimtes tot dodencellen verbouwd. Vanaf de herfst van 1943 werd Haus I, het ‘Grauen Haus’ de gevangenis van  de NN-gevangenen[ii]. Over hun verblijf weten we wat meer. Op de begane grond bevonden zich de dodencellen, die in 2001 nog als gewone cellen in gebruik waren.  Op de tweede verdieping, in de voormalige kapel, moesten deze gevangenen verrekijkers van de firma Voigtländer u. Sohn in elkaar zetten, iedere dag van zes uur ’s morgens tot zes uur ’s avonds. Alleen op dinsdag stopten ze al om vijf uur. Dan kwamen de beulen: dinsdag was executiedag.

Afbeelding 3: Haus I, het ‘Grauen Haus’.

De Todeskandidaten werden door de wachtmeesters naar de guillotine gebracht. Hoeveel er op een dag werden geëxecuteerd, kon je dinsdagochtend al weten, omdat dan de ongebruikelijk korte kisten werden afgeleverd. Kort, want er werd op hout bezuinigd en de onthoofde lichamen waren nu eenmaal korter. Het afgehakte hoofd kon er altijd wel bij gepropt worden[iii]. De ter dood veroordeelde NN-gevangenen (meer dan 70 werden in Wolfenbüttel geëxecuteerd) zaten in de cellen op de begane grond, dag en nacht geboeid. Ook eten deden ze met de boeien om. Het galgenmaal was soep. Als dat op was, moesten ze zich uitkleden. Hun handen werden op de rug geboeid. Na 3 december 1943 kregen ze standaard een spuitje om het spreken onmogelijk te maken. Op die dag had een man uit Poitiers de Marseillaise gezongen tot het moment, dat zijn hoofd op de grond viel.

Afbeelding 4: De dodencellen in het ‘Grauen Haus’.

De gevangenen op de hogere etages van het Grauen Haus mochten niet kijken als de ter dood veroordeelden hun laatste gang maakten, maar deden dat toch en zagen dan hoe de ter dood veroordeelden tussen twee bewakers naar de oude smederij werden gevoerd. Daar namen twee mannen met bebloede schorten hen over en verdween men in het gebouwtje. Het onthoofden ging razendsnel: op 3 december 1943 werden bij voorbeeld in nauwelijks meer dan een kwartier tien leden van de verzetsgroep Renard geëxecuteerd[iv]. Na enige tijd arriveerde de vrachtwagen, waarmee de kisten werden afgevoerd, samen met het mes: dat moest geslepen worden voor de volgende keer.

Dat zijn details die de latere hoofdredacteur van Vrij Nederland Mathieu Smedts ooit opschreef. Smedts kwam op 14 maart 1944 in Wolfenbüttel aan. Hij was als verzetsstrijder op 17 november 1943 in Utrecht ter dood veroordeeld, en werd als NN-gevangene afgevoerd naar tuchthuis Sonnenburg (een speciale NN-gevangenis, waar per maand bijna twintig procent van de gevangenen stierf) en vervolgens naar Wolfenbüttel. Daar was het na Sonnenburg “pure verrukking de eerste dagen”, schreef hij later[v]. De cellen waren helder, er waren wc’s, veel bewakers waren redelijk correct. Maar toch werd Wolfenbüttel “een verschrikkelijker ervaring dan alles wat wij tot dan toe hadden beleefd”. En dat kwam door een klein huisje met daarin een guillotine. “Week in week uit, bijna elke dinsdag kwamen de beulen om enkele ter dood veroordeelden te onthoofden”.

Ook Smedts monteerde in de oude gevangeniskapel verrekijkers tot zes uur ’s middags. Op dinsdag werd er een uur eerder gestopt,

“want dan moesten onze brave wachtmeesters de ter dood veroordeelden uit hun cel naar de guillotine brengen. Zij zaten gelijkvloers beneden ons, de Todeskandidaten, zoals zij genoemd werden. Altijd waren zij geboeid. ’s Morgens werden de boeien hun twintig minuten afgenomen om hun bedden uit de cel te slepen en op de gang te leggen, twintig minuten ’s avonds om ze weer terug te halen. Ze aten met de boeien aan, zij zaten de hele dag alleen te wachten op hun dinsdag” [vi].

Toen Smedts er zat, was mijn vader geen Todeskandidat meer, maar de kans is heel groot, dat ook hij maandenlang in een dodencel angstig heeft gewacht op zijn dag des oordeels. Smedts hoorde ter dood veroordeelden in afwachting van hun executie krankzinnig worden. ’s Nachts werd soms de stilte doorbroken door “een gehuil dat je door merg en been ging. Een man die te lang alleen met zijn gedachten over zijn komende executie had gezeten, kon zich niet meer beheersen”[vii].

Afbeelding 5: De oude smederij.

Overigens vermeldt dominee Hans Hüneke, die bij veel executies aanwezig was, een heel ander tijdschema. Eerst om de veertien dagen, later bijna elke dag werd er geëxecuteerd. Afwisselend met dominee Schubert was Hüneke twee keer per week als zielzorger aanwezig. Het ritueel begon ’s avonds om 19 uur. De verantwoordelijke officieren van justitie in hun toga’s, de griffier, een evangelisch en een katholiek geestelijke en twee ambtenaren betraden dan het executiegebouwtje. Vloer en wanden waren er met tegels bedekt. Een gordijn deelde de ruimte in tweeën. Achter het gordijn bevond zich de guillotine.

Afbeelding 6: De executieruimte in de oude smederij.

In het deel voor het gordijn stond een zwart bedekte tafel, waarachter men plaats nam. Vervolgens kwamen de ter dood veroordeelden één voor één binnen, gekleed in blauwe gevangeniskledij op houten slippers, de handen op de rug gebonden. De verantwoordelijke officier van justitie las nog eens het doodsoordeel voor, deelde mede dat het gratieverzoek was afgewezen en vertelde vervolgens dat de straf de volgende morgen om 5 uur zou worden voltrokken. De veroordeelde werd dan naar de cel in het gebouwtje gebracht.

Afbeelding 7: Meubels in een dodencel in de oude smederij.

Om 5 uur ’s morgens werd de executieklok in het torentje op de smederij geluid. Hetzelfde gezelschap als de avond ervoor verzamelde zich, aangevuld door een arts (om de dood van de onthoofden formeel vast te stellen), de beul en zijn twee helpers. De beul, een wat oudere vriendelijke man, was gekleed in rokkostuum met hoge hoed. Ook zijn helpers waren stemmig gekleed.

Afbeelding 8: De valbijl.

Vervolgens werd de veroordeelde binnengebracht, met een blauw jasje over zijn ontbloot bovenlijf. De verantwoordelijke aanklager las nog eens voor, dat er geen gratie was verleend en zei dan: “Beul, doe uw plicht”.  Het gordijn werd opengetrokken, de guillotine werd zichtbaar. De beul ging ernaast staan, zijn helpers gingen aan beide kanten van de veroordeelde staan, trokken zijn jasje uit en grepen hem bij de armen. Snel brachten ze hem naar het schavot, legden hem op zijn buik neer. De nekplank werd vastgezet. En dan drukte de beul op een aan de zijkant bevestigde knop. De bijl viel met een luide klap, het hoofd viel in een leren zak, het bloed spoot sissend uit de halsslagader, de houten slippers vielen van de slap geworden voeten met een tik op de betegelde grond. Het gordijn werd weer gesloten. De beul kwam ervoor staan, en zei: “Das Urteil ist vollstreckt”.  De aanwezige geestelijke sprak hardop een Onzevader, waarbij alle aanwezigen hun hoofd ontblootten. Alles had nog geen vijf minuten geduurd. Vervolgens werden de andere veroordeelden onthoofd, eerst die in de dodencellen in de oude smederij, daarna de NN-gevangenen uit het Grauen Haus. Die moesten over het binnenhof gevoerd worden. Daarom stonden er overal gevangenbewaarders met geladen karabijnen, die er ook voor zorgden dat geen van de gevangenen naar buiten keek[viii]. Dominee Hüneke deed zijn werk in Wolfenbüttel tot maart 1943.

 

[i] Knauer (2000), p. 85-86.

[ii] Knauer (1990), p. 37. Gevangenisaalmoezenier Unverhau noemt in 1946 echter mei 1943: ibidem, p. 42.

[iii] Smedts (1978), p. 129.

[iv] Knauer (1990), p. 48-51.

[v] Smedts (1962), p. 57.

[vi] Smedts (1962), p. 57.

[vii] Cornelissen (2006), p. 64-65.

[viii] Hans Hüneke, Zehn Stunden vor der Hinrichtung; meine Arbeit an dem Strafgefängnis zu Wolfenbüttel 1942/43. Typoscript. Salzdahlum, juni 1951.

De oorlogsjaren van mijn vader, deel 3.

3. Sondergericht Hannover.

Na zijn arrestatie werd Cornelis Kentie waarschijnlijk gevangen gehouden in de politiegevangenis te Hannover, deel uitmakend van het hoofdbureau van politie in de Hardenbergstraße. Het lijkt waarschijnlijk, dat hij ook vast heeft gezeten in de Gerichtsgefängnis, gelegen direct achter het Centraal Station. Daar kan hij, zoals hij mij ooit vertelde, communistenleider Ernst Thälmann hebben gezien, die daar tot 11 augustus 1943 als ‘Stargefangene’ was geïnterneerd[i].

Afbeelding 1: Hoofdbureau van politie in Hannover, 2001.
Afbeelding 2: Begane grond van het hoofdbureau van politie. Goed zichtbaar is het cellenblok.
Afbeelding 3: Ernst Thälmann in de Gerichtsgefängnis Hannover, 1943.

Op 21 mei 1943 verscheen Kentie voor het Sondergericht Abteilung I für den Oberlandesgerichtsbezirk Celle beim Landgericht in Hannover. Rechters bij deze bijzondere rechtbank waren Dr. Stein als voorzitter, dr. Hamelberg en dr. Schmedes[ii]. Verder was aanwezig de openbaar aanklager (Staatsanwalt) Hille[iii]. Er was waarschijnlijk geen tolk aanwezig. Onduidelijk is wie de toegewezen ‘Offizial-Verteidiger’ was. Beroep was na een uitspraak van zo’n bijzondere rechtbank niet mogelijk.

De Sondergerichte waren zeven weken na de machtsovername van de nazi’s, op 21 maart 1933 ingesteld. Ze waren nadrukkelijk bedoeld om de strijd van de nazi’s tegen hun politieke tegenstanders een juridische basis te geven. Zij moesten bij voorbeeld ertoe bijdragen om de vooral communistische en sociaaldemocratische tegenstanders van het Derde Rijk, die de nieuwe orde stiekem zouden proberen te ondergraven, ‘vollständig auszurotten’[iv].

Rechters bij de bijzondere rechtbanken waren vaak fanatieke nazi’s, die de opdracht hadden snelrecht te plegen en streng te straffen. Het waren ‘soldaten van het thuisfront’, die streden tegen ‘volksparasieten’, de Volksschädlinge[v]. In de loop der jaren nam het aantal verordeningen op grond waarvan de bijzondere rechtbanken recht spraken, toe. Daarbij ging het aanvankelijk vooral om de Heimtückeverordnung en de Rijksdagbrandverordening, maar na het begin van de oorlog kwamen daar onder andere de radioverordening (waarmee het verboden werd naar buitenlandse zenders te luisteren), de oorlogseconomieverordening en de zogenaamde Volksschädlingsverordnung (1 september 1939) bij. Daarmee verschoof het zwaartepunt van het strafrecht van de gewone rechtbanken naar de Sondergerichte. De Heimtückeverordnung verbood het onbevoegd dragen van uniformen, maar was vooral van belang vanwege paragraaf 3. Daarin werd een ieder met gevangenisstraf bestraft die opzettelijk een onwaarheid verspreidde met als doel het beschadigen van het Rijk of de achter het Rijk staande partijen of organisaties. Het bleek een effectief muilkorfartikel.

De al eerder gepubliceerde Reichtstagsbrandverordnung was opgesteld als reactie op het in brand steken van de Rijksdag door Marinus van der Lubbe op 27 februari 1933. De dag erna werd de verordening door president Hindenburg afgekondigd. Ze was officieel gericht tegen gewelddaden van communisten, maar beperkte in één klap de belangrijkste grondrechten. Het recht op vrije meningsuiting, de pers- en de vergadervrijheid werden afgeschaft. Voor afluisteren, vastzetten en het doen van huiszoekingen was geen enkele rechterlijke toetsing meer nodig.

Het Sondergericht Hannover (één van de uiteindelijk 74) voerde tussen 1933 en 1945 ongeveer 4200 processen. In 1943 werden de meeste gevoerd: ongeveer 820. Vanaf het begin van de oorlog (1 september 1939) tot 10 april 1945 sprak het 210 doodstraffen uit, 59 in 1943 alleen. 170 in die periode veroordeelden werden daadwerkelijk geëxecuteerd. 99 doodvonnissen waren gebaseerd op de Volksschädlingsverordnung van 5 september 1939.

In het Derde Rijk werden waarschijnlijk circa 45.000 doodvonnissen geveld. Meer dan de helft daarvan werd uitgesproken door de krijgsraden. 5243 doodvonnissen werden door het Volksgerichtshof geveld. De overige rechtbanken kwamen tot een totaal van zo’n 15.000, de meeste daarvan (zo’n 10.000) bij de 74 bijzondere rechtbanken.

Achttien vrouwen werden door het Sondergericht Hannover ter dood veroordeeld. Meer dan een kwart van de mannen (57) was buitenlander, de helft daarvan (29) Pool, en vier Nederlanders. Die vonnissen werden meestal in de executieruimte in Wolfenbüttel, waar een guillotine en een galg stonden, ten uitvoer gebracht. 24 doodvonnissen werden door de Rijksminister van Justitie omgezet in gevangenisstraffen. Het betrof zes vrouwen, één Pool en drie Nederlanders. Van de doodvonnissen tegen buitenlanders werd overigens 89%, vaker dan die van Duitsers, daadwerkelijk voltrokken[vi].

Met de Volksschädlingsverordnung konden ook simpele vergrijpen zwaar worden bestraft, zoals blijkt uit § 4:

“Wer vorsätzlich unter Ausnutzung der durch den Kriegszustand verursachten außergewöhnlichen Verhältnisse eine sonstige Straftat begeht, wird unter Überschreitung des regelmäßigen Strafrahmens mit Zuchthaus bis zu 15 Jahren, mit lebenslangem Zuchthaus oder mit dem Tode bestraft, wenn die das gesunde Volksempfinden wegen der besonderen Verwerflichkeit der Straftat erfordert”.

Deze paragraaf maakte het dus bovendien mogelijk om zowat iedere overtreding en ieder misdrijf door een bijzondere rechtbank  te laten behandelen. En dat was ook de bedoeling, zo liet het Rijksministerie in 1939 de rechters en aanklagers weten. De parasiet die zich aan het volk vergrijpt, heeft immers geen plaats meer in de Duitse gemeenschap. De verordening was ook niet zozeer tegen nauw omschreven daden, als wel tegen een bepaald daderstype gericht. Ze was gericht tegen mensen die volgens de nazi’s tekort schoten in hun op de gemeenschap gerichte houding. Dankzij de Volksschädlingsverordnung konden rechters en officieren van justitie naar totale willekeur straffen[vii].

De SS meldde op 3 februari 1941 dat het verduisteren en stelen van met name veldpostpakjes door postbeambten de laatste tijd enorm was toegenomen[viii]. In april 1942 werden de voedselrantsoenen drastisch gekort, en dat leidde tot een verdere toename van de diefstallen. Justitie reageerde met steeds zwaardere straffen, en het vaker uitspreken van de doodstraf op grond van de volgende redenering. Wie zich bezondigde aan het stelen van pakjes in zijn functie als ambtenaar, kon niet anders dan een Volksschädling zijn. Hij jatte immers Liebesgaben, die door de familie van een soldaat letterlijk uit de mond gespaard waren, terwijl de niet bereikte geadresseerde zich ook nog eens zorgen ging maken over de reden van het uitblijven van nieuws van het thuisfront. Zeer zware straffen waren dus op hun plaats. De hoeveelheid gestolen waar was daarbij niet zo van belang. Pakjes bevatten gewoonlijk ook niet veel levensmiddelen of tabak. Maar het was een misdrijf tegen de veldpost als instituut, en daarmee was het een aanval op een van de fundamenten van de oorlogsvoering. Je moest wel een gewetenloze misdadiger zijn als je je daaraan schuldig maakte. Je maakte je dan ook niet zozeer schuldig aan het overtreden van een bepaalde wet, maar je handelde tegen het gesunde Volksempfinden, de gezonde opvattingen van het volk. En dus was je extra schuldig. Dat gezonde volksgevoel hoefde verder niet gedefinieerd te worden of in wetten vastgelegd.  De bijzondere rechter van het Sondergerichte vertegenwoordigde dat volksgevoel[ix]. Bij het stelen van veldpost was het toepassen van de Volksschädlingsverordnung dan ook verplicht.

Die redenering werd ook gehanteerd tegen mijn vader. De diefstal van de zevenenveertig pakketten was niet alleen strafbaar volgens de paragrafen 359, 350, 354, 348 en 349 van de strafwet, zo luidde het oordeel van de rechters, maar was vooral een vergrijp tegen genoemde § 4 van de Volksschädlingsverordnung, want hij had gebruik gemaakt van de bijzondere oorlogsomstandigheden. Veldpost bestond immers als gevolg van die oorlog, en er was door de oorlogsinspanningen gebrek aan toezichthoudend personeel. Het misdrijf was des te verwerpelijker, omdat hij zich had vergrepen aan goederen, die de “deutsche Volksgenossen  ondanks de schaarste bij elkaar hadden gespaard om hun verwanten “an der Front eine Freude zu machen und ihnen die Gewissheit zu geben, dass die Heimat an sie denkt”.  Als de dader als buitenlander dat niet helemaal had kunnen navoelen, dan had hij toch met zijn gezond verstand kunnen begrijpen, dat hij met zijn daad de band “zwischen Front und Heimat” verstoorde, zo stelde de rechtbank. De dader wist toch ook dat hij zich aan de wetten van de nationaalsocialistische staat diende te houden. Het verweer dat hij zich niet bewust was dat deze daad zo zwaar gestraft werd, hield geen stand. Bijzonder verwerpelijk was volgens de rechtbank, dat Kentie in zo’n korte tijd zoveel pakjes had weten te jatten. En ook al had aangeklaagde een blanco strafblad, het gesunde Volksempfinden vereiste ter bescherming van de veldpost en de band tussen front en vaderland de doodstraf. Aanvullend werd mijn vader veroordeeld tot eeuwig eerverlies.

 

 

[i] http://hannover.vvn-bda.de/ggh.php?kapitel=13. Dezelfde bron meldt, dat alle gearresteerden eerst in de Gerichtsgefängnis werden geïnterneerd:  http://hannover.vvn-bda.de/ggh.php?kapitel=5.  In eerdere versies stelde ik, dat mijn vader beweerd had Thälmann in Bergen-Belsen te hebben gezien. En dat dat dus niet waar kon zijn. Wellicht is Bergen-Belsen verkeerd herinnerd, maar hij kan dus wel degelijk Thälmann gezien hebben.

[ii] Dr. Gernot Stein (24-8-1912) was directeur van het Landesgericht te Celle. Na de oorlog klom hij op tot Senatspräsident van het Oberlandesgericht te Celle. Ook Hamelberg en Wilhelm Schmedes (1899-1978) vervolgden na de oorlog hun carrière tot in de jaren zestig. Mechler, p. 17-18 (n. 15). Schmedes sprak circa 80 keer de doodstraf uit, maar dat belette hem niet om directeur van het Landesgericht in Hannover te worden. In 1962 werd zijn nazi-verleden onthuld. Hij ging daarop met pensioen (Rohde, Reinhard (2003): Niedersächsische Juristen. Ein biographisches Lexikon; in: Revista 21, Dez.    2003 / Jan. 2004, S. 14).

Afbeelding 4: Dr. Wilhelm Schmedes.

[iii] Fritz Hille (4 maart 1907) was na de oorlog Oberstaatsanwalt te Detmold.

[iv] Mechler (1997), p. 31.

[v] Wachsmann (2005), p. 109, 187.

[vi] Mechler (1997), p. 31-46.

[vii] Knauer (1990), p. 81.

[viii] Heinz Boberach, Meldungen aus dem Reich 1938-1945; die geheimen Lageberichte des Sicherheitsdienstes der SS. Hersching: Pawlak Verlag, 1985. P. 1971. Geciteerd in Mechler, p. 168 (n. 505).

[ix] Mechler (1997), p. 169.

De oorlogsjaren van mijn vader, deel 2.

2. Arrestatie.

De Pertzstrasse ligt in een in de jaren twintig of dertig gebouwde woonwijk aan de noordoostkant van de stad. Nummer 17 is nog steeds[i] het laatste pand. Naar het noorden en naar het oosten strekten zich toen uitgebreide weilanden uit. Mijn vader verbleef in de Pertzstrasse, toen hij op 7 april 1943 werd gearresteerd. In zijn twee koffers vond men de verpakkingen en de afgestempelde adreskaarten van de pakketten die hij had opengemaakt. Het ging om 47 pakjes, veldpost, dus bestemd voor soldaten aan één van de fronten. Hij had, zo luidde de aanklacht, daaruit koeken en koekjes gepikt, evenals rookwaren en een vulpen. Hij had het gedaan uit honger, zo was later voor de rechter zijn verweer. Maar dat vond de rechtbank niet zo’n sterk excuus. Want hij had in de kantine middageten gekregen, waarvoor hij per week slechts 40 gram vet, 150 à 200 gram vleespuree en aardappelpuree van zijn Lebensmittelmarken  hoefde af te staan. Hij had dus net zo veel als de Duitsers en zijn Hollandse Arbeitskameraden gekregen.

Dat was dan niet veel, zo klaagden de eerder genoemde 63 ‘arbeidskameraden’ bij Postkantoor II. Die lieten vaak voedsel door familie sturen, en wie dat niet voor elkaar kreeg, leed domweg honger, want ze kregen per week maar iets meer dan twee kilo brood de man. Ze moesten zonder echte pauzes heel hard werken. In de kantine van het postkantoor konden ze met behulp van hun bonnen redelijk eten, maar de porties waren veel te klein.

Afb. 1: Politiefoto’s Hannover, april 1943.

Diefstallen van postzendingen kwamen vaker voor. Meer dan 150 Nederlandse PTT’ers werden ervoor gearresteerd. Aanvankelijk werden ze op staande voet ontslagen en naar Nederland teruggestuurd. Maar vanaf eind 1942 of begin 1943 werd dat niet meer geaccepteerd door de met Rijkscommissaris Seyss-Inquart meegekomen Oberpostrat, Dr. W. Linnemeyer. Iedere postdiefstal moest voor een Duitse rechtbank afgehandeld worden, beleid dat aansloot bij dat in Duitsland zelf, waar steeds strenger werd opgetreden tegen dit soort vergrijpen. Nederlandse PTT’ers werden vanwege diefstallen door die Duitse rechtbanken veroordeeld van een week hechtenis tot tien jaar tuchthuis of heel soms zelfs de doodstraf. Directeur-generaal Ir. W.L.Z. van der Vegte van de PTT, een door Seyss-Inquart benoemde NSB’er, kwam tegen deze laatste straffen in het geweer en wist soms met succes gratie te verkrijgen[ii].

[i] In 2001.

[ii] Visser (1968), p. 242.

De oorlogsjaren van mijn vader, deel 1.

1. Naar Duitsland als tewerkgestelde.

Op 19 november 1942 werd mijn vader, Cornelis Kentie, naar Duitsland (‘dienstverplichtichd’ meldt hij zelf later[i] gestuurd, naar de Deutsche Reichpost (DRP) in Hannover, met het 26ste contingent bestellers en ander PTT-personeel,  41 mannen uit het hele land[ii]. Hij was toen 23 jaar en nog niet zo lang in dienst bij de PTT als postbesteller. Na de lagere school en drie jaar ulo had hij enkele jaren op kantoor gezeten (mijn moeder noemde ooit borstel- en verfkwastenfabriek Burex, die in het centrum van Rotterdam had gestaan[iii]. Hijzelf ontkende daar ooit gewerkt te hebben). Op 24 oktober 1938 kwam hij in militaire dienst. Op 11 mei 1940 werd hij als krijgsgevangen afgevoerd naar Stalag II D, in Stargard in Pommeren, nu de Poolse stad Szczeciński. Op 6 juni 1940 kwam hij weer vrij en keerde hij via Bentheim terug naar Rotterdam. Op 16 juli 1940 zwaaide hij af. Pas bijna een jaar later, op 15 mei 1941 kwam hij in dienst bij de PTT, waar zijn vader al werkte[iv].

Omdat de Duitse mannen aan het front vochten en half Europa in hun greep moesten zien te houden, had nazi-Duitsland vanaf het begin van de oorlog een almaar groeiende behoefte aan arbeiders uit de bezette landen. Goedschiks maar vooral kwaadschiks werden miljoenen mannen, vrouwen en zelfs kinderen uit heel Europa op transport gezet naar de Heimat. De eerste ladingen kwamen vanaf 1939 uit Polen.

Al in juni 1940 begon de werving van Nederlandse dwangarbeiders. Werkzoekenden werden op straffe van intrekking van hun uitkering ‘vrijwillig’ geronseld[v]. Gedurende de hele oorlog werden er zo’n 500.000 Nederlanders naar Duitsland gestuurd. Bij de capitulatie bevonden zich nog circa 270.000 Nederlanders op Duitse bodem[vi].

De Deutchse Reichspost (DRP) had de grootst mogelijke moeite om het bedrijf te laten functioneren onder de oorlogsomstandigheden. Halverwege 1943 was de helft van het oorspronkelijke personeelsbestand aan het bedrijf onttrokken. Men was dan ook al sinds anderhalf jaar bezig het personeel aan te vullen met buitenlandse hulpkrachten[vii]. Begin 1942 begon de werving van Nederlandse PTT’ers. De verwachting was, dat het geen moeite zou kosten vrijwilligers te vinden. Dat viel tegen: slechts iets meer dan honderd mannen gingen uit eigen vrije wil de oostgrens over, aangevuld met wat onaangepaste lieden. Die leverden slecht werk en gingen, volgens de functionaris die leiding gaf aan Bureel Uitzending naar Duitsland, met dienstmeisjes op zolderkamers van hun hotel rotzooien[viii]. Sommigen probeerden na aankomst direct weer terug te keren, waarvoor de meest uiteenlopende redenen werden bedacht, van heimwee tot het niet kunnen verdragen van Duits voedsel. Soms hadden ze daarbij succes.

In de volgende maanden kwam de bezetter met steeds zwaardere eisen: er was meer personeel nodig. In juni volgde het bevel aan de PTT om 1241 man te leveren. Dat zouden geen vrijwilligers meer zijn: vertrek naar Duitsland was nu dienstverplichtet, en  op eigen houtje terugkeren was dus uitgesloten. Wel was er een verschil tussen de meeste andere dwangarbeiders en de door de PTT gestuurde mannen: die laatsten werden formeel bij de DRP gedetacheerd, met behoud van salaris. Bovendien hadden ze betere verlofrechten: al na een half jaar mochten ze op vakantie, hoewel die rechten later werden ingeperkt, toen steeds meer vakantiegangers niet meer teruggingen[ix].

Aanvankelijk besloot de PTT om te loten onder alle 18- tot 40-jarige personeelsleden. Maar daar kwam kritiek op: er werd dan immers geen rekening gehouden met de gezinssamenstelling of de economische situatie. Dus werd verordonneerd dat in eerste instantie jonge, ongehuwde mannen moesten worden aangewezen. In augustus vertrok het eerste grote contingent PTT’ers. In de herfst van 1942 stokte de opmars van het Duitse leger, en aan het Oostfront werden enorme verliezen aan manschappen geleden. Er moesten grote aantallen nieuwe soldaten worden gerekruteerd, en dus waren er weer veel nieuwe dwangarbeiders nodig om de openvallende banen te bezetten. De Nederlandse PTT moest nog eens 4000 man leveren.

Op grote schaal waren Duitse vrouwen aan het werk gezet, ook bij de Reichspost. Maar voor veel eenvoudig en zwaar werk bleven er grote tekorten bestaan: er was behoefte aan bestellers, pakketsorteerders, zakkensjouwers: het zwaardere en vuilere werk[x]. Hoewel er was beloofd, dat het PTT-personeel in pensions of bij particulieren zou worden ondergebracht, werden de meeste mannen toch in Arbeitslager gehuisvest. De situatie in deze barakkenkampen varieerde, van goed tot zeer slecht. Veel PTT’ers troffen het niet. De personeelsdienst van de PTT kreeg stapels klachten. Ter behandeling daarvan werd een inspecteur aangewezen, Ir. B.C.V. Ockerse, die de klachten in Duitsland zelf ging onderzoeken.

Vaak, zo blijkt uit bewaard gebleven klaagbrieven, waren er geen sanitaire voorzieningen, vooral in de kampen in de grotere steden. Vaak ook zaten de barakken vol vlooien en wantsen. Soms was er geen beddengoed, heel soms zelfs geen kachel, zodat de mannen na hun 56-urige werkweek in de kou zaten. Ook het moeten delen van de woonruimte met Russen, Polen en andere buitenlanders zat veel Nederlandse PTT’ers niet lekker en was reden voor klagen. Hun klachten hadden soms succes: er werden dan betere onderkomens gevonden, in hotels, theaters of dienstgebouwen van de Reichs­post. In december 1942 en januari 1943 bezocht inspecteur Ockerse verschillende groepen PTT’ers, onder andere in Düsseldorf, Leipzig en Dresden. In alle drie de steden wist hij betere huisvesting te regelen. Ook klachten over voeding, verlof en inhouding van kost en inwoning loste hij op[xi].

Afbeelding 1: Barak in de Schierholzstrasse te Buchholz.

Afbeelding 2: Plattegrond van het Arbeitslager in de Schierholzstrasse.

Mijn vader werd bij aankomst ondergebracht in de barakken van het Gemeinschaftslager P.T.T van het Deutsche Arbeiterfront in de Schierholzstrasse in Buchholz, een buitenwijk van Hannover. In de negentien barakken van dat DAF-kamp waren duizenden dwangarbeiders, krijgsgevangenen en aan het werk gezette concentratiekampgevangenen gehuisvest.

De dag na zijn aankomst dag stuurde mijn vader briefkaarten om zijn nieuwe adres te melden, zeer waarschijnlijk één naar zijn ouders en zeker één naar dominee J.J. Stam van de Prinsekerk in Rotterdam-Bergpolder[xii]. Hij was, zo schrijft hij de dominee enkele weken later op Nieuwjaarsdag, aan het werk gezet op Postkantoor I, het Hauptpostamt. Daar moest hij zes dagen per week gedurende tien uur per dag brieven stempelen en sorteren, post naar de treinen brengen en brievenbussen legen. In de barakken van de Schierholzstrasse waren allerlei nationaliteiten gehuisvest: Polen, Fransen, Italianen, zelfs Arabieren. Het was verveling troef: er was niets te lezen, en ook was het niet mogelijk om naar een café of de bioscoop te gaan. Er vormden zich groepjes rondom stadsgenoten, terwijl er ook iets als een protestantse Bijbelkring was[xiii].

Afb. 3: Briefkaart aan ds. J.J. Stam.

Of de woonomstandigheden in de Schierholzstrasse net zo slecht waren als in het Holländische Postlager in de Grosse Packhoffstrasse 24 in het centrum van Hannover valt niet te achterhalen. De PTT’ers daar, te werk gesteld bij Postamt II, stuurden in december 1942, een brief vol klachten aan de directie in Nederland. Ze sliepen er met circa zeventig man op drie kamers. In een kamer van ongeveer 40 m2 sliepen bij voorbeeld meer dan twintig man. Ze lagen stijf tegen elkaar, terwijl er nauwelijks frisse lucht binnenkwam. Dag en nacht kwamen mannen van of gingen naar hun werk of naar de altijd verstopte wc, zodat er van slapen weinig terechtkwam. De veel te kleine eetruimte, waarin gekookt noch gewassen mocht worden, was van de slaapkamers gescheiden door een houten wandje[xiv].  De kans is groot, dat eerder genoemde Ockerse ook Hannover bezocht, want de woonomstandigheden werden als snel verbeterd. Twee maanden na zijn aankomst, op 25 januari 1943, werden Nederlandse PTT’ers, waaronder mijn vader, ondergebracht in de Pertzstrasse 17, in de tuinstad Kleefeld. Het was een in 1942 gereedgekomen gebouw van de Fernmeldedienst, dat nog niet in gebruik was genomen[xv].

Wat voor soort contact had mijn vader met dominee Stam, aan wie hij vanuit Hannover verschillende brieven stuurde? Minstens twee kwamen niet door de censuur en kreeg hij weer terug, “om een bepaalde reden”, schreef hij. Even vaag is zijn mededeling in de volgende brief, dat de meeste kerken gesloten zijn, omdat er zo weinig mensen zijn, en “misschien nog wel om een andere reeden”. Had dominee Stam hem gevraagd te rapporteren over de situatie in Duitsland? Was hij een soort contactpersoon, bij voorbeeld voor de verspreiding van de kerkelijke zendbrieven, die dominee Stam en andere protestantse voorgangers onder de in Duitsland tewerkgestelde geloofsgenoten verspreidden?[xvi] Zeker is, dat de Synodale Commissie voor  Bijzondere Kerkelijke Gezinszorg van de samenwerkende protestantse kerken ‘vertrouwenspersonen’ aanstelde onder de tewerkgestelden. Deze commissie, een initiatief van de Nederlands Hervormde kerk (waarvan ds. Stam een prominent voorganger was), trachtte de achterblijvende families te steunen en de naar Duitsland gestuurde dwangarbeiders middels boeken, preken, brochures en tijdschriften op het goede pad te houden. De Rotterdamse commissie stuurde bovendien maandelijks rondschrijfbrieven, iedere maand door een andere dominee opgesteld[xvii]. In de Gereformeerde Kerk aan de Waterlooplatz in Hannover hield dominee Tuente illegale kerkdiensten in het Nederlands[xviii]. Kerkdiensten en andere samenkomsten en bijbelgroepjes werden in de loop van 1943 verboden[xix].

Op 1 januari 1943 schrijft mijn vader, dat hij maar weinig voor hun geloof uitkomende christenen is tegengekomen: “Het is dan ook een pracht taak, die hier voor een Christen is weggelegd”[xx]. In de Pertzstrasse wordt, zo meldt hij in zijn andere brief, uitvoerig gediscussieerd over de Bijbel en over het waarom van de oorlog, soms tot wel 1 uur ‘s nachts.

Afbeelding 4: Pertzstrasse 17, Kleefeld in 2001. 

 

[i] Op het ‘Lebenslauf’-formulier in Celle op 1 juni 1944.

[ii] NIOD: 039-2376.

[iii] In adresboeken staat de Van der Burg kwastenfabriek in 1935 vermeld in de Tuindersstraat, enkele jaren later in de Rochussenstraat.

[iv] Deze data zijn gebaseerd op een kladje met pensioenjaren, dat ik halverwege de jaren tachtig van mijn vader kreeg. In het Nederlands Instituut voor Militaire Historie bevindt zich in de collectie Krijgsgevangenen 1940 – 1945 (toegang 402, inv. Nr. 134) de Personalkarte van mijn vader met zeer summiere gegevens over zijn krijgsgevangenschap. Zie over krijgsgevangenen in mei 1940 en Stalag IID:  Smit (1997), p. 53 – 55.

[v] Die verplichting om als werkzoekende in Duitsland te gaan werken bestond ook al voor de oorlog, maar door de inval in Polen (1939) werd werken in Duitsland niet meer passend gevonden: Thea van der Linden en Hinke Piersma (2001), p. 125-126.

[vi] Van der Linden en Piersma in Piersma (2001), p. 149.

[vii] Lotz und Ueberschär (1999), Band II p. 233 ev. Ook werden er arbeidsbesparende maatregelen in de bedrijfsvoering ingevoerd. De DRP voerde daartoe als eerste ter wereld postcodes in (p. 256).

[viii] Visser (1968), p. 167 en 323.

[ix] Visser (1968), p. 246.

[x] Visser (1968), p. 168, 239.

[xi] NL-HaNA, PTT / Van der Vegte, 2.16.78.03, inv.nr. 50. Ockerse ging ook langs om klachten over de tewerkgestelden te behandelen.  Zo legden ze in Düsseldorf in de kantine hun voeten op de tafel. Niet doen, laat hij weten, want wij hebben de oorlog verloren en dit laat een slechte indruk achter over ons “Kultuurniveau”. En het leek hem niet verstandig om Russische krijgsgevangenen sigaretten te geven en te begroeten met “Heil Moskou!”. Zie ook: Visser (1968), p. 236-238.

[xii] Personenregisterkarte, Stadsarchief Hannover. Briefkaart aan dominee J.J. Stam, gedateerd 20 november 1942, Gemeente-archief Rotterdam, archief J.J. Stam, nr. 137.

[xiii] Brief aan ds. J.J. Stam, gedateerd 1 januari 1943. GAR, archief J.J. Stam, nr, 137.

[xiv] Brief van 1 december 1942, vertaalde versie als bijlage bij brief dd. 24-12-1942 van Van der Vegte aan Dr. Linnemeyer, Beauftragter für den Post- und Fernmeldewesen in Nederland. NIOD, coll. 53, 29c.

[xv] Brief aan ds. J.J. Stam, gedateerd 25 januari. GAR, archief J.J. Stam, nr. 137.  Op dit adres in nog steeds een opleidingsinstituut van de Deutsche Post (en van Deutsche Telekom) gevestigd. De hoofdingang is afgesloten, er is geen huisnummer. Een deel van de reliëfs lijkt verwijderd. Over het gebouw: Heinz Drangmeister, Die Post im Hannoverschen. Hannover, 1967. P. 107, 117.

[xvi] In GAR, archief J.J. Stam, nr. 137 is zo’n door Stam geschreven gestencilde brief te vinden. In 1944 werden de zendbrieven vervangen door een krantje, De Kerkpost, uitgegeven door de samenwerkende protestantse kerken. Tot juli 1945 zijn daarvan minstens 25 nummers verschenen.

[xvii] A.A. Wildschut in: Van Veldhuizen e.a. (1946), p. 26-30. In het archief van J.J. Stam bevindt zich een exemplaar van zo’n rondschrijven.

[xviii] Anschütz und Heike (2000), p. 145.

[xix] Wildschut (1945), p. 16.

[xx] Mijn vader ging in mijn jeugd weliswaar iedere zondag naar de hervormde Hoflaankerk in Kralingen, maar dat was zoiets als om de zoveel weken naar de kapper gaan: het was gewoonte en het moest van mijn moeder. Ik heb hem nooit gekend als toegewijde of bewust gelovige.

 

Leendert Lodder de lorrendraaier.

Lorrendraaien met de snauw de Rusteloze Galeij.

Als zowat al je voorouders uit de Zuid-Hollandse klei lijken te komen, lijkt het onwaarschijnlijk dat een voorouder geld zou hebben verdiend aan de slavenhandel. Even leek het erop, dat dat toch het geval was. Een van mijn voorouders heette Leendert Lodder, en er is een lorrendraaier uit dezelfde tijd met die naam. Wat is een lorrendraaier?

Op 3 juni 1621 gaven de Staten-Generaal aan de West-Indische Compagnie (WIC) het monopolie op alle handel en scheepvaart in het Atlantisch Gebied. Dat alleenrecht kwam al gauw onder druk te staan, want het ging de WIC niet altijd voor de wind. Ze was dan ook vaak niet in staat dat monopolie af te dwingen.  De meeste handel op Amerika, maar niet die van slaven, was al in de jaren 30 vrijgegeven. De WIC concentreerde zich voortaan op West-Afrika en Brazilië, maar in 1654 verloor ze haar Braziliaanse bezittingen.  Wel had ze in 1649 van het koninkrijk Accra het alleenrecht op de handel in slaven gekregen. De handel met de West-Afrikaanse kusten bleef dan ook het monopolie van de WIC. In 1674 ging de WIC  failliet, maar maakte een jaar later een doorstart vanwege vooral de lucratieve slavenhandel.

Ze bleef echter kampen met grootschalige schendingen van haar monopolie door smokkelhandelaren.  De WIC had weinig geld, onder andere door de enorme verliezen op haar Braziliaanse bezittingen. Ze kon haar Afrikaanse kusten dan ook vaak nauwelijks bewaken. Er waren weinig eigen forten langs de lange kust, die zelfs met kano’s moest worden bewaakt. Dichter Willem Godschalck van Focquenbroch, als arts in dienst van de Compagnie in fort Elmina, dichtte in 1669:

Al zittende in een holle boom,
Bezwangert met een troep soldaten,
En met elf zwarte potentaten,
Gaat Fok vast dobberen langs de stroom.

Om zekre Zeeusche karavelle,
Die hier voor lorrendrajer speelt,
En ’s Kompagnies octroy besteelt,
Te ga vermeestren, en beknellen.

Zo loop hy, en gevaar van zee,
En dat van koegels, en muskwetten,
Die meenig styve kop verpletten,
En schwinkels smakken uit hun steê.

En inderdaad waren het vooral Zeeuwen die het monopolie ontdoken en als ‘lorrendraaiers’ of ‘octrooidieven’ op grote schaal smokkelden. Want er waren grote rijkdommen te halen, door te handelen en soms door kapen: ivoor, goud en slaven leverden enorme sommen geld op. En anders dan de gebieden van de VOC was West-Afrika redelijk goed bereikbaar met kleine scheepjes onder commando van onverschrokken schippers uit een gewest dat een oogje dichtkneep of middels paspoorten de smokkelhandel bewust faciliteerde.

Een zo’n schipper was Leendert Lodder. De archieven (veel WIC-archieven zijn overigens verloren gegaan) vermelden natuurlijk niet veel over smokkelaars. Die duiken vooral op als ze gegrepen worden. Maar hun tochten komen ook aan het licht doordat kranten scheepsberichten publiceerden, ook die van de lorrendraaiers, en uit processtukken.

Leendert Lodder komt drie keer aan het oppervlak. In oktober 1711 komt zijn snauw Sint Paulus uit Zierikzee aan in het fort van de Brandenburgse-Afrikaanse Compagnie, die in 1687 het handelsrecht op Arguin (nu van Mauretanië) van de WIC had overgenomen.

Van november 1714 tot februari 1715 vaart Lodder met een pas van de Turkse sultan, als hij door de WIC-kruiser Faam wordt opgebracht. Hij is dan schipper van de Zierikzeese snauw Rusteloze Galeij, die 62 voet lang was en met vier kanonnen was uitgerust. Er werd voor 4754 guldens aan exportgoederen geconfisqueerd, vooral ijzer, een heel klein beetje alcohol en voor 53 gulden aan kralen. Er was voor 4445 gulden aan importgoederen aan boord. Geen slaven, maar wel goud, ivoor en peper. De ook dat jaar geconfisqueerde Herstel van Zeeland had voor 1200 gulden aan slaven als vracht. Voor de trans-Atlantische slavenhandel was een goed netwerk nodig, en dat had niet iedere smokkelschipper. Toch handelden ze bijna altijd ook in slaven: ze ruilden die met Portugese slavenhandelaren voor makkelijker verhandelbaar goud en ivoor 1).

Tussen oktober 1718 en februari 1719 is Lodder schipper van het Vlissingse jacht de Jonge David Galeij, als hij weer door de WIC wordt gepakt. Dat schip was nieuw, had acht kanonnen, was 76 voet lang en had een bemanning van 19 koppen. Bijna 13000 guldens aan goederen werden in beslag genomen, waaronder 5000 gulden aan buskruit en 88 gulden aan kralen. (Er is nog een andere lijst met hogere bedragen). Tussendoor was Leendert partenreder van de Johanna Galeij, welk schip overigens eind 1714 na een vuurgevecht door het WIC-fregat Engelenburgh en het WIC-schip de Guinese Broeders werd opgebracht. Er vielen daarbij geen doden. Toen de Johanna Galeij in juni 1715 in Middelburg terugkeerde, was de woede over het WIC-optreden groot. Smokkelschepen werden voortaan nog zwaarder bewapend.

snauw
Een snauw

In de internet-archieven duiken in die jaren zes personen met de naam Leendert Lodder op. Leendert Cornelisse Lodder wordt in 1649 in Dirksland geboren. Hij koopt er in 1713 een boerderij en is er enkele jaren later schepen. Zijn broer Abraham Cornelisse krijgt in 1693 een zoon Leendert, maar die zal vast niet 18 jaar later kapitein zijn geweest. Overigens krijgt Abraham in 1699 een zoon, die Jan Kabouter gaat heten.

Zijn neef Leendert Zachariasz Lodder wordt in 1667 in Dirksland gedoopt. Hij trouwt in 1796 in Ooltgensplaat met Jannetje van Kempen. Nog in 1710 krijgt hij met haar een zoon. In mei 1715 wordt hij voor het Hof van Holland gedaagd: Hester van de Wis, weduwe van Johan Kabouter, uit Rotterdam heeft Leendert sinds 1713 voor zeven jaren een woning met landerijen verhuurd voor 575 gulden per jaar, maar hij betaalt niet meer. Ze wil en krijgt toestemming voor in beslagname. Leendert woont dan in de polder van het oude land van Ooltgensplaat 2).

In 1672 wordt de volgende neef, Leendert Marinusse Lodder, in Dirksland geboren. In 1703 trouwt hij met Anna Cooman, in 1714 met Dimmetje Jans, met wie hij in 1717 en 1718 kinderen krijgt. Meer weten we niet van hem. Drie jaar na hem komt neef Leendert Leunisse Lodder ter wereld, ook in Dirksland. Die trouwt in 1706 met Arriaantje Jans Goemare, en in 1709 met Cornelia Arens Krepelman, met wie hij nog in 1711 en 1714 kinderen krijgt. Zijn kinderen met Cornelia komen in Oude-Tonge en later in Dirksland ter wereld. Deze Leendert Lodder is een voorouder van mij.

Maar er is nog een zesde Leendert Lodder, Leendert Willemse Lodder. Hij is de zoon van ene Willem Lodder, en geboren omstreeks 1675. Vader Willem is waarschijnlijk de op 31 december 1645 in Dirksland samen met tweelingbroer Leunis gedoopte Willem, en daarmee is deze Leendert een vijfde neef. Hij is poorter van Zierikzee, en meldt zich diverse malen bij notaris Zeeman, vaak voor een attestatie. Dat deed je om bij voorbeeld het vergaan van een schip vast te leggen. In 1714 komt hij minstens drie keer bij de notaris, o.a. met een andere van naam bekende lorrendraaier, Dingeman Boom. Ook heeft hij iets te regelen met enkele mannen met een waarschijnlijk Portugese achternaam. En hij komt een keer bij de notaris samen met een andere betrapte lorrendraaier, Jan (Jean) Bisschop. In 1719 is Leendert Willemse overleden. Het kan niet anders, of deze Leendert is de lorrendraaier.

Esaias-van-de-velde_zierikzee 1618

Esaias van der Velde – Gezicht op Zierikzee (1618)

 

 

1). http://www.ethesis.net/wic/wic_deel_5.htm

2). http://www.gahetna.nl/collectie/index/nt00354/2e03ab18-d353-11e2-a0c1-00505693001d/filtermeer/ove_tekst_soort_mandament/filterpos/7/sort_column/ove_datum_rekest/sort_type/desc/view/NT00354_rekesten/q/zoekterm/rotterdam/q/comments/1/f/ove_tekst_soort_mandament/Mandament%20van%20arrest%20en%20rau%20actie

Belangrijkste bron: het proefschrift van Rudolf Paesie, Lorrendrayen op Africa; de illegale goederen- en slavenhandel op West-Afrika tijdens het achttiende-eeuwse handelsmonopolie van de West-Indische Compagnie, 1700-1734. Amsterdam: De Bataafsche Leeuw, 2008.

Wolfenbüttel, 70 jaar geleden.

Op woensdag 11 april 1945 werd de Duitse stad Wolfenbüttel door het 9e Amerikaanse legerkorps ingenomen. Gevangenen in het gevangeniscomplex in het centrum van de stad zagen Amerikaanse infanteristen gebukt naar de Herzogstrasse oprukken. Een paar minuten later reed een klein pantservoertuig door de achterdeur van het complex. Onmiddellijk brak er een oorverdovend lawaai uit. Schreeuwende en huilende gevangenen sloegen met van alles op de deuren van hun cellen. Nadat de sleutels waren gevonden en de deuren waren geopend, bestormden honderden gevangenen de keuken en het magazijn. De bewaker, een oude man, werd de Holzhof opgegooid. Een hospitaalbeambte hielp enkele criminele gevangenen, die in het magazijn burgerkleding hadden gepakt, met een ladder over de muur.

2093_4429_1_g

  1. 11 april 1945: Amerikaanse militairen houden in de straten van Wolfenbüttel enkele Wehrmachtssoldaten onder schot.

Volgens ooggetuige Ton Velder vielen er doden bij de bestorming van de trap naar de keuken. In de keuken vonden gevangenen tot hun verbazing veel levensmiddelen. In de oven lag warm brood. Achter de keuken waren stallen, waarin mestvee werd gehouden: zo’n 200 varkens en ook nog konijnen. Die werden onmiddellijk geslacht. Op de Holzhof maakten de gevangenen vuren  om het vlees te bereiden. Andere stukken vlees werden in ketels in de keuken gekookt. Het was bijna idyllisch, meldt ooggetuige Fritz Counradi. Maar enkele uren later werd er geschreeuwd en gekreund: veel uitgehongerde gevangenen (gemiddeld woog men minder dan 50 kilo) verdroegen het vette vlees niet en stierven nog diezelfde nacht.

Op 8 april was gevangenisarts Walther Kalthöner in dienst getreden. Hij meldde na de oorlog, dat de Amerikanen enkele honderden gevangenen vrij lieten, terwijl de overige gevangenen vrij konden bewegen, omdat de deuren naar hun cellen van slot werden gehaald. In een grote ruimte waren zo’n 200 op sterven na dode gevangenen onder erbarmelijke omstandigheden vastgehouden. Kalthöner liet de zieken overbrengen naar het gevangenishospitaal. De meesten stierven, slechts zeven overleefden het.

Holzhof in de gevangenis van Wolfenbüttel

  1. De Holzhof in de gevangenis van Wolfenbüttel.

De Amerikaanse soldaat Howard Goodkind schoot tijdens zijn opmars in Europa één fotorolletje vol. Hij maakte een paar foto’s in Normandië, in Parijs en Londen, in Maastricht en drie foto’s in de gevangenis van Wolfenbüttel, enkele dagen na de bevrijding. Een foto laat twee voormalige gevangenen zien, die te verzwakt waren om te worden verplaatst, één foto toont de buitenkant met achter een getralied venster gevangen gezette bewaarders en er is een foto van de valbijl in het gebouwtje waarin de executies plaatsvonden.

gevangenis wolfenbuttel april 1945

3. Enkele dagen na de bevrijding van de gevangenis te Wolfenbüttel fotografeerde soldaat Howard Goodkind er een paar gevangenen die te zwak waren om vervoerd te worden (http://www.goodkindletters.com/gallery.html)..

Eén van de 1512 geregistreerde gevangenen die op 11 april 1945 werden bevrijd, was mijn vader. Op 6 maart 1946 schreef hij het Rode Kruis, dat hij nadat hij door de Amerikanen was bevrijd, was gaan lopen naar Hannover, een tocht van 80 kilometer, waar hij ‘enkele dagen’ over deed. Daar werd hij opgenomen in Krankenhaus Ricklingen. Op 9 mei vertrok hij naar Eindhoven. Andere gevangenen zouden pas na tien dagen uit de gevangenis hebben mogen vertrekken. Ze werden op open legervoertuigen naar Braunschweig vervoerd. Op het goederenstation daar werden ze ontluisd en vertrokken vervolgens per trein naar huis.

Gepubliceerd in 2015

Martins blog: Sarajevo 13 mei 1995

Eurovisie Songfestival … maar dan (ruim) 20 jaar geleden ….

zaterdag 13 mei 1995

Een dag waar ik al een week (en Bosnië ruim vier maanden) naar heb uitgekeken. Vandaag is het de dag van het Eurovisie Songfestival dat vanavond wordt uitgezonden. Een “main event” en de spanningen zijn ‘s middags al tot ondraaglijke hoogten opgelopen. Niemand in Sarajevo twijfelt eraan: Bosnië is een absolute kanshebber op de eindoverwinning. Het zes-uur-journaal heeft een uitgebreide reportage over de deskundige jury. Ook over de omroepster die, live, de punten van deze jury mag oplezen, is er een apart item. Rond half negen begint de uitzending. De televisiezender van Republika Srpska slaat echter keihard terug, merk ik al zappend. Deze zendt de film Once-Upon-A-Time-In-The-West uit.

IJzersterke programmering op de avond van de edelkitsch. Ik vind het bijna jammer dat ik een afspraak heb gemaakt met de jongens van Nova om ergens een glaasje te gaan drinken. Maar afspraak is afspraak, dus tegen negen uur klop ik bij hun pension aan, alwaar zij allang aan het bier zitten. Als ik Twan uitleg dat het vanavond een bijzondere avond in Sarajevo is, vanwege het songfestival, schiet hij uit zijn stoel en begint meteen te bellen. Tussen twee belletjes door legt hij uit dat hij natuurlijk aandacht moet besteden aan de jury in Sarajevo. “Waar zit ie, die gaan we filmen”.

Dit is na het opzetten van de Benetton-winkel in Sarajevo, al het tweede onderwerp dat Nova gratis door mij aangereikt heeft gekregen.  “We gaan naar het tv-gebouw”, gebiedt Twan. Maar na tien meter komt er al een tijdelijk einde aan deze onderneming. Want in de auto (dit keer niet mijn auto) die voor het pension staat geparkeerd, had Peter, de cameraman, nog wat spullen laten liggen. Om precies te zijn de power-unit voor de zijn camera. Stom, want dit is Sarajevo. De auto heeft een ingeslagen ruit. En de Nova-jongens kunnen niets meer filmen.

Na een uur heen en weer bellen begrijpen ze, dat ze alsnog naar het tv-gebouw moeten. Nu om bij collega-camerateams een power-unit los te smeken. Ik ga mee. Heb ik toch nog de omroepster, die heel Europa op het scherm kreeg, in het echt gezien. Maar het puntentellen was nog niet begonnen.  De Nova-jongens krijgen een nieuwe power-unit van een aardige collega van ABC. Zij zijn geholpen en ik ga naar huis. Ik zet de TV aan en ik merk dat zojuist het punten uitdelen nu wel is begonnen.  Het duurt erg lang voordat Bosnië de eerste punten krijgt. Het was min of meer te verwachten dat Turkije en Kroatië voor de Bosnische score zou zorgen. Denemarken was het verrassende derde land dat ons liedje (het inburgeringsproces vordert) wel zag zitten. Weinig verrassend was ook dat Kroatië van Bosnië en Griekenland van Cyprus 12 punten kregen. Nederland deed dit jaar niet mee dus geen 12 punten voor Israël.

Op het laatst bleek Noorwegen gewonnen te hebben. Noors is een moeilijke taal, dus de Noorse componisten hadden een liedje bedacht, waarin niet gezongen wordt. Briljant, natuurlijk. Ik zap de tv naar de vijand. De aftiteling van de hoofdfilm is net begonnen, met de overbekende muziek van Ennio Morricone. Prachtig liedje zonder woorden.

screen1995bih-300x224

Voorouders III: Henricus Thamerus.

Een stichtelijk leven: eerherstel voor dominee Henricus Thamerus.

(Nieuwe verbeterde versie, november 2016). Aangevuld augustus 2017, februari 2018.

Ruziënde ziekentroosters.

Op 10 september 1594 bood de 54 jaar oude Henricus Thamerus zich aan als interim-predikant bij de zes jaar eerder gestichte lutherse gemeente van Amsterdam. Die toch al kleine gemeente dreigde uiteen te vallen:  de twee ziekentroosters, die ook de preken verzorgden, stonden lijnrecht tegenover elkaar. Ze verschilden van mening over de betekenis van de Erfzonde, een conflict dat heel de lutherse kerk in zijn greep hield.

De Amsterdamse geloofsgemeenschap was samengesteld uit twee groepen: gevluchte handwerkerslieden uit Antwerpen en al veel langer in Amsterdam verblijvende Hamburgse handelaren, verenigd in het Hamburger Koor. De eerste groep stond achter de radicale ziekentrooster Van de Populiere, een volgeling van Flacius. Matthias Flacius Illyricus was een Kroatische lutheraan, die stelde dat ieder mens dankzij de Erfzonde door en door slecht was. Hij en zijn navolgers hadden zich verzet tegen Philippus Melanchton, de opvolger van Luther en de opsteller van de Augsburgse Confessie, de geloofsbelijdenis voor de lutherse kerk.

Fig. 1: Matthias Flaccius

Ziekentrooster Andries Nesscher vertegenwoordigde de meer gematigde richting van Melanchton. Het conflict liep zo hoog op, dat beide ziekentroosters een preekverbod kregen. De Amsterdamse gemeente moest dus op zoek naar een echte dominee, en die werd gevonden in Adolf Fisscher. Hij had de gemeente al in 1593 tijdelijk gediend, en dat was kennelijk bevallen, want hij werd teruggevraagd. Maar tot zijn komst zat de kerk enkele maanden zonder predikant en daarom overwoog ze het aanbod van Thamerus, die bij een eerdere sollicitatiepoging al had gemeld van de Augsburgse Confessie en dus lutheraan te zijn, én dat hij in Friesland door de calvinistische classis niet werd geduld.

De gemeente vroeg op 6 oktober 1594 aan Johannes Ligarius, predikant in Embden, inlichtingen over Thamerus. Ligarius had de Amsterdamse lutheranen, toen hij in Woerden werkte, al eens eerder als adviseur gediend. Hij had in Wittenberg gestudeerd en had  goede contacten in Noord-Duitsland, onder andere met de superintendent van Lübeck, Andreas Pouchenius. Het antwoord is niet bekend, maar Thamerus ging aan de slag, dus er zal sprake zijn geweest van een positieve referentie.

Fig. 2: Andreas Pouchenius.

Op 18 februari 1595 arriveerde Fisscher in Amsterdam. Dankzij hem en wellicht ook invaller Thamerus begon de lutherse gemeente weer op te bloeien.  En dat trok de aandacht van het stadsbestuur, dat de lutheranen niet welgezind was. De calvinistische kerkenraad, waarin dominee, kaartenmaker, VOC-oprichter en fervent tegenstander van het lutheranisme Petrus Plancius (de uit Vlaanderen afkomstige Pieter Platevoet) een grote rol speelde, besloot op 23 maart om vooral Thamerus ‘op kerkelijke wijze’ te bestrijden. Werd Thamerus doelwit, omdat de komst van Fisscher nog niet was opgemerkt en ze hem nog steeds als het lutherse boegbeeld zagen, had hij uitspraken gedaan die bij de gereformeerden in het verkeerde keelgat waren geschoten, of speelden zijn eerdere conflicten in Friesland een rol? Pont, op wie het bovenstaande is gebaseerd, vermeldt dit niet[1].

De lutheranen werden al vanaf 1590 door het Amsterdamse stadsbestuur lastiggevallen, net als de joden en andere religieuze minderheden. Het reageerde daarmee op de druk vanuit de gereformeerde kerkenraad, waarin overigens tot afschuw van burgemeester Cornelis Pietersz. Hooft, gehuwd met een doopsgezinde, buitenlandse vluchtelingen het voor het zeggen hadden. De geïmporteerde dominees en ouderlingen hadden de twisten van elders meegenomen en verkondigden een radicaal en meedogenloos calvinisme. Ze begrepen bovendien ‘het temperament van de Hollanders niet’:  Hollanders willen immers zelf uitzoeken hoe de Bijbel moet worden gelezen en bovendien  kiezen ze voor de deugden van ‘voorzichtige vastheid en vrede’. De buitenlandse dominees zaaiden volgens Hooft verdeeldheid en wilden de calvinistische predestinatieleer aan de stad opleggen. In 1597 probeerden de calvinisten zelfs een oproer tegen andersdenkenden uit te lokken[2].   Ondanks Hooft werden in 1595 alle lutherse bijeenkomsten verboden.

Fig. 3: Petrus Plancius.

In een voetnoot licht Pont ook Thamerus’ doopceel, waarbij hij zich vooral baseert op vergaderverslagen van de classis Gorinchem, het gebied, waar Thamerus later actief zou worden. In die vergaderingen werden tegen Thamerus verschillende keren bezwaren gemaakt. Maar al met al  “maakte in 1610 de klassis van Gorinchem geen zwarigheid hem tot predikant van Doveren en Genderen te bevestigen, maar uit hooge achting voor zijn grondige geleerdheid en godsvrucht, schijnt zij hem gedragen te hebben, zonder dat hij echter lid van hare vergadering was”, stelt Van der Aa in 1874 in zijn Biografisch Woordenboek[3]. Thamerus was inderdaad twee keer uit een Friese gemeente verjaagd, maar in die tijd werden predikanten wel vaker uit hun gemeente verdreven vanwege verschillen van inzicht. Genoemde Ligarius, bij voorbeeld, werd ondanks zijn aanzien weggestuurd uit Norden, Antwerpen, Woerden en, uiteindelijk, Embden[4].  Ponts voetnoot lijkt voor latere geschiedkundigen de belangrijkste zo niet enige bron voor hun beschrijving van Thamerus, die door verkeerd of selectief lezen in kerkhistorische kringen uitgroeit tot een figuur die in een schelmenroman niet zou misstaan.

Afkomst.

Henricus Thamerus (of Tam(m)erus of Tameris) is een voorouder van mij. Twaalf generaties terug, en dan heb je in theorie meer dan 4000 voorouders, maar in zijn generatie laten alleen zij sporen in de archieven na, die om een of andere reden het vermelden waard gevonden werden. Dat zijn er niet veel in mijn geval. Thamerus is een uitzondering.

Gepubliceerde stambomen zijn vaag en soms tegenstrijdig, waar het de vroege -leden van de Thamer-familie betreft. En dat, terwijl er al heel vroeg genealogische belangstelling was in de Thamerus-familie. Carl Friedrich Dietzel (1688-1726) en gehuwd met Margaretha Elisabeth Thamerus stelde als eerste een stamboom op, maar deze lutherse dominee liet alle katholieken weg. In 1901 liet de fabrikant Horst Thamerus de familiegeschiedenis optekenen, inclusief de katholieke voorouders.  In het boekje uit 1901 wordt gesuggereerd, dat al eeuwen eerder in oude annalen namen als Damarus, Tamarus en Damar opduiken, vaak behorend bij monniken. Zo’n voornaam zou geleid hebben tot de achternaam Thamer.

Onze Thamerus werd in ongeveer 1540 in Merzenich als Heinrich Thamer geboren. Hij studeerde in Wittenberg bij Melanchton, die in 1560 overleed. Hij zou een zoon zijn van Sixtus Thamer, en een kleinzoon van Heinrich, geboren in Landshut in circa 1449. Deze Heinrich is de oudst bekende Thamer. Hij studeerde vanaf 1467 aan de universiteit van Erfurt, waar enkele decennia later Luther studeerde. Volgens mij waren Theobaldus (geboren in 1505) en Sixtus (deze laatste voornaam suggereert een groter gezin) twee van zijn zonen, en niet zijn broers, zoals sommige stambomen vermelden. Dat kan haast niet anders gezien de geboortedata. Een naar alle waarschijnlijkheid derde broer was Haymann Thamerus, die de voorvader was van veel lutherse dominees in Duitsland. Ook Haymann werd geboren in Merzenich, een dorpje tussen Keulen en Aken, waar de familie oorspronkelijk dus niet vandaan kwam. Als geboortejaar wordt circa 1520 genoemd. Een enkele bron suggereert, dat Theobaldus de vader van Henricus is. Otto Opper meent echter, dat het niet duidelijk is of Theobaldus en Sixtus verwant zijn. Theobaldus heeft wel een broer met de naam Wendel en een aantal zusters, zoals blijkt uit zijn testament.

Fig. 4: Theobaldus Thamerus, uit Prosopographia heroum atque illustrium virorum totius Germaniae van Heinrich Pantaleon. Bd. III. Basel, 1566, p. 291.

Theobald Thamer studeerde bij Luther zelf. Deze oom van onze Henricus, in 1502 geboren in Oberenhnheim (Obernai) in de Elzas, promoveerde in 1539 in Wittenberg tot Meester in de filosofie, en het jaar daarop promoveerde hij nog eens in Frankfurt an der Oder.  In 1543 werd hij predikant en hoogleraar in Marburg. In 1547 werd hij veldpredikant in het leger van landgraaf Philip van Hessen, die in 1527 de universiteit van Marburg als eerste protestantse universiteit had gesticht. Twee jaar later werd Theobald ontslagen in Marburg, werd nog even tweede predikant in Frankfurt an der Main, waar hij in 1553 werd ontslagen. Hij vertrok naar Rome, werd katholiek, promoveerde voor de derde keer, nu tot doctor in de theologie aan de universiteit van Siena, werd prediker in de Dom van Minden, en vervolgens hoogleraar in Mainz en, in 1566 aan de universiteit van Freiburg. In die stad stierf hij in 1569. Melanchton wijdde een beschouwing aan de overstap naar het katholicisme en bepleitte in zijn “De Thamero vagante in dioecesi Mindensi commonefactio” straf voor Thamer[5].

Fig. 5: Philipp Melanchthon.

Van Sixtus Thamerus, de vermoedelijke vader van Henricus, weten we minder. Hij volgde in 1541 de studie tot argentoratensis [?] in Frankfurt an der Oder. Hij zal dus ook circa 1520 geboren zijn. In de oude Duitse stambomen komt diens zoon, Henricus niet voor.

Gedoe in Friesland.

Tot 1591 laat onze Henricus geen sporen na.  In 1591 duikt hij op als predikant in het Friese Joure. Hij was daar aangesteld door de grietman, Asse Obbes. En hij wist al gauw de woede van de gereformeerde classis van Sneek, waar Joure onder viel, te wekken. Die beschuldigde hem van openbare dronkenschap: hij zou drinken ‘als een soldaat’[6].

De gereformeerde kerk zal om twee fundamentelere redenen ontstemd zijn geweest: Thamerus was geen calvinist, en hij was niet aangesteld door een kerkenraad en vervolgens goedgekeurd door de classis.  Aanvankelijk was de reformatie een brede grassroots beweging van allerlei protestantse richtingen, waarin de calvinisten een minderheid van zo’n tien procent vormden[7]. Vanaf 1572 namen ze in de reformatie het voortouw. Ze waren het best georganiseerd, en kregen steeds meer autoriteiten achter zich. Andersdenkenden kregen het dringende advies ook calvinist te worden. Een poging in 1580 om staatskerk te worden, mislukte, maar dopen en trouwen moesten vanaf toen verplicht in een gereformeerde kerk plaatsvinden. Vanaf 1586 moest je de Nederlandse geloofsbelijdenis van de calvinist Guido de Brès ondertekenen, wilde je waar dan ook predikant worden.  Slechts een enkele oudgediende met andere opvattingen werd nog gedoogd. De Nederlandse reformatie was bijna geheel ‘gecalviniseerd’[8].

De calvinisten hadden zich georganiseerd in synodes en classes. De regionaal georganiseerde classes trokken de macht over plaatselijke geloofsgemeenschappen, vaak verenigd in kerkenraden, naar zich toe. Alleen met toestemming van een classis mocht voortaan een kerkenraad worden opgericht en mochten dominees worden benoemd[9]. Deze calvinisering en institutionalisering werden kennelijk niet zonder slag of stoot overal geaccepteerd.  Thamerus werd, zoals we zullen zien, tot twee keer toe benoemd door de grietman van Haskerland, een decennium later door de ambtsman van Overbetuwe en vervolgens door de verzamelde gelovigen van Genderen en Doeveren, in alle gevallen zonder overleg met laat staan toestemming van de betreffende classes. Die wilden dat niet over hun kant laten gaan. En dus botsten die classes of de scherpslijpers daarin enkele keren frontaal met de lutherse dominee Thamerus.

In Joure verloor Thamerus na de beschuldigingen door de classis zijn aanstelling, maar Obbes benoemde hem meteen tot dominee in Aldehaske-Haskerhorne. Ook daar ging het mis: op paasmaandag 1593 zou hij in een dronken bui schoolmeester Douwe Rinses voor verrader, dief, booswicht en tovenaar hebben uitgescholden. Nu liet ook Obbes hem vallen: weer werd hij ontslagen. In de lijsten dominees van beide plaatsen komt Thamerus niet voor: die beginnen met de eerste door de classis aangestelde predikanten[10]. Obbes legde zich kennelijk bij de nieuwe verhoudingen neer. In 1594 werd hij eerste ouderling te Joure[11].

Schoolmeester Rinses was overigens wel door de classis van Sneek aangesteld. Grote kans dus, dat hij voor die classis spioneerde en verkeerd geachte uitspraken van Thamerus rapporteerde, wat, al dan niet door drank verergerd, heel goed tot Thamerus’ woede-uitbarsting (‘verrader’) kan hebben geleid.  In 1600 werd Rinses tot dominee in Terkaple en Akmarijp benoemd[12].

Kerkhistorici in de war.

Wat maken moderne (kerk)historici van bovenstaande gebeurtenissen? Meiners noemt Thamerus een ‘wegens dronkenschap ontslagen Calvinistische predikant die zich voor Lutheraan uitgaf’. We weten dus, dat hij juist geen calvinist is, en hij verloor zijn baan vooral vanwege zijn uitbarsting tegen Rinses. Meiners, die weliswaar geen bronnen vermeldt, maar waarschijnlijk vooral Pont gebruikt, stelt dan, dat de benoeming van dronkenlap Thamerus in Amsterdam voor de plaatselijke gereformeerden reden was om lutherse diensten in Amsterdam te verbieden en dominee Fisscher gevangen te zetten. Dat lazen we niet bij Pont, en je vraagt je af, waarom ze dan niet dominee Thamerus in het cachot gooiden[13]. En Bergsma plaatst hem onder de niet-gestudeerde Duitsers of idioten die her en der tot dominee werden benoemd. Maar Thamerus was dus wel degelijk een universitair opgeleide dominee, alleen niet van calvinistische snit[14]. Hij kwam uit een familie van hoog opgeleide vooral theologisch geschoolde intellectuelen.

Van Deursen, die Pont als bron vermeldt, rekent hem tot de “predikanten van eigen creatie […], die zich min of meer als vrije ondernemers lijken te beschouwen”,  “avonturiers, die een paar weken of maanden in een dorpje gevestigd bleven, en zodra de vraag naar de wettigheid van hun dienst of de omvang van hun kundigheden actueel ging worden, zich schielijk uit de voeten maakten”[15].  Wat Thamerus’ tekortkomingen ook waren, hij was dus geen predikant van eigen creatie, geen vrije ondernemer, en hij maakte zich zeker niet na enkele weken of maanden schielijk uit de voeten, zoals we nog zullen zien.

Kees Vreeken meldt in 2009 over Henricus en andere ‘zwervende predikanten’, dat “hun kwaliteiten vaak zodanig te wensen over dat de classis hun adviseerde om een andere ‘staat des levens’ te zoeken om vrouw en kinderen te kunnen onderhouden”. Het waren immers “[f]iguren met “geringe gaven en ontwikkeling, van slechte of losse levenswandel, die elders niet beroepen worden en nu op deze wijze haar plaats proberen te komen”, onder meer doelend op de bij Melanchton in Wittenburg afgestudeerde Henricus[16].

Van Manen schrijft in 2001: “Geërgerd werd in de gereformeerde synodezittingen gereageerd op de overgang van de gereformeerde predikant naar de lutheranen. Toen de gereformeerde voorganger Henricus Thammerus luthers werd, waarschuwde de synode de drost van Heusden deze martinist te weren”. Tien jaar later stelt Van Manen eerst, dat hij als gereformeerde dominee tot de lutherse kerk was toegetreden, toen hij in 1595 in Amsterdam solliciteerde, maar verderop laat hij hem weer als gereformeerde dominee tot de lutherse kerk toetreden, in 1606. Vervolgens zou hij van remonstrantse gevoelens zijn geweest. Ook Van Manen noemt hem een ontslagen dronkenlap,  maar nu ook ontslagen vanwege “nog andere onverkwikkelijkheden”[17]. Vanwege dertig andere zonden, beweerde Van Deursen, zonder enige nadere onderbouwing.

Gedoogd in het Land van Heusden.

Waar komt dat jaar 1606 vandaan? In 1606 bespreekt de Zuid-Hollandse synode in Gorinchem Henricus, die zich in Eethen, een dorpje enkele kilometers ten westen van Genderen,  gevestigd heeft als dominee. De synode besluit de drost van Heusden te verzoeken  om hem weg te jagen, en als dat niet gebeurt, de Staten van Holland te benaderen. Deze martinist was immers, zo wordt gemeld, verschillende malen door de Gelderse synode besproken, en uiteindelijk uit de Overbetuwe verjaagd, nadat hij voor de derde keer was aangegeven bij het Hof van Holland[18].

De Gelderse synode had inderdaad in haar vergadering van juni 1598 vastgesteld, dat ene Hendricus Ammerus zich onwettig in Heteren had gevestigd, zonder getuigschriften uit Friesland waar hij vandaan zou komen, terwijl hij dagelijks ‘verloopt met dronckenschap ende andere lelicke sonden ende gebreecken’’. De synode eiste, dat hij onmiddellijk stopte met zijn werk en besloot een brief naar het Hof te zenden met het verzoek de ambtsman en de schout in Heteren op te dragen te voorkomen dat Thamerus vruchtgebruik heeft van de pastorie. Twee jaar later zit hij er nog steeds, ook al zou hij (volgens de synode) niet van de zuivere leer zijn, en bovendien onstichtelijk in zijn gedrag en onwettelijk als predikant[19].

Ambtsman, schout en kerkvolk hadden hem dus gewoon laten zitten, en dat zou zo blijven tot 1602[20]. Hij was overigens de eerste dominee in Heteren, zou daar begonnen zijn in 1598 en vertrokken in 1602. Deze aanstelling is niet uit de geschiedschrijving weggewist[21].

Bij de Gorkumse  classis kon hij een paar jaar later, in 1606, een vijf jaar oud getuigschrift van de burgerlijke autoriteiten van Heteren overleggen. Dat alles duidt toch niet op een altijd dronken dominee die ook allerlei andere zonden zou hebben begaan. Was de beschuldiging van dronkenschap en andere gebreken gebaseerd op het classisverslag uit Sneek? Lezen konden de verzamelde dominees natuurlijk heel goed.

De classis Gorinchem citeerde dus op haar beurt weer uit de verslagen van de Gelderse synode van 1598. Henricus werd er besproken, omdat hij in dat jaar als ‘predicant religiosis reformatae’ in Eethen aan de slag is gegaan, zonder haar voorkennis of advies. Maar men maakte zich vooral druk over het feit, dat hij in Heteren gezegd zou hebben, dat hij aangesteld was geweest in Woerden. En dat was dan een leugen, en die leugen werd niet geaccepteerd. Wat hiervan waar was, weten we niet. Was hij na Amsterdam in Woerden beland, waar de oudste lutherse gemeenschap in Holland was[22]? Hoe dan ook, sommige aantijgingen van de Gelderse synode ontkende Thamerus, terwijl hij door de classis van Gorinchem niet beschuldigd werd van dronkenschap of andere zonden.

Classisleden Dithmarus Bleskenius en Sebastianus Helt krijgen de opdracht om met Thamerus over zijn vertrek te gaan overleggen. Helt had overigens zes jaar eerder een financieel akkefietje met Thamerus gehad: hij zou nog een half jaar loon van hem tegoed hebben[23]. Kennelijk werd de soep uiteindelijk niet zo heet gegeten: de vergadering van 29 mei concludeerde, dat Thamerus het beste de ‘quade leere afstaat’, en hoopte, dat hij in een volgende vergadering van de classis wilde verschijnen, omdat er anders een procedure bij de synode zou moeten worden gestart. Op de vermeende leugen en andere onwaarheden komt men niet meer terug. In de vergadering van 31 juli wordt gemeld, dat Thamerus na een brief van de Staten van Holland uit Eethen is vertrokken, maar dat lijkt een vergissing te zijn. Hij zou in Genderen zijn neergestreken. Op de website van de hervormde kerk van Eethen en Drongelen staat echter vermeld, dat Thamerus daar tot 1610 predikant was, terwijl de website van de hervormde kerk van Genderen hem daar in 1606, komende van Eethen, als predikant laat beginnen, tot 1619 wanneer hij met emeritaat gaat[24]. Wellicht bediende hij al deze bij elkaar liggende dorpen.

Hoe het precies zat tussen 1606 en 1608 is niet duidelijk. De Staten van Holland vragen in augustus 1608 Henricus in Genderen te benoemen, omdat hij de gereformeerde geloofsbelijdenis inmiddels heeft ondertekend,  en zodat hij in zijn onderhoud kan voorzien. De classis wil dit aan de synode voorleggen, en besluit hem zo lang te tolereren, maar hem nog niet als lidmaat van de gereformeerde kerk toe te laten. Het lijkt, alsof ze van hem af willen, maar niet precies weten hoe, gezien de druk van de Staten van Holland en de gelovigen van Genderen en Doeveren. Die dorpjes (nog niet gescheiden door de Bergsche Maas) hadden sinds 1589 zonder predikant gezeten, toen de allereerste dominee (de voormalige pastoor) naar Asperen vertrok. Ze hadden Henricus gevraagd als hun dominee ‘vanwege zijn leerstellingen’, hadden geen kerkelijke of wereldlijke toestemming gevraagd, en betaalden hem dus uit eigen zak.  In 1610 vroegen ze de classis per brief of Henricus mocht blijven.

De classis besloot om aan een deel van het verzoek van de Staten van Holland tegemoet te komen door Henricus vanwege zijn leeftijd alimentatie (pensioen) te verlenen: ze zijn dan van hem af en Henricus kon in zijn onderhoud voorzien. Maar deze oplossing werd door de andere partijen kennelijk niet geaccepteerd: Henricus blijft dominee in Genderen, tot 1619. In de verslagen van de classis heet hij niet langer ‘loper’, maar gewoon predikant[25].

In Genderen leefde hij in grote armoede. Dominee Johannes de Greve, in 1606 tot dominee beroepen in Heteren en in 1610 te Heusden, bezocht hem daar enkele keren, en ontdekte, dat hij, hoewel hogelijk gewaardeerd door het kerkvolk en ‘neerstich’ studerend,  ‘seer armelick’ woonde. Hij woonde er met zijn bejaarde vrouw en kinderen in een kleine en rokerige aan de kerkmuur vastgemaakte hut, die eerder gediend had als verblijfsruimte van soldaten van de schans van Doeveren. Henricus moest bovendien ook zijn dochter, die met vijf kleine kinderen in Heusden woonde, onderhouden.  Dat was volgens De Greve onmogelijk met zijn traktement van hooguit 350 gulden, zo schrijft hij in 1613 in een brief aan de Gorinchemse classis[26].

Fig. 6: De hervormde kerk in Genderen.

Grevius tegenover Voetius: strijd in de kerk van Heusden.

Maar nog steeds leefden er onder leden van die classis grote bezwaren tegen Thamerus. Men vond nu, dat Thamerus zich alsnog moest verzoenen met de classis van Gelderland. Kwamen deze nieuwe bezwaren omdat hij een remonstrant zou zijn? Want inmiddels is een ander conflict de gereformeerde kerk gaan beheersen: dat tussen arminianen en gomarianen, de latere remonstranten en contraremonstranten. Arminius was dominee in Amsterdam, waar hij over vooral de predestinatie in botsing kwam met eerder genoemde Plancius. Later werd hij hoogleraar in Leiden, en daar kreeg hij het aan de stok met Gomarus.

In Heusden diende de al genoemde dominee Grevius  (Johannes de Greve), een echte arminiaan, die zich later zou onderscheiden als publicist tegen martelingen en heksenprocessen. In 1615 is er een vacature voor de tweede dominee. De Vlijmense dominee Gijsbert Voet (zijn grootvader was ooit burgemeester in Heusden) solliciteerde, maar Grevius wilde geen contra-remonstrant naast zich.

Fig. 7: Voorblad Tribunal reformatum van Grevius.

Voetius was een leerling van Gomarus en zou later, als hoogleraar in Utrecht, de gereformeerde orthodoxie verder uitwerken. Hij werd de woordvoerder van de Nadere Reformatie. Hij zette zich scherp af tegen Descartes en Spinoza, en verwierp de bevindingen van Copernicus, omdat de zon wel degelijk om de aarde zou draaien. Voetius zag ook overal de werkzaamheid van de duivel, en verzette zich tegen het afschaffen van de heksenvervolging.

Fig. 8: Gisbertus Voetius (1589-1676). Postzegel uit 1936, ontw. Pyke Koch.

In Heusden vocht hij zijn eerste grote conflict uit, en wel met Grevius. Die trok zo hard van leer tegen de contra-remonstranten, dat zelfs prins Maurits, Van Oldenbarnevelt en Hugo de Groot zich met hem en Heusden gingen bemoeien. De strijd tussen remonstranten en contra-remonstranten was dan ook sterk gepolitiseerd. Maurits steunde de laatsten, terwijl de Staten van Holland en Van Oldenbarnevelt en De Groot  op de hand van de arminianen waren. Op 24 mei 1617 werd  Voetius toch benoemd. Bij zijn eerste preek in een stampvolle kerk ontstond een rel, toen de gouverneur hem het preken wilde beletten. De drost weigerde echter op te treden. De gouverneur haalde er een luitenant bij, maar Voetius preekte door. De Staten van Holland verwierpen later Voetius’ klachten tegen de gang van zaken, maar grepen niet in.

Al snel, op 15 oktober dat jaar, liep het conflict tussen Grevius en Voetius nog verder uit de hand. Grevius was, zoals wel vaker, afwezig, maar liet zich vervangen door de inmiddels stokoude Henricus Thamerus. Voetius had inmiddels de kerkenraad achter zich gekregen. Voetius en kerkenraad constateerden, dat Thamerus zeer ’ontstichtelijk’ had gepreekt: hij belasterde de ‘perseverantie der Heiligen’ omdat het  ‘een oude ketterie der Valentianen’ zou zijn en hij probeerde ‘de zekerheid der zaligheid’ (de predestinatie) te weerleggen. Ook eindigde hij zijn preek zonder gezang! Hij was voor Voetius dus een arminiaan, die zich ook nog eens niet aan de voorgeschreven liturgie hield. De kerkenraad vroeg dan ook aan de classis deze broeder voortaan te weren[27].

Valentianen waren overigens een christelijke sekte uit de tweede eeuw, volgelingen van de omstreeks het jaar 100 in Alexandrië geboren Valentinus. Die legde de grondslag voor de predestinatieleer: een kleine groep uitverkorenen (het ‘Uitgelezen Zaad’) zou volgens hem zalig worden, niet vanwege hun gedrag of door goed onderwijs, maar omdat zij van nature geestelijk zijn en daarom op voorhand uitgekozen. Genade kon je hoe dan ook niet verliezen en uitverkorene bleef je (de perseverantie van de heiligen)[28]. Henricus viel via Valentinus dus de calvinistische leer van Voetius en de andere contraremonstranten aan.

Fig. 9: Voetius.

De Acte van Stilstand.

In augustus 1618 greep prins Maurits eindelijk de macht. Van Oldenbarnevelt en De Groot werden eind die maand gevangen gezet. De Staten van Holland en Westvriesland werden gezuiverd van arminiaanse tegenstanders en stonden niet langer tegenover de  Zuid-Hollandse synode. Staten en synode besloten samen, dat Henricus eigenlijk geen wettelijk gereformeerd dominee was en dus voortaan geen kerkdiensten meer mocht leiden. Ook al had hij dan de geloofsartikelen ondertekend, hij was uiteindelijk toch niet toegelaten tot de classis. Voetius en de andere contraremonstranten hadden de strijd gewonnen[29].  Maar het respect voor Henricus Thamerus was kennelijk groot: hij mocht tot mei 1619 in zijn huisje blijven wonen en behield tot dan ook zijn traktement, als hij zich ten minste stichtelijk en eerlijk zou blijven gedragen. De classis beloofde om ook een pensioen te regelen.

Tijdens de Dordtse synode van 1619, waar Plancius een belangrijke rol speelde, tekende dominee Johannes Cloppenburg in naam van Henricus Thamerus,  predikant te Doeveren en Genderen, en te verzwakt om te reizen, de Acte van Stilstand: ook op grond daarvan moest hij stoppen met preken (wie niet tekende, was een remonstrant en werd verbannen). Henricus was toen 79 jaar[30]. Voetius’ tegenstrever dominee Grevius verdween in het Amsterdamse Rasphuis, waaruit hij in 1621 wist te ontsnappen, geholpen door dominee Sapma, die al eerder vermomd in vrouwenkleren uit het Rasphuis was ontsnapt.  Henricus  werd verder met rust gelaten.

Fig. 10: Dominee Sapma ontsnapt uit het Rasphuis.

Hij verhuisde uiteindelijk naar Heusden en leefde daar nog enige jaren van zijn pensioen. Zijn precieze sterfdatum is onbekend. In mei 1623 is er sprake van zijn weduwe, Marijcken Gerarts van den Bosch. Zij vertrok na Henricus’ overlijden uit Heusden. Voetius, dominee te Heusden en bevrijd van remonstrantse oproerkraaiers, meldde over de laatste jaren van Henricus Thamerus, dat hij ijverig de kerkdiensten bezocht, stichtelijk leefde, belijdenis deed bij het avondmaal en uiteindelijk steeds verder verzwakte tot hij, nog steeds goed bij het verstand, overleed. Dat moet dus ongeveer 1622 zijn geweest, toen Henricus ongeveer 82 jaar oud was.

Tot slot.

We weten veel over Henricus Thamerus, omdat hij zo vaak besproken werd in de verschillende classes van de gereformeerde kerk. Dat zijn in dit verband natuurlijk eenzijdige bronnen. Eén keer komt hij zelf aan het woord, als hij in Amsterdam solliciteert en zich een door de Friese calvinisten weggejaagde lutherse dominee noemt. Hadden historici dat als uitgangspunt genomen, ook andere bronnen geraadpleegd en iets meer eigen onderzoek gedaan, dan hadden ze een heel andere Thamerus ontdekt. Natuurlijk helpt het, als je, zoals ik, obscure oude boeken via internet kan raadplegen. Maar in het in veel bibliotheken aanwezige standaardwerk over de geschiedenis van de Nederlands hervormde kerk van Annaeus Ypey kon men lezen, dat de gelovigen in Doeveren en Genderen Henricus vanwege zijn leerstellingen zo waardeerden, dat ze hem uit eigen zak betaalden. Ook had men daar kunnen lezen, dat het ging om een echte leerling van Melanchton, “in de theologische wetenschappen wel geoefend”, zo bekend om zijn ‘braafheid’, dat hij van de Staten na het tekenen van de akte van stilstand een jaarlijks pensioen kreeg[31].

Juist voor kerkhistorici lijkt hij mij een zeer belangwekkend figuur: zijn wederwaardigheden illustreren heel goed de richtingenstrijd in de vroege reformatie en wat die strijd op lokaal niveau betekende.

Fig. 11: Het zwaard van Maurits aan de kant van Gomarus geeft de doorslag. Met een gedicht van Vondel.

—————————————————————————————————————-

VARIA

Een aanvulling uit juli 2017, om nog maar eens te onderbouwen dat Thamerus geen ‘niet-gestudeerde Duitsers of idioot’ was, maar uit een belangrijke Duitse familie van theologen en dominees stamde.

In Duitsland leverde het Thamerusgeslacht vele lutherse dominees. Zo was er een in Saksen zo hoog geachte predikantenfamilie Thamerus, gesticht door de achterneef van onze Henricus, de in 1719 als ‘Oberhofprediger’ en ‘Generalsuperinterdent’ gestorven Johann Heinrich Thamerus. Zijn zoon en zijn kleinzoon werden ook dominee[32].

Van Johannes Henricus bestaat een portret, vervaardigd in opdracht van zijn schoonzoon, de hofpredikant Carl Friedrich Dietzel, en gemaakte door de gerenommeerde Duitse tekenaar en graveur Christian Romstet.

Fig. 12: Johann Heinrich Thamerus. Portret van Christian Romstet.

Vanaf 1662 predikte hij in Maastricht bij de verboden evangelisch-lutherse gemeente, eerst enkele keren per jaar, later elke zondag. In 1679 konden de lutheranen in Maastricht eindelijk, in een eigen onopvallende kerk, bijeenkomen. In 1684 werd daartoe de lutherse of Duitse kerk ingewijd, door Johann Heinrich Thamerus. Pas in 2013 werd deze kerk gesloten.

De vader van Johann Heinrich was echter ook al dominee, Johannes Thamerus, dominee in het hertogdom Jülich en super-intendant van het hertogdom Berg. Deze stierf op 13 november 1690 op 74 jarige leeftijd in Burscheid, nadat hij 55 jaar predikant was geweest.

Fig. 13: Wapen van Johannes Thamerus en zijn vrouw Margaretha Becker.

Grootvader Johann Wilhelm Thamerus was predikant vanaf 1614 in Witzhelden, tot 1631, toen hij stierf aan de pest: zie hier. Diens vader Wilhelm Thamerus, zoon van Haymann,  was van oorsprong franciscaner monnik. Hij werd hofprediker van hertog Johann van Jülich in Heimbach, en werd in 1598 pastoor in Burg aan de Wupper. Vervolgens werd hij gereformeerd, maar in 1605 trad hij toe tot de lutheranen. In 1613 werd hij superintendent van de lutherse kerk in het hertogdom Berg, waarvan Düsseldorf de hoofdstad was. In 1621 overleed hij in Burg. In diezelfde tijd was onze Henricus dus ook dominee, zo’n 160 kilometer verderop, minder ver dan Joure.

Aan moederszijde was grootvader Melchior Becker die ook een indrukwekkende kerkelijke carrière maakte. Hij was uiteindelijk dominee van de hoofdkerk in Lippstadt, van 1624 tot 1641. Grootmoeder was Clara auf der Trappen, stammend uit een burgemeestersfamilie te Lennep[33].

Fig. 14: Het familiewapen van de familie Thamerus. Thamar is Hebreeuws voor palmboom.

 

Pantaleon, Heinrich

Prosopographia heroum atque illustrium virorum totius Germaniae

Opus plane novum et iucundissimum, ex omnium fere gentium chronicis, annalibus, & historiis magna diligentia excerptum, & vivis heroum imaginibus (quantum fieri potuit) p0ßim illustratum, ac nunc primum ob patriae decorem in lucem editum, ita quod instar continua historiae germanorum esse queat. Authore Heinrico Pantaleone, physico Basieliensi

BrylingeriBasileae1565

 

Eugen Becker, Beiträge zur Geschichte der Familie Becker. Düsseldorf: Lintz, 1898. Het afgebeelde wapen op blz. IV.

 

 

Fig. 15: Evangelische kerk Dr. Farský uit 1892 in Jablonec nad Nisou (Gablonz an der Neiße) in Tsjechië, ontworpen door Arwed Thamerus.

Heinrich had ook volgens deze bron: https://books.google.nl/books/about/The_Tamerus_Family_and_Their_Descendents.html?id=1WahngEACAAJ&redir_esc=y  zes kinderen. Boek:  Furman A. Demaris, The Tamerus Family and Their DescendentsA Record of the Family of Heinrich Thamer from 1449 to Present. Gateway Press, 2004. Ik heb het niet in handen gehad.

.

 

 

© Theo Kentie, augustus 2017.

Toevoeging mogelijke broer en zusters van Theobaldus op 2-2-2018.

 

 

 

 

 

 

[1] J.W. Pont, Geschiedenis van het Lutheranisme in de Nederlanden tot 1618. Haarlem: De Erven Bohn, 1911. Deel 17 van de nieuwe serie van de Verhandelingen rakende den natuurlijken en geopenbaarden godsdienst. P. 452-459.

[2] K. van Berghem, De Dordtse Synode 1618 – 1619. Uitgebreid komt Hoofts twee keer uitgesproken toespraak aan de orde in Carl Bangs, Arminius; a study in the Dutch reformation. Nashville & New York: Abingdon Press, 1971. P. 161-165.

[3] A.J. van der Aa, Biographisch woordenboek der Nederlanden[….]. Deel 18. Haarlem: J.J. van Brederode, 1874. P. 14.

[4] A.J. van der Aa, Biographisch woordenboek der Nederlanden[….]. Deel 11. Haarlem: J.J. van Brederode, 1865. P. 435-436.

[5] Curt Meischke, Beiträge zur Geschichte der Familie Thamerus. Herausg. von Horst Thamerus. Pirna: F.J. Eberlein, 1901.   Zie bij voorbeeld ook: August Neander, Theobald Thamer; der Repräsentant und Vorgänger moderner Geistesrichtung in dem Reformationszeitalter. Eine historische Monografie. Berlin: C.G. Lüderitz, 1842. Otto Opper, Theobald Thamer (1502-1569). Sein Leben u. seine religiöse Gedankenwelt. Dissertation. Dresden: M. Dittert & Co, 1941. In noot 4 van p. 1 over mogelijke familie.  Zie ook: https://www.deutsche-biographie.de/gnd118621599.html#adbcontent.

David A. Pol (http://www.genealogy.com/ftm/p/o/l/David-A-Pol/GENE3-0001.html) suggereert, dat Theobaldus de vader van Henricus kan zijn geweest.

In Heinricus Pantalion, Prosopographia heroum atque illustrium virorum totius Germaniae. Basel: Nicolaus Brylingerus, 1565,  staat op blz. 291 een afbeelding van Theobaldus Thamerus.

[6] Lodewijk Born, ‘Van klokluiders tot domineeskluis’. In: Friesch Dagblad, 19-6-2007.

[7] Wiebe Bergsma,  Tussen Gideonsbende en publieke kerk; een studie over het gereformeerd protestantisme in Friesland, 1580-1650. Hilversum-Leeuwarden: Verloren, 1999. P. 13-24

[8] A. Th. van Deursen,  Bavianen en slijkgeuzen; kerk en kerkvolk ten tijde van Maurits en Oldenbarnevelt.  3e druk. Franeker: Van Wijnen, 1998 (1974). P. 1-5.

[9] Van Deursen (1998), p. 5-7.

[10] T.A. Romein, Naamlijst der predikanten sedert de hervorming tot nu toe, in de hervormde gemeenten van Friesland. Tweede gedeelte. Uitg. door Het Friesch genootschap voor geschied-, oudheid- en taalkunde. Leeuwarden: A. Meijer, 1888. De eerste dominee in Joure is, in 1593, Jodias Eytering. In Haskerhorne zou in 1602 Johannes Schotanus de eerste zijn.

[11] A.J. van der Aa, Biografisch woordenboek der Nederlanden. [….]. 14e deel. Haarlem: J.J. van Brederode, 1867. P. 1.

[12] Romein (1888), p. 626. Hij werd in 1600 beroepen.

[13] In: Happee, J.; Meiners, J.L.J.; Mostert, M. (red.), De Lutheranen in Amsterdam (1588-1988); gedenkboek ter gelegenheid van 400 Jaar Evangelisch-Lutherse Gemeente te Amsterdam. Hilversum: Uitgeverij Verloren, 1988. P. 19.

[14] Bergsma (1999), p. 182.

[15]  A. Th. van Deursen,  Bavianen en slijkgeuzen; kerk en kerkvolk ten tijde van Maurits en Oldenbarnevelt.  3e druk. Franeker: Van Wijnen, 1998 (1974). P. 9-10.

[16]  Kees Vreeken, De classis Gorinchem na ‘Dordt’; ontwikkeling en consolidatie van de classis Gorinchem in de periode 1618-1650. Scriptie RUU. Augustus 2009. P. 27.

[17] K.G. van Manen, Verboden en getolereerd; een onderzoek naar lutheranen, lutheranisme en lutherse gemeentevorming in Gelderland ten tijde van de Republiek. Hilversum: Verloren, 2001. P. 44.  K.G. van Manen (red.)., Lutheranen in de Lage Landen; geschiedenis van een godsdienstige minderheid. Zoetermeer: Boekencentrum, 2011. P. 112, 203.

[18] Acta synodi particularis van Suydthollandt, Gorinchem, 8 augustus 1606. P. 251.

[19] Gelders archief. Missives van het Hof van Gelre, nrs. 11611, 11612, 11648 (alle uit 1600).

[20] http://www.dominees.nl/search.php?srt=g&id=11495.

[21] http://www.dominees.nl/search.php?srt=g&id=11495.

[22] J. Haitsma, De geschiedenis van de oudste Evangelisch-Lutherse gemeente in Nederlan. Woerden: Stichting Stichts-Hollandse Bijdragen, 1999. Stichts-Hollandse bijdragen, 29.

[23] Gelders archief. 11615 Missive van het Hof aan den ambtman van Overbetuwe met last om bij de liquidatie rekening te houden met de vordering van Sebastianus Helt, die van Thammerus een half jaar loon tegoed beweert te hebben.

[24] http://www.kerkingenderen.nl/nh/index.php/2012-06-08-10-24-54/geschiedenis-van-genderen-in-het-kort; http://www.hervormdeethendrongelen.nl/index.php?option=com_content&view=article&id=65&Itemid=87. Waarschijnlijk gebaseerd op Martinus Soermans, Kerkelijk register van de plaatsen en namen der predikanten van alle de classes, gehorende onder de synodus van Zuyd-Holland, van ’t begin der reformatie, tot nu toe. 2e verbeterde en vermeerderde druk. Haarlem: Wilhelmus van Kessel, 1702. P. 101.

[25] Annaeus Ypey en Isaac Johannes Dermout,  Geschiedenis der Nederlandsche hervormde kerk, Volume 2. Breda: W. van Bergen en Comp., 1822. P. 124, 125.

[26] Brief aan de classis van Gorinchem van 18 augustus 1613, opgenomen als bijlage LXXXVII in A.C. Duker, Gisbertus Voetius. Eerste deel. Leiden: E.J. Brill, p. 1897. P. LXXXIII.

[27] 1617 VIII classis Gorinchem, 30 oktober.  Zie hierover ook: A.C. Duker, (1897), p. 231.

[28] Thomas Moore en Franciscus Johannes Hoppenbrouwers, Reizen eens Ierschen edelmans om eene godsdienst te zoeken. ’s-Gravenhage: Van Langenhuysen, 1835. P. 233.

[29] Zie Duker (1897), p. 231 en bijlage LXXXVII op blz. LXXXIII.

[30] ‘Synodale handelingen van Zuid-Holland in de zaak en leer der remonstranten, artikel 54’. In: N.C. Kist en H.J. Royaards (ed.),  Archief voor kerkelijke geschiedenis, inzonderheid van Nederland. Leiden: S. & J. Luchtmans, 1837. Volume 7. P. 56.

[31] Annaeus Ypey, Geschiedenis der Nederlandsche hervormde kerk. Vol. 2. W. van Bergen en comp., 1822. P. 124-125.

[32]  Christian Friedrich Möller, Denkwürdigkeiten aus der geschichte sächsischer prediger. C. Hahn, 1820. Blz. 129 en 130.

[33]  Johann Werner Krauß, Antiquitates et memorabilia historiae Franconiae; […]. Hanisch, 1753. P. 139-140.

 

 

Er is een lied over de gevangenschap van Grevius.

Op de Verlossinge van Samuel de Prince, ende Johannes Grevius.
Wijse: Weest verheugt al ghy oprechte. Psa. 33.

Houd goede moet, al gy oprechten,
Gods Majesteyt komt ons te baet
Die Grev’ en Prins, die trouwe knechten,
Uut t’Amsterdamsche Tuchthuys laet.
Contra-remonstranten,
Vangt gheen Predicanten.
Godt is u party (*1).
U tyranniseren
Sal hy u verleren,
En ons blijven by.

(*1): tegenstander

Uit: Bly-lieden 1621.

Voorouders I: de Bernhard-tak

Hier wordt nog gewerkt.

Voorouders Bernhard.

Tot en met de zevende generatie van mijn voorouders, dus vanaf ongeveer 1700, is meer dan 95% traceerbaar in de archieven. Ze kwamen bijna allemaal van Goeree-Overflakkee, uit de Alblasserwaard of uit de omgeving van Woudrichem: Zuid-Hollandse, zwaar calvinistische klei, ook al hoort Woudrichem nu tot Noord-Brabant. Als we Dordrecht als centrum nemen, dan werden de ‘verste voorouders’ hooguit zeventig kilometer verderop geboren (Ouddorp, Oud-Vossemeer): een paar uurtjes fietsen, minder dan twee dagmarsen.

De Bernhards.

Een opvallende uitzondering is de Bernhard-tak. Schippersknecht Johan Hendrik trouwde weliswaar in 1825 in Sliedrecht, en vestigde daarmee de Sliedrechtse dynastie, die zich aan het eind van de 19e eeuw verbond met de Kentie-dynastie. Maar zijn directe voorouders lieten een spoor na dat loopt vanuit Pruisen en Hessen via Den Haag en Leiden naar Hoorn, Enkhuizen, Alkmaar en Amsterdam. De eerste voorouder Bernhard in ons land zag zelfs Kaapstad en Batavia.
Zo’n zwerftocht is voor onderzoek in doop-, trouw- en begrafenisboeken niet erg handig. Het lijkt er bovendien op, dat Johan Hendrik en zijn nakomelingen hun uiterste best hebben gedaan om latere archiefonderzoekers het leven zuur te maken. Hij, zijn vrouw en zijn nakomelingen komen voor met allerlei naamsvarianten. Bovendien krijgen sommigen precies dezelfde naam als van vader, een oom of een tante. Er worden verschillende geboorteplaatsen vermeld van de stamvader en dat van zijn vrouw. Hun drie dochters trouwden met drie broers, alle drie met de achternaam Rondhout, ook weer een achternaam met de nodige spellingvarianten. Zijn vijf kinderen werden dankzij verhuizingen in verschillende steden geboren. Maar waar precies is bij drie van de vijf nakomelingen niet bekend.
De eerste vrouw van zoon Balthasar heeft een achternaam die verder in ons land nauwelijks voorkomt en voorkwam. Dat geldt ook voor de achternaam van zijn schoonmoeder. Balthasars tweede vrouw, die hij in Amsterdam trouwt, heeft een naam die juist heel vaak voorkomt: in Amsterdam alleen gaat het om tientallen naamgenoten met ongeveer gelijke leeftijden. En dus zijn haar sporen vooralsnog niet te traceren.
Toch laten de Bernhards juist weer meer sporen dan gemiddeld na. Ze zijn van oorsprong evangelisch-luthers. Veel lidmaatschapsboeken van dit kerkgenootschap zijn bewaard gebleven, en gepubliceerd[1]. Gezien de omvang van de evangelisch-lutherse kerk zijn die te overzien. Helaas lijken er wel veel overschrijffouten te zijn gemaakt. Plaatsnamen waarvandaan een ingeschreven Bernhard zou komen, lijken vaak niet te kloppen.

Van Den Haag via Leiden naar Hoorn.

Johan Hendrik Bernhard kwam volgens de ene bron uit Aschersleben, volgens een andere uit Gröningen, Pruisen dus. Hij trouwde in Den Haag, op 18 maart 1753, met Maria Elisabeth Discher (of Disschern of iets wat daar op lijkt). Wellicht was dat de Maria Elisabeth Disser die in 1733 in Mainhausen-Zellhausen, in Hessen, werd geboren. Het trouwregister spreekt van het 75 kilometer westelijker gelegen Schlangenbad. Johan Hendrik zou ruiter geweest zijn en dus wellicht als huurling zijn gekomen, maar in militaire archieven op internet is hij niet terug te vinden.
In Den Haag werd in 1754 zoon Balthasar Leonhard geboren. Twee dochters werden vervolgens in Leiden gedoopt: Maria Elizabeth op 18 april 1755 en Maria Christina op 20 maart 1758. Maria Christina heet later, ook officieel, Engeltje Christina. Er volgden nog twee kinderen: Rosina Frederica, in 1766 (zij zou wel eens in Haarlem geboren kunnen zijn), en Johan Bernard, waarschijnlijk geboren in 1774, wat dan in Hoorn moet zijn gebeurd, maar dat is niet terug te vinden in de bewaard gebleven doopboeken.
Want in 1758 duikt de familie in Hoorn op. Waarom ze daar terechtkwam, is niet duidelijk. Hoorn was overigens, als een van de VOC-steden een ‘multiculturele’ samenleving. Op 1 oktober werden de ouders als lidmaten van de evangelisch-lutherse kerk ingeschreven: Johan Hendrik uit Aschersleben, en Maria Elizabeth Tissen uit een voor de uitgever van het lidmaatschapsregister onleesbare plaats. Ze worden door die uitgever ook al vermeld op 1 oktober 1753, maar dat moet een overschrijffout zijn. Zijn drie dochters doen overigens in 1771, 1774 en 1778 geloofsbelijdenis in die Hoornse kerk.
Dan neemt het leven een merkwaardige wending: Johan Hendrik monsterde aan op het VOC-schip Bredenhof en vertrok op 7 december 1773 naar Batavia . Het spiegelretourschip was in 1771 in Hoorn gebouwd en had een bemanning van ruim 250 man onder commando van Marten Pietersz. Mooy. Johan Hendrik is hooploper, de laagste rang aan boord: een hulpje voor de matrozen. Een vreemde carrièrestap voor iemand die toch boven de veertig moet zijn. Dat suggereert armoede en wanhoop. Of zocht hij het avontuur? Wilde hij weg van problemen thuis? Was het lucratief om als kleermaker mee te varen? Op 21 juli 1774 arriveerde hij, na een tussenstop op de Kaap, in Batavia. Ergens in dat jaar moet zijn jongste zoon zijn geboren.
Na anderhalf jaar varen is hij terug: op 24 april arriveerde het schip op de rede van Texel, op 24 juli 1775 monsterde hij in Hoorn af[2] . Tijdens zijn terugvaart was niet alleen een zoon geboren, maar overleed ook zijn vrouw Maria Elisabeth Discher: op 12 november 1774, als Johan Hendrik zich midden op de Indische Oceaan bevindt, wordt hij weduwnaar.
Johan Hendrik zat niet bij de pakken neer. Al op 10 december 1775 hertrouwde hij met Helena Cornel uit de Nieuwe Westerstraat in Enkhuizen. Een jaar later werd zijn nieuwe echtgenote ingeschreven als lidmaat van zijn kerk. Waarschijnlijk begon hij in die tijd een loopbaan als kleermaker. Of was hij dat al eerder? Hij wordt gesignaleerd als woonachtig in de Koperen Pot aan het Nieuwland in Hoorn, en hij haalt de geschiedschrijving met zijn bedgordijnen! Voor zijn bedstee hingen blauwe en rode gordijnen, waar anderen gordijnen van groene saai of, soms, bont bedrukte katoenen sits hadden![3]
Je verwacht grote armoede. Kleermakers verdienden gemiddeld niet veel. De meeste (minstens 92%) bleven, althans in 1742 in zestien Hollandse steden, met hun inkomen onder de taxatiegrens: ze verdienden minder dan 600 gulden per jaar. Maar zestien jaar na zijn afmonsteren is Johan Hendrik niet onbemiddeld, zoals we zullen zien[4] .

De kinderen.

Op 23 juli 1780 trouwde zoon Balthasar in Hoorn met Anghanita Dwingers. Als Agnita Dwingers deed ze op 19 maart 1771 geloofsbelijdenis in de evangelisch-lutherse kerk van Hoorn. Ze zou volgens de kerkregisters afkomstig zijn uit Doornik. Dat kan niet kloppen. Haar ouders kwamen, minstens drie jaar eerder, uit Den Briel naar Hoorn. Broer Casper Dwingers deed in 1768 geloofsbelijdenis in voornoemde kerk. De achternaam Dwingers is overigens zeer zeldzaam. Ook Agnita’s moeder heeft een extreem zeldzame achternaam: Ridderhuis.
Maria Elizabeth ging op 14 mei 1784 in Enkhuizen met Ouker Rondhout in ondertrouw. Op dezelfde dag ging zus Rosina Frederica in ondertrouw met Oukers broer, Nanning. Zus Engeltje Christina trouwde tien maanden later, op 4 maart 1785, ook in Enkhuizen met de broer van Ouker en Nanning, Cornelis, een kleermaker.
Een jaar later duikt Engeltje Christina met Cornelis op in Alkmaar: Engeltje wordt lidmaat van de evangelisch-lutherse kerk daar, maar woont in het nabijgelegen Bergen. Hun dochtertje Hillegonda Cornelis wordt op 3 april 1787 in Bergen gedoopt, Engeltjes zus Maria Elizabeth is getuige. Ook zij verhuist richting Alkmaar: op 1 juli dat jaar wordt zij ingeschreven als lidmaat van voornoemde kerk, twee weken nadat broer Balthasar er werd ingeschreven. Maria’s man, Ouker, is vanaf 1789 commies bij de Stedelijke Middelen van Alkmaar. Hij incasseerde de havengelden aan de Boompoort, de toegang tot de stadshavens. Hij was een verdienstelijk kunstschilder, sinds 1789 lid van het lokale Sint-Lucasgilde. Het Stedelijk Museum in Alkmaar heeft zeven werken van hem, allemaal stadsgezichten van of vanuit zijn werkplek[5] .

Erfenissen.

Balthasar ging ook in Alkmaar aan de slag, als kleermaker, net als zijn vader, maar heel wat minder succesvol. Hij was in het voorjaar van 1788 weduwnaar geworden, en straatarm: op 3 april begroef Balthasar zijn dan 35-jarige vrouw. Pro deo, dus in een armengraf. Twee kleine kinderen bleven achter. Balthasar gaat enkele jaren later failliet. Hij kon of wil niet meer voor zijn kinderen zorgen. Om die reden trad de Weeskamer van de stad Alkmaar op als toeziend voogd: de stad besteedde de twee kinderen uit bij Balthasars schoonmoeder in Enkhuizen, Johanna Ridderhuijs weduwe Dwingers, voor 20 gulden per maand.
In de Oprechte Haarlemse Courant van donderdag 26 mei 1791 wordt ieder die iets te ‘pretenderen’ heeft van de insolvente boedel van ‘Kleedermakers Baas’ Balthasar Leonhard Bernhard uit Alkmaar opgeroepen zich te melden bij advocaat Hendrick Carbosius of procureur Michiel Johan de Lange, uiterlijk tot 5 juli 1791. De stad Alkmaar wikkelt als grote schuldeiser het faillissement af.
Alkmaar heeft dan ook belang bij de forse erfenis die stamvader Johan Hendrik nalaat, als hij op 18 oktober 1791 overlijdt. De Oprechte Haarlemse Courant van donderdag 29 december dat jaar en die van donderdag 19 januari daaropvolgend en de Amsterdamse Courant van dinsdag 31 januari 1792 (kranten van vier en twee pagina’s dik) bevatten de volgende advertentie:
“Alle de geene, die iets te pretendeeren heeft van, of verschuldigd is aan den Boedel van wylen J. H. BERNHARD, overleeden op ’t Nieuwe Land te Hoorn, gelieve daarvan ten spoedigste opgaave te doen aan S. Gerrits of D. Hoffman aldaar, of aan J.P. Hebel, Makelaar, op de Nieuwezyds Voorburgwal, over de Nieuwe Kerk, te Amsterdam.”
Uiteindelijk werden de bezittingen van Johan Hendrik Bernhard geveild: huizen, obligaties, meubilair en andere roerende goederen. Dat leverde voor zijn vier solvente kinderen en de schuldeisers van Balthasar fl. 5507,19 op. Bij de erfenis werd het bedrag gevoegd, dat vader Johan Hendrik aan Balthasar had geleend en het geld, dat hij ten behoeve van Balthasars twee kinderen, Maria Elisabeth en Johanna, had besteed, in totaal fl. 159:4:8. Vandaag zou dat ongeveer € 1300,- zijn. De boedelscheiding vond op 10 augustus 1792 plaats bij notaris Sybrand Pereboom in Hoorn. Voor die schuld vaardigden de Schepenen van Alkmaar eerder genoemd procureur De Lange en advocaat Carbosius af. De drie zussen waren alle drie met hun Rondhout-echtgenoot aanwezig. Broer Johan Hendrik, apotheker in Amsterdam, was alleen. Hij was enkele maanden eerder in de hoofdstad in het huwelijk getreden met Cornelia van Wijk, die inmiddels zwanger was van de op 1 maart 1793 gedoopte Maria Elisabeth.
De erfgenamen hadden in totaal dus fl. 5667:3:8 te verdelen, meer dan € 45.000,- in huidige waarde. Een ieder kreeg fl. 1133:8:11 1/5, maar de vertegenwoordigers van de stad Alkmaar moesten van dat deel natuurlijk eerst Balthasars schuld aan zijn vader betalen[6] .
Alkmaar hield fl. 974:4:3 1/5 over, waarmee Balthasars schuldeisers een klein beetje konden worden gecompenseerd. Natuurlijk kregen de preferente crediteuren eerst hun totale schulden betaald: 56 gulden en vier stuivers. De overige schuldeisers mochten de na aftrek van andere kosten resterende € 911,- verdelen. Voor een ieder was maar 8% beschikbaar. Balthasar had al met al een aanzienlijke schuld weten op te bouwen: bijna fl. 11.500,-, zo’n € 100.000,- in huidige waarde. De lijst schuldeisers is enorm. Sommige hadden heel veel geld te goed, andere, vaak vrouwen, kleine bedragen: werkten ze voor hem, de kleermakersbaas?

In 1794 duikt Balthasar in Amsterdam op. Hij trouwde er, op 22 juli, met Antje Hendrikse Dirks. Pas op 6 maart 1805 werd hij als lidmaat van de Amsterdamse evangelisch-lutherse kerk ingeschreven. Op 5 februari 1796 en op 2 augustus 1798 werden zoon Johan Hendrik en dochter Antje Hendrikse geboren. Op 15 januari 1799 volgde dochter Maria Elizabeth. Op 5 december 1800 overleed een Antje Hendriks Dirks uit het Duitse Norden in het Gasthuis of het Pesthuis in Amsterdam. Verdere informatie ontbreekt. Ook Balthasar overleed in de hoofdstad, op 3 oktober 1817.

De kunstschilder.

Een jaar later stierf zijn zwager Ouker Rondhout, op 17 november 1818 om 22:30 uur. Diens vrouw, Maria Elizabeth Bernhard, is dan al overleden. Ouker woonde in een eenkamerwoning in het Huis van Achten, officieel het Provenhuis van Johan van Nordingen: een hofje, bestemd voor acht hulpbehoevenden, gesticht in 1665 en onafgebroken tot mei 1981 als verzorgingshuis in gebruik. Via zijn schuifraam keek Ouker uit op de Lombardstraat, nu de Lombardsteeg. Hij was commies bij de Stedelijke Middelen van de stad Alkmaar. Als chercher  incasseerde hij aan het begin van de stadshaven (aan de boom) de accijnzen. En dat liet hem kennelijk voldoende tijd voor zijn andere werk: hij was kunstschilder, tekenaar en aquarellist. Hij was lid van het Sint-Lucasgilde. En er is werk van hem bewaard: schilderijen van (je raadt het al) de stadshaven van Alkmaar. In 1811 werden in Haarlem twee werken van hem geveild. [Bronnen: Nieuw Nederlandsch Biografisch woordenboek, deel 3, blz. 1093 en 1094. https://rkd.nl/nl/explore/artists/341186.   Fichescollectie Cornelis Hofstede de Groot, baknummer 217, fichenummer 1443465].

gemaakt door Ouke Rondhout

Vrederechter Adrianus Bolten en zijn griffier onderzochten de dag na het overlijden het huis. Een andere bewoner van het hofje, Jan Vreede, bood zich daarbij aan om op alles te letten. Rechter en griffier inspecteerden de boedel, en schreven die minutieus op. Alles van waarde en 22 gulden en 20 cent werden in de laden van het aanwezige witwerkersbureau gestopt. De laden gingen op slot en vervolgens werd er een stoffen band om het bureau geknoopt, aan de bovenkant verzegeld met rode zegels. Twee uur zijn ze bezig, en ze weten, dat ze dat doen voor de twee dochters, van wie er een nog minderjarig is. De jongste, Hillegonda Dorothea, woont als dienstmeisje ‘aan De Helder’. De oudste is in dienst bij broodbakker Westerholt aan het Luttik in Alkmaar-Oudorp.
In de boedel troffen Bolten en zijn griffier enkele schilderijen, een paar portretten, een map met tekeningen en penselen en verf. Er stonden twee beelden: een zwart gebrand en een wit ‘pleisten’. Het kamertje was behoorlijk volgestouwd. Het was zeker geen armoe troef. Er was een fauteuil met matten zittingen, vijf stoelen. Een tafeltje, wat boeken, een blikken blaker, een blikken kwispedoor, een aardenwerk theeservies, en tabakspot, heel wat kleren, twee paar schoenen, een paar laarzen, een kleed op de vloer en katoenen bedgordijnen[7] .
Enkele maanden later, op 23 maart 1819 om 9 uur ’s ochtends bezocht Adrianus Bolten met zijn griffier weer de kamer van Ouker. Ze waren in gezelschap van Oukers dochter Maria Elizabeth en van Jacob Jozias de Lange, procureur, door de rechtbank te Alkmaar aangesteld om de belangen van de minderjarige dochter Hillegonda Dorothea, dienstmeid te Den Helder, te vertegenwoordigen. De zegels op de linten om het bureau werden ongeschonden aangetroffen en verbroken. Met de twee sleutels opende de griffier de laden. De boedel was nog geheel intact. Zelfs al het geld was nog aanwezig[8] .

Opoe.
De neef van de twee erfgenamen, de zoon van Balthasar, schippersknecht Johan Hendrik trouwde op 23 december 1825 met Marrigje Teeuw. In Sliedrecht: Marrigje is door en door Sliedrechts. Hun kleindochter Engelina trouwde in 1885 met Mattheus Adrianus Kentie. Engelina, opoe Kentie noemde mijn moeder haar, overleed in 1950 in IJsselmonde. Twee jaar voor mijn geboorte.

 

 

Theo Kentie

Oktober 2014

(correcties: 11-12-17; aanvullingen: 24-2-18)

 

Zie ook: http://www.genealogie-alblasserwaard.nl/grabbelton/Bernhard.pdf

 

 

 

[1] http://arch.vortmes.nl/documents/

[2] Nationaal Archief: Nummer toegang: 1.04.02, inventarisnummer: 14495, folionummer: 219.

[3] Liesje Schram, Inrichting van Hoornse woonhuizen eind 18e eeuw. In:  West-Frieslands Oud & Nieuw, 58e bundel, pagina 132-137. Uitgave: Historisch Genootschap ‘Oud West-Friesland’, 1991

[4] Jan de Vries & Ad van der Woude, Nederland 1500-1815; de eerste ronde van moderne economische groei. Amsterdam: Balans, 1995.  P. 662-663

[5] Scheen, 1981. Zie: https://rkd.nl/explore/artists/341186

[6] Boedelscheiding en lijsten met schuldeisers: Regionaal archief Alkmaar, archief Weeskamer Alkmaar. Toegangnr. AmrRAA_10.3.007. Inv. Nr. 71, doos B2.

[7] Noord-Hollands Archief. 41-54 Vredegerecht Alkmaar, 1811-1838. 1818, Nr. 58.

[8] Noord-Hollands Archief. 41-54 Vredegerecht Alkmaar, 1811-1838. 1818, nr. 86.