Bernard de Gomme en de bestorming en het beleg van Bristol.

HIER WORDT NOG GEWERKT. Juni 2024

Bristol, in de 17e eeuw de op een na rijkste stad van Engeland met zo’n 17.000 inwoners, was sinds het begin van de Engelse Burgeroorlog in handen van de Parlementariërs. Die beschermden de stad met een garnizoen, dat in juli 1643 1200 man moest afstaan voor schermutselingen elders in het land. Prins Rupert van de Rijn besefte, dat de slecht verdedigde stad kon worden veroverd, wat een enorme opsteker zou zijn voor de Royalisten. Vanuit Oxford, waar het hof van koning Charles zich bevond, trok hij met zijn leger naar het zuiden. Zijn broer Maurice voegde zich met diens leger bij hem. De stad, met een garnizoen bestaande uit nog maar 300 cavaleristen en 1500 voetsoldaten, had een middeleeuwse binnenmuur en een buitenmuur van vijf mijl lang, met forten. De daarop geïnstalleerde kanonnen waren van schepen afkomstig. In de stad zelf stond een oud, zwaar verwaarloosd kasteel. Fortificaties rondom steden waren in een land, dat vooral in vrede leefde, in die tijd slecht onderhouden, heel anders dan op het continent, waar al decennia oorlogen aan de gang waren. In de Republiek had Prins Maurits ervoor gezorgd, dat de vele steden sterke verdedigingswerken hadden.

De bestorming van de stad, in de vroege ochtend van 23 juli (juliaanse kalender), leek aanvankelijk op een mislukking uit te lopen. Uiteindelijk raakten de verdedigers in paniek, en ook de barricades, opgeworpen door de vrouwen van de stad, hielden het niet. Om 6 uur ’s avonds gaven de verdedigers zich over. Rupert verschafte het garnizoen een vrijgeleide met behoud van alle bezittingen, maar de ongedisciplineerde Royalistische soldaten dachten daar anders over: ze beroofden de soldaten en plunderden de stad.

Bristol in 1588 (British Library, Sloane manuscripts 2596).

Figuur 1. Prins Rupert overziet de gevolgen van de slachtpartij bij de bestorming van Bristol.

Het verlies aan manschappen aan beide zijden was immens. Maar het bezit van de op een na grootste stad van Engeland bracht Charles grote voordelen. Verbindingen met het vasteland en vooral Ierland maakten het aanvoeren van broodnodige versterkingen mogelijk. Na de slag waren veel soldaten met hun plunderbuit naar huis gegaan. De Bristolse wapenindustrie kon het leger van Charles herbewapenen. Acht koopvaardijschepen werden in beslag genomen: ze zouden de kern gaan vormen van de Royalistische vloot. De commandant van het garnizoen, kolonel Nathaniel Fiennes, werd vanwege het verlies van de stad ter dood veroordeeld, maar ontliep dat lot. Een paar jaar later, toen de nauwelijks te verdedigen stad werd heroverd, werd hij van alle blaam gezuiverd.

Gegevens over de verdediging en bestorming van de stad en zijn vestingwerken zijn afkomstig van een ooggetuige: mijn voorouder Bernard de Gomme. Hij schreef zijn verslag waarschijnlijk vele jaren later voor een geplande biografie van Prins Rupert, zijn strijdmakker sinds beiden op zeer jonge leeftijd dienden in het Staatse leger. De Britse archeoloog Richard Israel promoveerde op een proefschrift over (o.a.) de archeologie van de fortificaties van Bristol. Hij wijst erop, dat de buitenmuur niet 5 mijl was, maar hooguit 3 mijl. Dat is nogal een verschil voor de landmeter De Gomme. Wellicht is deze fout te verklaren omdat het ooggetuigenverslag jaren later werd geschreven (Israel meent, dat het Staatse leger van Maurits klein in omvang kon zijn vanwege de goed door fortificaties verdedigde steden in de Republiek. Hij noemt een volstrekt onjuist aantal van 10.000 man, maar het was minstens het tienvoudige).

[Bernard de Gomme], “The journall of the Siege of Bristoll. Taken in upon Wednesday Julye 26, 1643 By his Highnesse Prince Rupert. Whylst at the same time it was on the other side assaulted by the Western Armye under his Excellence The Lord Marquesse Hertford. Written by an Eyewitnesse”. In: The Journal of the Society of Army Historical Research. Vol. 4 (1925). P. 180-201. Het handschrift was in 1925 in bezit van de gebroeders Maggs (Maggs Bros, een antiquariaat stammend uit 1853, bestaat nog steeds).

De Slag van Naseby, twee jaar later in juni 1645, had duidelijk gemaakt, dat de Parlementariërs de overhand hadden veroverd. Cromwell had de losse groepen slecht getrainde soldaten door de New Model Army vervangen: een staand leger zoals dat van de Republiek. Hij benoemde Lord Fairfax tot legerleider. De legerleider van de Royalisten, Prins Rupert, zag in, dat er weinig eer te halen was met het voortzetten van de oorlog en bepleitte een verdrag, maar koning Charles dacht daar anders over. Hij vond, dat hij genoeg soldaten en munitie had om door te gaan. Havenstad Bristol was in zijn plannen cruciaal. Hij overwoog zelfs het hof te verplaatsen van Oxford naar Bristol.

Thomas Fairfax, prent van Hugo Allard Sr.

Op 23 augustus 1645 begon Fairfax met zijn leger van 12.000 man met de belegering van de stad, waar slechts 1500 verdedigers waren. Rupert bereidde zich voor op een beleg van zes maanden. Hij liet voorraden aanleggen, dreef vee de stad in. In augustus meldde hij de koning, dat hij het vier maanden zou moeten kunnen volhouden. Maar er waren grote problemen. De omgeving van de stad was niet ontdaan van bebouwingen en begroeiingen: het schootsveld was niet vrij. Vijandige burgers in Bristol konden gaan muiten, de pest heerste, de stadsmuren waren nauwelijks te verdedigen. Op 12 september overwoog een door Rupert belegde krijgsraad de opties: uitbreken met de cavalerie (waardoor voetsoldaten achter zouden blijven en de bevolking gevaar liep); terugtrekken binnen de binnenste muren (niet leuk voor de bevolking); verdedigen van de buitenste muren. Dat laatste werd besloten.

Op 23 augustus was Fairfax’ leger compleet. Hij had ervoor gezorgd, dat de rondom Bristol wonende burgers goed werden behandeld, en dus sloten 2000 ‘locals’ zich bij hem aan. Fairfax onderschepte een brief, waarin de komst van Charles werd aangekondigd, maar pas over drie weken. Dus besloot hij de stad direct te bestormen. Op 4 september kreeg Rupert de opdracht zich over te geven. Die begon te onderhandelen, maar Fairfax bleek uiteindelijk onbetrouwbaar.  Hij viel ’s nachts op 10 september aan, de buitenste muren bleken onverdedigbaar. Fort Priors Hill viel binnen enkele uren: alle verdedigers werden ondanks gemaakte toezeggingen afgeslacht. Rupert en zijn troepen trokken zich terug binnen de binnenste muren, en staken op allerlei plekken de stad in brand.  Om 8 uur ’s ochtends, nog geen zes uur na het begin van de bestorming klonk de trompet voor een staakt het vuren. Rupert en zijn mannen kregen een vrijgeleide naar Oxford.  Daar bleek de koning woedend te zijn: hij ontsloeg Rupert en beval hem Engeland te verlaten: “you assured me you would keep Bristol for four months. Did you keep it four days?” Wellicht vreesde hij een staatsgreep door Rupert.

Prins Rupert verdedigde zichzelf in een op 21 oktober gedateerd pamflet: “Not that His Highnesse [Rupert] thinks to justifie himselfe to those who by that must condemne themselves: nor that he believes any thing he hath done needs a Declaration, does he publish this to the world: but hee thought it might not be unnecessary to the service of his Majesty (in order to which all his actions have been directed) to let the world see that hee hath faithfully served Him […]”. Hij beschrijft de situatie in de stad en de beroerde staat van de verdedigingswerken, het deels onbetrouwbare maar vooral ongetrainde garnizoen, de onderhandelingen met Fairfax, het verraad van Fairfax. Er waren grote tekorten: maar 130 vaten buskruit, musketkogels voor hooguit drie uur. Het was uiteindelijk duidelijk, dat alleen overgave zinvol was. Zijn ‘engineer-generall’ Bernard de Gomme leverde met zijn assistent een precieze beschrijving van de staat van de verdedigingswerken, zoals “The graffe [slotgracht] five foot broad, and all that part of the line much decayed.” We weten dus zeker, dat ook Bernard de Gomme in de stad was. We komen hem ook weer tegen in het pamflet, als Rupert beschrijft hoe hij met de krijgsraad en de generale staf heeft overlegd over het met Fairfax te sluiten verdrag, en dat ook de commandanten zijn geraadpleegd. In dat lijstje met Engelse namen staat ook de molenaarszoon uit Terneuzen, B. De Gomme. In een militair tijdschrift uit 1925 kon men niet anders bedenken dan dat de B. voor ‘baron’ stond: het moest natuurlijk net als alle andere officieren wel een echte Engelse edelman zijn.

Het is niet duidelijk, of de koning het ontslag in stand hield. In april 1646 viel Oxford in handen van de Parlementariërs. De koning vluchtte, verkleed als bediende. Hij gag zich over aan een Schots leger. Die ruilden hem voor 100.000 pond en een belofte op meer met de Parlementariërs. Na een proces werd hij begin 1649 onthoofd. Rupert en De Gomme waren toen al lang teruggekeerd op het continent.

Bronnen.

[Bernard de Gomme], “The journall of the Siege of Bristoll. Taken in upon Wednesday Julye 26, 1643 By his Highnesse Prince Rupert. Whylst at the same time it was on the other side assaulted by the Western Armye under his Excellence The Lord Marquesse Hertford. Written by an Eyewitnesse”. In: The Journal of the Society of Army Historical Research. Vol. 4 (1925). P. 180-201. Het handschrift was in 1925 in bezit van de gebroeders Maggs (Maggs Bros, een antiquariaat stammend uit 1853, bestaat nog steeds).

[Prince Rupert], A declaration of His Highness Prince Rupert. With a narrative of the state and condition of the city and garrison of Bristoll, when his Highnesse Prince Rupert came thither: of the actions there during the siege, of the treaties, and rendition thereof. Oxford Text Archive. 21 oktober 1645.

Richard Paul Israel, The Archaeology of the Fortifications constructed in England during the English Civil
War (1642-1651)
: Bristol, Gloucester and Worcester. Diss. University of Bristol, 2019.

Wikipedia.

Copyright Theo Kentie.

Geverifieerd door ExactMetrics