Alle berichten.

De oorlogsjaren van mijn vader, deel 2.

2. Arrestatie.

De Pertzstrasse ligt in een in de jaren twintig of dertig gebouwde woonwijk aan de noordoostkant van de stad. Nummer 17 is nog steeds[i] het laatste pand. Naar het noorden en naar het oosten strekten zich toen uitgebreide weilanden uit. Mijn vader verbleef in de Pertzstrasse, toen hij op 7 april 1943 werd gearresteerd. In zijn twee koffers vond men de verpakkingen en de afgestempelde adreskaarten van de pakketten die hij had opengemaakt. Het ging om 47 pakjes, veldpost, dus bestemd voor soldaten aan één van de fronten. Hij had, zo luidde de aanklacht, daaruit koeken en koekjes gepikt, evenals rookwaren en een vulpen. Hij had het gedaan uit honger, zo was later voor de rechter zijn verweer. Maar dat vond de rechtbank niet zo’n sterk excuus. Want hij had in de kantine middageten gekregen, waarvoor hij per week slechts 40 gram vet, 150 à 200 gram vleespuree en aardappelpuree van zijn Lebensmittelmarken  hoefde af te staan. Hij had dus net zo veel als de Duitsers en zijn Hollandse Arbeitskameraden gekregen.

Dat was dan niet veel, zo klaagden de eerder genoemde 63 ‘arbeidskameraden’ bij Postkantoor II. Die lieten vaak voedsel door familie sturen, en wie dat niet voor elkaar kreeg, leed domweg honger, want ze kregen per week maar iets meer dan twee kilo brood de man. Ze moesten zonder echte pauzes heel hard werken. In de kantine van het postkantoor konden ze met behulp van hun bonnen redelijk eten, maar de porties waren veel te klein.

Afb. 1: Politiefoto’s Hannover, april 1943.

Diefstallen van postzendingen kwamen vaker voor. Meer dan 150 Nederlandse PTT’ers werden ervoor gearresteerd. Aanvankelijk werden ze op staande voet ontslagen en naar Nederland teruggestuurd. Maar vanaf eind 1942 of begin 1943 werd dat niet meer geaccepteerd door de met Rijkscommissaris Seyss-Inquart meegekomen Oberpostrat, Dr. W. Linnemeyer. Iedere postdiefstal moest voor een Duitse rechtbank afgehandeld worden, beleid dat aansloot bij dat in Duitsland zelf, waar steeds strenger werd opgetreden tegen dit soort vergrijpen. Nederlandse PTT’ers werden vanwege diefstallen door die Duitse rechtbanken veroordeeld van een week hechtenis tot tien jaar tuchthuis of heel soms zelfs de doodstraf. Directeur-generaal Ir. W.L.Z. van der Vegte van de PTT, een door Seyss-Inquart benoemde NSB’er, kwam tegen deze laatste straffen in het geweer en wist soms met succes gratie te verkrijgen[ii].

[i] In 2001.

[ii] Visser (1968), p. 242.

De oorlogsjaren van mijn vader, deel 1.

1. Naar Duitsland als tewerkgestelde.

Op 19 november 1942 werd mijn vader, Cornelis Kentie, naar Duitsland (‘dienstverplichtichd’ meldt hij zelf later[i]) gestuurd, naar de Deutsche Reichpost (DRP) in Hannover, met het 26ste contingent bestellers en ander PTT-personeel,  41 mannen uit het hele land[ii]. Hij was toen 23 jaar en nog niet zo lang in dienst bij de PTT als postbesteller. Na de lagere school en drie jaar ulo had hij enkele jaren op kantoor gezeten (mijn moeder noemde ooit borstel- en verfkwastenfabriek Burex, die in het centrum van Rotterdam had gestaan[iii]. Hijzelf ontkende daar ooit gewerkt te hebben). Op 24 oktober 1938 kwam hij in militaire dienst. Op 11 mei 1940 werd hij als krijgsgevangen afgevoerd naar Stalag II D, in Stargard in Pommeren, nu de Poolse stad Szczeciński. Op 6 juni 1940 kwam hij weer vrij en keerde hij via Bentheim terug naar Rotterdam. Op 16 juli 1940 zwaaide hij af. Pas bijna een jaar later, op 15 mei 1941 kwam hij in dienst bij de PTT, waar zijn vader al werkte[iv].

Omdat de Duitse mannen aan het front vochten en half Europa in hun greep moesten zien te houden, had nazi-Duitsland vanaf het begin van de oorlog een almaar groeiende behoefte aan arbeiders uit de bezette landen. Goedschiks maar vooral kwaadschiks werden miljoenen mannen, vrouwen en zelfs kinderen uit heel Europa op transport gezet naar de Heimat. De eerste ladingen kwamen vanaf 1939 uit Polen.

Al in juni 1940 begon de werving van Nederlandse dwangarbeiders. Werkzoekenden werden op straffe van intrekking van hun uitkering ‘vrijwillig’ geronseld[v]. Gedurende de hele oorlog werden er zo’n 500.000 Nederlanders naar Duitsland gestuurd. Bij de capitulatie bevonden zich nog circa 270.000 Nederlanders op Duitse bodem[vi].

De Deutchse Reichspost (DRP) had de grootst mogelijke moeite om het bedrijf te laten functioneren onder de oorlogsomstandigheden. Halverwege 1943 was de helft van het oorspronkelijke personeelsbestand aan het bedrijf onttrokken. Men was dan ook al sinds anderhalf jaar bezig het personeel aan te vullen met buitenlandse hulpkrachten[vii]. Begin 1942 begon de werving van Nederlandse PTT’ers. De verwachting was, dat het geen moeite zou kosten vrijwilligers te vinden. Dat viel tegen: slechts iets meer dan honderd mannen gingen uit eigen vrije wil de oostgrens over, aangevuld met wat onaangepaste lieden. Die leverden slecht werk en gingen, volgens de functionaris die leiding gaf aan Bureel Uitzending naar Duitsland, met dienstmeisjes op zolderkamers van hun hotel rotzooien[viii]. Sommigen probeerden na aankomst direct weer terug te keren, waarvoor de meest uiteenlopende redenen werden bedacht, van heimwee tot het niet kunnen verdragen van Duits voedsel. Soms hadden ze daarbij succes.

In de volgende maanden kwam de bezetter met steeds zwaardere eisen: er was meer personeel nodig. In juni volgde het bevel aan de PTT om 1241 man te leveren. Dat zouden geen vrijwilligers meer zijn: vertrek naar Duitsland was nu dienstverplichtet, en  op eigen houtje terugkeren was dus uitgesloten. Wel was er een verschil tussen de meeste andere dwangarbeiders en de door de PTT gestuurde mannen: die laatsten werden formeel bij de DRP gedetacheerd, met behoud van salaris. Bovendien hadden ze betere verlofrechten: al na een half jaar mochten ze op vakantie, hoewel die rechten later werden ingeperkt, toen steeds meer vakantiegangers niet meer teruggingen[ix].

Aanvankelijk besloot de PTT om te loten onder alle 18- tot 40-jarige personeelsleden. Maar daar kwam kritiek op: er werd dan immers geen rekening gehouden met de gezinssamenstelling of de economische situatie. Dus werd verordonneerd dat in eerste instantie jonge, ongehuwde mannen moesten worden aangewezen. In augustus vertrok het eerste grote contingent PTT’ers. In de herfst van 1942 stokte de opmars van het Duitse leger, en aan het Oostfront werden enorme verliezen aan manschappen geleden. Er moesten grote aantallen nieuwe soldaten worden gerekruteerd, en dus waren er weer veel nieuwe dwangarbeiders nodig om de openvallende banen te bezetten. De Nederlandse PTT moest nog eens 4000 man leveren.

Op grote schaal waren Duitse vrouwen aan het werk gezet, ook bij de Reichspost. Maar voor veel eenvoudig en zwaar werk bleven er grote tekorten bestaan: er was behoefte aan bestellers, pakketsorteerders, zakkensjouwers: het zwaardere en vuilere werk[x]. Hoewel er was beloofd, dat het PTT-personeel in pensions of bij particulieren zou worden ondergebracht, werden de meeste mannen toch in Arbeitslager gehuisvest. De situatie in deze barakkenkampen varieerde, van goed tot zeer slecht. Veel PTT’ers troffen het niet. De personeelsdienst van de PTT kreeg stapels klachten. Ter behandeling daarvan werd een inspecteur aangewezen, Ir. B.C.V. Ockerse, die de klachten in Duitsland zelf ging onderzoeken.

Vaak, zo blijkt uit bewaard gebleven klaagbrieven, waren er geen sanitaire voorzieningen, vooral in de kampen in de grotere steden. Vaak ook zaten de barakken vol vlooien en wantsen. Soms was er geen beddengoed, heel soms zelfs geen kachel, zodat de mannen na hun 56-urige werkweek in de kou zaten. Ook het moeten delen van de woonruimte met Russen, Polen en andere buitenlanders zat veel Nederlandse PTT’ers niet lekker en was reden voor klagen. Hun klachten hadden soms succes: er werden dan betere onderkomens gevonden, in hotels, theaters of dienstgebouwen van de Reichs­post. In december 1942 en januari 1943 bezocht inspecteur Ockerse verschillende groepen PTT’ers, onder andere in Düsseldorf, Leipzig en Dresden. In alle drie de steden wist hij betere huisvesting te regelen. Ook klachten over voeding, verlof en inhouding van kost en inwoning loste hij op[xi].

Afbeelding 1: Barak in de Schierholzstrasse te Buchholz.

Afbeelding 2: Plattegrond van het Arbeitslager in de Schierholzstrasse.

Mijn vader werd bij aankomst ondergebracht in de barakken van het Gemeinschaftslager P.T.T van het Deutsche Arbeiterfront in de Schierholzstrasse in Buchholz, een buitenwijk van Hannover. In de negentien barakken van dat DAF-kamp waren duizenden dwangarbeiders, krijgsgevangenen en aan het werk gezette concentratiekampgevangenen gehuisvest.

De dag na zijn aankomst dag stuurde mijn vader briefkaarten om zijn nieuwe adres te melden, zeer waarschijnlijk één naar zijn ouders en zeker één naar dominee J.J. Stam van de Prinsekerk in Rotterdam-Bergpolder[xii]. Hij was, zo schrijft hij de dominee enkele weken later op Nieuwjaarsdag, aan het werk gezet op Postkantoor I, het Hauptpostamt. Daar moest hij zes dagen per week gedurende tien uur per dag brieven stempelen en sorteren, post naar de treinen brengen en brievenbussen legen. In de barakken van de Schierholzstrasse waren allerlei nationaliteiten gehuisvest: Polen, Fransen, Italianen, zelfs Arabieren. Het was verveling troef: er was niets te lezen, en ook was het niet mogelijk om naar een café of de bioscoop te gaan. Er vormden zich groepjes rondom stadsgenoten, terwijl er ook iets als een protestantse Bijbelkring was[xiii].

Afb. 3: Briefkaart aan ds. J.J. Stam.

Of de woonomstandigheden in de Schierholzstrasse net zo slecht waren als in het Holländische Postlager in de Grosse Packhoffstrasse 24 in het centrum van Hannover valt niet te achterhalen. De PTT’ers daar, te werk gesteld bij Postamt II, stuurden in december 1942, een brief vol klachten aan de directie in Nederland. Ze sliepen er met circa zeventig man op drie kamers. In een kamer van ongeveer 40 m2 sliepen bij voorbeeld meer dan twintig man. Ze lagen stijf tegen elkaar, terwijl er nauwelijks frisse lucht binnenkwam. Dag en nacht kwamen mannen van of gingen naar hun werk of naar de altijd verstopte wc, zodat er van slapen weinig terechtkwam. De veel te kleine eetruimte, waarin gekookt noch gewassen mocht worden, was van de slaapkamers gescheiden door een houten wandje[xiv].  De kans is groot, dat eerder genoemde Ockerse ook Hannover bezocht, want de woonomstandigheden werden als snel verbeterd. Twee maanden na zijn aankomst, op 25 januari 1943, werden Nederlandse PTT’ers, waaronder mijn vader, ondergebracht in de Pertzstrasse 17, in de tuinstad Kleefeld. Het was een in 1942 gereedgekomen gebouw van de Fernmeldedienst, dat nog niet in gebruik was genomen[xv].

Wat voor soort contact had mijn vader met dominee Stam, aan wie hij vanuit Hannover verschillende brieven stuurde? Minstens twee kwamen niet door de censuur en kreeg hij weer terug, “om een bepaalde reden”, schreef hij. Even vaag is zijn mededeling in de volgende brief, dat de meeste kerken gesloten zijn, omdat er zo weinig mensen zijn, en “misschien nog wel om een andere reeden”. Had dominee Stam hem gevraagd te rapporteren over de situatie in Duitsland? Was hij een soort contactpersoon, bij voorbeeld voor de verspreiding van de kerkelijke zendbrieven, die dominee Stam en andere protestantse voorgangers onder de in Duitsland tewerkgestelde geloofsgenoten verspreidden?[xvi] Zeker is, dat de Synodale Commissie voor  Bijzondere Kerkelijke Gezinszorg van de samenwerkende protestantse kerken ‘vertrouwenspersonen’ aanstelde onder de tewerkgestelden. Deze commissie, een initiatief van de Nederlands Hervormde kerk (waarvan ds. Stam een prominent voorganger was), trachtte de achterblijvende families te steunen en de naar Duitsland gestuurde dwangarbeiders middels boeken, preken, brochures en tijdschriften op het goede pad te houden. De Rotterdamse commissie stuurde bovendien maandelijks rondschrijfbrieven, iedere maand door een andere dominee opgesteld[xvii]. In de Gereformeerde Kerk aan de Waterlooplatz in Hannover hield dominee Tuente illegale kerkdiensten in het Nederlands[xviii]. Kerkdiensten en andere samenkomsten en bijbelgroepjes werden in de loop van 1943 verboden[xix].

Op 1 januari 1943 schrijft mijn vader, dat hij maar weinig voor hun geloof uitkomende christenen is tegengekomen: “Het is dan ook een pracht taak, die hier voor een Christen is weggelegd”[xx]. In de Pertzstrasse wordt, zo meldt hij in zijn andere brief, uitvoerig gediscussieerd over de Bijbel en over het waarom van de oorlog, soms tot wel 1 uur ‘s nachts.

Afbeelding 4: Pertzstrasse 17, Kleefeld in 2001. 

 

[i] Op het ‘Lebenslauf’-formulier in Celle op 1 juni 1944.

[ii] NIOD: 039-2376.

[iii] In adresboeken staat de Van der Burg kwastenfabriek in 1935 vermeld in de Tuindersstraat, enkele jaren later in de Rochussenstraat.

[iv] Deze data zijn gebaseerd op een kladje met pensioenjaren, dat ik halverwege de jaren tachtig van mijn vader kreeg. In het Nederlands Instituut voor Militaire Historie bevindt zich in de collectie Krijgsgevangenen 1940 – 1945 (toegang 402, inv. Nr. 134) de Personalkarte van mijn vader met zeer summiere gegevens over zijn krijgsgevangenschap. Zie over krijgsgevangenen in mei 1940 en Stalag IID:  Smit (1997), p. 53 – 55.

[v] Die verplichting om als werkzoekende in Duitsland te gaan werken bestond ook al voor de oorlog, maar door de inval in Polen (1939) werd werken in Duitsland niet meer passend gevonden: Thea van der Linden en Hinke Piersma (2001), p. 125-126.

[vi] Van der Linden en Piersma in Piersma (2001), p. 149.

[vii] Lotz und Ueberschär (1999), Band II p. 233 ev. Ook werden er arbeidsbesparende maatregelen in de bedrijfsvoering ingevoerd. De DRP voerde daartoe als eerste ter wereld postcodes in (p. 256).

[viii] Visser (1968), p. 167 en 323.

[ix] Visser (1968), p. 246.

[x] Visser (1968), p. 168, 239.

[xi] NL-HaNA, PTT / Van der Vegte, 2.16.78.03, inv.nr. 50. Ockerse ging ook langs om klachten over de tewerkgestelden te behandelen.  Zo legden ze in Düsseldorf in de kantine hun voeten op de tafel. Niet doen, laat hij weten, want wij hebben de oorlog verloren en dit laat een slechte indruk achter over ons “Kultuurniveau”. En het leek hem niet verstandig om Russische krijgsgevangenen sigaretten te geven en te begroeten met “Heil Moskou!”. Zie ook: Visser (1968), p. 236-238.

[xii] Personenregisterkarte, Stadsarchief Hannover. Briefkaart aan dominee J.J. Stam, gedateerd 20 november 1942, Gemeente-archief Rotterdam, archief J.J. Stam, nr. 137.

[xiii] Brief aan ds. J.J. Stam, gedateerd 1 januari 1943. GAR, archief J.J. Stam, nr, 137.

[xiv] Brief van 1 december 1942, vertaalde versie als bijlage bij brief dd. 24-12-1942 van Van der Vegte aan Dr. Linnemeyer, Beauftragter für den Post- und Fernmeldewesen in Nederland. NIOD, coll. 53, 29c.

[xv] Brief aan ds. J.J. Stam, gedateerd 25 januari. GAR, archief J.J. Stam, nr. 137.  Op dit adres in nog steeds een opleidingsinstituut van de Deutsche Post (en van Deutsche Telekom) gevestigd. De hoofdingang is afgesloten, er is geen huisnummer. Een deel van de reliëfs lijkt verwijderd. Over het gebouw: Heinz Drangmeister, Die Post im Hannoverschen. Hannover, 1967. P. 107, 117.

[xvi] In GAR, archief J.J. Stam, nr. 137 is zo’n door Stam geschreven gestencilde brief te vinden. In 1944 werden de zendbrieven vervangen door een krantje, De Kerkpost, uitgegeven door de samenwerkende protestantse kerken. Tot juli 1945 zijn daarvan minstens 25 nummers verschenen.

[xvii] A.A. Wildschut in: Van Veldhuizen e.a. (1946), p. 26-30. In het archief van J.J. Stam bevindt zich een exemplaar van zo’n rondschrijven.

[xviii] Anschütz und Heike (2000), p. 145.

[xix] Wildschut (1945), p. 16.

[xx] Mijn vader ging in mijn jeugd weliswaar iedere zondag naar de hervormde Hoflaankerk in Kralingen, maar dat was zoiets als om de zoveel weken naar de kapper gaan: het was gewoonte en het moest van mijn moeder. Ik heb hem nooit gekend als toegewijde of bewust gelovige.

 

Ad Knotter en de USF

(Wordt nog aan gewerkt)

Ik stuitte bij toeval (dat wil zeggen via internet) op een artikeltje, dat Ad Knotter twintig jaar geleden schreef als ‘oud-activist’ 1). Hij probeert daarin te verklaren, waarom zoveel studenten, onder wie hij zelf, lid werden van de CPN.

Knotter was een jaar lang voorzitter van de studentenvakbond USF (dat vermeldt hij niet), het jaar voordat ik als secretaris buitenland bestuurslid werd van diezelfde USF, toen onder voorzitterschap van Geert van der Kolk. Ik was het enige niet-communistische bestuurslid, en nog erger: lid van de PvdA. Ook in die tijd vroeg ik me geregeld af, hoe slimme studenten als Ad Knotter lid konden zijn van een partij, waarin je niet geacht werd zelfstandig te denken. En een partij, die in mijn ogen uitermate ‘burgerlijk’ was. Ik herinner me bij voorbeeld, dat eind 1971 of begin 1972 het Rotterdamse gemeenteraadslid Heiltje Vos woedend jongerencentrum Exit verliet, omdat gedurende een verkiezingsdebat onder leiding van John Jansen van Galen pornobeelden op de muur werden geprojecteerd. Mevrouw Vos belde als gemeenteraadslid, zo werd verteld, gedurende lastige debatten met kamerlid Marcus Bakker om te horen, wat ze moest vinden.

Knotter probeert een verklaring te geven voor de opkomst van het studentencommunisme. Hij denkt (blz. 56), dat een vrij grote groep studenten voor de CPN koos, maar dat waag ik te betwijfelen. En vervolgens weet hij zeker, dat de ‘massificatie’ een rol speelt: de snelle groei van het aantal studenten in de jaren zestig en zeventig. Hij beroept zich daarbij op Hobsbawn. Deze verklaring lijkt me sterk: Knotter studeerde geschiedenis, en ondanks de groei van het aantal studenten aan dat instituut aan de Kromme Nieuwe Gracht was het er in zijn tijd nog zeer overzichtelijk, en volgens mij ‘fysiek, organisatorisch en mentaal’ nog goed in staat de studentenaantallen te verwerken. Toch leverde dat instituut een groot aantal CPN-studenten. Veel massaler waren de rechten- en de geneeskundefaculteiten, maar daar kwam je nauwelijks of geen communisten tegen.

Vervolgens meent hij, dat de studentenbeweging vooral kon ontstaan doordat de universiteiten volstroomden met kinderen uit de middenklassen met ouders die zelf geen universitaire opleiding hadden genoten. Natuurlijk is daar een verband, hoewel het speculeren is hoe dat verband er uitziet. En dan stelt hij, dat de discrepantie tussen de verwachtingen en voorstellingen van deze nieuwe groepen studenten en de feiten, bestaande uit pogingen van de regering om de toestroom enigszins te reguleren middels hogere collegegelden, scherpere selectie en ‘verlaging van het niveau van de opleiding’ reden was voor de radicalisering van groepen studenten. Hij beroept zich daarbij op Trienekens, die deze frictie tussen perceptie en satisfactie gebruikt om veranderingen op het platteland te verklaren.

Ik geloof er niks van. Veel te gemakkelijk past Knotter grote maatschappelijke ontwikkelingen toe op micro- of mesoniveau. Dat de groei van studentenaantallen natuurlijk alleen maar kon, omdat kinderen uit niet-universitaire milieus gingen studeren, is evident. Maar de impliciete veronderstelling, dat ook CPN-studenten allemaal middenklassekinderen waren, gaat er bij mij niet in. Mij viel juist op, dat nogal wat CPN’ers uit ‘de betere kringen’ kwamen. Ik zal nooit vergeten, dat een CPN’er met de adellijke naam Von Bönninghausen (ik ben zijn voornaam vergeten) mij toesiste, dat ik als sociaaldemocraat niet wist hoe ‘arbeiders’ leefden. Hij had ons moeten zien, met ons achten op een bovenwoninkje met drie kamers (en een piepklein zijkamertje). Govert de Lussanet  hield wijselijk zijn tweede achternaam (de la Sabloniere) verborgen.

Er waren hoogleraarzoontjes en burgemeesterdochters onder de communisten, en de zoon van de directeur van de Rijksvoorlichtingsdienst (hoewel deze nooit officieel lid werd). En een dochter van een vroegere ARP-voorzitter. Sommigen kwamen uit ondernemersgezinnen, van twee waren de ouders vanwege de belastingen naar België uitgeweken. Ik voelde me soms erg misplaatst in deze kringen, als zoon van een brievensorteerder met ploegendienst.

En er zijn meer rare opmerkingen. Hij vindt, dat de studentenbeweging uit de jaren zeventig niet zo zeer syndicaal (opkomend voor eigen groepsbelangen) maar vooral moreel was: de eis voor gratis onderwijs en onbeperkte toegang tot de universiteit zou immers leiden tot  overaanbod op de arbeidsmarkt en dus in de toekomst lagere lonen. Zo verklaart hij het ontbreken van acties tegen studentenstops bij geneeskunde uit de volgens hem zeer ‘gesloten sociale recrutering’ van medicijnenstudies. Maar van zo’n gesloten rekrutering was natuurlijk helemaal geen sprake.  Arbeiderskinderen die goed konden leren, kozen in die tijd (net als nu bij bepaalde groepen allochtonen) juist voor zeer arbeidsmarkt gerichte studies als rechten en medicijnen. Anekdotisch ‘bewijs’: mijn oudste broer ging medicijnen studeren.

USF-acties rondom jongerenhuisvesting waren overigens wel degelijk gericht op het dienen van vermeende eigenbelangen: studentenflats mochten bij voorbeeld onder geen beding open worden gesteld voor werkende jongeren.

Op blz. 53 geeft hij wellicht een betere verklaring voor die vermeend morele acties voor gratis onderwijs en onbeperkte toegang tot onderwijsvoorzieningen: het was communistische ideologie. De CPN meende, dat collectieve voorzieningen (zo stelt Knotter het) ‘een arena van klassenstrijd waren’: er moest zoveel mogelijk geld naartoe. Achterliggende gedachte was, dat dit de communistische zaak zou steunen, omdat daardoor onoverbrugbare sociale en economische tegenstellingen werden blootgelegd, waardoor ‘de arbeidersklasse’  eindelijk tot het juiste inzicht zou komen. Dus was iedere bezuiniging op collectieve voorzieningen (behalve dan het leger) een reden voor actievoeren. Dit lag in het verlengde van de CPN-eis ‘lagere prijzen, hogere lonen’.

De meeste andere studenten waren voor dit simplistische actiedenken niet makkelijk te porren. Dat merkte je, als je handtekeningen voor een of andere inkomenseis probeerde te verzamelen en uit contacten met andere PvdA-studenten. Over verbetering van de inhoud wilden velen het wel hebben, maar de meeste studenten, zeker zij die uit niet-universitaire milieus kwamen, vonden zich bevoorrecht. Geregeld werd er door de studentenvakbonden in Amsterdam gedemonstreerd voor hogere beurzen, lagere collegegelden en onbeperkte toegang, maar alleen het geharde kader uit Utrecht en andere universiteitssteden kwam daarvoor op. De meeste demonstranten waren leden van de Amsterdamse afdeling van de ANJV, de jongerenorganisatie van de CPN.

Knotter vindt in 1996, dat hij en zijn studievrienden ‘grotendeels gelijk’ hadden. Hij zal daarbij doelen op wat hij in het artikeltje vermeldt. En natuurlijk, er was niets op tegen, dat studenten zich organiseerden om hun belangen te verdedigen. Veel daarvan was ook achteraf zeer gerechtvaardigd. Maar hij laat een aantal belangrijke zaken weg, die te maken hadden met de politieke praktijk van hem en zijn CPN-maatjes.

Een voorbeeld van die praktijk. In de Grondraad (de verenigingsvergadering) werd vergaderd over een volgende demonstratie in Amsterdam. CPN’ers vonden niets zo belangrijk als overeenstemming over de leuzen. Dus daar ging het over. Voorzitter Van der Kolk kwam met voorgestelde leuzen (die niet in het bestuur, althans niet in mijn bijzijn, waren voorbesproken). De Grondraad wees ze af: men wilde de inhoud van het onderwijs centraal stellen, en niet weer inkomenseisen. Maar de affiches met de CPN-leuzen waren al gedrukt, de CPN-eisen bleven overeind.

Grondraadvergaderingen waren er niet vaak, maar ze werden vooraf gegaan door een oeverloos verhaal van de voorzitter, in mijn tijd dus Geert van der Kolk. Wat hij ging zeggen, weigerde hij in het bestuur te bespreken. Ik en enkele niet-communistische Grondraadsleden wisten wat ons te doen stond: we lazen het commentaar in De Waarheid van de dag ervoor, en scoorden tijdens Van der Kolks toespraak de overeenkomsten.

Ab Harrewijn (als USF-voorzitter opvolger van Geert van der Kolk), ook CPN-lid, vertelde me ooit, dat CPN-studenten geacht werden zich om de zoveel tijden te vervoegen bij Ton van Hoek en zijn partner Ina Brouwer. Daar werd dan ‘gediscussieerd’ over de partijlijn, maar dat discussiëren vond plaats in het kader van het ‘democratisch centralisme’: je mocht wel een mening uiten, maar je mocht niet afwijken van de partijlijn.

Dat aspect, het kritiekloos willen volgen van een Leider of een stringente ideologie, dat was wat mij het meest verbaasde bij al die CPN-studenten. Het maakte ze onbetrouwbaar als bestuursleden van een studentenvakbond: niet de leden, maar de Partij beschikte. Die behoefte aan het blindelings volgen van gezag was mij vreemd. “Don’t follow leaders”, zong Dylan (terwijl ik dit schrijf, wordt bekend, dat hij de Nobelprijs heeft gekregen), en dat was en is mijn motto.

suharto
USF-sectie buitenland voert actie! Ik sta links. Foto: Werry Crone

Aanvulling.

Op 26 oktober 2017 was ik bij de presentatie van de nieuwste roman van Geert van der Kolk, De witte reiger. Ik had hem in geen veertig jaar gesproken. Niet alleen ik, ook andere oud-USF-bestuurders waren aanwezig: Han, Michiel en Hans, die het jaar erop in het USF-bestuur zat. Ook Maarten liet zich zien. Het was natuurlijk grappig geweest, als het dezelfde verzuurde en rechtlijnige hardliners waren geweest, maar nu een andere zaak toegediend: mijn mede door vooroordelen beïnvloede herinneringen bevestigd. Niets van dat alles. De oud-commies met name waren vriendelijke zestigers geworden. Mooi natuurlijk. En ook mijn herinneringen werden bijgewerkt: was ik bij voorbeeld wel het enige niet-communistische bestuurslid?

Op een enkeling had de Tunesiër Ben Kassem Daieb indruk gemaakt. Daarover later meer.

 

  1. Ad Knotter, ‘De UHSK en de studentenbeweging in de jaren zeventig terugblik van een oud-activist.’ In: H.C. Teitler en P. van Hees (red.), Studeren en promoveren in Utrecht. Utrechtse Historische Cahiers, jg. 17 (1996), nr. 1. Uitgegeven vanwege de Vakgroep Geschiedenis der Universiteit Utrecht. P. 45-60.

 

 

Afrekening met de ‘oude Libanon-stijl’.

Via Internet eindelijk eens gelezen wat er in het boek Libanon Lyceum 1909 – 2009 (Rotterdam, 2009) onder redactie van Els Oosterlaan en Dick Rietveld staat over voor mij belangrijke schoolgebeurtenissen. Oosterlaan was in 2009 afdelingshoofd op een school, Rietveld deed in 1965 eindexamen op het Libanon en gaf er later, geloof ik, les. Wat staat er in hun boekje over de vrolijke jaren zestig?

“Omdat na de schooluren de verantwoordelijkheid voor De Kelder werd overgelaten aan het nog onervaren Kelderbestuur was het vrijwel onvermijdelijk dat zich in deze zelfstandige ruimte uitwassen vertoonden van de nieuwe vrijheid. Dit uitte zich in drugsgebruik, andere omgangsvormen en opvallende veranderingen in uiterlijk en kleding. Oorbellen, stickies en oude bontjassen rekenden op vaak schokkende wijze af met de oude Libanonstijl.”

Die Rietveld is een historicus, maar je mag hopen, dat de jaren zestig niet zijn specialisatie is. Met de opvallende veranderingen in uiterlijk zal hij wel doelen op bij voorbeeld de lange haren bij jongens (Beatles-look). Er zijn weinig historici te vinden, die dat een onvermijdelijke uitwas van de nieuwe vrijheid noemen. Oorbellen zaten in die tijd alleen in oren van meisjes die toch echt nog de oude Libanonstijl hadden. Hij had ook kunnen noemen, dat sommige meisjes broeken gingen dragen. Lerares Nederlands Hoekstra noemde dat toen schokkend. Als illustratie van de oude Libanonstijl een klassenfoto met Dick Rietveld (voorste rij in het midden), het jaar dat ik toelatingsexamen deed.

Iets verderop staat: “Veel […] schade werd toegebracht door enkele gevallen van drugsgebruik in De Kelder, die de [sic] Libanon een slechte naam bezorgden.”

Het fabuleren over drugsgebruik in De Kelder begon al vroeg. Toen in het tweede jaar van De Kelder een ongebruikt en nog verpakt condoom werd gevonden en eenmalig de geuren van een wierookstokje de gangen van de school erboven bereikten, waren de rapen gaar: seks en drugs en groot rumoer in de docentenkamer. Het toenmalig Kelderbestuur, bestaande uit een zusje Knol, Peter Aubert en ondergetekende, hield wel van een beetje opschudding, maar niet van drugsgebruik, terwijl ook  de toenmalige schooljeugd niet, zelfs niet goed beschermd,  in een openbare ruimte aan het sexen ging. Maar ja, maak dat maar eens duidelijk aan op tilt staande docenten, die deels een kruistocht voerden tegen elke maatschappelijke verandering, en vooral tegen de extern democratiserende Mammoetwet.

We moesten op gesprek bij de rector, Verschoor. Met hem had je altijd vreemde, gemoedelijke praatjes, over zijn neef die bij de T-Set speelde, zijn dochter, die ook de muziek in wou, zijn vriend Jan Wolkers, en wat niet meer. Maar Verschoor wist ons ook te melden, dat Peter de grootste dealer van de school was, en ik de grootste gebruiker. Hij zag dat aan de lengte van onze haren. De grap was, dat wij beiden tegen blowen en andere vormen van drugsgebruik waren omdat dat iets voor ‘Kralingers’ was, en daarmee doelden we op kinderen uit de gegoede milieus, die inderdaad als eersten zich suf blowden. Wij van het Kelderbestuur waren daar heel erg op tegen: tevreden rokers zijn immers geen onruststokers.

Op een gegeven moment sloten wij,  het Kelderbestuur, de Kelder: we konden het niet meer aan. Er waren problemen met de toeloop van vooral eersteklassers, die er een chaos van maakten. We zagen zelden nog een lokaal van binnen, en we waren het voortdurende gezeik van docenten die nog nooit ‘beneden’ waren geweest, zat. We werden bovendien meer en meer opgezadeld met probleemkinderen, die bij ons terecht kwamen, zoals die eersteklassers die de sigarenboer waar mijn vader altijd zijn Golden Fiction-pakjes kocht, in groepsverband beroofden.

Maar De Kelder bleef nog wel toegankelijk voor een heel klein groepje leerlingen, in het bezit van de sleutel. En toen werd er voor het eerst echt geblowd. Niet door leerlingen met een andere sociale achtergrond en ‘met andere gedragspatronen en omgangsvormen’, zoals de auteurs dat op bladzijde 47 noemen, maar juist door de volgens hen verdreven kinderen uit ‘hogere sociale klassen’. Niet veel later blowden vooral leerlingen van de havo-afdeling aan de Mecklenburglaan, en nog wat later verspreidde drugsgebruik zich naar kinderen van de onderbouw en de mavo. Maar toen ging het steeds vaker om hard drugs, gepusht door dealers van buiten, die onder andere schaarste creëerden in hennepproducten. Speed, lsd en heroïne kon je niet ruiken in de docentenkamer, dus dat was kennelijk alleen ons probleem.

Maar wacht eens. Die Rietveld werkte al eerder mee aan een gedenkboek, toen het Libanon 70 jaar bestond, in 1979. Daarin lezen we, dat het gezag over De Kelder tijdens schooluren bij de schoolleiding lag (niet waar overigens), “maar daarbuiten bij het nog onervaren Kelderbestuur zelf. Zo was het vrijwel onvermijdelijk dat zich in deze zelfstandige ruimte uitwassen toonden [sic] van de “nieuwe vrijheid” van de late zestiger jaren: druggebruik, soms zelfs in verontrustende mate, andere omgangsvormen, opvallende veranderingen in uiterlijk en kleding, begeleid door harde muziek; dit alles doorbrak de vertrouwde “Libanonstijl” op vaak schokkende wijze. Oorbellen, stickies en oude bontjassen ruimden verouderde gedragspatronen op; misschien het duidelijkst gedemonstreerd tijdens Popfestivals, zoals dat in het Kralingse Bos van 1970.” Probeer de redenering te volgen (oorbellen die verouderde gedragspatronen opruimen, bij voorbeeld), en stel vast dat in 1979 het nog niet de schuld was van ons, arbeiderskindertjes (‘leerlingen met een andere sociale achtergrond’).

Ook in 1984 stelde Rietveld een herdenkingsboek samen. Daarin laat hij een anonieme verzekeringsagent die de hbs had doorlopen, over het jaar 1969 zeggen, dat De Kelder een belangrijke en geruchtmakende sociale functie had, waarbij een “radikale [sic] maar kleine groep” nogal nadrukkelijk zijn stempel drukte, niet alleen op het beeld van die Kelder, maar zelfs op dat van de leerlingen, waardoor “sensatieverhalen over alcohol- en drugsgebruik” de kans kregen een vertekend beeld te geven. Weer zo’n merkwaardige redenering, en weer niets over de verspreiders van die sensatieverhalen. Laten we er eens een van hen in het daglicht zetten.

Bron van veel verzinsels is vooral oud-docent H., die in het meest recente gedenkboek nadrukkelijk wordt bedankt. H. had alles van doen met Kelderopvolger Ramzes, en niets met De Kelder. Zijn blik op de werkelijkheid was toen al door veel Kralingse vooroordelen en een constante alcoholbeneveling sterk vertekend. Voor hem waren brave enigszins linkse jongeren, niet opgegroeid in een van de lanen, al gauw een kleine groep ‘radikalen’.

Aan het eind van mijn schoolloopbaan zat ik met enkele medeleerlingen diep in de nacht bij H. in de auto, toen hij in een zijstraat van de Oudedijk door de politie werd klemgereden vanwege zijn zeer slingerend rijgedrag. Wij leerlingen mochten verder lopen, H. werd meegenomen en was weer voor lange tijd zijn rijbewijs kwijt. Hij was niet de enige docent, die bijna constant onder invloed les stond te geven. Te dronken om auto te rijden, maar voor een klas kinderen staan was in die tijd blijkbaar geen probleem. Een goed idee voor een volgend gedenkboek: een hoofdstuk over alcohol in de klas.

Bronnen:

– Els Oosterlaan en Dick Rietveld (samenstelling), Libanon 1909-2009. Z.pl, september 2009.

– D. Rietveld (samenstelling), 75 jaar Libanon; 1909-1984. Rotterdam, mei 1984.

– G.R. Hendriks, J.M. van Lier, D. Rietveld en P. Verschoor (red.), Libanon 70 jaar. Rotterdam, mei 1979.

Lekker belangrijk na zoveel jaar, hoor ik je al denken. Klopt, ‘t is ook niet iets waar ik van wakker lig. Maar gedenkboeken zijn bedoeld als geschiedschrijving, en als die vol verzinsels staan, mag je dat natuurlijk wel vaststellen. Bovendien: het geeft mooi weer waarom ons onderwijs nog steeds relatief achterloopt, waar het gaat om externe democratisering: de toegankelijkheid voor kinderen uit minder bevoorrechte milieus. Al op je twaalfde word je voorgesorteerd, waarbij afkomst nog steeds een grote rol speelt. Want de panikerende anti-Mammoetwet docenten van toen, bang voor statusverlies en verandering in het algemeen, hebben deels ‘gewonnen’. Ook dat blijkt uit de gedenkboeken.

Natuurlijk: is er veel veranderd. Maar dat ligt niet aan een grote groep docenten. CITO-toetsen, toegenomen welvaart en betere toegang tot informatie speelden een veel grotere rol. En wie, zoals ik, op zowat alle niveaus van het voortgezet onderwijs heeft gewerkt, weet, hoeveel verborgen drempels de toegang voor velen nog steeds belemmeren. Nog steeds hebben kinderen ‘met andere gedragspatronen en omgangsvormen’ en een opvallend ander uiterlijk het moeilijk op veel scholen.

 

(Het heeft even geduurd, maar nu staat het genoteerd: het is allemaal niet onopgemerkt gebleven).

aug. 2015

 

 

Wolfenbüttel, 70 jaar geleden.

Op woensdag 11 april 1945 werd de Duitse stad Wolfenbüttel door het 9e Amerikaanse legerkorps ingenomen. Gevangenen in het gevangeniscomplex in het centrum van de stad zagen Amerikaanse infanteristen gebukt naar de Herzogstrasse oprukken. Een paar minuten later reed een klein pantservoertuig door de achterdeur van het complex. Onmiddellijk brak er een oorverdovend lawaai uit. Schreeuwende en huilende gevangenen sloegen met van alles op de deuren van hun cellen. Nadat de sleutels waren gevonden en de deuren waren geopend, bestormden honderden gevangenen de keuken en het magazijn. De bewaker, een oude man, werd de Holzhof opgegooid. Een hospitaalbeambte hielp enkele criminele gevangenen, die in het magazijn burgerkleding hadden gepakt, met een ladder over de muur.

2093_4429_1_g

  1. 11 april 1945: Amerikaanse militairen houden in de straten van Wolfenbüttel enkele Wehrmachtssoldaten onder schot.

Volgens ooggetuige Ton Velder vielen er doden bij de bestorming van de trap naar de keuken. In de keuken vonden gevangenen tot hun verbazing veel levensmiddelen. In de oven lag warm brood. Achter de keuken waren stallen, waarin mestvee werd gehouden: zo’n 200 varkens en ook nog konijnen. Die werden onmiddellijk geslacht. Op de Holzhof maakten de gevangenen vuren  om het vlees te bereiden. Andere stukken vlees werden in ketels in de keuken gekookt. Het was bijna idyllisch, meldt ooggetuige Fritz Counradi. Maar enkele uren later werd er geschreeuwd en gekreund: veel uitgehongerde gevangenen (gemiddeld woog men minder dan 50 kilo) verdroegen het vette vlees niet en stierven nog diezelfde nacht.

Op 8 april was gevangenisarts Walther Kalthöner in dienst getreden. Hij meldde na de oorlog, dat de Amerikanen enkele honderden gevangenen vrij lieten, terwijl de overige gevangenen vrij konden bewegen, omdat de deuren naar hun cellen van slot werden gehaald. In een grote ruimte waren zo’n 200 op sterven na dode gevangenen onder erbarmelijke omstandigheden vastgehouden. Kalthöner liet de zieken overbrengen naar het gevangenishospitaal. De meesten stierven, slechts zeven overleefden het.

Holzhof in de gevangenis van Wolfenbüttel

  1. De Holzhof in de gevangenis van Wolfenbüttel.

De Amerikaanse soldaat Howard Goodkind schoot tijdens zijn opmars in Europa één fotorolletje vol. Hij maakte een paar foto’s in Normandië, in Parijs en Londen, in Maastricht en drie foto’s in de gevangenis van Wolfenbüttel, enkele dagen na de bevrijding. Een foto laat twee voormalige gevangenen zien, die te verzwakt waren om te worden verplaatst, één foto toont de buitenkant met achter een getralied venster gevangen gezette bewaarders en er is een foto van de valbijl in het gebouwtje waarin de executies plaatsvonden.

gevangenis wolfenbuttel april 1945

3. Enkele dagen na de bevrijding van de gevangenis te Wolfenbüttel fotografeerde soldaat Howard Goodkind er een paar gevangenen die te zwak waren om vervoerd te worden (http://www.goodkindletters.com/gallery.html)..

Eén van de 1512 geregistreerde gevangenen die op 11 april 1945 werden bevrijd, was mijn vader. Op 6 maart 1946 schreef hij het Rode Kruis, dat hij nadat hij door de Amerikanen was bevrijd, was gaan lopen naar Hannover, een tocht van 80 kilometer, waar hij ‘enkele dagen’ over deed. Daar werd hij opgenomen in Krankenhaus Ricklingen. Op 9 mei vertrok hij naar Eindhoven. Andere gevangenen zouden pas na tien dagen uit de gevangenis hebben mogen vertrekken. Ze werden op open legervoertuigen naar Braunschweig vervoerd. Op het goederenstation daar werden ze ontluisd en vertrokken vervolgens per trein naar huis.

Gepubliceerd in 2015

Martins blog: Sarajevo 13 mei 1995

Eurovisie Songfestival … maar dan (ruim) 20 jaar geleden ….

zaterdag 13 mei 1995

Een dag waar ik al een week (en Bosnië ruim vier maanden) naar heb uitgekeken. Vandaag is het de dag van het Eurovisie Songfestival dat vanavond wordt uitgezonden. Een “main event” en de spanningen zijn ‘s middags al tot ondraaglijke hoogten opgelopen. Niemand in Sarajevo twijfelt eraan: Bosnië is een absolute kanshebber op de eindoverwinning. Het zes-uur-journaal heeft een uitgebreide reportage over de deskundige jury. Ook over de omroepster die, live, de punten van deze jury mag oplezen, is er een apart item. Rond half negen begint de uitzending. De televisiezender van Republika Srpska slaat echter keihard terug, merk ik al zappend. Deze zendt de film Once-Upon-A-Time-In-The-West uit.

IJzersterke programmering op de avond van de edelkitsch. Ik vind het bijna jammer dat ik een afspraak heb gemaakt met de jongens van Nova om ergens een glaasje te gaan drinken. Maar afspraak is afspraak, dus tegen negen uur klop ik bij hun pension aan, alwaar zij allang aan het bier zitten. Als ik Twan uitleg dat het vanavond een bijzondere avond in Sarajevo is, vanwege het songfestival, schiet hij uit zijn stoel en begint meteen te bellen. Tussen twee belletjes door legt hij uit dat hij natuurlijk aandacht moet besteden aan de jury in Sarajevo. “Waar zit ie, die gaan we filmen”.

Dit is na het opzetten van de Benetton-winkel in Sarajevo, al het tweede onderwerp dat Nova gratis door mij aangereikt heeft gekregen.  “We gaan naar het tv-gebouw”, gebiedt Twan. Maar na tien meter komt er al een tijdelijk einde aan deze onderneming. Want in de auto (dit keer niet mijn auto) die voor het pension staat geparkeerd, had Peter, de cameraman, nog wat spullen laten liggen. Om precies te zijn de power-unit voor de zijn camera. Stom, want dit is Sarajevo. De auto heeft een ingeslagen ruit. En de Nova-jongens kunnen niets meer filmen.

Na een uur heen en weer bellen begrijpen ze, dat ze alsnog naar het tv-gebouw moeten. Nu om bij collega-camerateams een power-unit los te smeken. Ik ga mee. Heb ik toch nog de omroepster, die heel Europa op het scherm kreeg, in het echt gezien. Maar het puntentellen was nog niet begonnen.  De Nova-jongens krijgen een nieuwe power-unit van een aardige collega van ABC. Zij zijn geholpen en ik ga naar huis. Ik zet de TV aan en ik merk dat zojuist het punten uitdelen nu wel is begonnen.  Het duurt erg lang voordat Bosnië de eerste punten krijgt. Het was min of meer te verwachten dat Turkije en Kroatië voor de Bosnische score zou zorgen. Denemarken was het verrassende derde land dat ons liedje (het inburgeringsproces vordert) wel zag zitten. Weinig verrassend was ook dat Kroatië van Bosnië en Griekenland van Cyprus 12 punten kregen. Nederland deed dit jaar niet mee dus geen 12 punten voor Israël.

Op het laatst bleek Noorwegen gewonnen te hebben. Noors is een moeilijke taal, dus de Noorse componisten hadden een liedje bedacht, waarin niet gezongen wordt. Briljant, natuurlijk. Ik zap de tv naar de vijand. De aftiteling van de hoofdfilm is net begonnen, met de overbekende muziek van Ennio Morricone. Prachtig liedje zonder woorden.

screen1995bih-300x224

Martins blog: Sarajevo 16 mei 1995

Sarajevo, dinsdag 16 mei 1995

Tien over half tien. Van de ene op de andere minuut breekt er een enorm lawaai los. Uit alle richtingen hoor je de salvo’s van machinegeweren. Grote doffe dreunen doen het kantoorgebouw schudden. Slavenko is in mijn kamer. Ik kijk wat ongelovig naar hem. Hij kijkt met een blik van ‘ik kan het ook niet helpen’, maar er wordt niets gezegd. Boem! Een geweldige doffe dreun keert mijn hart twee keer om. We rennen de gang op. Daar heeft het meeste personeel van het UNSCS-office zich inmiddels verzameld. De doffe dreunen en de salvo’s mitrailleurvuur zijn ook op de gang nog goed te horen. Er wordt weinig gezegd. Veel ongeloof in de blikken. Marlene, verantwoordelijk voor het veiligheidsplan voor het personeel, heeft een spierwit gezicht. Snel wordt er door de staf besloten dat we naar de kelder moeten. “Doe je deur op slot?” vraagt Slavenko. Dat doe ik onmiddellijk.

Sanela wacht op me in de gang. Zwijgend loopt iedereen de vijf verdiepingen naar beneden en vandaar naar de kelder. UNSCS-office heeft een eigen afgesloten ruimte in de kelder. Marlene heeft de sleutel en dirigeert ons allen deze ruimte in. Het is een soort opslagruimte, zo groot als een flink schoollokaal. Wat dossierkasten aan de ene wand, wat tafels tegen een andere, een flinke stapel matrassen tegen een andere wand, her en der staan wat oude tekentafels. Opvallend is het enorme geschilderde portret van Tito, dat wat achteloos tegen de dossierkast leunt. De maarschalk heeft een geruststellende blik. Hij is de enige. Marlene heeft een lijst van het personeel en roept al onze namen. Ook mijn naam wordt genoemd, ook ik ben present.
Roken mag alleen op de gang. Het is daarom op de gang drukker dan in deze ruimte. Ook ik loop de gang in. Ik krijg meteen een al aangestoken sigaret aangereikt.

Ons kantoorgebouw, is ook de behuizing van het Directoraat voor Reconstructie en Ontwikkeling van Sarajevo: een koepel van de gemeentelijke diensten in de harde sector. Er werken daarom, behalve wij, nog veel meer mensen in dit gebouw, die allen een heenkomen zoeken in de kelder. Maar fase één van het veiligheidsplan van het Directoraat is het in veiligheid brengen van de privé-auto van de hoogste baas, Mr. Drino. Door een binnenwand uit te breken kon deze auto (Volvo 740 GLE) van buiten, via de parkeergarage, de schuilkelder in worden gereden. Wat zou er in de kop van de mensen, die zich zo om deze auto bekommerden, omgaan?

Ik ga ons lokaal maar weer eens binnen. Ik ontdek nu hoe koud het is. Het is en blijft natuurlijk een kelder. Gelukkig zijn er vele zakken met dekens. Met een deken over mij heen neem ik plaats op de grond tegen de wand. Ik kijk naar de gezichten. De witte kleur op het gezicht van Marlene is besmettelijk: velen uit de internationale gemeenschap hebben een spierwit gezicht. De meeste autochtone meisjes daarentegen hebben iets triomfantelijks in hun ogen en er wordt daarbij flink gegiecheld. “Sanela, waarom lach je zo”, vraag ik. “Well,” zegt ze, “this is nothing, you ain’t seen nothing yet”.

Plotseling een enorme dreun. Mijn oren tintelen. Je voelt de trillingen van het gebouw. Het gegiechel is verstomd. Nog een dreun. Zelfs Eagleton heeft nu een wit gezicht. Dan blijft het een tijdje stil. Met drie flag-jackets over elkaar en een helm op z’n kop gaat Bruno het gebouw in om te kijken of er iets te zien valt. Vijf minuten later komt hij terug met de mededeling dat de bovenste verdieping van het kantoor in puin ligt. Via de hand-set radio’s vernemen we dat drie mortiergranaten ons gebouw zijn binnen komen vliegen. Twee op zesde etage, en één op de eerste etage. Mijn kamer bevindt zich op de vierde etage.
Ik loop voor de zoveelste keer de gang maar weer eens in. Ik heb nog nooit zoveel op één ochtend gerookt.

Anes, de telefoon-operator, krijgt de opdracht om het gebouw in te gaan en vanuit de telefoonkamer de hoofdlijn door te verbinden naar de telefoon in de schuilkelder. Anes is Bosniër, dus dat gaat niet meteen goed. Hij weet wel alle inkomende lijnen uit te schakelen, maar het doorschakelen was ie vergeten.

Het nieuwsbulletin van de Bosnische staatsradio heeft inmiddels het bericht verspreid dat “Eagletons-office” getroffen is door granaten. En nu schieten toch wel veel verontrustende gedachten binnen. Ik moet er niet aan denken, dat zo’n soort bericht op de Nederlandse Teletekst zou verschijnen en zo onnodige zorgen teweeg zou brengen. Anes krijgt opdracht om het gebouw in te gaan en te zorgen dat de telefoonverbinding naar de schuilkelder tot stand komt. Twee minuten later gaat de telefoon over. Het is hem dus gelukt. Achter elkaar rinkelt de telefoon. Het zijn vooral verontruste verwanten van de autochtone werknemers, die op het nieuws hoorden dat ons kantoorgebouw getroffen was. De mensen die zelf willen bellen, krijgen van Majoor Bouchard ieder twee minuten om hun verwanten in te lichten dat ze zich geen zorgen hoeven te maken. Dat is overigens moeilijk genoeg, want elke keer als de hoorn erop wordt gelegd, begint de telefoon meteen te rinkelen voor een inkomend gesprek.

Het leven in een schuilkelder is eigenlijk uitermate saai en vervelend. Gelukkig heeft de verstreken tijd voor wat meer ontspanning gezorgd. We nemen bijna allen deel aan een spel: ‘voor wie is het belletje dit keer bestemd?’ Bij het zoveelste rinkelen, trok ik zeker een hoopvol gezicht, want Sanela zei: “No Martin, SHE won’t call”. Geen idee wie Sanela met SHE bedoelt. Toch zijn er kansen blijven liggen. Wat dacht u van een directe verbinding met een schuilkelder in Sarajevo in oorlogstijd? Extensie 7600 of 7613.
Zo rond half twee heeft iedereen de grap al gemaakt: “Wie belt de pizza-expresse even? Vijftig Quattre Staziones graag”. Er zijn dus magen die knorren. Eagleton bepaalt dat precies om twee uur iedereen een doos noodrantsoen, hier ruim voorradig, mag aanbreken. Wederom een staaltje van ziekmakende VN-precisie, want precies twee uur is dus precies twee uur.Mijn lunch vandaag: taaie crackers met smakeloze paté en chocolademelk. Je zou overigens niet van kaas houden en een paar dagen in een schuilkelder moeten doorbrengen.

Rond drie uur horen we dat G5, het Franse genie-bataljon hier in Sarajevo, twee gepantserde voertuigen stuurt om de autochtonen op te halen en thuis te brengen. Even later zijn de drie Franse militairen gearriveerd, waaronder de hoogste baas van het Bataljon, kolonel Gegou.
De mensen worden in twee sessies naar huis gereden. Ook ik mag nu naar huis, maar ik mag mijn eigen auto rijden. Ik besluit om eerst op mijn kamer een kogelvrijvest op te halen. Dan neem ik met Mehmed door wat een redelijk ‘veilige’ route voor mij moet worden. Normaal gesproken moeten we over een brug vlakbij kantoor, maar dat is nu sterk af te raden, omdat de brug voortdurend onder vuur wordt genomen.

In de hal van het gebouw merken we dat een stuk of twintig over het algemeen wat oudere mensen, die voor het Directoraat als schoonmaakster of conciërge werken, volstrekt aan hun lot zijn overgelaten. Velen van hen zijn doodsbang en kijken smachtend naar ons. Een oude mevrouw spreekt wat Duits: “Waar gaat u naar toe, meneer?” “Kosevo Brdo” antwoord ik. Acht oudjes schieten hoopvol op me af. Ik kan er helaas maar vier meenemen. Bruno, die het ziet, biedt aan te zorgen dat alle andere mensen ook thuis worden gebracht.
De Duits sprekende dame neemt plaats op de achterbank. Ze vraagt of ik vooral hard wil rijden. Overbodige vraag. 300 meter na vertrek staat de snelheidsmeter al boven de 100. We rijden richting de synagoge, voorbij de Gavrilo Prinzip-brug om zo via een grote omweg door de oude stad richting het Olympisch Stadion te rijden. In de Tito-straat zie ik dat een auto van het Rode Kruis, die voor me rijdt, een noodstop maakt en mensen hollen hard weg. Ik stop onmiddellijk. Zet de versnelling in de achteruit en rij zo hard als het gaat tweehonderd meter terug om via de zijstraatjes richting het stadion te rijden. De vrouw naast me begint te bidden. “Hou eens op, zo erg is het nou ook weer niet!”. Bij het Olympisch Stadion kun je via een tunnel door de heuvel de wijk bereiken waar alle inzittenden van de auto moeten zijn. Aan het einde van de tunnel willen alle inzittenden mijn auto uit. Dit gebied is tamelijk veilig, vanwege de ligging. Ik ben nu bijna thuis. Mijn straat ligt er rustig bij, alleen die geluiden op de achtergrond, boem boem ratatatta, boem boem, zijn bevreemdend. Ik rijd om kwart over vier het garagepad op.

Thuis bel ik Ardi van MSF op. Hij is op zijn kantoor gewoon aan het werk. Ik vraag aan hem of hij bereid is naar Nederland te bellen, je weet maar nooit of er nu al onnodige zorgen worden gemaakt. Vijf minuten later gaat de telefoon over. Ardi zegt dat hij Janneke op het werk heeft gebeld. Weer een paar minuten later belt Janneke zelf. Een uurtje later belt mijn broer. Maar toen had ik al vier blikjes bier achter mijn kiezen. Rond half acht haalt Ardi me met zijn gepantserde auto op, om een gezellige avond in het MSF-house door te brengen. Daar heeft Helen, collega en huisgenote van Ardi, al een biertje voor me ingeschonken. Na lang aandringen bezwijk ik onder haar druk: ik moest en zou haar dakterras bekijken, het platje dat aan de zolderkamer, die zij hier bewoont, grenst. “My roofgarden” heet dat in Helens termen. Helen is Engels in de overtreffende trap. Zij kweekt dus kruiden en plantjes in kleine kasjes op dit dakterras. Ik ben overigens aangenaam verrast door het fenomenale uitzicht over Sarajevo van dit dakterras. Je hebt van hier ook een vrij uitzicht maar de heuvel, die het Bosnische leger sinds vanochtend probeert te veroveren. De heuvel vlakbij ons kantoor dus. En het is ook een prachtige avond.

Helen haalt twee stoelen. En even later zittend we beiden zwijgend van het uitzicht te genieten. De slag om de heuvel is nog steeds in volle gang. Op elk lichtflitsje volgt ongeveer een seconde later een flinke boem. Als een stel generaals in de Eerste Wereldoorlog, zitten we met een glas in ons hand de slag op afstand te volgen. Nogmaals, het uitzicht is fenomenaal. Ik voel me merkwaardig ontspannen.  Rond elf uur rijdt Ardi me weer naar huis. Ik kan nog niet slapen en schrijf daarom eerst deze dag bij in het dagboek. Rond half twee vind ik het tijd om te gaan slapen. Het was één van de langste dagen in mijn leven in Sarajevo.

bosnia-sustains-heaviest-bombing-in-two-years

Martin Kentie, 17 mei 2015

Ik schreef dit 20 jaar geleden ……….

 

Voorouders III: Henricus Thamerus.

Een stichtelijk leven: eerherstel voor dominee Henricus Thamerus.

(Nieuwe verbeterde versie, november 2016). Aangevuld augustus 2017, februari 2018, februari 2019.

Ruziënde ziekentroosters.

Op 10 september 1594 bood ene Henricus Thamerus zich aan als interim-predikant bij de zes jaar eerder gestichte lutherse gemeente van Amsterdam. Die toch al kleine gemeente dreigde uiteen te vallen:  de twee ziekentroosters, die ook de preken verzorgden, stonden lijnrecht tegenover elkaar. Ze verschilden van mening over de betekenis van de Erfzonde, een conflict dat heel de lutherse kerk in zijn greep hield.

De Amsterdamse geloofsgemeenschap was samengesteld uit twee groepen: gevluchte handwerkerslieden uit Antwerpen en al veel langer in Amsterdam verblijvende Hamburgse handelaren, verenigd in het Hamburger Koor. De eerste groep stond achter de radicale ziekentrooster Van de Populiere, een volgeling van Flacius. Matthias Flacius Illyricus was een Kroatische lutheraan, die stelde dat ieder mens dankzij de Erfzonde door en door slecht was. Hij en zijn navolgers hadden zich verzet tegen Philippus Melanchton, de opvolger van Luther en de opsteller van de Augsburgse Confessie, de geloofsbelijdenis voor de lutherse kerk.

Fig. 1: Matthias Flaccius

Ziekentrooster Andries Nesscher vertegenwoordigde de meer gematigde richting van Melanchton. Het conflict liep zo hoog op, dat beide ziekentroosters een preekverbod kregen. De Amsterdamse gemeente moest dus op zoek naar een echte dominee, en die werd gevonden in Adolf Fisscher. Hij had de gemeente al in 1593 tijdelijk gediend, en dat was kennelijk bevallen, want hij werd teruggevraagd. Maar tot zijn komst zat de kerk enkele maanden zonder predikant en daarom overwoog ze het aanbod van Thamerus, die bij een eerdere sollicitatiepoging al had gemeld van de Augsburgse Confessie en dus lutheraan te zijn, én dat hij in Friesland door de calvinistische classis niet werd geduld.

De gemeente vroeg op 6 oktober 1594 aan Johannes Ligarius, predikant in Embden, inlichtingen over Thamerus. Ligarius had de Amsterdamse lutheranen, toen hij in Woerden werkte, al eens eerder als adviseur gediend. Hij had in Wittenberg gestudeerd (in 1546) en had goede contacten in Noord-Duitsland, onder andere met de superintendent van Lübeck, Andreas Pouchenius. Het antwoord is niet bekend, maar Thamerus ging aan de slag, dus er zal sprake zijn geweest van een positieve referentie.

Fig. 2: Andreas Pouchenius.

Op 18 februari 1595 arriveerde Fisscher in Amsterdam. Dankzij hem en wellicht ook invaller Thamerus begon de lutherse gemeente weer op te bloeien.  En dat trok de aandacht van het stadsbestuur, dat de lutheranen niet welgezind was. De calvinistische kerkenraad, waarin dominee, kaartenmaker, VOC-oprichter en fervent tegenstander van het lutheranisme Petrus Plancius (de uit Vlaanderen afkomstige Pieter Platevoet) een grote rol speelde, besloot op 23 maart om de lutheranen maar vooral Thamerus ‘op kerkelijke wijze’ te bestrijden. Werd Thamerus doelwit, omdat de komst van Fisscher nog niet was opgemerkt en ze hem nog steeds als het lutherse boegbeeld zagen, had hij uitspraken gedaan die bij de gereformeerden in het verkeerde keelgat waren geschoten, of speelden zijn eerdere conflicten in Friesland een rol? Pont, op wie het bovenstaande is gebaseerd, vermeldt dit niet[1].

De lutheranen werden al vanaf 1590 door het Amsterdamse stadsbestuur lastiggevallen, net als de joden en andere religieuze minderheden. Het reageerde daarmee op de druk vanuit de gereformeerde kerkenraad, waarin overigens tot afschuw van burgemeester Cornelis Pietersz. Hooft, gehuwd met een doopsgezinde, buitenlandse vluchtelingen het voor het zeggen hadden. De geïmporteerde dominees en ouderlingen hadden de twisten van elders meegenomen en verkondigden een radicaal en meedogenloos calvinisme. Ze begrepen bovendien ‘het temperament van de Hollanders niet’:  Hollanders willen immers zelf uitzoeken hoe de Bijbel moet worden gelezen en bovendien  kiezen ze voor de deugden van ‘voorzichtige vastheid en vrede’. De buitenlandse dominees zaaiden volgens Hooft verdeeldheid en wilden de calvinistische predestinatieleer aan de stad opleggen. In 1597 probeerden de calvinisten zelfs een oproer tegen andersdenkenden uit te lokken[2].  Ondanks Hooft werden in 1595 alle lutherse bijeenkomsten verboden.

Fig. 3: Petrus Plancius.

In een voetnoot licht Pont ook Thamerus’ doopceel, waarbij hij zich vooral baseert op vergaderverslagen van de classis Gorinchem, het gebied, waar Thamerus later actief zou worden. In die vergaderingen werden tegen Thamerus verschillende keren bezwaren gemaakt. Maar al met al  “maakte in 1610 de klassis van Gorinchem geen zwarigheid hem tot predikant van Doveren en Genderen te bevestigen, maar uit hooge achting voor zijn grondige geleerdheid en godsvrucht, schijnt zij hem gedragen te hebben, zonder dat hij echter lid van hare vergadering was”, stelt Van der Aa in 1874 in zijn Biografisch Woordenboek[3]. Thamerus was inderdaad twee keer uit een Friese gemeente verjaagd, maar in die tijd werden predikanten wel vaker uit hun gemeente verdreven vanwege verschillen van inzicht. Genoemde Ligarius, bij voorbeeld, werd ondanks zijn aanzien weggestuurd uit Norden, Antwerpen, Woerden en, uiteindelijk, Embden[4].  Ponts voetnoot lijkt voor latere geschiedkundigen de belangrijkste zo niet enige bron voor hun beschrijving van Thamerus, die door verkeerd of selectief lezen in kerkhistorische kringen uitgroeit tot een figuur die in een schelmenroman niet zou misstaan.

Afkomst.

Henricus Thamerus (of Tam(m)erus of Tameris) is een voorouder van mij. Twaalf generaties terug, en dan heb je in theorie meer dan 4000 voorouders, maar zo ver terug laten alleen die voorouders sporen in de archieven na die om een of andere reden het vermelden waard gevonden werden. Dat zijn er niet veel in mijn voorgeslacht. Thamerus is een uitzondering. En hij is een van de weinigen die ‘doorgeleerd’ had.

Maar waar kwam Henricus vandaan? Gepubliceerde stambomen zijn vaag en soms tegenstrijdig, waar het de vroege leden van de Thamer-familie betreft. En dat, terwijl er in deze ‘bürgerlicher Familie’ al heel vroeg genealogische belangstelling was. Carl Friedrich Dietzel (1688-1726), gehuwd met Margaretha Elisabeth Thamerus, stelde als eerste een stamboom op, maar deze lutherse dominee liet alle katholieke voorouders weg. In 1901 liet de fabrikant Horst Thamerus de familiegeschiedenis optekenen, inclusief de katholieke voorouders.  In het boekje uit 1901 wordt gesuggereerd, dat al eeuwen eerder in oude annalen namen als Damarus, Tamarus en Damar opduiken, vaak behorend bij monniken. Zo’n voornaam zou geleid hebben tot de achternaam Thamer.

Bovendien: maakte onze Henricus Thamerus wel deel uit van deze familie? Hij werd volgens sommige bronnen in 1540 in Merzenich als Heinrich Thamer geboren. Van der Aa noemt hem een echte leerling van Melanchton, en inderdaad studeerde hij in Wittenberg universiteit waaraan Melanchton verbonden was. In de inschrijvingslijsten van deze universiteit treffen we hem op 9 oktober 1572 – Melanchton is dan al twaalf jaar dood – als Henricus Tabnerus aan. Hier is natuurlijk sprake van een, begrijpelijke, transscriptiefout: de -m werd gelezen als -bn. Daarbij: de achternaam Tabnerus is verder volslagen onbekend. (Google vindt weliswaar deze naam in oude boeken, maar dat is dan een leesfout voor Tannerus.) Tabner werd als Duitse achternaam ook niet aangetroffen.

In het matrikel staat achter Henricus als plaats van afkomst: Pawenhusanus. Het betreft hier Babenhausen. Daar zijn er drie van. Er is een oud stadje in Hessen met die naam. Babenhausen is ook een stadje in Schwaben (Beieren). En er was het dorp Babenhausen, dat opgeslokt werd door Bielefeld. Daar is nu nog een Babenhauser Strasse. Pavenhusen, Pabenhausen en Pabenhusan komen ook als spellingvarianten voor.

We weten niet uit welk Babenhausen hij afkomstig is. Bielefeld ligt natuurlijk niet ver van Nederland, terwijl je met het daar gesproken Westfaalse dialect in grote delen van ons land prima terecht kon. Het wordt wel minder waarschijnlijk, dat onze Henricus afstamt van Heinrich Thamer.

Wie was de vader van Henricus? Het zou  Sixtus Thamer kunnen zijn, en daarmee wordt hij een kleinzoon van Heinrich, geboren in Landshut in circa 1449. Deze Heinrich is de oudst bekende Thamer. Hij studeerde vanaf 1467 aan de universiteit van Erfurt, waar enkele decennia later Luther studeerde. Sommige stambomen denken dat Sixtus een broer van Heinrich is, evenals Theobaldus. Gezien de geboortedata moeten het zonen zijn geweest, als het al familie was. Want Sixtus en Theobaldus kwamen uit de buurt van Straatsburg, op ruime afstand van Erfurt en Landshut gelegen. 

Theobaldus werd in 1505 geboren in Oberehnheim (Obernai) in de Elzas (30 kilometer ten zuidwesten van Straatsburg). Hij studeerde bij Luther zelf. Hij promoveerde in 1539 in Wittenberg tot Meester in de filosofie. Al eerder stond hij ingeschreven aan de universiteit van Erfurt: in 1538 staat hij daar vermeld als magister Wittenbergensis, dus moet hij voor die tijd in Wittenburg gestudeerd hebben. En dat klopt: in 1535 staat hij ingeschreven als Theobaldus Damerus Strasburgen (in een voetnoot staat, dat de naam Damerus is doorgestreept). In 1539 heeft hij  achternaam Theodoricus. Het moet hier om dezelfde Theobaldus gaan: die voornaam is dan behoorlijk zeldzaam, en ook bij hem staat Straatsburg als plaats van afkomst vermeld.

In 1540 promoveerde hij, terwijl hij er professor was, nog eens in Frankfurt an der Oder.  In 1543 werd Theobaldus predikant en hoogleraar in Marburg en in 1547 veldpredikant in het leger van landgraaf Philip van Hessen, die in 1527 de universiteit van Marburg als eerste protestantse universiteit had gesticht. Twee jaar later werd Theobald ontslagen in Marburg. Hij werd nog even tweede predikant in Frankfurt an der Main, waar hij in 1553 werd ontslagen. Hij vertrok naar Rome, werd katholiek, promoveerde voor de derde keer, nu tot doctor in de theologie aan de universiteit van Siena, werd prediker in de Dom van het Duitse Minden, en vervolgens hoogleraar in Mainz en, in 1566 aan de universiteit van Freiburg. In die stad stierf hij, op 23 mei 1569. Melanchton wijdde een beschouwing aan zijn overstap naar het katholicisme en bepleitte in zijn “De Thamero vagante in dioecesi Mindensi commonefactio” straf voor Thamer.

.

Fig. 4: Theobaldus Thamerus, uit Prosopographia heroum atque illustrium virorum totius Germaniae van Heinrich Pantaleon. Bd. III. Basel, 1566, p. 291. 

Een mogelijk derde broer was Haymann Thamerus. Deze Haymann was de voorvader was van veel lutherse dominees in Duitsland (zie verderop). Haymann werd geboren in Merzenich, een dorpje tussen Keulen en Aken, weer ver van Straatsburg gelegen. Als geboortejaar wordt circa 1520 genoemd. Geboortejaar en geboorteplaats maken van deze Haymann natuurlijk de beste kandidaat om de vader van Henricus te zijn, als Henricus inderdaad in Merzenich geboren is. En misschien is er geen enkele verwantschap tussen Hayman en Sixtus en Theobaldus.

Curt Meischke en zijn opdrachtgever Horst Thamerus zien Haymann in 1901 wel als familie, maar als een generatie na Sixtus en Theobaldus. Dat lijkt me sterk gezien de mogelijke geboortedata. Ze menen ook, dat het niet duidelijk is of Theobaldus verwant is aan Sixtus Thamer. Maar dat is hij volgens mij wel. Meischke ziet niet in, dat Argentoratensis achter Sixtus’ naam ‘uit Straatsburg’ betekent (Argentoratum is de Romeinse naam voor Straatsburg). Die toevoeging staat in de jaarboeken met namenlijsten (het matrikel) van de universiteit van Frankfurt an der Oder achter Sixtus’ naam, in 1541, en, in ongeveer hetzelfde jaar, achter die van Theobaldus. Beiden hebben er ook nog eens de achternaam Thamerus. In het testament van Theobaldus staat overigens alleen een broer met de naam Wendel, en een aantal zusters. In deze genoemde oude genealogieën komt onze Henricus overigens niet voor[5].

Fig. 5: Philipp Melanchthon.

Resumerend. Onze Henricus behoort misschien maar misschien ook niet tot de Thamerus-familie waaruit veel theologen en dominees zijn voortgekomen. Als er een kandidaat-vader is, dan is dat Haymann Thamerus uit Merzenich, een broer van Sixtus en Theobaldus is. Echte bewijzen hiervoor ontbreken echter. Is Henricus Tabnerus die in 1572 in Wittenberg studeerde onze Henricus, dan was hij afkomstig uit een van de plaatsen met de naam Babenhausen. Die plaatsnaam kan (vooralsnog) niet verbonden worden met een van de anderen met de achternaam Thamerus (of een variant daarvan). Dat sluit natuurlijk niet uit, dat die relatie er wel is, maar de kans dat onze Henricus een nazaat is van Heinrich Thamer uit Landshut lijkt niet zo groot!

Gedoe in Friesland.

Alvast een update (9-8-2019). Henricus Thamerus laat voor 1591 wel degelijk iets van zich horen! We vinden een bijdrage van hem in een boek van 1580 over de grote overstromingen in (Oost-)Friesland in 1512, 1570 en 1577. Als Heinricus Thamerus beschrijft hij wat hij zag in 1570 als diaken in het graafschap Delmenhorst bij Bremen. (De Allerheiligenvloed van 1 november dat jaar zorgde voor misschien wel meer dan 20.000 doden in onze streken, inclusief Oost-Friesland. In Groningen en Friesland alleen vielen minstens 3000 doden (Wikipedia)). 

Marcus Wagner, Johannes Dinckel, Gerhard Howick, Andreas von Meyendorf, Heinrich Thamer, Einfeltige, kurtze, warhafftige, schreckliche, unerhörte Historiae von den dreyen Wasserfluten in Phriszlandt […]. Erfurt, Georg Baumann d. Ä., 1580.

Tot 1591 laat onze Henricus verder geen sporen na.  In 1591 duikt hij op als predikant in het Friese Joure. Hij was daar aangesteld door de grietman, Asse Obbes. En hij wist al gauw de woede van de gereformeerde classis van Sneek, waar Joure onder viel, te wekken. Die beschuldigde hem van openbare dronkenschap: hij zou drinken ‘als een soldaat’[6].

De gereformeerde kerk zal om twee fundamentelere redenen ontstemd zijn geweest: Thamerus was geen calvinist, en hij was niet aangesteld door een kerkenraad en vervolgens goedgekeurd door de classis.  Aanvankelijk was de reformatie een brede grassroots beweging van allerlei protestantse richtingen, waarin de calvinisten een minderheid van zo’n tien procent vormden[7]. Vanaf 1572 namen ze in de reformatie het voortouw. Ze waren het best georganiseerd, en kregen steeds meer autoriteiten achter zich. Andersdenkenden kregen het dringende advies ook calvinist te worden. Een poging in 1580 om staatskerk te worden, mislukte, maar dopen en trouwen moesten vanaf toen verplicht in een gereformeerde kerk plaatsvinden. Vanaf 1586 moest je de Nederlandse geloofsbelijdenis van de calvinist Guido de Brès ondertekenen, wilde je waar dan ook predikant worden.  Slechts een enkele oudgediende met andere opvattingen werd nog gedoogd. De Nederlandse reformatie was bijna geheel ‘gecalviniseerd’[8].

De calvinisten hadden zich georganiseerd in synodes en classes. De regionaal georganiseerde classes trokken de macht over plaatselijke geloofsgemeenschappen, vaak verenigd in kerkenraden, naar zich toe. Alleen met toestemming van een classis mocht voortaan een kerkenraad worden opgericht en mochten dominees worden benoemd[9]. Deze calvinisering en institutionalisering werden kennelijk niet zonder slag of stoot overal geaccepteerd.  Thamerus werd, zoals we zullen zien, tot twee keer toe benoemd door de grietman van Haskerland, een decennium later door de ambtsman van Overbetuwe en vervolgens door de verzamelde gelovigen van Genderen en Doeveren, in alle gevallen zonder overleg met laat staan toestemming van de betreffende classes. Die wilden dat niet over hun kant laten gaan. En dus botsten die classes of de scherpslijpers daarin enkele keren frontaal met de lutherse dominee Thamerus.

In Joure verloor Thamerus na de beschuldigingen door de classis zijn aanstelling, maar Obbes benoemde hem meteen tot dominee in Aldehaske-Haskerhorne. Ook daar ging het mis: op paasmaandag 1593 zou hij in een dronken bui schoolmeester Douwe Rinses voor verrader, dief, booswicht en tovenaar hebben uitgescholden. Nu liet ook Obbes hem vallen: weer werd hij ontslagen. In de lijsten dominees van beide plaatsen komt Thamerus niet voor: die beginnen met de eerste door de classis aangestelde predikanten[10]. Obbes legde zich kennelijk bij de nieuwe verhoudingen neer. In 1594 werd hij eerste ouderling te Joure[11].

Schoolmeester Rinses was overigens wel door de classis van Sneek aangesteld. Grote kans dus, dat hij voor die classis spioneerde en verkeerd geachte uitspraken van Thamerus rapporteerde, wat, al dan niet door drank verergerd, heel goed tot Thamerus’ woede-uitbarsting (‘verrader’) kan hebben geleid.  In 1600 werd Rinses tot dominee in Terkaple en Akmarijp benoemd[12].

Kerkhistorici in de war.

Wat maken moderne (kerk)historici van bovenstaande gebeurtenissen? Meiners noemt Thamerus een ‘wegens dronkenschap ontslagen Calvinistische predikant die zich voor Lutheraan uitgaf’. We weten dus, dat hij juist geen calvinist is, en hij verloor zijn baan vooral vanwege zijn uitbarsting tegen Rinses. Meiners, die weliswaar geen bronnen vermeldt, maar waarschijnlijk vooral Pont gebruikt, stelt dan, dat de benoeming van dronkenlap Thamerus in Amsterdam voor de plaatselijke gereformeerden reden was om lutherse diensten in Amsterdam te verbieden en dominee Fisscher gevangen te zetten. Dat lazen we niet bij Pont, en je vraagt je af, waarom ze dan niet dominee Thamerus in het cachot gooiden[13]. En Bergsma plaatst hem onder de niet-gestudeerde Duitsers of idioten die her en der tot dominee werden benoemd. Maar Thamerus was dus wel degelijk een universitair opgeleide dominee, alleen niet van calvinistische snit[14]. Hij kwam uit een familie van hoog opgeleide vooral theologisch geschoolde intellectuelen.

Van Deursen, die Pont als bron vermeldt, rekent hem tot de “predikanten van eigen creatie […], die zich min of meer als vrije ondernemers lijken te beschouwen”,  “avonturiers, die een paar weken of maanden in een dorpje gevestigd bleven, en zodra de vraag naar de wettigheid van hun dienst of de omvang van hun kundigheden actueel ging worden, zich schielijk uit de voeten maakten”[15].  Wat Thamerus’ tekortkomingen ook waren, hij was dus geen predikant van eigen creatie, geen vrije ondernemer, en hij maakte zich zeker niet na enkele weken of maanden schielijk uit de voeten, zoals we nog zullen zien.

Kees Vreeken meldt in 2009 over Henricus en andere ‘zwervende predikanten’, dat “hun kwaliteiten vaak zodanig te wensen over dat de classis hun adviseerde om een andere ‘staat des levens’ te zoeken om vrouw en kinderen te kunnen onderhouden”. Het waren immers “[f]iguren met “geringe gaven en ontwikkeling, van slechte of losse levenswandel, die elders niet beroepen worden en nu op deze wijze haar plaats proberen te komen”, onder meer doelend op de bij Melanchton in Wittenburg afgestudeerde Henricus[16].

Van Manen schrijft in 2001: “Geërgerd werd in de gereformeerde synodezittingen gereageerd op de overgang van de gereformeerde predikant naar de lutheranen. Toen de gereformeerde voorganger Henricus Thammerus luthers werd, waarschuwde de synode de drost van Heusden deze martinist te weren”. Tien jaar later stelt Van Manen eerst, dat hij als gereformeerde dominee tot de lutherse kerk was toegetreden, toen hij in 1595 in Amsterdam solliciteerde, maar verderop laat hij hem weer als gereformeerde dominee tot de lutherse kerk toetreden, in 1606. Vervolgens zou hij van remonstrantse gevoelens zijn geweest. Ook Van Manen noemt hem een ontslagen dronkenlap,  maar nu ook ontslagen vanwege “nog andere onverkwikkelijkheden”[17]. Vanwege dertig andere zonden, beweerde Van Deursen, zonder enige nadere onderbouwing.

Gedoogd in het Land van Heusden.

Waar komt dat jaar 1606 vandaan? In 1606 bespreekt de Zuid-Hollandse synode in Gorinchem Henricus, die zich in Eethen, een dorpje enkele kilometers ten westen van Genderen,  gevestigd heeft als dominee. De synode besluit de drost van Heusden te verzoeken  om hem weg te jagen, en als dat niet gebeurt, de Staten van Holland te benaderen. Deze martinist was immers, zo wordt gemeld, verschillende malen door de Gelderse synode besproken, en uiteindelijk uit de Overbetuwe verjaagd, nadat hij voor de derde keer was aangegeven bij het Hof van Holland[18].

De Gelderse synode had inderdaad in haar vergadering van juni 1598 vastgesteld, dat ene Hendricus Ammerus zich onwettig in Heteren had gevestigd, zonder getuigschriften uit Friesland waar hij vandaan zou komen, terwijl hij dagelijks ‘verloopt met dronckenschap ende andere lelicke sonden ende gebreecken’’. De synode eiste, dat hij onmiddellijk stopte met zijn werk en besloot een brief naar het Hof te zenden met het verzoek de ambtsman en de schout in Heteren op te dragen te voorkomen dat Thamerus vruchtgebruik heeft van de pastorie. Twee jaar later zit hij er nog steeds, ook al zou hij (volgens de synode) niet van de zuivere leer zijn, en bovendien onstichtelijk in zijn gedrag en onwettelijk als predikant[19].

Ambtsman, schout en kerkvolk hadden hem dus gewoon laten zitten, en dat zou zo blijven tot 1602[20]. Hij was overigens de eerste dominee in Heteren, zou daar begonnen zijn in 1598 en vertrokken in 1602. Deze aanstelling is niet uit de geschiedschrijving weggewist[21].

Bij de Gorkumse  classis kon hij een paar jaar later, in 1606, een vijf jaar oud getuigschrift van de burgerlijke autoriteiten van Heteren overleggen. Dat alles duidt toch niet op een altijd dronken dominee die ook allerlei andere zonden zou hebben begaan. Was de beschuldiging van dronkenschap en andere gebreken gebaseerd op het classisverslag uit Sneek? Lezen konden de verzamelde dominees natuurlijk heel goed.

De classis Gorinchem citeerde dus op haar beurt weer uit de verslagen van de Gelderse synode van 1598. Henricus werd er besproken, omdat hij in dat jaar als ‘predicant religiosis reformatae’ in Eethen aan de slag is gegaan, zonder haar voorkennis of advies. Maar men maakte zich vooral druk over het feit, dat hij in Heteren gezegd zou hebben, dat hij aangesteld was geweest in Woerden. En dat was dan een leugen, en die leugen werd niet geaccepteerd. Wat hiervan waar was, weten we niet. Was hij na Amsterdam in Woerden beland, waar de oudste lutherse gemeenschap in Holland was[22]? Hoe dan ook, sommige aantijgingen van de Gelderse synode ontkende Thamerus, terwijl hij door de classis van Gorinchem niet beschuldigd werd van dronkenschap of andere zonden.

Classisleden Dithmarus Bleskenius en Sebastianus Helt krijgen de opdracht om met Thamerus over zijn vertrek te gaan overleggen. Helt had overigens zes jaar eerder een financieel akkefietje met Thamerus gehad: hij zou nog een half jaar loon van hem tegoed hebben[23]. Kennelijk werd de soep uiteindelijk niet zo heet gegeten: de vergadering van 29 mei concludeerde, dat Thamerus het beste de ‘quade leere afstaat’, en hoopte, dat hij in een volgende vergadering van de classis wilde verschijnen, omdat er anders een procedure bij de synode zou moeten worden gestart. Op de vermeende leugen en andere onwaarheden komt men niet meer terug. In de vergadering van 31 juli wordt gemeld, dat Thamerus na een brief van de Staten van Holland uit Eethen is vertrokken, maar dat lijkt een vergissing te zijn. Hij zou in Genderen zijn neergestreken. Op de website van de hervormde kerk van Eethen en Drongelen staat echter vermeld, dat Thamerus daar tot 1610 predikant was, terwijl de website van de hervormde kerk van Genderen hem daar in 1606, komende van Eethen, als predikant laat beginnen, tot 1619 wanneer hij met emeritaat gaat[24]. Wellicht bediende hij al deze bij elkaar liggende dorpen.

Hoe het precies zat tussen 1606 en 1608 is niet duidelijk. De Staten van Holland vragen in augustus 1608 Henricus in Genderen te benoemen, omdat hij de gereformeerde geloofsbelijdenis inmiddels heeft ondertekend,  en zodat hij in zijn onderhoud kan voorzien. De classis wil dit aan de synode voorleggen, en besluit hem zo lang te tolereren, maar hem nog niet als lidmaat van de gereformeerde kerk toe te laten. Het lijkt, alsof ze van hem af willen, maar niet precies weten hoe, gezien de druk van de Staten van Holland en de gelovigen van Genderen en Doeveren. Die dorpjes (nog niet gescheiden door de Bergsche Maas) hadden sinds 1589 zonder predikant gezeten, toen de allereerste dominee (de voormalige pastoor) naar Asperen vertrok. Ze hadden Henricus gevraagd als hun dominee ‘vanwege zijn leerstellingen’, hadden geen kerkelijke of wereldlijke toestemming gevraagd, en betaalden hem dus uit eigen zak.  In 1610 vroegen ze de classis per brief of Henricus mocht blijven.

De classis besloot om aan een deel van het verzoek van de Staten van Holland tegemoet te komen door Henricus vanwege zijn leeftijd alimentatie (pensioen) te verlenen: ze zijn dan van hem af en Henricus kon in zijn onderhoud voorzien. Maar deze oplossing werd door de andere partijen kennelijk niet geaccepteerd: Henricus blijft dominee in Genderen, tot 1619. In de verslagen van de classis heet hij niet langer ‘loper’, maar gewoon predikant[25].

In Genderen leefde hij in grote armoede. Dominee Johannes de Greve, in 1606 tot dominee beroepen in Heteren en in 1610 te Heusden, bezocht hem daar enkele keren, en ontdekte, dat hij, hoewel hogelijk gewaardeerd door het kerkvolk en ‘neerstich’ studerend,  ‘seer armelick’ woonde. Hij woonde er met zijn bejaarde vrouw en kinderen in een kleine en rokerige aan de kerkmuur vastgemaakte hut, die eerder gediend had als verblijfsruimte van soldaten van de schans van Doeveren. Henricus moest bovendien ook zijn dochter, die met vijf kleine kinderen in Heusden woonde, onderhouden.  Dat was volgens De Greve onmogelijk met zijn traktement van hooguit 350 gulden, zo schrijft hij in 1613 in een brief aan de Gorinchemse classis[26].

Fig. 6: De hervormde kerk in Genderen.

Grevius tegenover Voetius: strijd in de kerk van Heusden.

Maar nog steeds leefden er onder leden van die classis grote bezwaren tegen Thamerus. Men vond nu, dat Thamerus zich alsnog moest verzoenen met de classis van Gelderland. Kwamen deze nieuwe bezwaren omdat hij een remonstrant zou zijn? Want inmiddels is een ander conflict de gereformeerde kerk gaan beheersen: dat tussen arminianen en gomarianen, de latere remonstranten en contraremonstranten. Arminius was dominee in Amsterdam, waar hij over vooral de predestinatie in botsing kwam met eerder genoemde Plancius. Later werd hij hoogleraar in Leiden, en daar kreeg hij het aan de stok met Gomarus.

In Heusden diende de al genoemde dominee Grevius  (Johannes de Greve), een echte arminiaan, die zich later zou onderscheiden als publicist tegen martelingen en heksenprocessen. In 1615 is er een vacature voor de tweede dominee. De Vlijmense dominee Gijsbert Voet (zijn grootvader was ooit burgemeester in Heusden) solliciteerde, maar Grevius wilde geen contra-remonstrant naast zich.

Fig. 7: Voorblad Tribunal reformatum van Grevius.

Voetius was een leerling van Gomarus en zou later, als hoogleraar in Utrecht, de gereformeerde orthodoxie verder uitwerken. Hij werd de woordvoerder van de Nadere Reformatie. Hij zette zich scherp af tegen Descartes en Spinoza, en verwierp de bevindingen van Copernicus, omdat de zon wel degelijk om de aarde zou draaien. Voetius zag ook overal de werkzaamheid van de duivel, en verzette zich tegen het afschaffen van de heksenvervolging.

Fig. 8: Gisbertus Voetius (1589-1676). Postzegel uit 1936, ontw. Pyke Koch.

In Heusden vocht hij zijn eerste grote conflict uit, en wel met Grevius. Die trok zo hard van leer tegen de contra-remonstranten, dat zelfs prins Maurits, Van Oldenbarnevelt en Hugo de Groot zich met hem en Heusden gingen bemoeien. De strijd tussen remonstranten en contra-remonstranten was dan ook sterk gepolitiseerd. Maurits steunde de laatsten, terwijl de Staten van Holland en Van Oldenbarnevelt en De Groot  op de hand van de arminianen waren. Op 24 mei 1617 werd  Voetius toch benoemd. Bij zijn eerste preek in een stampvolle kerk ontstond een rel, toen de gouverneur hem het preken wilde beletten. De drost weigerde echter op te treden. De gouverneur haalde er een luitenant bij, maar Voetius preekte door. De Staten van Holland verwierpen later Voetius’ klachten tegen de gang van zaken, maar grepen niet in.

Al snel, op 15 oktober dat jaar, liep het conflict tussen Grevius en Voetius nog verder uit de hand. Grevius was, zoals wel vaker, afwezig, maar liet zich vervangen door de inmiddels stokoude Henricus Thamerus. Voetius had inmiddels de kerkenraad achter zich gekregen. Voetius en kerkenraad constateerden, dat Thamerus zeer ’ontstichtelijk’ had gepreekt: hij belasterde de ‘perseverantie der Heiligen’ omdat het  ‘een oude ketterie der Valentianen’ zou zijn en hij probeerde ‘de zekerheid der zaligheid’ (de predestinatie) te weerleggen. Ook eindigde hij zijn preek zonder gezang! Hij was voor Voetius dus een arminiaan, die zich ook nog eens niet aan de voorgeschreven liturgie hield. De kerkenraad vroeg dan ook aan de classis deze broeder voortaan te weren[27].

Valentianen waren overigens een christelijke sekte uit de tweede eeuw, volgelingen van de omstreeks het jaar 100 in Alexandrië geboren Valentinus. Die legde de grondslag voor de predestinatieleer: een kleine groep uitverkorenen (het ‘Uitgelezen Zaad’) zou volgens hem zalig worden, niet vanwege hun gedrag of door goed onderwijs, maar omdat zij van nature geestelijk zijn en daarom op voorhand uitgekozen. Genade kon je hoe dan ook niet verliezen en uitverkorene bleef je (de perseverantie van de heiligen)[28]. Henricus viel via Valentinus dus de calvinistische leer van Voetius en de andere contraremonstranten aan.

Fig. 9: Voetius.

De Acte van Stilstand.

In augustus 1618 greep prins Maurits eindelijk de macht. Van Oldenbarnevelt en De Groot werden eind die maand gevangen gezet. De Staten van Holland en Westvriesland werden gezuiverd van arminiaanse tegenstanders en stonden niet langer tegenover de  Zuid-Hollandse synode. Staten en synode besloten samen, dat Henricus eigenlijk geen wettelijk gereformeerd dominee was en dus voortaan geen kerkdiensten meer mocht leiden. Ook al had hij dan de geloofsartikelen ondertekend, hij was uiteindelijk toch niet toegelaten tot de classis. Voetius en de andere contraremonstranten hadden de strijd gewonnen[29].  Maar het respect voor Henricus Thamerus was kennelijk groot: hij mocht tot mei 1619 in zijn huisje blijven wonen en behield tot dan ook zijn traktement, als hij zich ten minste stichtelijk en eerlijk zou blijven gedragen. De classis beloofde om ook een pensioen te regelen.

Gisbertus Voetius (nr. 60) op de Synode van Dordrecht.

Tijdens de Dordtse synode van 1619, waar Plancius een belangrijke rol speelde, tekende dominee Johannes Cloppenburg in naam van Henricus Thamerus,  predikant te Doeveren en Genderen, en te verzwakt om te reizen, de Acte van Stilstand: ook op grond daarvan moest hij stoppen met preken (wie niet tekende, was een remonstrant en werd verbannen). Henricus was toen 79 jaar[30]. Voetius’ tegenstrever dominee Grevius verdween in het Amsterdamse Rasphuis, waaruit hij in 1621 wist te ontsnappen, geholpen door dominee Sapma, die al eerder vermomd in vrouwenkleren uit het Rasphuis was ontsnapt.  Henricus  werd verder met rust gelaten.

Fig. 10: Dominee Sapma ontsnapt uit het Rasphuis.

Hij verhuisde uiteindelijk naar Heusden en leefde daar nog enige jaren van zijn pensioen. Zijn precieze sterfdatum is onbekend. In mei 1623 is er sprake van zijn weduwe, Marijcken Gerarts van den Bosch. Zij vertrok na Henricus’ overlijden uit Heusden. Voetius, dominee te Heusden en bevrijd van remonstrantse oproerkraaiers, meldde over de laatste jaren van Henricus Thamerus, dat hij ijverig de kerkdiensten bezocht, stichtelijk leefde, belijdenis deed bij het avondmaal en uiteindelijk steeds verder verzwakte tot hij, nog steeds goed bij het verstand, overleed. Dat moet dus ongeveer 1622 zijn geweest, toen Henricus ongeveer 82 jaar oud was.

Tot slot.

We weten veel over Henricus Thamerus, omdat hij zo vaak besproken werd in de verschillende classes van de gereformeerde kerk. Dat zijn in dit verband natuurlijk eenzijdige bronnen. Eén keer komt hij zelf aan het woord, als hij in Amsterdam solliciteert en zich een door de Friese calvinisten weggejaagde lutherse dominee noemt. Hadden historici dat als uitgangspunt genomen, ook andere bronnen geraadpleegd en iets meer eigen onderzoek gedaan, dan hadden ze een heel andere Thamerus ontdekt. Natuurlijk helpt het, als je, zoals ik, obscure oude boeken via internet kan raadplegen. Maar in het in veel bibliotheken aanwezige standaardwerk over de geschiedenis van de Nederlands hervormde kerk van Annaeus Ypey kon men lezen, dat de gelovigen in Doeveren en Genderen Henricus vanwege zijn leerstellingen zo waardeerden, dat ze hem uit eigen zak betaalden. Ook had men daar kunnen lezen, dat het ging om een echte leerling van Melanchton, “in de theologische wetenschappen wel geoefend”, zo bekend om zijn ‘braafheid’, dat hij van de Staten na het tekenen van de akte van stilstand een jaarlijks pensioen kreeg[31].

Juist voor kerkhistorici lijkt hij mij een zeer belangwekkend figuur: zijn wederwaardigheden illustreren heel goed de richtingenstrijd in de vroege reformatie en wat die strijd op lokaal niveau betekende.

Fig. 11: Het zwaard van Maurits aan de kant van Gomarus geeft de doorslag. Met een gedicht van Vondel.

—————————————————————————————————————-

VARIA

Een aanvulling uit juli 2017, om nog maar eens te onderbouwen dat Thamerus geen ‘niet-gestudeerde Duitsers of idioot’ was, maar uit een belangrijke Duitse familie van theologen en dominees stamde.

In Duitsland leverde het Thamerusgeslacht vele lutherse dominees. Zo was er een in Saksen zo hoog geachte predikantenfamilie Thamerus, gesticht door de achterneef van onze Henricus, de in 1719 als ‘Oberhofprediger’ en ‘Generalsuperinterdent’ gestorven Johann Heinrich Thamerus. Zijn zoon en zijn kleinzoon werden ook dominee[32].

Van Johannes Henricus bestaat een portret, vervaardigd in opdracht van zijn schoonzoon, de hofpredikant Carl Friedrich Dietzel, en gemaakte door de gerenommeerde Duitse tekenaar en graveur Christian Romstet.

Fig. 12: Johann Heinrich Thamerus. Portret van Christian Romstet.

Vanaf 1662 predikte hij in Maastricht bij de verboden evangelisch-lutherse gemeente, eerst enkele keren per jaar, later elke zondag. In 1679 konden de lutheranen in Maastricht eindelijk, in een eigen onopvallende kerk, bijeenkomen. In 1684 werd daartoe de lutherse of Duitse kerk ingewijd, door Johann Heinrich Thamerus. Pas in 2013 werd deze kerk gesloten.

De vader van Johann Heinrich was echter ook al dominee, Johannes Thamerus, dominee in het hertogdom Jülich en super-intendant van het hertogdom Berg. Deze stierf op 13 november 1690 op 74 jarige leeftijd in Burscheid, nadat hij 55 jaar predikant was geweest.

Fig. 13: Wapen van Johannes Thamerus en zijn vrouw Margaretha Becker.

Grootvader Johann Wilhelm Thamerus was predikant vanaf 1614 in Witzhelden, tot 1631, toen hij stierf aan de pest: zie hier. Diens vader Wilhelm Thamerus, zoon van Haymann,  was van oorsprong franciscaner monnik. Hij werd hofprediker van hertog Johann van Jülich in Heimbach, en werd in 1598 pastoor in Burg aan de Wupper. Vervolgens werd hij gereformeerd, maar in 1605 trad hij toe tot de lutheranen. In 1613 werd hij superintendent van de lutherse kerk in het hertogdom Berg, waarvan Düsseldorf de hoofdstad was. In 1621 overleed hij in Burg. In diezelfde tijd was onze Henricus dus ook dominee, zo’n 160 kilometer verderop, minder ver dan Joure.

Aan moederszijde was grootvader Melchior Becker die ook een indrukwekkende kerkelijke carrière maakte. Hij was uiteindelijk dominee van de hoofdkerk in Lippstadt, van 1624 tot 1641. Grootmoeder was Clara auf der Trappen, stammend uit een burgemeestersfamilie te Lennep[33].

Fig. 14: Het familiewapen van de familie Thamerus. Thamar is Hebreeuws voor palmboom.

 

Pantaleon, Heinrich

Prosopographia heroum atque illustrium virorum totius Germaniae

Opus plane novum et iucundissimum, ex omnium fere gentium chronicis, annalibus, & historiis magna diligentia excerptum, & vivis heroum imaginibus (quantum fieri potuit) p0ßim illustratum, ac nunc primum ob patriae decorem in lucem editum, ita quod instar continua historiae germanorum esse queat. Authore Heinrico Pantaleone, physico Basieliensi

BrylingeriBasileae1565

 

Eugen Becker, Beiträge zur Geschichte der Familie Becker. Düsseldorf: Lintz, 1898. Het afgebeelde wapen op blz. IV.

 

 

Fig. 15: Evangelische kerk Dr. Farský uit 1892 in Jablonec nad Nisou (Gablonz an der Neiße) in Tsjechië, ontworpen door Arwed Thamerus.

Heinrich had ook volgens deze bron: https://books.google.nl/books/about/The_Tamerus_Family_and_Their_Descendents.html?id=1WahngEACAAJ&redir_esc=y  zes kinderen. Boek:  Furman A. Demaris, The Tamerus Family and Their DescendentsA Record of the Family of Heinrich Thamer from 1449 to Present. Gateway Press, 2004. Ik heb het niet in handen gehad.

.

 

 

© Theo Kentie, augustus 2017.

Toevoeging mogelijke broer en zusters van Theobaldus op 2-2-2018.

 

 

 

 

 

 

[1] J.W. Pont, Geschiedenis van het Lutheranisme in de Nederlanden tot 1618. Haarlem: De Erven Bohn, 1911. Deel 17 van de nieuwe serie van de Verhandelingen rakende den natuurlijken en geopenbaarden godsdienst. P. 452-459.

[2] K. van Berghem, De Dordtse Synode 1618 – 1619. Uitgebreid komt Hoofts twee keer uitgesproken toespraak aan de orde in Carl Bangs, Arminius; a study in the Dutch reformation. Nashville & New York: Abingdon Press, 1971. P. 161-165.

[3] A.J. van der Aa, Biographisch woordenboek der Nederlanden[….]. Deel 18. Haarlem: J.J. van Brederode, 1874. P. 14.

[4] A.J. van der Aa, Biographisch woordenboek der Nederlanden[….]. Deel 11. Haarlem: J.J. van Brederode, 1865. P. 435-436.

[5] Curt Meischke, Beiträge zur Geschichte der Familie Thamerus. Herausg. von Horst Thamerus. Pirna: F.J. Eberlein, 1901.  Na de publicatie van dit boekje vraagt Horst in het blad van de genealogische vereniging Roland uit 1905 om meer informatie over de familie Thamerus. Een antwoord van een niet-lid wijst hem op Henricus Thamerus, predikant te Doeveren en Genderen in 1619: https://archive.org/stream/archivfurstammun05rheu/archivfurstammun05rheu_djvu.txt

Zie bij voorbeeld ook: August Neander, Theobald Thamer; der Repräsentant und Vorgänger moderner Geistesrichtung in dem Reformationszeitalter. Eine historische Monografie. Berlin: C.G. Lüderitz, 1842. Otto Opper, Theobald Thamer (1502-1569). Sein Leben u. seine religiöse Gedankenwelt. Dissertation. Dresden: M. Dittert & Co, 1941. In noot 4 van p. 1 over mogelijke familie.  Zie ook: https://www.deutsche-biographie.de/gnd118621599.html#adbcontent.

Dr. J. C. Hermann Weissenborn [ed.], Acten der Erfurter Universitaet, I. Teil. Daarin: 3. Allgemeine Studentenmatrikel, erste Hälfte (1392-1492), Halle: Otto Hendel, 1881. Op. p. 324 (1467) wordt Heinricus Thamer uit Lancshud vermeld. Op 8 november 1469 studeert hij bij Heinrich Reusz von Plawen af (baccalariandi Mychaelis, p. 334). Hij staat vermeld als Hinricus Themer uit Lanshut.

Dr. Ernst Friedländer (Hrsg.), Dr. Georg Liebe und Dr. Emil Thenner: Ältere Universitätsmatrikeln. I. Universität Frankfurt a. O., Erster Band (1506-1648), S. Hirzel, Leipzig 1887. P. 83 en 85.

In het matrikel van de universiteit van Wittenberg komen we op p. 158 ‘Theobaldus Damerus Strasburgen’ tegen, in het jaar 1535. In 1541, op p. 191 stond ingeschreven ‘Theobaldus Theodoricus Argentinensis’. Dat is natuurlijk nogmaals onze Theobaldus, die in dat jaar in Wittenberg promoveerde: 
Förstemann, Karl Eduard (ed.), Album Academiae Vitebergensis: 1502-1602. Lipsia [Leipzig]: Carl Tauchnitz, 1841. Dit is deel 1. 

[Universität Erfurt], Acten der Erfurter Universitaet. Vol. 2. Erfurt, 1884. P. 349.

Album Academiae Vitebergensis: 1502-1602. Volumen secundum. Halis [Halle]: Maximilianus Niemeyer, 1894. Op p. 217 vinden we Henricus Tabnerus.

David A. Pol (http://www.genealogy.com/ftm/p/o/l/David-A-Pol/GENE3-0001.html) suggereert, dat Theobaldus de vader van Henricus kan zijn geweest.

Bij de matrikel van de universiteit van Leipzig hoort een plaatsnamenregister. Daarin vinden we de verbogen plaatsnaam Pabenhausensis en Pabenhusanus, afkomstig uit Pabenhausen. Met Pabenhausen wordt Babenhausen bedoeld. Georg Eller (ed.), Die iüngere Matrikel der Universität Leipzig; 1559-1809. Vol. I. Leipzig: Giesecke & Devrient, 1909. P. 539 en 649.

In Heinricus Pantalion, Prosopographia heroum atque illustrium virorum totius Germaniae. Basel: Nicolaus Brylingerus, 1565,  staat op blz. 291 een afbeelding van Theobaldus Thamerus.

[6] Lodewijk Born, ‘Van klokluiders tot domineeskluis’. In: Friesch Dagblad, 19-6-2007.

[7] Wiebe Bergsma,  Tussen Gideonsbende en publieke kerk; een studie over het gereformeerd protestantisme in Friesland, 1580-1650. Hilversum-Leeuwarden: Verloren, 1999. P. 13-24

[8] A. Th. van Deursen,  Bavianen en slijkgeuzen; kerk en kerkvolk ten tijde van Maurits en Oldenbarnevelt.  3e druk. Franeker: Van Wijnen, 1998 (1974). P. 1-5.

[9] Van Deursen (1998), p. 5-7.

[10] T.A. Romein, Naamlijst der predikanten sedert de hervorming tot nu toe, in de hervormde gemeenten van Friesland. Tweede gedeelte. Uitg. door Het Friesch genootschap voor geschied-, oudheid- en taalkunde. Leeuwarden: A. Meijer, 1888. De eerste dominee in Joure is, in 1593, Jodias Eytering. In Haskerhorne zou in 1602 Johannes Schotanus de eerste zijn.

[11] A.J. van der Aa, Biografisch woordenboek der Nederlanden. [….]. 14e deel. Haarlem: J.J. van Brederode, 1867. P. 1.

[12] Romein (1888), p. 626. Hij werd in 1600 beroepen.

[13] In: Happee, J.; Meiners, J.L.J.; Mostert, M. (red.), De Lutheranen in Amsterdam (1588-1988); gedenkboek ter gelegenheid van 400 Jaar Evangelisch-Lutherse Gemeente te Amsterdam. Hilversum: Uitgeverij Verloren, 1988. P. 19.

[14] Bergsma (1999), p. 182.

[15]  A. Th. van Deursen,  Bavianen en slijkgeuzen; kerk en kerkvolk ten tijde van Maurits en Oldenbarnevelt.  3e druk. Franeker: Van Wijnen, 1998 (1974). P. 9-10.

[16]  Kees Vreeken, De classis Gorinchem na ‘Dordt’; ontwikkeling en consolidatie van de classis Gorinchem in de periode 1618-1650. Scriptie RUU. Augustus 2009. P. 27.

[17] K.G. van Manen, Verboden en getolereerd; een onderzoek naar lutheranen, lutheranisme en lutherse gemeentevorming in Gelderland ten tijde van de Republiek. Hilversum: Verloren, 2001. P. 44.  K.G. van Manen (red.)., Lutheranen in de Lage Landen; geschiedenis van een godsdienstige minderheid. Zoetermeer: Boekencentrum, 2011. P. 112, 203.

[18] Acta synodi particularis van Suydthollandt, Gorinchem, 8 augustus 1606. P. 251.

[19] Gelders archief. Missives van het Hof van Gelre, nrs. 11611, 11612, 11648 (alle uit 1600).

[20] http://www.dominees.nl/search.php?srt=g&id=11495.

[21] http://www.dominees.nl/search.php?srt=g&id=11495.

[22] J. Haitsma, De geschiedenis van de oudste Evangelisch-Lutherse gemeente in Nederlan. Woerden: Stichting Stichts-Hollandse Bijdragen, 1999. Stichts-Hollandse bijdragen, 29.

[23] Gelders archief. 11615 Missive van het Hof aan den ambtman van Overbetuwe met last om bij de liquidatie rekening te houden met de vordering van Sebastianus Helt, die van Thammerus een half jaar loon tegoed beweert te hebben.

[24] http://www.kerkingenderen.nl/nh/index.php/2012-06-08-10-24-54/geschiedenis-van-genderen-in-het-kort; http://www.hervormdeethendrongelen.nl/index.php?option=com_content&view=article&id=65&Itemid=87. Waarschijnlijk gebaseerd op Martinus Soermans, Kerkelijk register van de plaatsen en namen der predikanten van alle de classes, gehorende onder de synodus van Zuyd-Holland, van ’t begin der reformatie, tot nu toe. 2e verbeterde en vermeerderde druk. Haarlem: Wilhelmus van Kessel, 1702. P. 101.

[25] Annaeus Ypey en Isaac Johannes Dermout,  Geschiedenis der Nederlandsche hervormde kerk, Volume 2. Breda: W. van Bergen en Comp., 1822. P. 124, 125.

[26] Brief aan de classis van Gorinchem van 18 augustus 1613, opgenomen als bijlage LXXXVII in A.C. Duker, Gisbertus Voetius. Eerste deel. Leiden: E.J. Brill, 1897. P. LXXXIII.

[27] 1617 VIII classis Gorinchem, 30 oktober.  Zie hierover ook: A.C. Duker, (1897), p. 231.

[28] Thomas Moore en Franciscus Johannes Hoppenbrouwers, Reizen eens Ierschen edelmans om eene godsdienst te zoeken. ’s-Gravenhage: Van Langenhuysen, 1835. P. 233.

[29] Zie Duker (1897), p. 231 en bijlage LXXXVII op blz. LXXXIII.

[30] ‘Synodale handelingen van Zuid-Holland in de zaak en leer der remonstranten, artikel 54’. In: N.C. Kist en H.J. Royaards (ed.),  Archief voor kerkelijke geschiedenis, inzonderheid van Nederland. Leiden: S. & J. Luchtmans, 1837. Volume 7. P. 56.

[31] Annaeus Ypey, Geschiedenis der Nederlandsche hervormde kerk. Vol. 2. W. van Bergen en comp., 1822. P. 124-125.

[32]  Christian Friedrich Möller, Denkwürdigkeiten aus der geschichte sächsischer prediger. C. Hahn, 1820. Blz. 129 en 130.

Zie ook: Bernhard Koerner (ed.), Genealogisches Handbuch bürgerlicher Familien.  Sechszehnter Band. Görlitz: C.A. Starcke, 1910. Vanaf p. 524:  Thamerus I, aus Merzenich im Rheinland.

[33]  Johann Werner Krauß, Antiquitates et memorabilia historiae Franconiae; […]. Hanisch, 1753. P. 239-240.

 

 

Er is een lied over de gevangenschap van Grevius.

Op de Verlossinge van Samuel de Prince, ende Johannes Grevius.
Wijse: Weest verheugt al ghy oprechte. Psa. 33.

Houd goede moet, al gy oprechten,
Gods Majesteyt komt ons te baet
Die Grev’ en Prins, die trouwe knechten,
Uut t’Amsterdamsche Tuchthuys laet.
Contra-remonstranten,
Vangt gheen Predicanten.
Godt is u party (*1).
U tyranniseren
Sal hy u verleren,
En ons blijven by.

(*1): tegenstander

Uit: Bly-lieden 1621.

Voorouders II: conventikels en beroeringen in de Alblasserwaard.

Nog in ontwikkeling.

Tot circa 1700 komen al mijn voorouders (256 zijn er tot zeven generaties terug bekend) uit een beperkt gebied, meestal kleine dorpjes nooit verder dan 70 kilometer van Dordrecht. Er zijn twee uitzonderingen. Eén voorvader komt uit Pruisen (zie elders), en één uit Aalten. Daar in de Achterhoek wordt in 1753 Willem Lohuis (of Loos) geboren. Hij trouwt in 1787 in Bleskensgraaf met Grietje de Wit. Aalten is ver weg van Bleskensgraaf, enkele dagen reizen in de 18e eeuw, maar is het in één opzicht niet: én Aalten én Bleskensgraaf maken deel uit van de tientallen plaatsen waarin halverwege de 18e eeuw befaamd geworden religieuze ‘beroeringen’ plaatsvonden: grote groepen gelovigen kregen vooral tijdens kerkdiensten allerlei lichamelijke verschijnselen: spasmen, flauwvallen, visioenen. Mensen begonnen spontaan te huilen, zingen en te roepen, vaak dwars door de dominee heen. Die golf van beroeringen begon met ‘het ruisen als de Libanon’ in Nijkerk in 1749, verspreidde zich over tientallen plaatsen in ons land en het Duitse grensgebied, vooral binnen de gereformeerde (later: hervormde) kerk en duurde tot 1752.

Omdat deze calvinistische kerk eerder noch later met vergelijkbare verschijnselen te maken had, lijken de gebeurtenissen buitengewoon merkwaardig. Maar misschien is het niet meer voorkomen van vergelijkbare manieren van geloofsuitingen binnen de Nederlandse protestantse kerken veel merkwaardiger. Want in veel geloofsgemeenschappen waren en zijn vergelijkbare extatische geloofsuitingen niet ongewoon. Denk bij voorbeeld aan Afro-Amerikaanse en blanke kerkgenootschappen in Amerika.

De achttiende-eeuwse beroerten lijken zich vooral af te spelen in de tegenwoordige bible belt, en sommige onderzoekers zien dan ook een direct verband. Maar ook in plaatsen waar de gereformeerde bevindelijkheid geen wortel schoot, deden de verschijnselen zich voor. Anderzijds zijn er wel verbanden met de zogenaamde Nadere Reformatie en de conventikels, religieuze bijeenkomsten in de gereformeerde kerk. Met deze conventikels zijn tenminste twee van mijn voorouders verbonden.

Conventikels waren ontstaan tijdens de Nadere Reformatie in de 17e eeuw, de Nederlands-calvinistische vorm van het piëtisme. Gelijkgezinde vromen, meestal uit de eenvoudige klassen, kwamen in huiskamerbijeenkomsten bijeen om het geloof te belijden én om zich te onderscheiden van kerkgenoten met een minder doorleefd geloof. De gereformeerde kerk was immers de staatskerk: bijna de hele elite was gereformeerd, maar daar waren in de ogen van de vromen veel opportunisten onder, die het ware geloof misten.  Middels catechisatie, zwarte kleding, bijbels taalgebruik (de zogenaamde tale Kanaäns, een eigenaardig jargon, gebaseerd op het taalgebruik uit de Statenvertaling en letterlijk vertaalde Hebreeuwse uitdrukkingen) en andere uitingen probeerden de ‘ware gelovigen’ zich van hen die alleen in schijn gereformeerd waren, de naamchristenen, te onderscheiden.  De deelnemers gingen zich zien als enige ware wedergeboren gelovigen, de echte ‘kinderen van Jezus’. De fijnen, volgens de buitenwacht.

De officiële kerk was blij met al die gelovigheid zolang de arme gelovigen maar leerden wat ze als gewillige burgers moesten leren, maar in veel conventikels ging men ook zittende predikanten en de reguliere geloofspraktijk bekritiseren, en daarmee het staatsgezag.  Men bedacht er eigen verklaringen voor Bijbelteksten, zong psalmen, collecteerde geld bij elkaar. Dit alles gebeurde onder leiding van een zogenaamde oefenaar. Dat was soms de dorpsmeester, of een ziekentrooster, een kerkenraadslid of  de eigen of een rondtrekkende predikant, of een proponent. Ook vrouwen waren soms oefenaar. Veel conventikels gingen op gewone kerkdiensten lijken, en sommige bezoekers gingen de officiële diensten mijden.

Ook in Bleskensgraaf vonden in huiskamers conventikels plaats, in de eerste helft van de achttiende eeuw onder meer geleid door Ary van der Waal en Dirck den Toom, beiden voorouders van mij. Een nakomeling van Ary trouwt met de dochter van eerder genoemde Willem Lohuis uit Aalten. De dochter van dit echtpaar, Egbertje,  huwt een nazaat van Dirck den Toom. En dat werden dan weer de grootouders van mijn opa Mostert.

Naar de bijeenkomsten van Ary van der Waal kwamen steeds meer mensen, soms honderden, van heinde en verre. In 1717 probeerde de kerkenraad zo’n bijeenkomst tevergeefs te voorkomen.

De Zuid-Hollandse Synode van 1669 had al geprobeerd het conventikelgebeuren te reguleren, maar dat was niet goed gelukt. Verschillende ‘oproerkraaiers’ trokken van dorp naar dorp en bekritiseerden in woord en geschrift de officiële gereformeerde kerk. Vooral in de Alblasserwaard was de weerklank groot.

Maar er kwam ook verzet tegen al die ‘fijmelachtige dweperijen’ van zwaar gereformeerde voorgangers, waaronder bij voorbeeld Gerard van Schuylenborg, die vanaf 1711 voorganger in Molenaarsgraaf was en die vond dat alleen echte ‘wedergeborenen’ het Gebed des Heren mochten uitspreken. Zijn schoolmeester weigerde om die reden de kinderen het ‘Onze Vader te leren’: die waren nog niet zo ver. Van Schuylenborg werd onder toezicht geplaatst en vertrok in 1716 naar Tienhoven. Genoemde schoolmeester Van Es zag zijn kansen en begon extra bijeenkomsten naast de kerkdiensten te organiseren. Steeds meer oproerkraaiers gingen de officiële kerk uitdagen. Zo ook voorouder Den Toom. Die organiseerde tot woede van de dominee conventikels die sterk op kerkdiensten leken. Bezoekers ervan bleven bij de gewone diensten weg. Hij begon en eindigde met een soort zegen en collecteerde zelfs. De kerkenraad ging jacht maken op deze illegale bijeenkomsten, bij voorbeeld in het bij Bleskensgraaf gelegen Hofwegen. De groep gelovigen week daarom uit naar een woning van iemand die geen lidmaat was. Vast en zeker via deze conventikels werden de ‘beroerten’ die al in Duitsland, Frankrijk, Schotland en Nieuw-Engeland plaats hadden gevonden, bekend. In Amerika staan ze bekend als de First Great Awakening, waarin veel Afrikaanse slaven zich voor het eerst en vrijwillig tot het christendom bekeerden.

Spotprent van William Hogarth,  gericht tegen de opwekkingsprediking van John Wesley en George Whitefield. ‘Ervaarbaar’ geloven stelt Hogarth gelijk aan heksenwaan, niet-christelijke religies en seksuele uitspattingen. Achter de lessenaar een jood, achter het raam een Moor.

In Nijkerk begonnen in onze streken de ‘beroerten’ of ‘beroeringen’ in 1749. Daar gingen halverwege november gelovigen tijdens kerkdiensten van de nieuwe dominee Gerardus Kuypers soms dwars door de preek heen roepen, zingen, huilen. Sommigen kregen stuiptrekkingen of vielen flauw. Ze beweerden daarbij, dat ze bevangen waren door ‘het ware geloof’. Al gauw werden deze beroeringen bekend in den lande: van heinde en verre trokken gelovigen naar Nijkerk om het zelf te zien of om ook bevangen te raken. Kwamen daar mijn  Bleskensgraafse en Aaltense voorouders elkaar tegen?

 

Deze afbeelding met als origineel onderschrift ‘Beroering onder den godsdienst te Nieuwkerk’ komt uit een geschiedenisboek uit 1780.

Door het ‘Nieuwkerkse werk’ was Nijkerk dus even het centrum van gereformeerd reli-toerisme. Vanuit Nijkerk verspreidden rondtrekkende predikers deze nieuwe vorm van religieus beleven naar dorpen en stadjes. In sommige plaatsen ontlokte de vaste dominee zelf de beroeringen. In Aalten was dat in 1750 het geval met predikant Philippus de Roy. In 1751 volgde Werkendam en in 1752 stond de Alblasserwaard op zijn kop, eerst in Hardinxveld en in Giessendam, daarna in Sliedrecht en Papendrecht en in Giessen-Nieuwkerk. In maart begonnen de beroerten in Bleskensgraaf, gevolgd door Molenaarsgraaf, Oud-Alblas, Alblasserdam en Streefkerk, bijna allemaal dorpen waarvandaan heel wat voorouders van mij komen!

In Bleskensgraaf waren op 2 maart 1752 de kinderen op de dorpsschool heel opvallend gaan huilen vanwege hun zonden. Ze riepen ernstig en krachtig om de Goddelijke verlossing. Al gauw gingen de dorpsbewoners met eigen ogen dit verschijnsel bekijken en ook zij raakten in staat van beroerte vanwege hun eigen ‘verloren staat’. Op zondagavond 5 maart werden de conventikels  massaal bezocht door mensen die rouwklaagden, baden en huilden vanwege hun zondige leven. De week daarop kregen tijdens de reguliere kerkdienst verschillende mensen allerlei ‘lichaamsaandoeningen’, zoals verhevigde polsslag, blozen, en gevoelloosheid voor externe prikkels. Men wrong de handen, viel op de grond, had zware stuiptrekkingen. Bij de een waren de verschijnselen zwaarder dan bij de ander, en de waarlijk bekeerden kregen ook visioenen, bij voorbeeld van Jezus als geslacht lam.

Hoe lang Bleskensgraaf in de ban van de beroeringen was, is onbekend: bronnen zijn uiterst schaars. Meestal duurde een en ander een jaar. Omstreeks 1753 begonnen verschillende kerksynodes en wereldlijke overheden maatregelen te treffen. Wat andersgelovigen uitvraten tijdens hun kerkdiensten, maakte niet uit, maar in de gereformeerde staatskerk waren niet gereguleerde geloofsuitingen door het gewone volk ongewenst. Ze werden gezien als bedreigend voor de openbare orde: het is hier geen smouzenkerk, foeterde invloedrijk Leids hoogleraar Van den Honert. De stadhouder Willem IV zag het gevaar en organiseerde een tegenbeweging. Gewestelijke vergaderingen en provinciale synodes bogen zich erover. In verschillende gewesten kon je daardoor voortaan, als je de kerkdienst verstoorde, door het burgerlijk gezag gearresteerd en door het kerkelijk gezag uit de geloofsgemeenschap verbannen worden. Het hielp: gereformeerd Nederland zou niet meer door gekte worden bevangen.

Er is betrekkelijk veel over deze beroeringen gepubliceerd. Er is om te beginnen onder historici veel discussie over mogelijke verklaringen. Zo zou er een biochemische oorzaak kunnen zijn! Het moederkoren zou voor al die gekte hebben gezorgd: dat moederkoren heeft geestverruimende stoffen in zich, die lijken op LSD en die tot spasmen en visioenen kunnen leiden.

Ook werd er door tijdgenoten veel, meestal negatief over geschreven. Er brak bij voorbeeld een ware pamflettenoorlog los onder dominees en hoogleraren. En er zijn enkele egodocumenten bewaard gebleven van piëtisten, ook van vrouwen.

De gebeurtenissen lijken bovendien iets te zeggen over de ontwikkeling van de staatsmacht en de greep van de overheid op het geestelijk leven van haar onderdanen. Tot slot stonden bij alle gebeurtenissen vooral mensen centraal die weinig sporen in de geschiedenis hebben achtergelaten: arme boeren en arbeiders in dorpen en stadjes aan de periferie van de Republiek. Bijna al mijn voorouders komen uit de getroffen gebieden, en vaak ook uit de dorpen waarin de beroerten plaatsvonden, nu vooral te vinden in onze bible belt.

Voorouder Willem Lohuis wordt net na de beroeringen geboren, en er is geen reden om een direct verband te veronderstellen. Misschien echter ontmoetten zijn ouders en die van Grietje de Wit elkaar wel als reli-toeristen in Nijkerk. Want de geschiedenis van deze korte en heftige periode in het Nederlandse protestantisme maakt wel duidelijk, dat er niet of nauwelijks geboekstaafde contacten bestonden tussen geloofsgemeenschappen van straatarme plattelandsgemeentes, en niet alleen via de formele contacten van hun officiële voorgangers.

.

Voorouders I: de Bernhard-tak

Hier wordt nog gewerkt.

Voorouders Bernhard.

Tot en met de zevende generatie van mijn voorouders, dus vanaf ongeveer 1700, is meer dan 95% traceerbaar in de archieven. Ze kwamen bijna allemaal van Goeree-Overflakkee, uit de Alblasserwaard of uit de omgeving van Woudrichem: Zuid-Hollandse, zwaar calvinistische klei, ook al hoort Woudrichem nu tot Noord-Brabant. Als we Dordrecht als centrum nemen, dan werden de ‘verste voorouders’ hooguit zeventig kilometer verderop geboren (Ouddorp, Oud-Vossemeer): een paar uurtjes fietsen, minder dan twee dagmarsen.

De Bernhards.

Een opvallende uitzondering is de Bernhard-tak. Schippersknecht Johan Hendrik trouwde weliswaar in 1825 in Sliedrecht, en vestigde daarmee de Sliedrechtse dynastie, die zich aan het eind van de 19e eeuw verbond met de Kentie-dynastie. Maar zijn directe voorouders lieten een spoor na dat loopt vanuit Pruisen en Hessen via Den Haag en Leiden naar Hoorn, Enkhuizen, Alkmaar en Amsterdam. De eerste voorouder Bernhard in ons land zag zelfs Kaapstad en Batavia.
Zo’n zwerftocht is voor onderzoek in doop-, trouw- en begrafenisboeken niet erg handig. Het lijkt er bovendien op, dat Johan Hendrik en zijn nakomelingen hun uiterste best hebben gedaan om latere archiefonderzoekers het leven zuur te maken. Hij, zijn vrouw en zijn nakomelingen komen voor met allerlei naamsvarianten. Bovendien krijgen sommigen precies dezelfde naam als van vader, een oom of een tante. Er worden verschillende geboorteplaatsen vermeld van de stamvader en dat van zijn vrouw. Hun drie dochters trouwden met drie broers, alle drie met de achternaam Rondhout, ook weer een achternaam met de nodige spellingvarianten. Zijn vijf kinderen werden dankzij verhuizingen in verschillende steden geboren. Maar waar precies is bij drie van de vijf nakomelingen niet bekend.
De eerste vrouw van zoon Balthasar heeft een achternaam die verder in ons land nauwelijks voorkomt en voorkwam. Dat geldt ook voor de achternaam van zijn schoonmoeder. Balthasars tweede vrouw, die hij in Amsterdam trouwt, heeft een naam die juist heel vaak voorkomt: in Amsterdam alleen gaat het om tientallen naamgenoten met ongeveer gelijke leeftijden. En dus zijn haar sporen vooralsnog niet te traceren.
Toch laten de Bernhards juist weer meer sporen dan gemiddeld na. Ze zijn van oorsprong evangelisch-luthers. Veel lidmaatschapsboeken van dit kerkgenootschap zijn bewaard gebleven, en gepubliceerd[1]. Gezien de omvang van de evangelisch-lutherse kerk zijn die te overzien. Helaas lijken er wel veel overschrijffouten te zijn gemaakt. Plaatsnamen waarvandaan een ingeschreven Bernhard zou komen, lijken vaak niet te kloppen.

Van Den Haag via Leiden naar Hoorn.

Johan Hendrik Bernhard kwam volgens de ene bron uit Aschersleben, volgens een andere uit Gröningen, Pruisen dus. Hij trouwde in Den Haag, op 18 maart 1753, met Maria Elisabeth Discher (of Disschern of iets wat daar op lijkt). Wellicht was dat de Maria Elisabeth Disser die in 1733 in Mainhausen-Zellhausen, in Hessen, werd geboren. Het trouwregister spreekt van het 75 kilometer westelijker gelegen Schlangenbad. Johan Hendrik zou ruiter geweest zijn en dus wellicht als huurling zijn gekomen. Er is een Johan Heinrich Bernhard geregistreerd als Staatse Militair in de periode 1705 tot 1795, in het 2e Oranje-Nassau-regiment, Bataljon 3, Compagnie A, lijfcompagnie grenadiers.  Is dat hem? Het lijkt, dat deze pas in 1783 in dienst kwam.

In Den Haag werd in 1754 zoon Balthasar Leonhard geboren. Twee dochters werden vervolgens in Leiden gedoopt: Maria Elizabeth op 18 april 1755 en Maria Christina op 20 maart 1758. Maria Christina heet later, ook officieel, Engeltje Christina. Er volgden nog twee kinderen: Rosina Frederica, in 1766 (zij zou wel eens in Haarlem geboren kunnen zijn), en Johan Bernard, waarschijnlijk geboren in 1774, wat dan in Hoorn moet zijn gebeurd, maar dat is niet terug te vinden in de bewaard gebleven doopboeken.
Want in 1758 duikt de familie in Hoorn op. Waarom ze daar terechtkwam, is niet duidelijk. Hoorn was overigens, als een van de VOC-steden een ‘multiculturele’ samenleving. Op 1 oktober werden de ouders als lidmaten van de evangelisch-lutherse kerk ingeschreven: Johan Hendrik uit Aschersleben, en Maria Elizabeth Tissen uit een voor de uitgever van het lidmaatschapsregister onleesbare plaats. Ze worden door die uitgever ook al vermeld op 1 oktober 1753, maar dat moet een overschrijffout zijn. Zijn drie dochters doen overigens in 1771, 1774 en 1778 geloofsbelijdenis in die Hoornse kerk.
Dan neemt het leven een merkwaardige wending: Johan Hendrik monsterde aan op het VOC-schip Bredenhof en vertrok op 7 december 1773 naar Batavia . Het spiegelretourschip was in 1771 in Hoorn gebouwd en had een bemanning van ruim 250 man onder commando van Marten Pietersz. Mooy. Johan Hendrik is hooploper, de laagste rang aan boord: een hulpje voor de matrozen. Een vreemde carrièrestap voor iemand die toch boven de veertig moet zijn. Dat suggereert armoede en wanhoop. Of zocht hij het avontuur? Wilde hij weg van problemen thuis? Was het lucratief om als kleermaker mee te varen? Op 21 juli 1774 arriveerde hij, na een tussenstop op de Kaap, in Batavia. Ergens in dat jaar moet zijn jongste zoon zijn geboren.
Na anderhalf jaar varen is hij terug: op 24 april arriveerde het schip op de rede van Texel, op 24 juli 1775 monsterde hij in Hoorn af[2] . Tijdens zijn terugvaart was niet alleen een zoon geboren, maar overleed ook zijn vrouw Maria Elisabeth Discher: op 12 november 1774, als Johan Hendrik zich midden op de Indische Oceaan bevindt, wordt hij weduwnaar.
Johan Hendrik zat niet bij de pakken neer. Al op 10 december 1775 hertrouwde hij met weduwe Helena Cornel uit de Nieuwe Westerstraat in Enkhuizen, die al eerder dat jaar was ingeschreven als lidmaat van de evangelish lutherse gemeente van Hoorn. 

Dis is vast en zeker de Helena Cornel, en eerder gehuwd geweest met Pieter Bello. Die monsterde  in 1767 afmonsterde af van het VOC-schip Enchuizen, en was afkomstig uit de stad van die naam. Oorspronkelijk kwam hij echter uit Zwolle. In 1757 krijgt hij daar toestemming om in Enkhuizen met Helena Cornel te trouwen. Hij had al eerder VOC-reizen naar de Oost gemaakt, in een medische functie. Zijn laatste reis was hij opperchirurgijn. Nog hetzelfde jaar, op 2 november, overlijdt hij in Enkhuizen. Het is dus een andere Pieter Bello, die als medicus in 1813 in Zwolle overlijdt. Neven, wellicht?

Wellicht begon Johan Hendrik na zijn VOC-avontuur als kleermaker. Of was hij dat al eerder? Hij wordt gesignaleerd als woonachtig in de Koperen Pot aan het Nieuwland in Hoorn, en hij haalt de geschiedschrijving met zijn bedgordijnen! Voor zijn bedstee hingen blauwe en rode gordijnen, waar anderen gordijnen van groene saai of, soms, bont bedrukte katoenen sits hadden![3]

Je verwacht grote armoede. Kleermakers verdienden gemiddeld niet veel. De meeste (minstens 92%) bleven, althans in 1742 in zestien Hollandse steden, met hun inkomen onder de taxatiegrens: ze verdienden minder dan 600 gulden per jaar. Maar zestien jaar na zijn afmonsteren is Johan Hendrik niet onbemiddeld, zoals we zullen zien[4] .

De kinderen.

Op 23 juli 1780 trouwde zoon Balthasar in Hoorn met Anghanita Dwingers. Als Agnita Dwingers deed ze op 19 maart 1771 geloofsbelijdenis in de evangelisch-lutherse kerk van Hoorn. Ze zou volgens de kerkregisters afkomstig zijn uit Doornik. Dat kan niet kloppen. Haar ouders kwamen, minstens drie jaar eerder, uit Den Briel naar Hoorn. Broer Casper Dwingers deed in 1768 geloofsbelijdenis in voornoemde kerk. De achternaam Dwingers is overigens zeer zeldzaam. Ook Agnita’s moeder heeft een extreem zeldzame achternaam: Ridderhuis.
Maria Elizabeth ging op 14 mei 1784 in Enkhuizen met Ouker Rondhout in ondertrouw. Op dezelfde dag ging zus Rosina Frederica in ondertrouw met Oukers broer, Nanning. Zus Engeltje Christina trouwde tien maanden later, op 4 maart 1785, ook in Enkhuizen met de broer van Ouker en Nanning, Cornelis, een kleermaker.
Een jaar later duikt Engeltje Christina met Cornelis op in Alkmaar: Engeltje wordt lidmaat van de evangelisch-lutherse kerk daar, maar woont in het nabijgelegen Bergen. Hun dochtertje Hillegonda Cornelis wordt op 3 april 1787 in Bergen gedoopt, Engeltjes zus Maria Elizabeth is getuige. Ook zij verhuist richting Alkmaar: op 1 juli dat jaar wordt zij ingeschreven als lidmaat van voornoemde kerk, twee weken nadat broer Balthasar er werd ingeschreven. Maria’s man, Ouker, is vanaf 1789 commies bij de Stedelijke Middelen van Alkmaar. Hij incasseerde de havengelden aan de Boompoort, de toegang tot de stadshavens. Hij was een verdienstelijk kunstschilder, sinds 1789 lid van het lokale Sint-Lucasgilde. Het Stedelijk Museum in Alkmaar heeft zeven werken van hem, allemaal stadsgezichten van of vanuit zijn werkplek[5] .

Erfenissen.

Balthasar ging ook in Alkmaar aan de slag, als kleermaker, net als zijn vader, maar heel wat minder succesvol. Hij was in het voorjaar van 1788 weduwnaar geworden, en straatarm: op 3 april begroef Balthasar zijn dan 35-jarige vrouw. Pro deo, dus in een armengraf. Twee kleine kinderen bleven achter. Balthasar gaat enkele jaren later failliet. Hij kon of wil niet meer voor zijn kinderen zorgen. Om die reden trad de Weeskamer van de stad Alkmaar op als toeziend voogd: de stad besteedde de twee kinderen uit bij Balthasars schoonmoeder in Enkhuizen, Johanna Ridderhuijs weduwe Dwingers, voor 20 gulden per maand.
In de Oprechte Haarlemse Courant van donderdag 26 mei 1791 wordt ieder die iets te ‘pretenderen’ heeft van de insolvente boedel van ‘Kleedermakers Baas’ Balthasar Leonhard Bernhard uit Alkmaar opgeroepen zich te melden bij advocaat Hendrick Carbosius of procureur Michiel Johan de Lange, uiterlijk tot 5 juli 1791. De stad Alkmaar wikkelt als grote schuldeiser het faillissement af.
Alkmaar heeft dan ook belang bij de forse erfenis die stamvader Johan Hendrik nalaat, als hij op 18 oktober 1791 overlijdt. De Oprechte Haarlemse Courant van donderdag 29 december dat jaar en die van donderdag 19 januari daaropvolgend en de Amsterdamse Courant van dinsdag 31 januari 1792 (kranten van vier en twee pagina’s dik) bevatten de volgende advertentie:
“Alle de geene, die iets te pretendeeren heeft van, of verschuldigd is aan den Boedel van wylen J. H. BERNHARD, overleeden op ’t Nieuwe Land te Hoorn, gelieve daarvan ten spoedigste opgaave te doen aan S. Gerrits of D. Hoffman aldaar, of aan J.P. Hebel, Makelaar, op de Nieuwezyds Voorburgwal, over de Nieuwe Kerk, te Amsterdam.”
Uiteindelijk werden de bezittingen van Johan Hendrik Bernhard geveild: huizen, obligaties, meubilair en andere roerende goederen. Dat leverde voor zijn vier solvente kinderen en de schuldeisers van Balthasar fl. 5507,19 op. Bij de erfenis werd het bedrag gevoegd, dat vader Johan Hendrik aan Balthasar had geleend en het geld, dat hij ten behoeve van Balthasars twee kinderen, Maria Elisabeth en Johanna, had besteed, in totaal fl. 159:4:8. Vandaag zou dat ongeveer € 1300,- zijn. De boedelscheiding vond op 10 augustus 1792 plaats bij notaris Sybrand Pereboom in Hoorn. Voor die schuld vaardigden de Schepenen van Alkmaar eerder genoemd procureur De Lange en advocaat Carbosius af. De drie zussen waren alle drie met hun Rondhout-echtgenoot aanwezig. Broer Johan Hendrik, apotheker in Amsterdam, was alleen. Hij was enkele maanden eerder in de hoofdstad in het huwelijk getreden met Cornelia van Wijk, die inmiddels zwanger was van de op 1 maart 1793 gedoopte Maria Elisabeth.
De erfgenamen hadden in totaal dus fl. 5667:3:8 te verdelen, meer dan € 45.000,- in huidige waarde. Een ieder kreeg fl. 1133:8:11 1/5, maar de vertegenwoordigers van de stad Alkmaar moesten van dat deel natuurlijk eerst Balthasars schuld aan zijn vader betalen[6] .
Alkmaar hield fl. 974:4:3 1/5 over, waarmee Balthasars schuldeisers een klein beetje konden worden gecompenseerd. Natuurlijk kregen de preferente crediteuren eerst hun totale schulden betaald: 56 gulden en vier stuivers. De overige schuldeisers mochten de na aftrek van andere kosten resterende € 911,- verdelen. Voor een ieder was maar 8% beschikbaar. Balthasar had al met al een aanzienlijke schuld weten op te bouwen: bijna fl. 11.500,-, zo’n € 100.000,- in huidige waarde. De lijst schuldeisers is enorm. Sommige hadden heel veel geld te goed, andere, vaak vrouwen, kleine bedragen: werkten ze voor hem, de kleermakersbaas?

In 1794 duikt Balthasar in Amsterdam op. Hij trouwde er, op 22 juli, met Antje Hendrikse Dirks. Pas op 6 maart 1805 werd hij als lidmaat van de Amsterdamse evangelisch-lutherse kerk ingeschreven. Op 5 februari 1796 en op 2 augustus 1798 werden zoon Johan Hendrik en dochter Antje Hendrikse geboren. Op 15 januari 1799 volgde dochter Maria Elizabeth. Op 5 december 1800 overleed een Antje Hendriks Dirks uit het Duitse Norden in het Gasthuis of het Pesthuis in Amsterdam. Verdere informatie ontbreekt. Ook Balthasar overleed in de hoofdstad, op 3 oktober 1817.

De kunstschilder.

Een jaar later stierf zijn zwager Ouker Rondhout, op 17 november 1818 om 22:30 uur. Diens vrouw, Maria Elizabeth Bernhard, is dan al overleden. Ouker woonde in een eenkamerwoning in het Huis van Achten, officieel het Provenhuis van Johan van Nordingen: een hofje, bestemd voor acht hulpbehoevenden, gesticht in 1665 en onafgebroken tot mei 1981 als verzorgingshuis in gebruik. Via zijn schuifraam keek Ouker uit op de Lombardstraat, nu de Lombardsteeg. Hij was commies bij de Stedelijke Middelen van de stad Alkmaar. Als chercher  incasseerde hij aan het begin van de stadshaven (aan de boom) de accijnzen. En dat liet hem kennelijk voldoende tijd voor zijn andere werk: hij was kunstschilder, tekenaar en aquarellist. Hij was lid van het Sint-Lucasgilde. En er is werk van hem bewaard: schilderijen van (je raadt het al) de stadshaven van Alkmaar. In 1811 werden in Haarlem twee werken van hem geveild. [Bronnen: Nieuw Nederlandsch Biografisch woordenboek, deel 3, blz. 1093 en 1094. https://rkd.nl/nl/explore/artists/341186.   Fichescollectie Cornelis Hofstede de Groot, baknummer 217, fichenummer 1443465].

gemaakt door Ouke Rondhout

Vrederechter Adrianus Bolten en zijn griffier onderzochten de dag na het overlijden het huis. Een andere bewoner van het hofje, Jan Vreede, bood zich daarbij aan om op alles te letten. Rechter en griffier inspecteerden de boedel, en schreven die minutieus op. Alles van waarde en 22 gulden en 20 cent werden in de laden van het aanwezige witwerkersbureau gestopt. De laden gingen op slot en vervolgens werd er een stoffen band om het bureau geknoopt, aan de bovenkant verzegeld met rode zegels. Twee uur zijn ze bezig, en ze weten, dat ze dat doen voor de twee dochters, van wie er een nog minderjarig is. De jongste, Hillegonda Dorothea, woont als dienstmeisje ‘aan De Helder’. De oudste is in dienst bij broodbakker Westerholt aan het Luttik in Alkmaar-Oudorp.
In de boedel troffen Bolten en zijn griffier enkele schilderijen, een paar portretten, een map met tekeningen en penselen en verf. Er stonden twee beelden: een zwart gebrand en een wit ‘pleisten’. Het kamertje was behoorlijk volgestouwd. Het was zeker geen armoe troef. Er was een fauteuil met matten zittingen, vijf stoelen. Een tafeltje, wat boeken, een blikken blaker, een blikken kwispedoor, een aardenwerk theeservies, en tabakspot, heel wat kleren, twee paar schoenen, een paar laarzen, een kleed op de vloer en katoenen bedgordijnen[7] .
Enkele maanden later, op 23 maart 1819 om 9 uur ’s ochtends bezocht Adrianus Bolten met zijn griffier weer de kamer van Ouker. Ze waren in gezelschap van Oukers dochter Maria Elizabeth en van Jacob Jozias de Lange, procureur, door de rechtbank te Alkmaar aangesteld om de belangen van de minderjarige dochter Hillegonda Dorothea, dienstmeid te Den Helder, te vertegenwoordigen. De zegels op de linten om het bureau werden ongeschonden aangetroffen en verbroken. Met de twee sleutels opende de griffier de laden. De boedel was nog geheel intact. Zelfs al het geld was nog aanwezig[8] .

Opoe.
De neef van de twee erfgenamen, de zoon van Balthasar, schippersknecht Johan Hendrik trouwde op 23 december 1825 met Marrigje Teeuw. In Sliedrecht: Marrigje is door en door Sliedrechts. Hun kleindochter Engelina trouwde in 1885 met Mattheus Adrianus Kentie. Engelina, opoe Kentie noemde mijn moeder haar, overleed in 1950 in IJsselmonde. Twee jaar voor mijn geboorte.

 

 

Theo Kentie

Oktober 2014

(correcties: 11-12-17; aanvullingen: 24-2-18)

 

Zie ook: http://www.genealogie-alblasserwaard.nl/grabbelton/Bernhard.pdf

 

 

 

[1] http://arch.vortmes.nl/documents/

[2] Nationaal Archief: Nummer toegang: 1.04.02, inventarisnummer: 14495, folionummer: 219.

[3] Liesje Schram, Inrichting van Hoornse woonhuizen eind 18e eeuw. In:  West-Frieslands Oud & Nieuw, 58e bundel, pagina 132-137. Uitgave: Historisch Genootschap ‘Oud West-Friesland’, 1991

[4] Jan de Vries & Ad van der Woude, Nederland 1500-1815; de eerste ronde van moderne economische groei. Amsterdam: Balans, 1995.  P. 662-663

[5] Scheen, 1981. Zie: https://rkd.nl/explore/artists/341186

[6] Boedelscheiding en lijsten met schuldeisers: Regionaal archief Alkmaar, archief Weeskamer Alkmaar. Toegangnr. AmrRAA_10.3.007. Inv. Nr. 71, doos B2.

[7] Noord-Hollands Archief. 41-54 Vredegerecht Alkmaar, 1811-1838. 1818, Nr. 58.

[8] Noord-Hollands Archief. 41-54 Vredegerecht Alkmaar, 1811-1838. 1818, nr. 86.

 

Stadsvarkens I

Een kleine geschiedenis van het stadsvarken.

Man’s best friend.

Meer dan 10.000 jaar geleden werden in het huidige Irak voor het eerst wilde zwijnen tot varkens gedomesticeerd, in hetzelfde gebied dus waar ook landbouw en steden zijn ontstaan. Met de verspreiding van de landbouw naar Europa kwam ook het varken mee, al was het maar omdat zijn wroetvermogen zeer behulpzaam was bij het bewerken van woeste gronden.

In de Middeleeuwen werden grote groepen varkens in de gemeenschappelijke bossen geweid totdat ze, vet geworden door eikels en ander voedsel, als kudde naar de markten in de opkomende steden werden gedreven. Zo werd de Man van La Mancha samen met zijn knecht Sancho Panza en hun paard Rossinant onder de voet gelopen door een kudde van meer dan zeshonderd varkens op weg naar de markt van Barcelona[1].

In de loop van de Middeleeuwen werden veel communale bossen ten behoeve van de opkomende steden gekapt of geprivatiseerd. “Graas- en eikelrechten” en jachtrechten werden afgeschaft. Jagen door armen heette voortaan stropen. Varkens bleken echter ook in steden te kunnen grazen en je kon ze prima in of bij je huis houden: ze kunnen in een klein hok vetgemest worden. In een agrarisch handboek uit het midden van de zestiende eeuw, dat in Nederlandse vertaling in 1582 verscheen en vele malen herdrukt werd, wordt dat beschreven: “De verckens die ghy mesten wilt sullen altydts gesloten staen in een besonder cot,” zonder lichtinval en als enige verzorging het geven van voedsel en het schoonmaken van hun hok[2].

Voor de opkomende steden was de aanvoer van voldoende voedsel naar hun markten van levensbelang. Rijke stadsbewoners gingen rundvlees eten. Dat kwam vaak van ver en was dus duur. Gewone stadsbewoners waren aangewezen op goedkoper vlees, bij voorbeeld dat wat ze zelf in of vlakbij de stad konden produceren. En dus hielden arme stedelingen hun eigen vee en pluimvee.

Koeien lagen aan een touw, kippen bleven in de buurt van hun hok, maar varkens struinden de hele stad af, op zoek naar alles wat eetbaar was. En dat is voor varkens bijna alles. Varkens waren dus uiterst nuttig in het reinigen van de overbevolkte Middeleeuwse steden zonder sanitaire voorzieningen.

En niet alleen in de Middeleeuwen: varkens vormden tot ver in de 19e eeuw “an auxiliary department of sanitation”,  ook in moderne steden als Philadelphia en New York[3], en Manchester. Friedrich Engels ziet daar in 1845 overal varkens, vooral bij de door hem zeer verachte migranten (dat waren toen Ieren), terwijl open ruimtes in woonblokken werden verpacht aan varkensboeren, die hun beesten door omwonenden met hun afval lieten vetmesten. Charles Dickens bezoekt in 1842 New York, ‘the beautiful metropolis of America’, en vooral Broadway viel bij hem in de smaak. Behalve dan de twee zeugen die daar achter zijn rijtuig aanliepen.

New York, Fivepoints: varkens op straat. George Catlin, 1827.

Een paar jaar later besloot die stad een einde te maken aan de stedelijke varkenshouderij: hun stank werd verantwoordelijk gehouden voor de heersende cholera-epidemie. Bijna zesduizend varkens werden uit kelders en van zolders gejaagd, onder hevig verzet van hun eigenaren. In totaal werden er zo’n 20.000 varkens de stad uit gedreven[4]. Sommigen zien het als de eerste gentrificatie in New York.

Pas toen steeds beter functionerende steden de stadsreiniging gingen organiseren, werden varkens langzamerhand van de straat gedreven. Ook andere redenen speelden daarbij een rol, zoals veiligheid, ‘overbegrazing’ en heel soms milieuredenen.

New York: de grote varkensjacht van 1859.

 

New York: super-intendant Downing wil, dat de varkens worden verwijderd, 1853.

Stadsvarkens duiken pas in bronnen op, als de stedelijke elite er last van krijgt en als de overheid met regels komt. Dat gebeurde bij voorbeeld in Parijs in de 12e eeuw, toen een edelman zijn schedel brak, omdat zijn paard over een rondscharrelend varken struikelde. Het houden van varkens werd verboden, maar dat verbod werd massaal genegeerd.

Niet alleen voor het verkeer vormden varkens een risico. Varkens kunnen soms agressief worden: ze begonnen soms te knabbelen aan op straat rondkruipende peuters. Ook was de hoeveelheid op straat te vinden afval eindig: al gauw scharrelden er te veel varkens.

Dus kwam het Amsterdamse stadsbestuur in 1413 niet alleen met een verbod op het houden van honden en ganzen maar ook met de regel, dat er nog maar vier varkens op straat werden toegelaten: twee varkens van het klooster en leprozengasthuis van Sint Anthonis,  en twee van het klooster van Sint Cornelis. Om ze herkenbaar te maken, moesten ze een oor missen: de varkens van Sint Cornelis hun linker, die van Sint Anthonis hun rechter oor. Ook droegen ze een bel, zodat moeders hun kroost op tijd binnen konden halen. In Schiedam werd het in 1311 verboden om je varkens op het Raamveld te laten lopen, waar het wasgoed te drogen werd gehangen.

Maar varkens konden ook prima in, bij of onder het huis worden gehouden. Op zolders, in kelders, voor, naast en achter de huizen in de steden werden steeds meer varkens ‘opgehokt’ om bijna voor niets te worden vetgemest met huishoudelijk afval en het afval, dat sommige bedrijfstakken produceerden: brouwers, jeneverstokers, suikerbakkers. Her en der begonnen de grote aantallen varkens voor overlast te zorgen. Dus mochten Nijmeegse brouwers vanaf 1413 nog maar twaalf en overige burgers nog maar acht varkens bij hun huis houden.

Vanaf ongeveer halverwege de 18e eeuw gaat het met de economie in ons land bergafwaarts. Steden lopen leeg, de vele armen hebben het steeds moeilijker om te overleven. Vooral in de winter en het vroege voorjaar waren de problemen groot: dan lagen veel bedrijfstakken stil, en dan moest de gemiddelde armoedzaaier zien te overleven van wat hij in betere seizoenen had weten te sparen, of een beroep doen op de bedeling. Van oudsher zorgde de gemeenschap voor zijn armen en behoeftigen. Die traditionele ondersteuning vloeide voort uit zorg voor je naasten op basis van geloofsovertuigingen, maar het algemeen belang werd ook gediend met het overeind houden van een in de zomer onmisbare arbeidsreserve.

In de loop van de 18e eeuw groeide door de economische terugval het aantal behoeftigen. Ook de stedelijke middenklasse nam in omvang toe, maar voelde zich steeds minder verbonden met de noodzaak om arme plaatsgenoten in slechte tijden te ondersteunen, terwijl juist zij middels stedelijke belastingen en het collectezakje bijdroeg aan de bedeling. Als oplossing begonnen leden uit de middenklasse de armen te doordringen van de noodzaak zich ook in slechte tijden zelf te bedruipen door te sparen en door het aanleggen van voorraden. Deze liberale ideologie van de opgelegde zelfredzaamheid kreeg organisatorisch vorm in de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen (‘Het Nut’). Het bevorderen van spaarzaamheid werd haar belangrijkste doel, mede te bereiken door huiselijkheid: door een gezellig huis hoefde de man zijn vertier niet te zoeken in kroegen en op kermissen, waardoor hij zijn geld aan zijn gezin kon besteden en kon sparen.

In 1804 publiceert de Bataafsche Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen het boek Eelhart, de menschenvriend[5]. Daarin krijgen met name boeren, maar ook hun personeel,  in dialoogvorm wijze lessen voorgeschoteld. Leermeesters Eelhart en Braafman geven aan boeren en aan slampamper Ary Ligt van Zin advies.

“Een behoorlijk overleg en bespaaring in den zomer, of dan, wanneer het meeste geld verdiend wordt, kan immers nog al ligt te weeg brengen, dat ook de geringste daghuurder zijn eigen varken kan mesten, en als men dit dan zoo kan aanleggen, en zulk voeder geeven, dat het geen ligt varkentje blijve, dan heeft men althans in den winter van een pekelspek een hartigen brok, en voor de toekomende zomer is ‘er nog wat in den schoorsteen”.

Het boek was bedoeld voor boeren en dagloners, maar het houden van voor eigen consumptie bestemde huisdieren was niet beperkt tot het platteland. Vijftig jaar later wordt het houden van varkens door een paardenarts der tweede klasse nog steeds geadviseerd[6]:

“De varkensfokkerij is inzonderheid op het platte land, doch ook onder zekere omstandigheden in de steden aan te bevelen, daar zonder dezelve eene groote hoeveelheid afval nutteloos verloren zoude gaan.”

Het slachten van een varken gebeurde meestal thuis, en ging gepaard met allerlei rituelen, zo beschrijft de Maatschappij tot Nut in een brochure[7]:

“Ge weet van hoe groot belang het is voor een gewone burger-huishouding, een varkentje op ’t hok te hebben. ’t Is wel een leelijk dier zoo’n zwijn, zoo lang als ’t in het hok ligt te knorren en te blazen; maar toch, als het geslagt wordt, en dan, met Gods zegen, goed uitvalt, welk een pleizierige dag voor groot en klein! Men krijgt bezoek van de buren, die plegtstatig komen om den mooijen doode te inspecteren, om eene proeve te doen op de dikte van ’t spek, om over lengte en breedte met kennis van zaken te redeneren, enz. enz., en de kinderen zijn er ook bij, en geven hunne deelneming met dansen en springen te kennen. En als nu het varken op tafel komt, dan is alles lekker, wat er aan is, en het mooiste van alles is, dat het zoo van zelf vet wordt.”

Inmiddels had Het Nut een nog betere vorm van sparen ontdekt: de spaarbank, zoals die omstreeks 1812 in Schotland en Hamburg was ontstaan. En dus is er in hetzelfde foldertje sprake van een aardewerken varkentje, met een kleine sleuf in de rug:

“Een spaarpot! Een spaarpot! O, wat ben ik blij!’- ‘Juist,’ hernam moeder, ‘’t is een spaarpot, maar die spaarpot is voor jou als voor ons het zwijntje is, dat we op ’t hok hebben; […].”

Natuurlijk hoefde men de meeste armen niet te vertellen, hoe nuttig het houden van een varken kon zijn: dat wisten zij zelf ook wel. Varkensvlees dat je kocht, was inmiddels extra duur geworden vanwege accijnzen op het slachten. En anders dan veel andere voorraden (die door vocht en ongedierte werden aangetast) was een levend varken heel goed houdbaar.

Stadsvarkens in Rotterdam en varkensstad Schiedam.

Geen enkele bedrijfstak zorgde voor zoveel stadsvarkens als de jeneverindustrie. Rotterdam lag als havenstad uiterst gunstig voor de aanvoer van de grondstoffen voor jenever en de afvoer van het eindproduct, terwijl in tonnen verpakt gezouten varkensvlees als scheepsproviand zijn weg vond. Maar jeneverbranderijen zorgden door stank en brandgevaar ook voor overlast en gevaar. Dus verbande de stad de bedrijfstak inclusief de bijbehorende varkens naar een terrein aan de Baan. Daar, maar ook elders in de stad, werden in 1847 nog varkensstallen gevonden[8].

Veel branderijen vertrokken uit Rotterdam naar omliggende stadjes: Delfshaven, maar vooral Schiedam[9]. Schiedam werd dé jeneverstad, en dé varkensstad. Varkens werden vetgemest met het restproduct van de jeneverstokerij: de spoeling. Die spoeling was buitengewoon voedzaam, maar niet goed houdbaar, waardoor varkens dichtbij de branderijen moesten worden gehouden.

De enorme aantallen varkens in Schiedam gingen voor milieuproblemen zorgen door de hoeveelheden drek en pis die ze produceerden. Het vuil liep in de Schie, dezelfde Schie waaruit de branderijen hun water haalden. Dus verordonneerde het stadsbestuur op 4 juni 1695, om alle varkens binnen vier weken “buijten de stad ‘t amoveeren”. Dat hielp aanvankelijk niet echt. Zestien jaar later moest de betreffende Keur worden herhaald.

Uiteindelijk lukte het. Toen reisboekenschrijver Lieve van Ollefen in 1797 zijn bezoek aan Schiedam publiceerde, klaagde hij over de stank die opsteeg uit de ‘menigte varkenshokken’ bij de stadspoorten. Bij de poorten werden 30.000 varkens vetgemest[10]. Schiedam had in 1795 9.111 inwoners. Ook die latere reisschrijver, de Duitser Karl Baedeker, meldt in 1880 hetzelfde aantal van 30.000 Schiedamse varkens[11]. Intensieve varkenshouderij is dus geen moderne uitvinding, maar begon in het Schiedam van de 18e eeuw.

In Schiedam was in de Franse tijd het verbod om varkens in de stad te houden niet goed gehandhaafd. In maart 1816 plakt de gemeente een publicatie aan het stadhuis, waarin het houden van varkens binnen de stad én in enkele gebieden erbuiten weer werd verboden, met een belangrijke uitzondering: enkele met name genoemde varkensmesters en eigenaren van branderijen en boeren in de omgeving mochten hun kotten, mits voorzien van een goede mestafvoer, laten staan. De armen en de arbeiders werd het houden van een varken ontzegd. Dat verbod werd op grote schaal ontdoken.

In 1859 kreeg Schiedam een nieuwe hoofdcommissaris van politie. Die constateerde al gauw, dat er overal weer varkens werden gehouden, soms op basis van een door hem te verlenen vergunning, vaak ook illegaal. In datzelfde jaar sloeg de cholera toe. Ziektes, en zeker cholera, werden volgens de inzichten van die tijd veroorzaakt door stank en bedorven lucht. Commissaris Kok wilde dus het houden van varkens weer verbieden. Maar de gemeenteraad was het daar niet mee eens. En dus werd er voorgesteld om het houden van een varken, mits goed gehuisvest, toe te staan. Dan moest er wel ieder jaar een vergunning worden aangevraagd. Het nadeel van stank, zo vond de gemeenteraad, woog niet op tegen het grote voordeel:

“door meer dierlijk voedsel op goedkoper wijze aan sommige gezinnen te verschaffen, die anders, tot groote schade voor de gezondheid, bijna uitsluitend van plantaardige stoffen, en wel voornamelijk van aardappelen leven […].”[12]

Schiedam was door de vele branderijen een zeer ongezonde industriestad geworden, de ongezondste stad van het land. De commissaris intussen kon alleen nog maar jacht maken op varkens die zonder vergunning werden gehouden, en daar had hij het druk genoeg mee. In andere steden waren de regels minder streng. In de Utrechtse Zeven Steegjes in het centrum van die stad hadden veel bewoners in 1862 voor hun huis een kippen- of varkenshok[13]. In 1855 ontdekte een arts ten tijde van een cholera-epidemie in een dichtbevolkte buurt op een zolder zes varkens, terwijl de mest in de kelder werd opgeslagen[14]. In de binnensteden van Arnhem, Den Haag, Haarlem, overal troffen bezorgde onderzoekers in de 19e eeuw varkens aan[15].

Rond het begin van de 20e eeuw hadden de meeste stadsbewoners door geregelde arbeid en dus inkomsten geen behoefte meer aan een varken, terwijl de Woningwet van 1901 het houden ervan strenger reguleerde. In 1900 bij voorbeeld kreeg bewoner Haas aan de Westzeedijk in Rotterdam alleen toestemming voor het houden van vier varkens, als hij aan strakke bouwvoorschriften voldeed. De stedelijke varkenshouderij verdwijnt nog verder uit het zicht door steeds luider klagende omwonenden.

In 1906 klaagt personeel van de Rotterdamse reiniging, dat ze op de vuilnisbelten aan het Bosland en aan de Kralingseweg voor de kippen, konijnen en varkens van hun opzichters moeten zorgen. In Schiedam wijst in april 1918 de gemeente het houden van een varken in de Lange Kerkstraat af, omdat art. 90 der Bouwverordening een absoluut verbod kent zonder ontheffingsmogelijkheid. Maar: een paar maanden later wordt dat artikel tijdelijk buiten werking gesteld ten behoeve van  ‘dilettant-varkensfokkers’. Door de oorlogsomstandigheden was vlees uiterst schaars geworden! Bijzonder is, dat deze dilettanten vooral uit de betere middenklasse kwamen: hotelhouder Beijensbergen uit de Vlaardingenstraat, notaris Boddeüs uit de Lange Haven, de eigenaar van woningbureau Stolk uit de Hoogstraat.

In 1940 deed het weeshuis van de Evangelisch-Lutherse gemeente in hartje Amsterdam (het zat in het West-Indisch huis aan de Haarlemmerstraat) zijn twee mestvarkens vanwege de oorlogsomstandigheden juist van de hand. Maar nog in de jaren zestig stuitte een Amsterdamse huisarts tijdens zijn visite op Kattenburg in een bovenwoning op een voor de slacht gehouden varken.

Na de Tweede Wereldoorlog werden de meeste arme stadsbewoners rijk genoeg om afstand te doen van de symbolen van hun oude armoede: moestuin, kippen en varkens werden vervangen door een siertuin en uitsluitend voor het mooi of de gezelligheid gehouden huisdieren. In 1946 komt de Rotterdamse Commissie Bos met een plan om Rotterdam zo te herbouwen, dat de arme grotestadsbewoner als bijna vanzelf een nette burger werd in nieuwe, goed geordende stadswijken zonder cafés, bioscopen en dancings. Bij de nieuwe huizen moesten tuinen komen met genoeg ruimte om er kippen en kleinvee te kunnen fokken[16]. De gemiddelde Rotterdammer zat daar niet meer op te wachten. Pas decennia later keerden stadsvarkens weer terug, aanvankelijk vooral in de vorm van kleine hangbuikzwijntjes met een strik om hun nek. Maar ook ontdekt men weer, hoe goed het houden van varkens in de stad voor het milieu is.

 

© Theo Kentie, maart 2015

 

[1] Miguel de Cervantes Saavreda, De geestrijke ridder Don Quichot van De Mancha. Amsterdam: Em. Querido, 1978 (1605). P. 752.

[2] Charles Estienne, De veltbouw ofte lantwinninghe: inhoudende eene rechte wel bestellinghe eenes hofs te bouwen: cruydt-hoven ende fruyt-hoven te maken: alderhande boomen te planten: byen te houden, te distilleren: beemden, vijvers, en̄ staende wateren te maken, en̄ die te onderhouden: visschen te vanghen: ackerlant te winnen: wijngaerden te oeffenen: medicinale wijnen te bereyden: parck voor wilde beesten te maecken, mitsgaders de wolve jacht. Amsterdam: Hendrick Laurensz, 1611 [1554].

[3] Lewis Mumford, The city in history; its origins, its transformations and its prospects. London: Penguin Books, 1991 (1961). P. 23, 337.

[4] Friedrich Engels, De toestand van de arbeidersklasse in Engeland; naar eigen aanschouwingen en authentieke bronnen. Vert. naar de 3e druk (1892). Moskou: Progress, 1987. Edwin G. Burrows & Mike Wallace, Gotham; a history of New York City to 1898. New York & Oxford: Oxford University Press, 1999. P. 698, 786.

[5] Bataafsche Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen, Eelhart, de menschenvriend; of gemeenzame onderrigtingen, ter leering en waarschouwing, ingezonderheid van den landman. Eerste stuk. Amsterdam: Cornelis de Vries, Hendk. van Munster en Johannes van der Hey, 1804. Het citaat staat op blz. 116.

[6] A.J. de Bruijn, Handleiding tot het fokken en mesten der varkens, en de behandeling van eenige ziekten bij dezelven : een middel tot het verkrijgen van eene belangrijke jaarlijksche opbrengst. Amsterdam: Noordendorp, 1852. P. 1.

[7] Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen, Het steenen varkentje. Kleine Geschriften, nr. 2. Oktober 1847.

[8] L.J.C.J. van Ravesteyn, Rotterdam in de negentiende eeuw. Herdruk. Schiedam: Schie-Pers, 1974. P. 13.

[9] Coen Kramers Thz., De moutwijnindustrie in Schiedam. Amsterdam: Lieverlee, 1946.

[10] Lieve van Ollefen en Rs. Bakker, De Nederlandsche stad- en dorp-beschrijver. Deel V: Schieland en Krimpenerwaard. Amsterdam: H.A. Banse,  1797. P. 10,13.

[11] K. Baedeker, Belgien und Holland nebst dem Grossherzogthum Luxemburg; Handbuch für Reisende. Leipzig: Karl Baedeker, 1888. P. 274.

[12] Nota Plaatselijke Commissie van Geneeskundig Toevoorzigt, 8 maart 1860.

[13] Riccardo Alberelli en Nol van Dongen, De zeven steegjes; 125 jaar volksleven in Utrecht. Amsterdam: De Balie, 1987. P. 24.

[14] De Woningwet 1902-1929. Amsterdam: Nederlandsch Instituut voor Volkshuisvesting en Stedebouw. 1930, p. 5.

[15] Auke van der Woud, Koninkrijk vol sloppen; achterbuurten en vuil in de negentiende eeuw. Amsterdam: Bert Bakker, 2010. P. 93, 116, 117.

[16] A. Bos e.a., De stad der toekomst, de toekomst der stad; en stedebouwkundige en sociaal-culturele studie over de groeiende stadsgemeenschap. Rotterdam: A. Voorhoeve, 1946. P. 316.