Alle berichten.

Henricus Thamerus voor zijn komst naar Joure.

augustus 2019, drs. M.C. Kentie

Toen ik een tijdje geleden de redactie van het historisch tijdschrift Fryslân wees op de onjuiste omschrijving van mijn voorouder Henricus Thamerus, kreeg ik van drs. Sybrand Krul, hoofdredacteur, een zuinige reactie terug. Ik had een link meegestuurd naar mijn blog over Thamerus, met daarin tientallen eindnoten en minstens zoveel literatuurverwijzingen, waarin je zowat al het bekende over Thamerus’ leven kan lezen. Hier werd mijn stelling, dat moderne historici meestal in navolging  van historici Van Deursen en Bergsma met een geheel onjuist beeld van de man komen, m.i. onweerlegbaar onderbouwd.

Wat was het antwoord van Krul? “Spijtig genoeg zijn ze [Van Deursen en Bergsma] niet meer onder ons en kunnen we ze derhalve niet meer aan de tand voelen. Het zou nieuw, [oorspronkelijk] onderzoek vergen om het beeld van Thamerus beter passend bij de werkelijkheid te brengen. Ik weet zo niemand die dit op zich kan nemen, maar zal het in gedachten houden als ik historici ontmoet die zich met het bewuste tijdvak bezig houden.”

Nou is Thamerus ook niet meer onder ons, en ook niet de 19e-eeuwse historici die een geheel ander beeld van hem schetsten. Niet zo’n sterk argument dus. En dan ook nog de implicatie, dat mijn onderzoek niet ‘oorspronkelijk’ zou zijn.

Juist voor een Fries tijdschrift zou Thamerus overigens interessant moeten zijn. Ik heb nog meer onderzoek gedaan. Ik twijfel daardoor inmiddels aan de familieband met andere dominees en theologen met de naam Thamerus, met als bekendste Theobaldus. Die kwamen uit Straatsburg en andere steden in het midden en zuiden van Duitsland. Onze Henricus vond ik terug als diaken te Jever, de hoofdstad van Oost-Friesland, in het jaar 1580. Hij schrijft in een boekje over drie grote watersnoodrampen die Friesland hebben getroffen, een soort ooggetuigenverslag over de Allerheiligenvloed van 1 november 1570 in Delmenhorst bij Bremen, waar hij zich toen kennelijk bevond. Thamerus komt dus niet uit de lucht vallen, als hij in 1591 in Joure opduikt. Ik denk ook, dat ik zijn inschrijving aan de Universiteit van Wittenberg heb gevonden. In 1572 studeert daar ene Heinricus Tabnerus. Omdat ‘Tabnerus’ verder volstrekt onbekend is als achternaam, denk ik dat op enig moment er een overschrijffout is gemaakt. Duker, de biograaf van Gisbertus Voetius, een van de grootste tegenstrevers van Thamerus, schrijft in 1897 in diens biografie in een voetnoot, dat T[h]amerus reeds op 18-jarige leeftijd een bekwaam leerling van Melanchton was, in Wittenberg. In 1572 is Melanchton echter al twaalf jaar dood. Werd Thamerus in 1540 geboren, dan is het dus mogelijk, dat Thamerus bij Melanchton studeerde. Maar ik vind geen Thamerus in welke spellingvariant dan ook in de matrikel van Wittenberg in die periode vlak voor Melanchtons overlijden. Hoe Duker aan zijn feit kwam, is nog niet geheel duidelijk.

Heinricus Tamerus, 1580.

Marcus Wagner, Johannes Dinckel, Gerhard Howick, Andreas von Meyendorf, Heinrich Thamer, Einfeltige, kurtze, warhafftige, schreckliche, unerhörte Historiae von den dreyen Wasserfluten in Phriszlandt […]. Erfurt, Georg Baumann d. Ä., 1580.

Karl Eduard Försteman (ed.), Album Academiae Vitebergensis: 1502-1602. Lipsia [Leipzig]: Carl Tauchnitz, 1841. Dit is deel 1.

A.C. Duker, Gisbertus Voetius. Eerste deel. Leiden: E.J. Brill, 1897.

Heinricus Tamerus, diaken te Jever.

Tamerus liet voor zijn komst in Friesland wel degelijk een spoor na. We komen hem tegen in een boekje uit 1580. In dat boekje worden overstromingsrampen uit 1512, 1570 en 1577 beschreven (en de rol van God daarbij), die Friesland (lees Oost-Friesland) hebben getroffen. Diaken Heinricus Thamerus doet verslag van de gevolgen van de catastrofale watersnoodramp van 1 november 1570 in Delmenhorst, een plaatsje in de buurt van Bremen. Bij deze ramp, de beruchte Allerheiligenvloed met een vloedgolf hoger dan die van 1953, vielen minstens 20.000 doden in onze contreien inclusief Oost-Friesland, waarvan minstens 3000 doden in onze provincies Friesland en Groningen.
Henricus ondertekent met zijn functie: Diaconus Iheuerensis. Na veel speurwerk ontdekte ik wat dat betekent. Diaconus is naast diaken tweede predikant. Slechts één bron komt met de betekenis van Iheuerensis. De 88-delige encyclopedie van Johann Heinrich Zedler, gepubliceerd tussen 1731 en 1754, meldt ons dat het gaat om Iheueria, de Latijnse naam voor de hoofdstad van Oost-Friesland, Jever! Onze Henricus was dus in 1580 diaken of tweede predikant in Jever! Daar spraken ze Fries en een Nederduits dialect, dat zeer dicht bij het Nederlands lag.

Heinricus Tamerus, 1580.

Tuinen voor het volk: aardappel-tuinen als armoedebestrijding.

Gebaseerd op tekst van ca. 25 jaar geleden.

Tuinen voor het volk: aardappeltuinen als armoedebestrijding.

  1. Inleiding.

De overeenkomst tussen een varken en een moestuin is, dat beide tegen betrekkelijk geringe investeringen eetbare producten opleveren, die na enige bewerking gedurende enige maanden of langer houdbaar zijn en dus kunnen dienen als zelfgekweekte ‘wintervoorraad’ voor mensen die (delen van) hun voeding niet op de markt kunnen of willen aanschaffen. Een tuin leverde in verhouding tot de benodigde investering heel wat meer op dan een varken. Een varken daaren­tegen was veel minder bewerkelijk en vroeg weinig ruimte, terwijl je voor een moestuin een stuk grond van voldoende omvang en kwaliteit moest kunnen bezitten of pachten. In en om de grotere steden werd na de Middeleeuwen de grond schaars en dus te duur voor arme stadsbe­woners. In grote delen van ons land was het ook voor veel plattelandsarbeiders in de loop der tijd nagenoeg onmogelijk geworden voor zichzelf een lapje grond te bewerken.

Halverwege de vorige eeuw ontdekten verschillende liefdadige instellingen en gemeenten dit laatste probleem. Ze begonnen met georganiseerde tuingrondverhuring aan arbeiders en minvermogenden. Volgens verschillende historici is dit het begin van de moderne volkstuin. Is dat zo? Volkstuinen worden nu bijna nooit meer gebruikt voor het verbouwen van aardappelen en groenten: het zijn plezier- of recreatietuinen geworden, met veel bloemen, een gazon en een tuinhuis, waar in veel gevallen ook overnacht kan en mag worden (dit schreef ik 25 jaar geleden; inmiddels zien we dat volkstuinen wel weer gebruikt worden voor het verbouwen van groenten en andere eetbare gewassen). Er lijkt sprake te zijn van een vergelijkbare ontwikkeling als bij de (stedelijke) huisdieren: van nut naar sier. Is dat zo?

  1. De geschiedschrijving.

Op 30 mei 1953 sprak de Amsterdamse socioloog Vermooten het congres van het ‘Algemeen Verbond van Volkstuindersvereenigingen in Nederland’ toe. Zijn thema was ‘de sociale aspec­ten’ van het volkstuinwezen, en daarbij gaf hij een schets van hoe in zijn ogen de ontwikke­lingsgang van de volkstuin was geweest. Hij onderscheidde drie soorten tuinen: de liefdadigheids-, de nuttigheids- en de recreatietuin, die elkaar hadden opgevolgd, en in die opeenvolging de ‘maatschappelijke evolutie’ reflecteerden.

De eerste soort werd, zo meende hij, gesticht door departementen van de Maatschappij tot Nut van ‘t Alge­meen, en ‘uiterst merkwaardig’ vooral voor landarbeiders en handwerkslieden op het platte­land. Het doel was om de armoede te weren en het gevoel van eigenwaarde en van opgewektheid te verhogen.

De nuttigheidstuin was een vrucht van ‘het emancipatiestreven der arbeiders’. De liefdadig­heidstuinen werden vervangen door tuinen die arbeiders in coöperatie bestuurden. De laatste soort, de genoegentuin, was een bijna logisch gevolg van de verkorting van de arbeidsdag, de mechanisering van de arbeid en de opeendringing van mensen in de grote stad, “die woestijn van asfalt en baksteen, van ijzer en glas”[1].

Vermooten probeerde met zijn ontwikkelingsgang verschillende soorten tuinen onder één noemer te vangen. De weinige historici die zich hebben beziggehouden met het ontstaan der volkstuinen proberen dat ook, maar zien anders dan Vermooten, niet meer dan een tweedeling en wel tussen de negentiende-eeuwse ‘arbeiderstuin’, bedoeld voor het telen van wintervoor­raad, en de twintigste-eeuwse ‘moderne volkstuin’, waarin naast het verbouwen van wat aardappelen en groenten vooral van ‘de natuur’ genoten moest worden. De eerste was vooral gericht op het economisch nut van de tuinier, de tweede vooral op het ‘psy­chisch en fysisch’ voordeel, dat de volkstuinder ervan had.

Jansen ziet tussen deze arbeiderstuinen en de latere volkstuinen een directe lijn, terwijl zo’n verband tussen de ‘pleziertuinen’, die tot de negentiende-eeuwse stadsuitbreidingen rondom iedere stad waren te vinden, niet zou bestaan[2]. Ook de ‘Commissie Volkstuinwezen’, in 1952 ingesteld door de Minister van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening, zag de arbeiderstui­nen als vroege volkstuinen[3]. Er wordt nauwelijks aandacht besteed aan dat andere grote onderscheid: arbeiderstuinen ontstonden in soms zeer kleine dorpjes op de kleigronden, moderne volkstuinen waren en zijn vooral een stedelijk verschijnsel.

De eerste arbeiderstuin werd volgens de verschillende verhandelingen in 1838 gesticht door de Nutsspaarbank te Franeker[4]. In de loop van de 19e eeuw volgden enkele andere vooral in Groningen en Friesland gelegen Nutsdepartementen dit voorbeeld. Omstreeks 1910 lijkt zich in korte tijd een omslag voor te doen, waarbij moderne volkstuinen, gericht op recreatief tuinieren, de oude voor productie bedoelde arbeiderstuinen leken te vervangen.

Twee korte intermezzi werden gevormd door de twee wereldoorlogen, toen in en om de steden zoveel mogelijk beschikbare grond werd ingericht voor de teelt van aardappelen, kool, peulvruchten en andere gewassen. Dat leverde de tijdelijke categorie ‘oorlogstuinders’ op, die na verloop van tijd weer langzaam verdwenen of moderne volkstuinders werden.

Diverse geschiedschrijvers verwijzen altijd naar twee boeken van de hand van de toenmalige secretaris van de Maatschappij tot Nut van ‘t Algemeen, ds. J. Bruinwold Riedel, en een in 1914 gepubliceerd onderzoek naar de stand der volkstuinen van het Nutsdepartement ‘s-Gravenhage. Overigens waren deze boeken ook voor dit hoofdstuk van groot belang. Omdat het Nut zich bezig hield met beide soorten tuinen, wordt er een logisch verband tussen veron­dersteld. Omdat vooral het Nut over arbeiderstuinen en de eerste volkstuinen heeft geschreven, is de vroege geschiedenis van deze tuinen samengevallen met de bemoeienissen van de kant van het Nut. Voor mijn doel was het van belang de grote lijn van deze geschiedenis opnieuw te onderzoeken. Dat leverde correcties op een aantal telkens terugkerende onjuistheden op.

Volgens Jansen is er een directe lijn tussen de negentiende-eeuwse arbeiderstuinen en de volkstuinen zoals die in deze eeuw tot ontwikkeling kwamen. De Maatschappij tot Nut van ‘t Algemeen stichtte nog vóór 1850 haar eerste complex arbeiderstuinen, bedoeld voor minver­mogende werklieden, in een uithoek van Groningen. Er is dus een uitstapje naar het platteland nodig om de opkomst van die tuinen en hun relatie met de latere volkstuin te kunnen plaatsen.

  1. Levensomstandigheden op het platteland in de 19e eeuw.

Het is erg moeilijk om een korte schets te geven van de levensomstandigheden van de platte­landsarbeiders in ons land in de 19e eeuw. Deels is dat natuurlijk een gevolg ven een gebrek aan bronnen. Verslagen die er zijn, zijn vaak sterk gekleurd, omdat ze van zedepredikers of landbouwhervormers zijn. Een ander probleem is, dat de situatie per jaar, per streek en zelfs per dorp zeer kon verschillen. Voedselprijzen, oogstomvang (of het mislukken daarvan) en de bevolkingsdruk bepaalden van jaar tot jaar of er werk en dus inkomen was. Regionaal verschil­lende eigendomsverhoudingen hadden ook invloed op de positie van de landarbeiders. Grof­weg kunnen de armen op het platteland, naast de volledig bedeelden, in vier groepen worden verdeeld.

In de meest onvruchtbare en afgelegen gebieden had je keuters die enkel en alleen van hun boerderijtje of het gebruik van de gemene gronden probeerden te leven. Daarnaast leefden vooral op de zandgronden van diluviaal Nederland verspreid keuters die met hun eigen bedoe­ning net voldoende voedsel voor zichzelf trachtten te verbouwen en dat combineerden met pogingen een geldelijk inkomen te verdienen. Ze verhuurden zich als dagloner aan grotere boeren, werkten in fabrieken of veenderijen, hielden zich bezig met huisfabricage zoals weven en matten vlechten of verbouwden op hun grond op kleine schaal industriële gewassen.

Op de grotere boerderijen leefden knechten en meiden, die zich per jaar verhuurden en bij hun werkgever kost en inwoning kregen. Tot slot was vooral op de meest vruchtbare zeekleigron­den een klasse ontstaan van geheel landloze dagloners, die geen grond hadden voor eigen verbouw en dus geheel moesten zien rond te komen van wat ze als dagloner bij boeren, in de eventueel aanwezige (maar juist in die streken zeldzame) industrie of in de veenderijen konden verdienen. Als er al werk was, dan was dat seizoenarbeid. Dat gold vaak ook voor de eventue­le alternatieven in kleine fabriekjes. Veel dagloners, ook die in de steden woonden, moesten in de zomer voldoende proberen te verdienen om in de winter te kunnen overleven. Daarom moest er gespaard of een ‘wintervoorraad’ worden aangelegd. Als de zomerlonen te laag waren, was dat niet mogelijk. Arbeiders in de stad en op het platteland waren dan geheel afhankelijk van de bedeling.

Spaarzaamheidbevordering, één van de belangrijkste programmapunten van de Maatschappij tot Nut van ‘t Algemeen was dan ook het bijbrengen van een uiterst pragmatische deugd. Het advies om een varken te houden, adviezen om op verstandige wijze wintervoorraden aan te leggen en de begin 19e eeuw opgerichte spaarbanken waren vooral hierop gericht. Huiselijk­heid hoorde hier ook bij, want het betekende thuisblijven in plaats van naar de kroeg gaan in de tijd, dat het zomerloon werd verdiend. De Nutsleden hadden bij het bevorderen van die spaar­zin alle belang, want zij behoorden tot de kringen die de bedeelgelden bijeen moesten brengen.

De volledige en ‘halve’ keuters verbouwden hun eigen voedsel, maar waren kwetsbaar voor misoogsten. De andere twee groepen, en dan vooral de laatste, waren bijna geheel afhankelijk van de (arbeids)markt van vraag en aanbod. Het grote probleem voor hen was, dat in de loop van de 19e eeuw de omvang van de agrarische bevolking steeg, zodat er steeds meer handen voor hetzelfde of minder werk waren. In voor boeren slechte jaren (door tegenvallende oog­sten of lage prijzen) werd er in de eerste plaats op de arbeidskosten van het losse personeel bezuinigd.

In de Franse tijd waren, mede dankzij het Continentaal Stelsel, de voedselprijzen hoog, en dat was een ramp voor de armen maar van groot voordeel voor de boeren. Allerlei gewassen die eerder werden geïmporteerd, werden nu in eigen land verbouwd. Ook de eerste jaren van het koninkrijk waren in dit opzicht voorspoedig. De export was groot, en de relatieve voorspoed had veel arbeiders naar het platteland getrokken. Van Hogendorp noteerde in 1816[5]:

“Vele van onze dorpen zijn gelijk aan steden in andere landen en velen van onze boeren welgezeten of zelfs rijke lieden. Wij mogen de helft van onze bevolking tot het platteland brengen, en weinig behoeftigen onder dezelven tellen. Zedelijkheid en gezondheid vergezellen de nijverheid onzer landlieden […].”

De ommekeer kwam snel. Het jaar daarop mislukten de oogsten en heerste er grote armoede in de steden en op het land. De export daalde enorm en de landbouwprijzen holden achteruit. Vooral de grote landbouwers werden getroffen en met hen de enorm toegenomen menigte van van hen afhankelijke landarbeiders. De kleine boeren op de zandgronden hadden minder last van deze achteruitgang, omdat ze vooral voor eigen verbruik verbouwden. Hun leven bleef even armoedig als altijd: na betaling van pachten, belastingen, personeel en vee en ‘na beharti­ging van schamel voedsel en kleeding’ hielden ze nog net genoeg over voor zaaigoed voor het volgende jaar[6]. In de riviergebieden ontregelden voortdurende overstromingen het bestaan.

  1. Serrurier.

“Ik zeg, [geef de daghuurders] een tuintje, om eenige groente te verbouwen.” In 1807 kwam J.F. Serrurier op verzoek van de hoogste landbouwambtenaar Jan Kops met uitgebreide aanbevelingen om de landbouw te hervormen. Kops was in 1800 benoemd en stond direct onder de Agent van Nationale Oeconomie J. Goldberg. Bij gebrek aan voldoende gegevens over de toestand van de Nederlandse landbouw hadden Goldberg en Kops een ‘Oeconomische reis’ door het land gemaakt en voerde Kops er een enquête uit. Serrurier maakte gebruik van deze gegevens en baseerde zich bovendien op de beschrijvingen die de Duitser A. Thaer had gegeven van de Engelse moderne landbouw[7].

In Engeland had zich in de 18e eeuw een ware landbouwrevolutie voltrokken, waar economi­sche vernieuwers in de rest van Europa met grote belangstelling kennis van namen, vooral via het werk van Jethro Tull, die in 1733 een aantal verhandelingen over moderne landbouwmet­hoden gebundeld had in The horse-hoeing husbandry. In Frankrijk werd de Engelse landbouw een geliefd intellectueel thema. Tull’s landbouwmachines werden in de Encyclopédie van Diderot en Alembert afgebeeld en vanaf 1753 werd zijn oeuvre door Duhamel du Monceau bewerkt en uitgegeven. Negen jaar later verscheen hiervan het eerste deel in Nederlandse vertaling van de hand van de doopsgezinde predikant en letterkundige C. van Engelen[8].

Albrecht Thaer (de ‘Adam Smith’ van de wetenschappelijke landbouw[9]) had in het begin van de 19e eeuw in vele delen in het Hoogduits een beschrijving van het Engelse wonder gegeven. Dat werk was de basis voor Serrurier’s Boeren goudmijn (met daarin de afbeeldingen van Tull’s werktuigen uit de En­cy­clopédie). Hij vertaalde het niet zozeer, maar gaf samenvattingen en vulde die aan met een eigen analyse van de situatie in ons land en voorstellen om deze te verbeteren.

Een groot probleem was in zijn eigen ogen de klasse der ‘katers’ en daghuurders. In verschil­lende streken waren keuters ook dagloners, die zowel bij een grote boer werkten als hun eigen boerderijtje draaiende hielden. In andere gebieden waren er keuters zonder aanvullende inkom­sten, zeker als landgoederen en grote boerderijen ver weg lagen. Dat waren halve wilden:

“Bouwvallige hutten, slecht bearbeid bouwland, schraal weiland, meestal weinig beter, dan de belendende heide, waarvan het afgegraven is; menschen met uitgevallen kaken en holle oogen, of van een akelig wild uitzigt; half naakte kinderen, die de reizigers halve uren ver naloopen, ter verkrijging van een paar duiten; eenig klein en mager vee; een hoop plaggen, in plaatse van mest, voor de deur, en een mijtje dorre halmen, stengels, kruiden en onkruiden, om het vee daarmede gedurende den winter te voeden; zie daar het beeld van honderde (om niet te zeggen van duizende) katersteden in dit land.”

Het had weinig zin om de agrarische revolutie van deze armoedzaaiers te verwachten. Serru­rier vond de plannen om ze aan meer land te helpen middels heideontginningen (een stokpaard­je van Kops en anderen) dan ook onjuist. Een reiziger kon nog beter die heidevelden aanschou­wen, dan de soort boerderijen die daaruit voort zouden komen.

De tweede soort, de keuters met aanvullende loonarbeid bij een grotere boer, was er heel wat beter aan toe. Daaruit kon een nieuwe boerenstand voortkomen, die de Nederlandse landbouw zou opbeuren, want zij hadden geleerd, dat geld “de ziel der negotie is”. Maar ook zij zouden moeten stoppen met het onrendabele keuteren op slechte grond. Ze moesten in loondienst komen bij de grote boeren en landeigenaren, zodat ze niet langer een dubbele baan hadden voor een enkel inkomen. Die boer moest zijn bedrijf zo organiseren, dat de dagloner altijd werk had, en uitsluitend nog om geld zou werken. Hij verwachtte veel verzet tegen zijn voor­stellen, en vooral zijn overtuiging, dat een plattelandsarbeider niet meer dan een tuintje moest hebben, een tuintje voor de verbouw van wat groenten.

Zo’n arbeider moest zeker geen akkertje krijgen voor de verbouw van zijn wintervoorraad aardappelen. Dat kostte te veel werk, vergde te veel mest en de vraag was hoe de grond goed bleef, als er ieder jaar weer aardappelen op zouden worden verbouwd. Beter zou het zijn om de landarbeider één van de aardappelakkers van zijn werkgever te laten verbouwen, in ruil voor de helft van de opbrengst. Dan ging het om goede en goed bemeste grond, zodat de opbrengst heel wat beter was.

Al helemaal niet zou hij een stuk land moeten krijgen voor het houden van een koe, of zelfs maar een geit. Het was heel wat goedkoper om elke dag melk en boter te kópen. Slechts

“een varken kan er gedurende vier of vijf maanden gehouden worden, bijaldien zij kans zien hetzelve van den afval, van onkruid, en vervolgens van kleine aardappelen behoorlijk te voeden.”[10]

Serrurier was met zijn voorstellen voor deze koude landbouwsanering ten gunste van grote, economisch geleide agrarische ondernemingen, waarin de keuters werden omgevormd tot loonarbeiders in vaste dienst, zijn tijd zo’n anderhalve eeuw vooruit. Enkele decennia na zijn studie kwam een beweging op gang om alle landarbeiders tot keuterboeren te maken door ze, als ze dat niet op de vrije markt voor elkaar kregen, vanwege sociale instellingen een aardap-pelakkertje in huur te geven.

  1. Plattelandsarmoede.

Toen de Rotterdamse commissie Bos in 1946 kwam met een plan om het stedelijk leven drastisch te reorganiseren, betreurde ze ook het lot van de vroegere plattelanders die zich gedwongen hadden gevoeld naar de stad te trekken.

“De plotselinge overgang van de gebondenheid aan de natuur en de overzichtelijke verhoudingen van het platteland tot de ondoordringbare chaos van de moderne stad is een oorzaak van ontworteling bij dat deel der bevolking, dat op latere leeftijd in de stad is opgenomen”,

schreef ze in haar ‘agrarromantische’ analyse van de verschrikkingen der stad over de stakkers die vanaf het laatste kwart van de 19e eeuw het platteland hadden moeten verlaten[11].

Mensen onttrokken zich daarmee aan hun vertrouwde omgeving en raakten kerkelijk geïso­leerd. De vrouwen zaten te tobben in de verwaarloosde en vervallen woningen in de stad, en verloren al doende hun vroegere deugden zoals ­‘zindelijkheid, die in het dorp nog vrij streng [was] gehandhaafd’, noteerden Bouman en Bouman[12]. De schaarse verslagen over dat leven op het platteland spreken een geheel andere taal, zoals we zullen zien.

Wisselende landbouwprijzen bepaalden in grote mate het inkomen van de grote boeren, maar vooral op de zeekleigronden werd de situatie der landarbeiders voortdurend slechter. Het aantal dagloners steeg zonder dat de hoeveelheid werk toenam. In Zeeland bij voorbeeld groeide de plattelandsbevolking tussen 1815 en 1848 met ruim 34.000 personen. Velen woon­den in uit klei gebouwde, bedroevend ingerichte woningen. In diezelfde periode steeg er het aantal bedeelden van 2725 naar 11.702[13]. De zorg over de zedelijke toestand der dagloners nam dan ook toe. In 1848, overigens midden in de aardappelcrisis, werd geconstateerd[14]:

“Zich steeds bewegende binnen den kring van hun eigen bestaan, onbekend met al, wat daarbuiten omgaat, zorgeloos voor de toekomst en vertrouwende eensdeels op de toegeeflijkheid hunner meesters, anderdeels op de weldadigheid, slijten zij een leven zonder doel en bereiken daarvan den eindpaal meestal nog treuriger dan zij het intraden. […]. Gebrek aan orde en zindelijkheid wordt in de meeste dier huisgezinnen waargenomen, en in onwetendheid en lediggang, en veelal zonder onderwijs, bereikt menig kind de jaren, waarop het op het veld eenigen handenarbeid kan verrichten […]. Geheele huisgezinnen leiden hun kinderen tot bedelen, houtdieverij en dergelijken arbeid op.” 

De bedeling produceerde bovendien een erfelijke ‘culture of poverty’, constateert Bruinwold Riedel, die enkele jaren dominee was in het bij Delfzijl gelegen kerkdorp Uitwierda[15].

“Wie wel eens heeft gebladerd in de armenregisters van vroegere jaren, weet, dat hij daarin in den regel niet te vergeefs zal zoeken naar de namen van den vader en den grootvader van den tegenwoordigen bedeelde; die weet, dat het kind, opgegroeid onder de bedeeling, veelal later zelf o zoo gemakkelijk den weg naar het armbestuur kan vinden”.

Op de zeekleigronden woonden de dagloners meestal niet verspreid over het land. In Friesland bij voorbeeld waren ze geconcentreerd gehuisvest in de kommen van stadjes en dorpen of in aparte arbeiderswijkjes, waar vaak geen ruimte was voor zelfs maar een tuintje en de situatie dus vergelijkbaar was met die in de Hollandse steden[16].

Drieling berekende, omstreeks 1850, dat een Utrechts gezin van een plattelandsarbeider van 6 à 7 personen om behoorlijk te kunnen leven ¦ 306,07 per jaar moest verdienen, en dan moest daarbij wel een eigen aardappelveldje worden geteld (goed voor minstens ¦ 15,-). Dat bedrag werd in die provincie door zeer weinigen gehaald, zodat “de meeste gezinnen dus op het noodige moeten uitzuinigen; hetzij door minder brood en meerdere aardappelen te eten, geen varken te mesten of zoo meer”[17].

We zagen al, dat aan het begin van de eeuw arme keuters op de heidevelden en andere zandgronden in schamele hutten woonden. Omstreeks 1850 woonden ook de dagloners in de Bommelerwaard en omgeving in donkere hutten. In Herwijnen bij voorbeeld stonden “hutten zonder tal, van stroo en leem bijeengevoegd”, hooguit gemeubileerd met een oude kist of tafel[18]. De lonen waren er gedu­rende de acht maanden, waarin verdiend kon worden, nauwelijks ¦ 2,50 per week.

Wie omstreeks 1866 met de trein van Utrecht naar Arnhem reisde, passeerde eerst de heuvel­achtige zandgronden bij Driebergen, en zag plotseling Maarn te voorschijn komen. Dat lever­de, zo noteerde een landbouwonderzoeker, een in hoge mate boeiend landschap op. Je zag dan vlak bij het spoor “eene lage heide met schamele hutten bedekt en enkele stukjes bouwland daartusschen, door de hutbewoners ontgonnen”, zoals hij ook her en der in de Gelderse Vallei aantrof[19].

In het land ontstonden op sommige plaatsen zwerversdorpen, bestaande uit huttenkolonies van soms enkele honderden armen, op plekken waar nog onverdeelde marken in elkaar overliepen, en er dus sprake was van onduidelijke eigendomsverhoudingen. De hutten werden binnen een dag gebouwd van takken en leem of plaggen, met een deur van gevlochten twijgen en zonder vensters. Een schoorsteen ont­brak, zodat iedereen en alles zwart zag van de rook. Men leefde er als dagloner, werkte (op de Veluwe) in de papierfabrieken of weverijen, verbouwde aardap­pelen, of verkocht heidebezems en honing. Zo ontstonden bij voorbeeld ’t Heike (Sint Wille­brord) in Brabant en Zwaag­westeinde in het niet op zeeklei gelegen deel van Friesland. Nog in deze eeuw was een ‘zwavestijner’ een andere naam voor stoelenmatter. De bevolking van deze nederzettingen, met een reputatie van houtdieven en stropers, hadden het vaak beter dan de armen in de steden en de zeekleigronden, omdat men er belasting noch huur betaalde[20].

De woningen der lagere volksklassen in Overijssel waren volgens de Provinciale Commissie van Geneeskundig onderzoek en toevoorzigt in 1860 bijna overal te klein en onzindelijk. In Almelo stonden ze in afgelegen buurten weliswaar ‘boven den grond’. In Stad Delden stonden er weefgetouwen in de kelder. De mingegoede landbouwer in Haaksbergen deelde zijn woon­vertrek met het vee. Roggebrood, pannenkoeken, spek, aardappelen, veel koffie, weinig bier en veel jenever waren in het algemeen de voedingsmiddelen[21].

Opmerkingen over drankmisbruik onder landarbeiders worden veelvuldig gemaakt. Ds. Hel­dring noemt de ‘aardappelnood’ van 1845 ook een zegening. De productie van aardappeljene­ver, die het volk met een ‘tuimelgeest’ had vervuld, is, zo verwacht hij, voorgoed gestaakt, omdat de aardappel nooit meer terug zou komen. En dat was een nog groter geluk, omdat deskundigen er op hadden gewezen, dat de aardappel niet alleen akelige ziektes veroorzaakt, maar ook de ‘zinnelijke driften’ verhoogt, zich uitend in dronkenschap en ontucht[22].

In sommige dorpen was er één kroeg op honderd inwoners, en in kroegen werden ook de wintervoorraden aardappelen bij opbod verhandeld[23]. Ook brandhout werd op deze wijze aan dagloners verkocht door de houtbaas, die ‘notaris, afslager, klerk en jeneverschenker’ tegelijk was[24].

Op de zandgronden waren de lonen die agrarische arbeiders konden verdienen, veel lager dan in het westen en noorden (alluviaal Nederland). Maar veel arbeiders konden zich dat veroorlo­ven dankzij hun eigen keuterbedrijfje, terwijl daar ook het alternatief van al dan niet huisgebon­den industriële werkgelegenheid bestond. Deze streken, waar de landbouw nauwelijks op de export was gericht, waren al in de 16e eeuw door stedelijke investeerders ontdekt als ‘lage-lonen regio’s’. De vele keuterboeren hadden gedurende het jaar veel tijd over en bleken bereid om tegen lage lonen thuis industrië­le producten te vervaardigen of hun grond te gebruiken voor industriële gewassen.

Weven (in Twente en rondom Tilburg bij voorbeeld), maar ook matten vlechten bleken als huisindustrie winstgevend te organiseren, en dus werd stedelijke arbeid al vroeg naar deze plattelandsregio’s geëxporteerd. Rondom Veenendaal stapten veel kleine boeren over op de vanuit de steden gestimuleerde tabaksteelt. Voor de keuterboeren betekende het, dat ze deel gingen uitmaken van de op de steden gerichte econo­mieën. Ging het economisch slecht, dan had de dagloner altijd nog zijn eigen akkertje, dat ten minste een bodem legde voor zijn bestaan. De grotere boeren op de zandgronden daarentegen bleven veel meer gebonden aan de lokale of regionale markt.

Toen de werkgelegenheid in de industrie langzaam toenam, bleef in deze gebieden de combina­tie met landarbeid aanvankelijk nog lang bestaan. Fabrieksarbeid was handig voor de winter, en veel arbeiders zochten in de zomer weer werk op het platteland, vooral als daar de lonen hoger lagen. Zelfs toen de overgang naar de industrie volledig was geworden, hielden veel arbeiders op de zandgronden hun akkertje voor de verbouw van aardappelen en het houden van wat vee.

In de fabrieksstad Tilburg lag rond 1900 bij de meeste arbeiderswoningen een lapje grond van 2 à 3 are. Henriëtte Roland Holst schreef over de situatie daar[25]:

“Wie de tilburgsche arbeiderswijken betrad, een woestenij van slechtverlichte straten, slordig verspreid rondom het centrum der stad, […] die voelde hoe een beklemming hem bekroop. De huisjes waren klein en onooglijk, de bewoners van deze sjofele, karakterlooze wijken genoten evenmin van het gerief der stad, […] als de, onbewust tot het gemoed ingaande, rust en vrede van het land. Het beetje tijd en kracht, dat de wever na zijn langen werkdag nog overhield, werd verbruikt met wroeten in een lapje grond, waar hij boonen en aardappelen teelde. De sociale kruising van fabrieksproletariër en keuterboer, die in de provincie in vele industrieplaatsen bestond, was voor de fabrikanten in dubbel opzicht voordeelig; de arbeider kon toekomen met een laag loon en de zorg voor zijn tuintje hield hem van het vereenigingsleven af.”

De door Roland Holst zo verafschuwde combinatie werd in Brabant zelfs gestimuleerd door de Vincentiusvereniging. Tilburgse armen konden van de vereniging voor in hun tuin geiten krijgen, die melk en mest leverden. Ook in Schijndel had iedere arbeiderswoning een tuin. Daar leende de vereniging pootaardappelen aan wie krap bij kas zat[26].

Op de zeekleigronden, en vooral in Friesland, was de situatie dus geheel anders en daarom voor de arbeiders veel slechter. Toen de Tweede Kamer in 1893, onder aanvoering van Sam van Houten, kritiek uitte op de hoge bedragen die de Friese gemeenten aan bedeling uitgaven, deed Edo Bergsma, burgemeester van Het Bildt, op eigen houtje een onderzoek naar de oorzaken: een verzoek om zo’n onderzoek had de Kamer niet gehonoreerd[27]. Hij selecteerde een aantal Overijsselse en een aantal Friese gemeenten en vergeleek deze. De 23 Overijsselse gemeenten gaven in 1894 gemiddeld ¦ 0,12 per inwoner uit aan bedeling, de 14 Friese ¦ 2,76. Op zes na kenden de Overijsselse gemeenten naast landarbeid nog enige industrie. Er kon gewerkt worden bij kwekerijen, de houtteelt, op werven en in fabrieken en spekslagerijen, met ijzeroerdelven, het weven van linnen en het maken van matten.

In Friesland waren alleen in Franekeradeel steen- en panfabrieken, en konden de bewoners van Smallingerland naar Drachten, waar wat industrie was. De grond in Friesland was in veel gevallen in handen van eigenaars die buiten de gemeente woonden, wat in Overijssel nauwelijks voorkwam.

Ook onderzocht hij, of de landarbeiders in meerderheid een eigen stukje grond voor hun winterprovisie konden bewerken en enig vee bezaten. In alle Overijsselse gemeenten was dat het geval. In Friesland was dat slechts in drie gemeenten het geval, en alleen in Hemel. Olde-haert bezaten arbeiders een schaap, in Ooststellingwerf een koe, een schaap, een geit en in Smallingerland een schaap, geit of varken. In alle Friese gemeenten was er ook in de zomer werkloosheid, wat in Overijssel nagenoeg onbekend was (Steenwijkerwold was hier de uitzon­dering).

Daar ook woonden de landarbeiders bijna overal verspreid door de gemeente (de uitzondering was Wanneperveen), terwijl in tien Friese gemeenten de arbeiders net als in de steden in het centrum van de gemeente of in een aparte wijk bijeen woonden[28]:

“Dikwijls in steegjes en sloppen wonende, verblijvende in krotten die geen gezin kunnen herbergen, ontbreekt den arbeider licht, lucht en ruimte. Onreinheid, ook in zedelijk opzicht, is daarvan maar al te dikwijls het gevolg. De samenleving van beide geslachten in benauwde ruimten, de gezamenlijke arbeid van jongens, mannen, meisjes en vrouwen en niet het minst de onmiddellijke nabijheid van de kroeg werken demoralisatie in de hand.”

  1. De aardappel.

De geschiedenis van de negentiende-eeuwse arbeiderstuin kan niet los worden gezien van de opkomst van een nieuw volksvoedsel, een gewas dat volgens de Duitse econoom W. Roscher en verschillende historici de belangrijkste factor was (belangrijker dan de vaccinatie) voor het toenemen van de Europese bevolking in de 19e eeuw: de aardappel[29].

Toen Jiménez de Quesada in 1536 met een legertje de Zuid-Amerikaanse binnenlanden introk, kon hij niet bevroeden, dat hij een vondst zou doen die – op termijn – het levenslot van de Europese armen ingrijpend zou veranderen. Zijn opdracht was immers de rijken te verrijken door goud en zilver te vinden. Maar toen hij terugkwam in Córdoba, kon hij vertellen van knollen die hij diep in de Andes bij de Chibcha-indianen had mogen proeven: aardappels. Ruim dertig jaar later namen missionarissen wat aardappels mee naar Sevilla, en toen begon de opmars van dit volksvoedsel, zegt de één. In 1568 kreeg de Engelse botanist John Gerard enkele aardappelen te pakken, twintig jaar later lukte dat de Franse botanist Charles d’Escluse. Alle Europese aardappelen van de komende 150 jaar stamden van deze aardappelen af, zegt de ander (de eerste eeuwen van de Europese aardappel is omgeven met vaak door nationalisme gevoede mythen)[30].

De verspreiding ging langzaam, in geografisch en vooral in sociaal opzicht. Aan het eind van de 17e eeuw komen de eerste meldingen van aardappelen op Nederlandse bodem, in Zeeuws-Vlaanderen (Cadzand) in 1697 en in de Betuwe in 1699. Aardappelen waren toen nog vooral veevoer. Tsaar Peter de Grote moet vanuit ons land in 1697 een partijtje naar Rusland hebben ge­stuurd[31]. [NOOT PdG]

Het hongerjaar 1740 dreef de allerarmsten en wanhopigen in ons land ertoe van dit varkens­voer te eten. De toen bestaande variëteiten waren niet erg smakelijk. Nauwelijks een halve eeuw later waren er wellicht al twaalf, maar zeker zes soorten, waarvan er nog maar één, de ‘turksche’, uitsluitend als veevoeder diende. In 1781 schreef de Vlaamse arts Van Bavegem in een dubbel gelauwerde verhandeling over de bestrijding van aardappelkrul, dat men in Vlaan­deren al een halve eeuw aardappels at, terwijl de Duitsers zo’n 16 jaar geleden ze enkel nog als veevoeder kenden[32].

Tot de komst van de aardappel waren verschillende soorten granen de belangrijkste leveran­ciers voor koolhydraten. Brood was het volksvoedsel, en de groeiende Hollandse steden werden in toenemende mate afhankelijk van buitenlandse graanimporten, vooral uit de Balti­sche landen. Broodgranen werden en worden op relatief grote schaal verbouwd. De opbrengst is sterk afhankelijk van het weer. Een late nachtvorst of een verregende zomer konden over een groot gebied voor het mislukken van de oogst zorgen. Dat betekende hoge broodprijzen, en honger voor wie dat niet kon opbrengen. Er waren voor het graan nauwelijks alternatieve gewassen, zeker geen gewassen die het wel goed deden als het voor graansoorten een rampjaar was.

Dominee Heldring herinnert zich in 1845, toen de beruchte aardappelziekte had toegeslagen, het rampjaar 1816-1817. Na een voorjaar vol vorstnachten had het in de zomer meer dan honderd dagen achtereen geregend. In heel Europa waren alle oogsten mislukt. De aardappel­prijs steeg tot ¦ 9,- per mud, tarwe kostte toen ¦ 50,- per mud. Op basis van die ervaring somt hij de alternatieve voedselbronnen op, alternatieven voor brood én aardappelen, en dus de alternatieven die (althans in bepaalde streken) bestonden vóór de komst van de aardappel.

Het ging om alle koolsoorten, en dan vooral ingemaakte boeren- en zuurkool; wortelen en knollen, die in de kelder lang houdbaar blijven; ingemaakte raapstelen en andijvie; verschillende soorten peulvruchten, waaronder de als veevoer dienende duiven- en paardenbonen; ‘haverde­gort’ (gepelde haver, sommigen noemden dat rampjaar het ‘haverdegortjaar’); gepelde gerst, boekweitgrutten, tot pak gekookt roggemeel. Daarnaast verdienden de nog weinig bekende linzen, ‘turksche weit’ (maïs) en de nog te weinig populaire rijst (en dan niet tot pap verkookt) aanbeveling. In het voorjaar kon men de ‘onkruiden’ leek (wilde zuring) en herik (krodde) in het wild plukken[33].

Sommige van deze gewassen werden door de bezitters van een klein lapje grond als winter­voorraad verbouwd. Dat zal ook gebeurd zijn in de eeuwen voor de komst van de aardappel, voor wie een eigen stukje grond had. In hongerjaren was de situatie op de schrale en economisch ‘achtergebleven’ zandgronden dus nog het minst slecht: daar had bijna iedereen wel een tuin of akkertje.

Dat akkertje werd heel wat productiever dankzij de aardappel. Aardappels waren, zo vond men, relatief makkelijk te verbouwen op een kleine oppervlakte, vroegen niet zoveel mest en leverden twee tot drie keer zoveel voedingswaarde per hectare als rogge[34]. Aardappelen waren bovendien bijna een winter lang houdbaar (minder lang dan graan, overigens), zodat iedereen met een stukje grond een belangrijk deel van zijn wintervoorraad zelf kon verbouwen. Wel waren (en zijn) aardappels erg vatbaar voor ziektes.

Aardappelen werden populair dankzij de telkens terugkerende hongerjaren. Zo betekende het jaar 1740 de doorbraak van de aardappel in onze gewesten. Een extreem strenge winter (die duurde van oktober tot juni) en een natte zomer zorgden dat jaar in grote delen van Europa voor het volkomen mislukken van de oogsten. De graanprijs steeg tot grote hoogte, evenals de prijzen van andere eetbare gewassen. In de steden ontstonden hongeroproeren. Alleen aardappelen bleken dat jaar nog een redelijke opbrengst te hebben gehad. Vanaf dat jaar was de opmars van de aardappel, ook al was dat aanvankelijk nog als veevoer en voedsel voor de armen, niet meer te stuiten.

Het ‘kant-en-klaar brood’[35] dook nu ook op in het noorden van het land. In 1765, zo meldt Foeke Sjoerds, was het in Friesland in een tijdsbestek van dertig jaar een voorname tak van de landbouw geworden. Het gewas was “ongemeen voordelig voor ’t gemeen”. Sommige dorpen waren er binnen korte tijd welvarend door geworden, en bijna iedereen at ze bijna dagelijks[36]. Armbesturen bedeelden de behoeftigen in toenemende mate met zakken aardappelen. Nog vóór 1760 was de aardappel een Fries exportproduct.

Maar de status van dit nieuwe product bleef ook in ons land nog lang erg laag. In 1750 ontsloeg een Haarlemse burgemeestersvrouw de keukenmeid, omdat ze het had gewaagd dit varkensvoer in huis te halen. Aan het eind van diezelfde eeuw verscheen de aardappel hooguit op de tafels der welgestelden als begeleiding van visgerech­ten[37].

“’t Is zeker, dat de Aardappelen, zoo lang zij zoo vruchtbaar zijn, den hongersnood merklijk doen verzagten, want veele, ja de meeste landlieden, zijn gewoon de Aardappelen zonder brood te eeten; ja ik weet menigvuldige huisgezinnen, die op een jaar nauwlijks iets anders gebruiken, dan zoete- en karnemelk, en Aardappels; en de meeste welgegoede boeren volgen dit voorbeeld, om hunne dienstboden ’er mede te voeden, zoo dat hier door een meenigte van brood gespaard word[t],”

noteerde Van Bavegem in 1781. En zo’n 60 jaar later kon nog uit de mond van de Leidse schrijver en universiteitsbibliothecaris, Jacob Geel, opgetekend worden[38]:

“Het vervloekte gemene vee trouwt vóór hun achttiende jaar, vreet aardappelen, maakt teringachtige kinderen, komt aan de armenkas en gaat bedelen.”

Verstandige armen hadden begin 19e eeuw een wintervoorraadje aardappelen[39]:

“Eenigen tijd geleden hadden wij een stuivertje bespaard, ’t welk wij besteedden om ’er een schaap voor te koopen. Dat ging heel goed; de schaapenmelk kwam ons ’s Zomers wonder wel te pas; en wij hadden voorgeno­men, ons schaap tegen den winter wederöm te verkoopen, en voor dat geld onze winteräardäppelen op te slaan.”

Het op het eerste gezicht verstandige plan pakte overigens verkeerd uit. Het schaap ging dood, en in de winter werd honger geleden. Neem geen risico’s, als je je dat niet kunt veroorloven, was de wijze les die het (‘Bataafsche’) Nut hier in 1805 aan de ‘huismoeders van de zoo-genaamden gemeenen man’ gaf.

Een ander advies was om veel voedzamer (warme) pap, aardappelen en erwten te eten, in plaats van een stuk wit brood met boter, ook al leek je daarbij te besparen op turf[40]:

“Het brood is zoo duur, en de boter wordt onzes kant tegen geld opgewogen! de kaas kende ik nooit zoo duur, en aan wittebrood zou één man zoo veel kunnen opëeten, dat een geheel huisgezin ’er een goed warm maal voor zoude kunnen doen. Maak maar eens uwe rekening, Trijntje! en gij zult bevinden, dat gij, op den duur ten minsten, even zoo goedkoop gort, meel, erwten, aardäppelen en diergelijke kost kunt gebruiken.”

In Frankrijk probeerde apotheker Antoine Parmentier de aardappel middels uitgekiende marketingmetho­des te populariseren. Hij had deze omstreeks 1760 als uitgehongerde krijgsgevangene leren waarderen. Na de hongersnood van 1769-1770 schreef de Academie van Besançon een prijs­vraag uit om gewassen te suggereren, die in tijden van hongersnood als alternatief voor graan konden dienen. Alle inzenders noemden de aardappel, maar Parmentier won. Hij stortte zich vervolgens op een reclamecampagne, waarin hij de spotlust als wapen hanteerde. Hij publiceer­de veel, gaf adviezen en organiseerde etentjes, waarbij voor alle gerechten slechts aardappelen werden gebruikt.

Na enig lobbyen kreeg hij in 1786 van Lodewijk XVI toestemming voor een experimentele plantage van circa 20 hectare even buiten Parijs. Het werd een eclatant (maar kortdurend) succes, en Marie-Antoinette verving haar gebruikelijke corsage door een takje aardappelbloe­sem. Als marketingmethode had Parmentier bedacht, dat succes verzekerd was als men zijn aardappelen ging stelen. Hij posteerde daarom veldwachters rondom zijn proefveld, maar alleen overdag. Ook adviseerde hij landeigenaren om aardappelen niet op te dringen aan hun boeren, maar daarentegen voor zichzelf een veld aan te leggen, en dat tot verboden gebied te verklaren. Een heel andere methode dus dan die van Frederik II van Pruisen: die stuurde zijn leger erop uit om boeren te dwingen aardappelen te poten[41].

In 1812 was de aardappel een gewoon onderdeel van de maaltijd geworden bij de burgerij, maar was het voor het gewone volk inmiddels het hoofdvoedsel[42]. Landarbeiders die bijna niets verdienden, maar wel een eigen akkertje hadden, aten drie maal daags al dan niet met andere spijzen vermengd aardappelen. O.G. Heldring vond het “een lust hen te zien aanzitten om den dampenden aardappelschotel” onder het motto “Goddank, dat wij aardappelen hebben”[43]. Ook jenever werd in toenemende mate goedkoop uit aardappelen gestookt[44].

De eerste soorten waren nauwelijks te eten, maar al gauw groeide het aantal variëteiten, mede ook dankzij Parmentier. De opkomst van de aardappel betekende, uitgezonderd de crisis veroorzaakt door de aardappelziekte halverwege de 19e eeuw, het einde van periodieke voedseltekorten.

  1. De aardappelcrisis.

Toen in 1845 de aardappelziekte toesloeg, was dat een ramp van Europees formaat. Het ergst was de situatie in Ierland. Daar was de aardappel zo’n beetje het enige gewas. Hals over de kop probeerden, toen de omvang van de ramp duidelijk werd, tienduizenden Ieren het land te ontvluchten. Op de schepen naar Amerika en in de Engelse en Amerikaanse havensteden braken besmettelijke ziektes uit. Velen vonden de dood. De Britse regering probeerde de uittocht een handje te helpen. Pachters die hun pacht niet meer konden betalen, werden hun huis uitgezet. Hun woningen werden afgebroken of in brand gestoken. Het doel was het kleine grondbezit te vernietigen, en de vrijgekomen gronden om te zetten in weiland, waar vlees kon worden geproduceerd voor de Engelse markt. Tussen 1841 en 1911 daalde de Ierse bevolking van ruim acht miljoen tot nog geen vier en een half[45].

Maar ook in ons land was het een ramp die grote indruk maakte. In 1846 stonden bovendien hele gebieden bij de grote rivieren zo lang onder water, dat er niet gepoot kon worden. Ook mislukten de graanoogsten. Nog in 1847 waren de broodprijzen hoog, terwijl de aardappelprijs zich nog niet had hersteld.

De eerste winter kwamen de meesten nog wel door met behulp van de gebruikelijke voorraden, ook al kreeg de in Hemmen wonende ds. Heldring die winter binnen drie dagen zo’n vierhonderd bedelaars langs de deur[46]. Maar in 1846 en 1847 braken in verschillende steden in ons land voedselrellen uit. Zo wachtte een grote menigte in het anders zo rustige stadje Zutphen in de avond van 27 juli 1847 aardappelboer Arend-Jan Brokken op. Hij en zijn knecht konden nog wegvluchten, maar zijn kar en de schepen die hij aan het laden was, werden geplunderd. De rust kon slechts door te hulp geroepen militairen hersteld worden[47].

In het rivierengebied heerste grote hongersnood[48]:

“Ziet, daar waggelen anders sterke en knappe mannen langs den dijk en hebben het gebrek op de grijs en geel bleeke kaken en de uitgeputheid in het doffe, diep gezonken oog. Daar wroeten vrouwen en kinderen in mest­hoopen om, en knagen op weggeworpen beenderen, en verslinden rotte koolstronken, als lekkernij. En gaat men de hutten in, hoe liggen daar dan in een donkeren hoek de bijna naakte jongens, die, omdat zij het noodige voedsel derven, nog niet gaan kunnen op hun derde jaar! Het hart keert zich om in onzer boezem, als wij hen op de dorre moederborst zien vallen, om daar nog één druppel uit te trekken. En in deze en gene woning wordt dat hulpeloos aangezien door den kostwinner, uitgehongerd en uitgeteerd en biddende om de dood.”

Het gebied was vooral zo getroffen, omdat veel inwoners van de aardappelteelt leefden: ze verbouwden zelf een areaal voor de verkoop, of verdienden hun geld als dagloner bij de grotere aardappelverbouwers en hun winterkost met een eigen veldje. De allerarmsten konden hun kostje bijeen scharrelen met het zogenaamde ‘narooien’: het verzamelen van de op de velden achtergebleven exemplaren.

Van de 136 gezinnen in Zuilichem moesten er in de winter van 1846-1847 78 bedeeld worden. De bedeelsom moest worden opgebracht in het eigen dorp, maar de niet bedeelde gezinnen hadden het ook zwaar en de meeste konden geen cent meer afstaan. Slechts negen gezinnen hadden nog iets geven. Het ging daarbij om winkeliers, bakkers, ambachtslieden, mensen dus, die evengoed de gevol­gen van de crisis voelden[49]. In de armste gemeenten in het rivierengebied, zoals in Herwijnen en Hellouw, bestond de bedeling uit een kop paardenbonen, twee stuivers en het groen van wilde kool­zaad[50].

Sommige gemeenten organiseerden werkverschaffingsprojecten. In Zaltbommel werden nieuwe stadswallen gebouwd en werd de haven uitgezand. Er waren echter dorpen, waar de mannen zo verzwakt waren, dat ze niet meer overeind konden komen. Alleen in Haaften werden de mannen collectief met soep gevoed (maar de vrouwen en kinderen morden: zij kregen niets), terwijl elders vooruitziende boeren de benodigde arbeiders in huis namen en op krachten hielden voor het moment, dat de spade weer de grond in moest[51].

In ons land was de situatie niet overal en niet voor iedereen gelijk. De oversterfte is voor de periode van 1846 tot 1849 berekend op 53.000. Het ergst werd Noord-Holland getroffen. Op de zandgronden bleek de ziekte veel minder toe te slaan, en in Salland bij voorbeeld werd het aardappelareaal in deze jaren uitgebreid[52]. Maar groot was natuurlijk de ramp voor arme stedelingen en plattelandsarbeiders zonder eigen lapje grond: zij konden de hoge prijzen voor alternatieven als brood niet opbrengen.

  1. Het Nut en de tuingrondverhuring.

In de door de aardappelcrisis veroorzaakte hongerjaren, in de winter van 1847-48, begon het departement Uithuizen van de Maatschappij tot Nut van ‘t Algemeen als eerste Nutsdeparte­ment met tuingrondverhuring. Het net opgerichte departement in het noorden van Groningen vond, dat er wat gedaan moest worden aan de grote armoede van de vele arbeiders daar, die meestal huisden in ‘bekrompen woningen, zonder tuin’. Directe aanleiding was echter het crisisjaar 1847[53]. In dat jaar was de aardappeloogst zo goed als voor 1845, maar de voedselprij­zen bleven hoog omdat toen de graanoogsten mislukten. In 1848 sloeg de aardappelziekte weer toe[54].

De in oktober 1847 uitgegeven brochure van het Nut Pleizier hebben over hoe je dat thuis goedkoop kon doen,­ was wellicht wat verkeerd getimed.

Zo’n huiselijk pleziertje kon bij voorbeeld bestaan uit het opdienen van gekookte, ongeschilde aardap­pelen. Het schillen tijdens de maaltijd duurde lang genoeg om vader de gelegenheid te geven wat te vertellen. Dat kon gaan over de schepper van deze lekkernij voor arm en rijk, en hij kon vertellen over het jaar 1845[55],

“toen die kost zoo peperduur was en men nog geen goede kon krijgen voor zijn geld, en […] hoe men toen meende, dat men zoo dadelijk maar van honger sterven zou, maar hoe onze Lieve Heer de menschen toch nog leven liet.”

Dat laatste gold dus voor deze pretmakers: de vele doden waren blijkbaar al weer verge­ten.

In de loop der tijd kocht het departement Uithuizen vier terreinen aan en in 1904 bezat het 337 akkertjes, die aan 200 arbeidersgezinnen werden verhuurd. Grote gezinnen hadden recht op twee of drie akkertjes. De tuinen waren twee of drie are groot, en vergden een huurprijs van ¦ 2,- tot ¦ 7,75 per tuin. De eerst aangekochte tuinen waren het goedkoopst en werden verhuurd tegen prijzen die aanzienlijk lager lagen dan daar gewoonlijk door particuliere verhuurders werd gerekend. De opbrengst per tuin was gemiddeld 8 tot 10 hl aardappelen[56].

In 1850 (en dus niet in 1838[57]) volgde de Nutsspaarbank te Franeker het voorbeeld van Uithui­zen, nadat na rijp beraad was vastgesteld “dat deze bemoeijing niet zoude geacht kunnen worden kwalijk overeen te stemmen met het doel en de strekking onzer inrichting, als beoogende niets anders dan verbetering van het lot der min gegoede volksklasse”. Daar kwam bij dat het een uiterst veilige belegging was die een behoorlijke rente opleverde, zeker omdat solide alternatieven in de vorm van actiën op de stad, de kerk en dergelijke schaars waren geworden. Zouden arbeiders niet gaan huren, dan kon altijd nog publiek verhuurd worden. Voor ¦ 1980,- kocht de spaarbank vier halve pondematen land bij de Brouwersvijver. In 1938 bezat de bank ruim 7,5 ha, verdeeld in 157 zogenaamde ‘spaarbanks-’ of ‘stadsakkers’[58].

In 1854 begon het departement Pekela met tuingrondverhuring op het complex ‘Tuin­kamp’. Zes keer werd het areaal uitgebreid, en in 1886 waren er in deze gemeente van zo’n 5000 zielen 177 huurders. Er was dan ook bijna geen arme meer “die niet een eigen voorraad boonen, aardappelen, kool, etc. voor den winter verbouwt, hiertoe door deze inrichting in staat gesteld”[59]. Vóór 1885, toen het Nut per circulaire de departementen opriep om meer aan tuingrondverhuring te gaan doen, volgden nog Loppersum (1862), Wildervank (1872) en Veendam (1880)[60].

In Groningen was, naast de eerder geschetste problemen voor de dagloners, nog een ander element van belang. Vanaf de 18e eeuw werd langzaam maar zeker (en versneld door de Franse tijd) het oudvaderlands recht vervangen door het romeins recht. Dat was ingrijpend voor de eigendomsverhoudingen: gemeenschappelijk bezit werd vervangen door particulier; oude mondeling overgeleverde rechten maakten plaats voor contracten. Het aloude ‘beklem­recht’ hield echter stand. Dat recht betekende in de praktijk, dat een pachter eeuwigdurend (en dus overerfbaar) gebruik van de (onverdeelbare) grond had, waarvoor hij een vast huurbedrag aan de eigenaar betaalde. Dat was op den duur voor grote boeren zeer voordelig. Het beteken­de echter ook, dat kleine boeren geen land en landarbeiders geen tuingrond konden verwerven, terwijl de komst van industrie, en dus alternatieve werkgelegenheid, door de onverdeelbaarheid van de grond werd belemmerd[61].

Op de zeekleigronden had de exportgerichte veeteelt het grootgrondbezit sterk gestimuleerd. Voor Friesland gold bovendien, dat aan het bezit van bepaalde boerderijen (de ‘schotschieten­de huizen’) stemrecht in de provinciale staten, en dus politieke macht was verbonden. Veel grond kwam daardoor in handen van eigenaren, die minder in de landbouw dan in die rechten waren geïnteresseerd en vaak ook in het geheel niet op het platteland of zelfs maar in Friesland woonden[62]. Alle bebouwbare grond was in gebruik, en vaak in bezit van ongeïnteresseerde ‘buiteneigenaren’. Dat was geen stimulans om stukjes land aan arme arbeiders te verhuren.

Deze factoren verklaren mede, waarom de tuingrondverhuring vanwege kerken, sociale instelling­en (sommige daarvan bezaten van oudsher grote stukken grond) en het Nut vooral in Groningen en Friesland begon. Dat de moderne stedelijke volkstuincomplexen daarmee hun oor­sprong vonden in Heveskes, Baard, Ried, Blija, Cornjum of Lioessens, zoals sommige historici menen, is wat moeilijker in te zien.

Bovendien was tuingrondverhuring niet alleen een sociale activiteit. Ook allerlei particulieren hielden zich ermee bezig, en deden dat soms met forse winsten. Het ‘Algemeen Nederlandsch Werkliedenverbond’ voerde in 1901 een enquête uit naar tuingrondverhuring in plattelandsge­meenten. Slechts zestien afdelingen reageerden, maar die in het Zuid-Hollandse Strijen meldde, dat daar een pachter zijn grond, in stukjes opgedeeld, doorverhuurde voor het viervoudige bedrag. Vanuit Voorst werd gemeld, dat de grond werd verhuurd door ‘rentenierende boeren’, die meer winst haalden uit tuingrondverhuring dan met hun eigen handen[63].

  1. Een socialer Nut.

Tot 1885 was dus maar een beperkt aantal Nutsdepartementen betrokken bij de tuingrondver­huring. Het had desondanks een belangrijk Nutsinitiatief, bijdragende tot de ontwikkeling en verspreiding van de arbeiders- en volkstuin kunnen zijn, ware het niet dat het Nut in de verste verte niet de enige noch de eerste tuingrondverhuurder was. Vele particulieren, instellingen van liefdadigheid en gemeenten waren op dit terrein actief, vaak om de winst, dikwijls om de aanspraken op de armenkassen te kunnen verlagen, en soms vanwege een breder, ‘zedelijk’ ideaal. Wat ze, anders dan het Nut, niet deden, was hun geschiedenis vastleggen middels overzichten, rapporten en gedenkboeken.

Dominee Bruinwold Riedel was er de man niet naar om de tuingrondverhuring te claimen als exclusieve Nutsactiviteit. Hij was tussen 1887 en 1915 algemeen secretaris van het Nut[64]. Eerder was hij predikant, onder andere tussen 1881 en 1883 in het Groningse Uitwierda. Daar nam hij buiten de Nutskanalen om het initiatief tot het verpachten van de pastoriegronden in kleine percelen aan arbeiders. In zijn twee overzichten vermeldt hij dan ook uitgebreid de initiatieven van andere tuingrondverhuurders in de ‘sociale sector’, met name in Friesland, omdat daarvan een inventarisatie bestond.

Het waren de latere geschiedschrijvers die Bruinwold Riedel’s mededeling dat het Nutsdepar­tement te Uithuizen als eerste Nutsdepartement aan tuingrondverhuring deed, lazen als het begin van de arbeiderstuinen, slechts voorafgegaan door de Nutsspaarbank te Franeker, wat dus ook al niet het geval was.

De tuingrondverhuring aan minvermogenden om andere dan commerciële redenen kreeg in 1885 van de kant van het Nut een duwtje in de rug. In 1881 was de radicale liberaal mr. H.P.G. Quack hoofdbestuurslid geworden (om al gauw voorzitter te worden), en in datzelfde jaar trad de even radicale mr. A. Kerdijk, de oprichter van de Rijkspostspaarbank, in dienst als algemeen secretaris.

Ze troffen een Nut aan, dat in hun ogen in een behaaglijke, tevreden atmosfeer was ingedom­meld. De erin verenigde gezeten burgerij had de tekenen des tijds niet verstaan door de aanzwellende arbeidersbeweging verre van zich te houden. Het Nut moest zich aanpassen, en dan vooral in ‘sociale richting’. Ze vulden het eerste artikel van de Wet (waarin het doel nader was omschreven) aan met de doelstellingen: ‘de verheffing zoowel van het arbeidsvermogen als van den levensstandaard der werklieden’ en gingen naarstig op zoek naar de middelen die daaraan konden bijdragen. Ze wilden die ontluikende arbeidersbeweging niet zien afglijden naar de ‘Duitse klassenstrijd’ maar in de richting duwen van de Engelse labourbeweging. Hun streven werd door tegenwerking van de Nutsdepartementen gefrus­treerd. Teleurgesteld keerden Quack en Kerdijk in 1887 het Nut de rug toe[65].

Voor het zover was, probeerden ze initiatieven te ontplooien die het Nut zouden brengen in de richting die ze wilden. Een van de plannen was het verder verspreiden van de tuingrondverhu­ring, naar het voorbeeld van Engelse ontwikkelingen.

  1. Allotments: ‘three acres and a cow’.

In 1880 begon het Engelse parlementslid Jesse Collings een beweging tegen de armoede op het platteland, onder het motto ‘three acres and a cow’. Een van de gevolgen van het door de landbouwrevolutie gestimuleerde grootgrondbezit was in de 18e eeuw de toenemende proletarisering van grote groepen dag­huurders. De grond was in handen van grote boerderijen en pachtgoederen, en b­oer noch pachter was bereid zelfs maar het kleinste stukje van zijn grond af te staan. ‘Cottagers’ woon­den in armoedige en zeer kleine hutten (meestal niet groter dan een keukentje en een slaapver­trek), waarbij zelden een tuin behoorde. Soms en in sommige streken mochten ze, om verhongering te voorkomen, enig vee op de gemene gronden weiden. Ze verdienden hun brood als dagloner in de landbouw of in de industrie[66].

Al aan het eind van de 18e eeuw was er een felle discussie op gang gekomen over de vraag, of het zinvol was cottagers het recht te geven op een klein stukje land[67]:

“Wanneer elk huisgezin van dat soort – zeide men van den éénen kant – met zijne handen zoo veel bouwland bearbeidt, als hetzelve noodig heeft, om in de dringendste behoeften des levens te voorzien, dan zal hen dit voor honger en kommer, en bijgevolg ook voor ziekelijkheid en onvermogen bewaren; zij zullen beter leeren huishou­den, en kunnen het verder brengen, naar mate zij naarstiger zijn, en beter oppassen.”

Bovendien zouden de aanspraken op de armenkassen worden verminderd. Veel tegenstanders waren bang, dat de verwachte inkomstenverbetering zou leiden tot een geringere bereidheid om voor een baas te gaan werken. Het arbeidsverzuim was al hoog in tijden, dat de voedsel­prijzen laag waren. Ze zouden nu zeker nog meer gaan ‘leeg loopen en er lekkerlijk van leven’.

In 1819 kregen armbesturen middels de Sturge Bourne’s Act het recht om een stuk particuliere of gemeentelijke grond ten behoeve van de armen in gebruik te nemen. Die grond kon dan als werkverschaffing worden bewerkt of, na opdeling in kleine stukken (‘allotments’), dienen als tuin, waarop de armen hun eigen wintervoorraad konden verbouwen. Dit gebeurde alleen als de meerderheid der betalers van de armenbelasting dit wilde, terwijl het toezicht werd opgedra­gen aan landeigenaars en boeren, die niet veel zagen in deze vorm van hulpverlening. De gevolgen waren dan ook gering.

Collings nam de draad weer op. Hij slaagde er in 1882 in om de ‘Allotments Extension Act’ (ook wel de ‘Mr. Jesse Collings-Act’ genoemd) aangenomen te krijgen. Die wet regelde de verdeling van gronden onder boerenarbeiders. Aanvankelijk stuitte deze wet nog op effectieve tegenwerking, maar een aantal amendementen gaf aan zes stemgerechtigden of zes belastingbetalers het recht om initiatieven te nemen om allotments van maximaal één acre van de landeigenaren los te peuteren. Zo’n zestal kon bij gebrek aan medewerking de gemeente of districtsraad vragen om de grootgrondbezitters te dwingen een stuk van hun grond af te staan. Gemeenten kregen ook het recht om gronden aan te kopen om dit, verdeeld in arbeiders­tuinen, door te verhuren. Het werd nu bovendien mogelijk om stukken grond van vier acres ter beschikking te stellen.

De huurders moesten het zelf bebouwen. Er mocht geen tuinhuisje geplaatst worden, maar wel een berghok, broeikas of varkenshok. In 1892 verhuurden op basis van de wet 56 agrarische districten en vier gemeenten aan 2891 arbeiders 1207 acres land. Het was een kleine aanvulling op de tuingrondverhuring door particulieren, die door het bestaan van de wet wel werden gestimuleerd. In hetzelfde jaar waren er in Engeland en Wales bijna 450.000 particuliere arbeiderstuinen[68].

In 1908 werd de wet vervangen door de ‘Small Holdings and Allotments Act’. Het principe, dat iedere Engelsman recht had op een tuin werd daarin verder uitgewerkt. Het karakter van de nutstuin bleef: het kweken van groenten, aardappelen en fruit stond voorop, bloemen en struiken waren zeldzaamheden. Op de tuinen mochten kippen, konijnen, en (vanaf 1950 alleen na toestemming van de gemeente) varkens worden gehouden. Zomerhuisjes en weekendverblijf waren in de jaren vijftig nog ongebruikelijk; plantsoenen, grasvelden en speelgelegenheid voor kinderen waren bij wet verboden[69].

Het initiatief van Collings en enkele op landverdeling gerichte utopisch-socialistische pogingen in Engeland hebben het Nutsbestuur, onder voorzitterschap van Quack, geïnspireerd om de tuingrondverhuring in ons land sterker te gaan stimuleren.

  1. Landontginning en tuingrondverhuring.

De ‘allotments’beweging hing nauw samen met het idee dat je armoede kon bestrijden door armen om te vormen tot keuterboeren. Daarop was de verruiming tot akkers van vier acres gericht. Ook in ons land was dit een gebruikelijk middel om in tijden van crisis de armoede te bestrijden.

Telkens wanneer werkloosheid in de stad en/of op het land of door tekorten ontstane hoge voedselprijzen daartoe aanleiding gaven, werd vanaf het eind van de 18e eeuw tot na de Tweede Wereldoorlog in het laten ontginnen van woeste gronden of het ter beschikking stellen van landbouwakkers een belangrijke economische en zedelijke oplossing voor de problemen gezien.

De in de zeekleigebieden al eeuwenlang verregaand gerationaliseerde veeteelt aan de ene kant en de toegenomen arbeidsreserve aan de andere kant waren geen stimulansen voor de vorming van een arbeidersstand in vaste loondienst. Die was er wel, maar zeer beperkt, en had het veelal niet slecht. De resterende klussen werden op een dagloon of via aanneming uitbesteed aan landarbeiders, die in sommige gebieden (vooral in Friesland) nauw opeen gepakt woonden in de kommen van de stadjes en dorpen of in aparte arbeiderswijkjes, meestal in tuinloze huisjes. De geografische afstand ver­grootte natuurlijk ook de persoonlijke afstand tussen werkgevers en arbeiders, terwijl het grote arbeidsaanbod voor lage lonen en voor periodes van werkloosheid in de zomer zorgden. Net als al eerder in Engeland was geconstateerd, waren grote boeren en landarbeiders niet genegen een stukje van hun grond te verhuren aan deze landloze arbeiders.

Veel grond (en ook dat was al eeuwenlang het geval) was in handen van ‘buitengeërfden’, grondei­genaren die elders in de stad woonden. Deze werden niet geconfronteerd met de gevolgen van de armoede en droegen niet bij aan de plaatselijke kerkelijke fondsen of burgerlijke kassen, waaruit de armen bedeeld werden.

In Engeland was de industrialisatie volop op gang, en hadden werkloze landarbeiders het alternatief om naar de stad te trekken. In ons land was vanaf ongeveer 1750 de stedelijke werkgele­genheid, en dan vooral aan de onderkant van de arbeidsmarkt, hard teruggelopen. Veel armen zochten juist weer op het platteland een zekerder toekomst: de steden liepen leeg.

Serrurier had in 1807 gepleit voor een modernisering van de landbouw door naast de grote boeren en landeigenaren een klasse van plattelandsarbeiders te creëren, die geheel en al zou kunnen bestaan van het loon dat ze verdienden op rationeel geleide grote bedrijven waar altijd werk was. Het veronderstelde[70]:

“dat mijn eigen landbouw van dien aard is, dat ik hem [de daghuurder] altijd werk kan verschaffen. Hij behoeft dan nimmer ledigen tijd over te hebben; zoo dra hij werken wil, dat hij om geld werke; en wanneer hij dubbel werken wil, dat hij dan dubbel geld verdiene; maar dat men hem nimmer, door hem vooral SLECHT land te verhuren, of te laten huren, aan het zekere gevaar blootstelle van zijn zweet vergeefs te verspillen, en achteruit, in plaats van vooruit te gaan.”

Hij bestreed daarmee overal opduikende plannen om de twee groepen keuters (zij die alleen maar een eigen keuterbedrijfhfje hadden en zij die naast hun bedrijfje elders als dagloner werkten) vooruit te helpen door ze meer grond te geven, plannen die ook bij werden ondersteund door Jan Kops, die in 1815 tot een van de eerste hoogleraren landhuishoudkunde was benoemd.

Serruriers ideeën voor een moderne, rationale en door en door kapitalistische landbouw liepen wat dat betreft te ver vooruit, omdat de agrarische bevolking te veel in omvang toenam. De oplos­singen om wat aan de armoede te doen, werden dan ook vooral in de agrarische sector ge­zocht. De in wezen anti-moderne methoden om dagloners en keuters sterker te verbinden met de naturale economie wonnen het, en tot ver in de 20e eeuw probeerden allerlei groeperingen hieraan vorm te geven. Werkloze stadsbewoners moesten worden omgevormd tot keuters, tuinloze landarbeiders hoefden wellicht via het verstrekken van een lapje grond voor de verbouw van hun wintervoorraad geen aanspraak meer te maken op de voortdurende periodes van bedeling, en keuterbedrijfjes konden misschien wel worden uitgebouwd tot een rendabel tuinbouwbedrijf. Tot de aangedra­gen oplossingen hoorden landbouwkolonies, ontginningsprojecten, het fokken van konijnen, ‘gaarderijen’ en arbeiderstuinen.

  1. Ontginningsarbeid als werkverschaffing.

Al in de 18e eeuw gingen er stemmen op om armen te helpen door ze heidevelden en duingebieden te laten ontginnen, en ze vervolgens op deze slechte gronden marginaal te laten keuteren, zoals Serrurier vaststelde. Hij kon niet weten, dat enkele decennia later kunstmest, omstreeks 1840 door Justus van Liebig ontdekt, de mogelijkheden om deze streken te ontginnen zouden gaan vergroten. Daar kwam bij, dat verbeterde transportmogelijkheden het vervoer van mest en vuil uit de steden naar het platteland rendabel maakten.

De Oeconomische Tak van de Hollandsche Maatschappij van Wetenschappen kwam eind 18e eeuw met verschillende plannen om de armoede met landbouwprojecten aan te pakken (de eveneens gepropageerde armenfabrieken liepen al spoedig op een mislukking uit). Zijderup­splantages en duingrondontginning (met dat laatste werd onder andere in Bloemendaal een begin gemaakt; de naam ‘Schapenduinen’ stamt hiervan af) werden als oplossing aangedragen. [UITWERKEN IN NOOT]

In 1818 richtte Johannes van den Bosch de ‘Maatschappij van Weldadigheid’ op. Doel was om arme stadsbewoners in kolonies door het verschaffen van arbeid ‘op te beuren en tot eene hogere beschaving, verlichting en werkdadigheid op te leiden’. De eerste proefkolonie was Frederiksoord. Daar kregen de overgeplaatste gezinnen een ingerichte woning, een stuk half ontgonnen land en koloniale kleding. De vader en zijn oudere zonen moesten op het land werken (een deel van de opbrengst was bestemd voor eigen verbruik), de moeder en dochters moesten vlas spinnen, en de zonen onder de zestien moesten wol spinnen. Onderofficieren oefenden toezicht uit. Had een gezin de kosten van deze vorm van hulpverlening terugverdiend, dan mochten ze vertrekken en zich eventueel vestigen in een ‘vrijwillige kolonie’.

In 1819 werd voor bedelaars de kolonie Ommerschans geopend, en het jaar daarop kwamen in Drenthe Willemsoord en Wilhelminaoord erbij. Erg veel vrijwilligers waren er niet; de kolonies werden aanvankelijk gevuld met door de stedelijke overheden gestuurde armen. Vanuit de kolonies werden grote stukken heide ontgonnen[71].

Er kwamen ook andere ontginningsinitiatieven. Zo werd in Den Haag in 1847 door de samen­werkende kerkelijke en burgerlijke armbesturen de zogenaamde Duincommissie opgericht. Deze commissie begon in de duinen bij de Pompstationweg een project, waarbij armen als werkverschaffing ‘duinaardappelen’, bestemd voor de verkoop, konden verbouwen. In 1903 bezocht Bruinwold Riedel deze velden, waar dat jaar 210 gezinshoofden werk vonden. Die gezinshoofden konden worden aangewezen door de kerken en armbesturen, of door particulie­ren die het werk van de Duincommissie met donaties ondersteunden: voor iedere ¦ 30,- mocht een donateur zijn eigen armlastige aanwijzen. In die tijd werden er ‘janboersche witten’ en ‘breemer rooden’ verbouwd, maar de verbouw was niet rendabel. Het waterbedrijf onttrok daarvoor te veel water, terwijl de grond, ondanks de bemesting van de in de nabijheid gelegen vooral uit vissenkoppen bestaande vuilnisbelt van Scheveningen, matig van kwaliteit was.

De werklieden verdienden, afhankelijk van hun functie, ¦ 4,80 tot ¦ 5,40. Regende het erg hard, dan mochten ze in de loods, waar ze gratis koffie konden drinken, een schuilplaats zoeken[72].


Figuur 1: Vincent van Gogh, Duinmannetjes graven het Haagse Dekkersduin af.


In 1894 werd de ‘Oranjebond’ opgericht met als doel armen aan een arbeiderswoning met een stuk grond erbij te helpen. Proeven daartoe op het Hofveld bij Apeldoorn en bij Hattem werden geen succes: de belangstelling ervoor was gering. Daarom werd besloten om als vorm van werkverschaffing heidegronden in bossen te veranderen, deels in gebieden waar men de laatste decennia probeert de bossen in ‘natuurlijke’ heidevelden te veranderen. De door de Haagse mejuffrouw Van der Hucht opgerichte ‘Kwartgulden-vereeniging’ zamelde daartoe de beno­digde gelden bijeen; ze kreeg dan ook een bij Apeldoorn aangelegd bos naar zich vernoemd. Bij Havelte, Borger en Hilvarenbeek werden, met behulp van de Heidemaatschappij (nu Arcadis), andere bossen aangelegd.

Ook de Erica-stichting werd door de bond opgericht. Midden op de heide werden boerderijen gebouwd met ieder vier hectare grond, waarop een arme mocht proberen een bestaan op te bouwen[73].

In Drenthe stelde men aan het begin van de 20e eeuw in toenemende mate de onvruchtbare weidelanden ter beschikking van arme landarbeidersgezinnen, die daar dan een keuterbedrijfje op konden beginnen. De weilanden werden met behulp van kunstmest omgevormd tot aardap­pelveld, en met wat kippen en schapen erbij kon de vroegere dagloner trachten zijn hoofd boven water te houden[74].

Ten onrechte werd dan ook in 1936 in een officieel regeringsboek de ‘sociologische’ kantteke­ning gemaakt, dat werkverschaffing een betrekkelijk nieuw begrip was. Weliswaar behoorden toen tot de ondernomen activiteiten onder andere pogingen om de landbouw te rationaliseren, vooral met behulp van ruikverkavelingsprojecten. Maar ook nu weer werden zandverstuivingen en ‘waardelooze veenterreinen’ in fraaie bossen en voortreffelijk bouwland omgevormd en werd het Land van Vollenhove van moerasgebied in akkerland veranderd. Overwogen werd om de laatste turfgronden in Drenthe af te graven (en de turf te gebruiken voor elektrische centra­les) en het afgegraven land te doen bebouwen met vooral fabrieksaardappelen. In de weg stond het probleem, dat de vraag naar deze aardappelen te zeer was gedaald. Wel rees in die jaren ‘als uit een kinderbouwdoos’ de modelkolonie Witteveen uit de grond, waar werkloze bewo­ners van Emmen konden beginnen als boerenarbeider om zich op te werken tot ‘klein-landbou­wer’[75].

  1. Gaarderijen.

De burgemeester van Het Bildt, kwam op grond van zijn onderzoek naar de verschillen in armoede tussen Friesland en Overijssel tot een heel ander plan. Hij nam het initiatief om de gemeente te ontwikkelen tot tuinbouwgemeente.

Het Bildt kende tot 1880 zeer rijke boeren en relatief welvarende landarbeiders, maar vanaf 1885 was er sprake van grote werkloosheid. In 1890 brak er de eerste georganiseerde landar­beidersstaking uit, georganiseerd door de plaatselijke aan Domela Nieuwenhuis’ Sociaaldemocratische Bond gelieerde vakvereniging ‘Broe­dertrouw’. De staking leidde ertoe dat werkgevers voortaan gezamenlijk op zouden treden tegen stakingen. Er werd bovendien een minimumloon afgesproken: de beste arbeiders moesten minstens tien cent per uur verdienen[76].

In 1896 begon de gemeente daar met een zeer bijzondere vorm van tuingrondverhuring: een aan de gemeente gelieerde stichting zou in de loop van enkele decennia zoveel mogelijk grond (het doel was 80%) verwerven om deze uiteindelijk aan de gemeente over te dragen. De reeds verworven percelen werden in kleine stukken verdeeld en als tuin­grond tegen een jaarlijks rendement van 4% in pacht gegeven aan de talloze werkloze arbeiders in de gemeente.

[Dit hoofdstuk: WEG, OF VERDER UITWERKEN]

  1. Meer arbeiderstuinen.

Het Nut was niet de enige liefdadige instelling die iets deed aan tuingrondverhuur, ook de Friese ‘Vereeniging door Arbeid tot Verbetering’ was hier actief mee bezig. De vereniging was in 1894 opgericht om wat te doen aan de armoede in Friesland, en was een reactie op de groter wordende onrust onder de landarbeiders, zoals de staking in Het Bildt.

Eén van de oprichters, A.J. Andreae, had het jaar daarvoor al gepleit voor ‘kolonisatie binnen de grenzen’, en die gedachten werden op 16 juli 1894 door hem verder uitgewerkt, waarbij de Utrecht­se ‘Oranjebond’ model stond. De landarbeid moest productiever, onontgonnen gronden moesten in cultuur worden gebracht, dagloners aan het werk gesteld voor het onderhoud van vaarten, sloten en wegen. Ook arbeiderswoningen zouden verbeterd moeten worden, terwijl er meer gelegenheid voor arbeiders moest komen om akkertjes te huren[77]. Deze vereniging stelde in 1901 een overzicht samen van de activiteiten op het gebied van tuingrondverhuur in Friesland, en pleitte daarbij voor het vaststellen van een huurprijs op basis van een renderend percentage van de waarde van de grond vermeerderd met de vaste lasten. Want vermeden moest worden, dat tuingrondverhuring een vorm van liefdadigheid leek[78].

Toch had het alle kenmerken van de paternalistische liefdadigheid. Als doel werd vaak de ‘zedelijke verheffing’ van de arbeiders genoemd, nog niet door ze in contact te brengen met ‘de natuur’: het ging nog niet om stadsbewoners maar om arme plattelanders. Nee, het ging om spaarzaamheid en zelfredzaamheid: wie zijn eigen wintervoorraad kon aanleggen, hoefde ’s winters geen beroep te doen op de armenkassen. De mooie doelstellingen verhulden dus berekenend eigenbelang van diegenen die die kassen moesten vullen. En ze hoefden zich niet druk te maken over werkgelegenheid of de hoogte van de lonen.

De doelgroep was meestal ook duidelijk omschreven:[ThK1]  arbeiders in het algemeen of ‘oppassende arbeiders’, ‘arbeiders die ’s winters gebrek aan werk hebben’, ‘minvermogenden, die 2 jaar in de gemeente wonen’, een enkele keer ook ‘kleine burgers’. In de loop van het jaar inspecteerde een commissie van het Nutsdepartement, de directeur van de spaarbank of de diakenen en armvoogden van de kerk één of meerdere keren de tuinen. Soms waren er premies op goede verzorging, vaak ook kon een huurder zijn tuin kwijt raken als hij niet zo zijn best deed, zich niet betamelijk gedroeg of betrapt werd op misbruik van sterke drank. De algemene beloning van goede huurders was het recht op huur­verlenging[79].

Ook waren er beperkingen in het gebruik van de grond. Natuurlijk was werken op zon- en algemeen christelijke feestdagen in het algemeen verboden. De gemeente Broek in Waterland eiste, dat er vooral groenten die als wintervoorraad konden dienen werden verbouwd: aardap­pelen, erwten, bonen, kool. De huurders moesten er zelf voor mest zorgen, zodat het toch al om zijn ‘übertriebene Reinlichkeit’ vermaarde dorp naarstig van de laatste restjes straatvuil werd gereinigd[80].

In het Zeeuwse Wissekerke bepaalde het Nutsdepartement het aantal minimaal en maximaal te verbouwen gewassen: tussen de twee en de vier. Het minimum was om het risico van misoogsten te beperken, het maximum om te kleine opbrengsten te voorkomen. Bovendien moest iedere tuinder verplicht zijn eigen mestvarken hebben. Dat zorgde voor voldoende mest, en zette aan tot sparen[81].

Vaak was ook bepaald, dat de tuinen alleen door gezinsleden mochten worden bewerkt (dat versterkte tegelijkertijd de familiezin), en dat de opbrengst slechts voor eigen gebruik was. Vermeldenswaard is daarom het initiatief van de Christelijke Werkliedenvereeniging Marrum en Nijkerk. Die koppelde aan de door haar verhuurde arbeiderstuinen juist een fabriek voor verduurzaamde levensmiddelen, waaraan de tuinders hun producten konden leveren. Vijfentwintig van hen deden dat, en de fabriek werd dan ook een groot succes genoemd[82].

Rondom de eeuwwisseling begonnen grotere gemeenten de arbeiderstuinen te ontdekken als middel van armoedebestrijding onder stedelijke arbeiders. In 1896 gaf de gemeente Goes een groot gebied in erfpacht aan het plaatselijke armbestuur. De grond was ter beschikking geko­men na de sloop van de schansen en het dempen van de grachten. Als (winterse) werkverschaf­fing was dat omgewerkt tot bouwland, en een deel ervan was geschikt voor de teelt van aardappelen. De betrokken werklozen en andere (gedeeltelijk) werkloze arbeiders konden het huren. Het bleek een probaat middel te zijn om ‘de besten onder de bedeelden’ onafhankelijk van het armbestuur te maken[83]. Overigens was het slopen van de stadsmuren als werkverschaffing al een oude traditie voor steden die niet langer als vesting dienden[84]. Het internationale congres over arbeiderstuinen in Parijs nam in 1903 een op Frank­rijk gerichte resolutie aan om alle militaire versterkingen rondom de steden om te zetten in tuingrond voor de armen. Bruinwold Riedel kon op dat congres op het voorbeeld van Goes wijzen[85].

  1. Kritiek op arbeiderstuinen.

Er was ook kritiek op de arbeiderstuinen. Er waren geluiden, dat de man te weinig vrije tijd had om de tuin te verzorgen, zodat zijn echtgenote erop moest werken. Die verwaarloosde dan huishouden en kinderen. Er was kritiek op deze vorm van verlenging van de arbeidsdag, en uit socialistische kring wees men erop, dat het hebben van een tuin voor werkgevers een goed argument was om te lage lonen te betalen.

Inderdaad waren er ook werkgevers die, al dan niet om deze reden, tuinen ter beschikking stelden van hun personeel. De spoorwegmaatschappijen verschaften hun werklieden vaak een woning en waar het kon ook een stuk grond voor het verbouwen van aardappels en groenten. De Hollandsche IJzeren Spoorweg Maatschappij verpachtte haar gronden langs de lijn Utrecht-Hilversum aan de Anti-Sociaal-Democratische Bond van Nederlandsch Spoorwegpersoneel ‘Recht en Plicht’. Uitdrukkelijke werd daarbij bepaald, dat personeel dat lid was van een vijandige vereniging, er geen tuin mocht huren[86].

De Delftse fabrikant Van Marken, niet bepaald bekend als een asociale werkgever, had bij zijn ‘cité ouvrière’ Agnetapark een terrein gereserveerd voor ‘jardins potagers’. Voor ¦ 1,75 per 100 m² huurden in 1899 negentien arbeiders het één hectare grote terrein. Eens per jaar, gecombineerd met de tentoonstelling van de aan zijn wijkje verbonden Floralia-vereniging, kregen de beste tuinders en de bewoners die de mooiste achtertuin bij hun huis hadden, een prijs[87]. Sier- en nutstuinen: we zitten aan het begin van de op recreatie gerichte volkstuinbeweging.

In Kinderdijk nam de industrieel Jan Smit het initiatief om via het Nut tuinen te verhuren, tuinen die op, den duur in eigendom konden worden verkregen. In Vriezenveen kregen de arbeiders van textielbedrijf Jansen en Tilanus een huis met tuin in huur.



[1]. Vermooten (1958).

[2]. Jansen (1967), p. 1-2.

[3]. Commissie Volkstuinwezen (1958), p. 8.

[4]. Heemstra (1919), p. 7; Commissie Volkstuinen (1958), p. 8; Jansen (1967), p. 3; Zantkuijl (1975), p. 16; Helsloot (1984), p. 105.

[5]. G.K. van Hogendorp, Bijdragen tot de huishouding van Staat, 2e dr., I, p. 94, geciteerd in  Blink (1904), p. 295.

[6]. Blink (1904), p. 295-297.

[7]. Serrurier (1807). Citaat op p. 104.

[8]. Van der Poel (1981), p. 162-163. Henri-Louis Duhamel du Monceau, Traité de la culture des terres, suivant les principes de M. Tull Anglais. Nouv. ed. corrigée et augmentée. Paris: H.L. Guerin & L.F. Delatour, 1753-1757. De Nederlandse vertaling: Tull en Du Hamel du Monceau (1762-1765).

[9]. Blink (1904), p. 354-355, vooral op basis van zijn in 1810 verschenen Grundsätze der rationellen Landwirt­schaft. Hij was de eerste die de voedingswaarde van gewassen probeerde te berekenen. Zo berekende hij, dat 100 kilo hooi gelijk stond aan 200 kilo aardappelen.

[10]. Serrurier (1807), p. 94-111.

[11] Klaus Bergmann, Agrarromantik und Grossstadtfeindschaft. Meisenheim am Glan: Hain, 1970.      Marburger Abhandlungen zur politischen Wissenschaft, Bd. 20

[12]. Bouman en Bouman (1952), p. 31.

[13]. Blink (1905), p. 551; zie ook Roland Holst (1932), I, p. 117-118.

[14]. Schorer van de Souburgen, e.a., in Tijdschrift voor Statistiek en Staathuishoudkunde, 1848, geciteerd in Blink (1904), p. 551-552.

[15]. Bruinwold Riedel (1905), p. 120.

[16]. Bergsma (1896), p.29.

[17]. Drieling (1853), p. 413-414.

[18]. Hooijer (1847), p. 3, 4, 20. Hierin ook het verslag van N. Naeff, p. 23.

[19]. Hartog (1866), p. 75, 141.

[20]. Roland Holst (1932), I, p. 120; Van Aalst (z.j.), p. 54.

[21]. Enschedese Courant, 14 augustus 1861, geciteerd in W.Jappe Alberts en J.M. van Winter (1959), p. 79-83.

[22]. Heldring (1845), p. 12-13.

[23]. Hooijer (1847), p. 28.

[24]. Hartog (1866), p. 135.

[25]. Roland Holst (1932), II, p. 43; De Regt (1984), p. 21. Zie ook bijvoorbeeld de expliciete vraag en verschillende antwoorden op de door F. Domela Nieuwenhuis in 1880 gehouden enquête (Welcker (1978), m.n. p. 168).

[26]. Bruinwold Riedel (1905), p. 148.

[27]. Bergsma (1896).

[28]. Bergsma (1896), p. 29.

[29]. Braudel (1990), p. 270.

[30]. Braudel (1990), p. 270-272.

[31]. Oliemans (1988), p. 226-228.

[32]. Van Bavegem (1781), p. 12, 23.

[33]. Heldring (1845), p. 9, 21-25.

[34]. Slicher van Bath (1987), p. 294.

[35]. Braudel (1990), p. 175.

[36]. Foeke Sjoerds, Algemene beschrijvinge van oud en nieuw Friesland […].  Deel I. Leeuwarden: Pieter Koumans, 1765. P. 166-167.

[37]. Oliemans (1988), p. 225-252. Zie ook Joor (1986), p. 70-71.

[38]. Geciteerd door Rogier (1948), p. 16.

[39]. Van der Tuuk (1805), p. 38.

[40]. Van der Tuuk (1805), p. 107.

[41]. Braudel (1990), p. 270-272. Zie over de koningin: Schama (1989), p. 199; Oliemans (1988), p. 159-162, 234.

[42]. Van Otterloo (1990), p. 15-16. Zie ook: Brugmans (1978), p. 154; Roland Holst (1932), I, p. 38-39.

[43]. Heldring (1845), p. 6-8.

[44]. Heldring (1845), p. 12.

[45]. Slicher van Bath (1987), p. 296. Zie ook: Clapham (1988), p. 14, 68.

[46]. Heldring, Leven en arbeid, II, p. 120 e.v., geciteerd in Roland Holst (1932), I, p. 114.

[47]. Looper en Mes (1988), p. 15.

[48]. Citaat uit Hooijer (1847), p. 3-4. Zie ook Van Otterloo (1990), p. 14-15.

[49]. Verslag van de leraar J.A. Carlier in Hooijer (1847), p. 10-17.

[50]. Heldring, Leven en arbeid, II, p. 120 e.v., geciteerd in Roland Holst (1932), I, p. 114-115.

[51]. Hooijer (1847), p. 18.

[52]. Van Otterloo (1990), p. 15; Slicher van Bath (1987), p. 296.

[53]. GAA, P.A. 211, archief van het hoofdbestuur van de Maatschappij tot Nut van ‘t Algemeen, nr. 262: brief departement Uithuizen aan het hoofdbestuur, 24 april 1886.

[54]. Slicher van Bath (1987), p. 296.

[55]. Maatschappij tot Nut van ‘t Algemeen (oktober 1847), p. 3.

[56]. Bruinwold Riedel (1905), p. 103-105.

[57]. Het jaartal 1838 is afkomstig van Bruinwold Riedel. Hij vermeldt dit in zijn overzichten van 1896 en 1905, maar werd verkeerd geïnformeerd of vergiste zich: in 1838 werd de spaarbank opgericht (De spaarbank  Franeker, z.j.). Bruinwold Riedel (1905), p. 197, noemt echter ook als startjaar 1852, op basis van gegevens van het departe­ment Franeker. Daarmee past Franeker in de ver­onderstelling, dat de aardappelcrisis de aanzet tot de oprichting van de arbeiderstuinen was. Het foutieve jaar 1838 is door alle latere geschiedschrijvers overgenomen. Zie voor het juiste jaartal (1850) en de feitelijke gang van zaken De spaarbank Franeker (1938), p. 26-27.

[58]. Citaat uit de Notulen bestuur der Spaarbank te Franeker, d.d. 20 juli 1850, geciteerd in De Spaarbank Franeker (1938), p. 27, alwaar ook de overige gegevens. Een pondemaat (een oude Friese vlaktemaat) is 36,78 are.

[59]. GAA, P.A. 211, archief van het hoofdbestuur van de Maatschappij tot Nut van ‘t Algemeen, nr. 262: brief departement Pekela aan het hoofdbestuur, 22 april 1886. Daar ook het oudste door mij gevonden huurreglement (1854).

[60]. Bruinwold Riedel (1905), p. 100-103, bijlage III. Zie ook: Bruinwold Riedel (1896).

[61]. Blink (1904), p. 433-449.

[62]. De Vries en Van der Woude (1995), p. 264.

[63]. Zie Bruinwold Riedel (1905), p. 127.

[64]. Mijnhardt en Wichers (1984), p. 418.

[65]. Helsloot (1984), p. 79-81.

[66]. Serrurier (1807), p. 88-89.

[67]. Serrurier (1807), p. 91.

[68]. Bruinwold Riedel (1905), p. 17-26. Een acre is 40,47 are.

[69]. Commissie Volkstuinen (1958), p. 25.

[70]. Serrurier (1807), p. 104.

[71]. Van Loo (1981), p. 431-432.

[72]. Bruinwold Riedel (1905), p. 149-152.

[73]. Bruinwold Riedel (1905), p. 154-155; Andreae (1894), p. 12.

[74]. Bruinwold Riedel (1905), p. 156-157.

[75]. Van Balen (1936), p. 100, 104-105,134-140.

[76]. Oudegeest (1926), p. 113.

[77]. Andreae (1894), p. 8, 10-12.

[78]. Bruinwold Riedel (1905), p. 124-126.

[79]. Zie bijlage III en p. 125 in Bruinwold Riedel (1905).

[80]. Baedeker (1888), p. 358. Bruinwold Riedel (1905), p. 138.

[81]. Bruinwold Riedel (1905), p. 114.

[82]. Bruinwold Riedel (1905), p. 120-121.

[83]. Bruinwold Riedel (1905), p. 135-136.

[84]. Van der Woud (1987), p. 334-336.

[85]. Bruinwold Riedel (1905), p. 180, 188.

[86]. Rüter (z.j.), p. 188-189; Bruinwold Riedel (1905), p. 152-154.

[87]. Van Marken (1900), p. 19, 55.


 [ThK1]Anders formuleren, plus gedegen litt. verwijzing.

Floralia en Park Frankendael

Floralia en Park Frankendael

Een rustig en beschaafd gezelschap, dat hier vandaag op Frankendael aanwezig is. Dat was bijna op de dag af 139 jaar geleden, op woensdag 3 september 1873, wel anders. Toen renden er hier honderden kinderen rond. Ze klommen in palen, waren aan het koekslaan,  aan het zaklopen, ringsteken,  deden gymnastiekoefeningen of liepen achter de muziek aan. En dat alles voor mooie prijzen: suikerbroden, hele hammen, zelfs een zilveren horloge. Het waren niet zomaar kinderen. Nee, ze waren afkomstig uit de meest deplorabele Amsterdamse achterbuurten en hadden, als ze uit de Jordaan kwamen,  meer dan een uur moeten lopen, soms op blote voeten, naar deze ver buiten de stad liggende buitenplaats. (Velen kwamen wellicht voor het eerst buiten de stad of zelfs buiten hun buurtje.) Ze deden aan de kinderspelen mee omdat hun ouders aan de Floralia-tentoonstelling en -wedstrijd meededen. Wat was dat?

Een jaar eerder had een Zwolse adellijke weduwe, de douairière Backer, samen met haar tuinman, aan de armen in de stad stekjes van geraniums, fuchsia’s, dahlia’s uitgedeeld die ze moesten opkweken voor een wedstrijd in het najaar.  Wie de mooiste planten inleverde, kon een prijs winnen: een geldbedrag of een diploma.

Een briljant idee, vonden verschillende groepen vooraanstaande Amsterdammers. Om te beginnen de mannen van de tuinbouwmaatschappij Linnaeus, vijf jaar eerder opgericht en al direct koninklijk, en hier gevestigd op Frankendael. Linnaeus  timmerde hard aan de weg. Er kwam een school met internaat,  kassen,  een weekblad. Het sponsoren van zo’n kweekwedstrijd is een mooie vorm van reclame, zal men gedacht hebben.

Linnaeus benaderde de Vereeniging tot Veredeling van het Volksvermaak, die een jaar eerder door dominee Hugenholtz was opgericht. Na decennia actie tegen de jaarlijkse kermis had de gemeenteraad besloten deze binnen enkele jaren op te heffen. Die kermis was in de ogen van velen een bron van ernstige verdorvenheid en ellende, vooral voor de werkende stand. Bizar dus, dat men verwees naar de  Romeinse lentefeesten ter ere van Flora. Die Floralia overtroffen in losbandigheid en verdorvenheid alle Amsterdamse kermissen bij elkaar. In Rome draaide het om openbare sex en gratis drank en gedoe met dieren in het Circus Maximus. Maar goed: in Amsterdam  waren er alternatieve feestelijkheden nodig en Volksvermaak nam die taak op zich.

De derde club die meedeed was het departement Amsterdam van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen, onder leiding van dominee Perk (de vader van dichter Jacques Perk). Het Nut bevorderde al bijna honderd jaar spaarzaamheid en huiselijkheid. Op 13 maart richtte Perk met tien heren van stand in lokaal de Karseboom het comité Floralia op. Een collecte onder hun standgenoten leverde 1000 gulden op, genoeg om de stekjes te subsidiëren, maar minder dan gehoopt. Linnaeus stelde daarom dit terrein, Frankendael, om niet ter beschikking voor de tentoonstelling, het kinderfeest en alles wat erbij kwam kijken.

Op zes plekken in de stad konden leden van de werkende stand in het voorjaar van 1873 voor vier cent per stuk stekjes bestellen. Alleen in de Jordaan was er sprake van enige belangstelling. Uiteindelijk haalden 370 mensen hun stekjes op, en die kregen daarbij een toegangsbewijs voor de tentoonstelling én een deelnamebewijs voor twee kinderen voor de kinderspelen.

Op 28 augustus leverden 325 mensen hun opgekweekte planten in. Een jury koos de winnaars, twee dagen later opende  de tentoonstelling haar deuren. Burgemeester Van Tienen van de Watergraafsmeer was daarbij, zijn Amsterdamse collega Den Tex kwam natuurlijk te laat (drukdrukdruk, en best wel ver). Wel op tijd waren de leden van het organiserend comité, herkenbaar aan een groen strikje, zoals ds. Perk, ds. Adama van Scheltema, de filantroop J.F. Wertheim,  C.A.A. Dudok de Wit en H.D. Willink van Collen van Guntherstein.

Op lange tafels stonden de dertienhonderd fuchsia’s, geraniums en begonia’s opgesteld.  Op die eerste dag, een zaterdag, bezochten zo’n tweehonderd mensen de tentoonstelling. De volgende dag kwamen er wel zesduizend opdagen. ’s Avonds werd er een concert gegeven. Om de schaarse stoelen werd nog net niet gevochten, maar een groepje dronkenlappen moest wel door de politie worden verwijderd.

Op maandagavond werden de prijzen uitgereikt. Er waren heel wat prijzen, maar de grote winnaar was ene Ten Napel. De deftige heren moesten wel een beetje lachen om zijn uitspraak van Lineus (rijmt op reus), maar zagen toch dat ze het hart der mindere klasse hadden weten te raken.

Het jaar daarop, 1874, werd het tijdelijke comité omgevormd tot een vereniging, de eerste Floralia-vereniging in Nederland. Men had geleerd van wat er goed en fout was gegaan, en het festijn werd met veel groter succes herhaald. Negenduizend stekjes werden er aangevraagd. Half augustus dit keer opende de tentoonstelling in stromende regen, en weer hier op Frankendael. Op woensdag kwamen honderden kinderen onder leiding van hun onderwijzers chaotisch en zingend naar de Watergraafsmeer gelopen. Ze mochten direct weer terug. Vanwege het slechte weer was het feest uitgesteld naar zaterdag. Het Handelsblad deed van die zaterdag in twee grote artikelen bijna live verslag.

(Uit Het Handelsblad: 1954 kinderen deden er mee met de wedstrijden. 152 kinderen deden mee aan het mastklimmen, 113 liepen er over de boegspriet, 366 sprongen touwtje, 104 wierpen hoepels, bij de poppenkast van L. Sampimon waren 500 plaatsen. Weer was er een muziekkorps (de militaire kapel van Sonneman), en weer waren B&W van Amsterdam en de burgemeester van Watergraafsmeer aanwezig. De regen bleef weg. De prijzen: zilveren horloges, gouden stelletjes, werkdoosjes, breimandjes, zakdoeken, hammen, stoffen om broeken van te maken: er was veel te winnen. Iedereen kreeg een prijs dankzij de loterij zonder nieten. Het was waanzinnig druk in de Watergraafsmeer. Rondom Frankendael stonden handelaren. Op de molenvaart barstte het van de scheepjes. De lanen van het landgoed stonden vol met eenvoudige tentjes van de ouders van de kinderen.)

De stekjeswedstrijd was ook een groot succes. De tentoonstelling stond er beter bij dan het jaar daarvoor: de stekjes stonden nu uitgestald op tafels aan weerszijden van de grote laan daar verderop. Vijftien deelnemers wonnen de eerste prijs: een gouden tienguldenstuk. Dat was voor velen bijna een dubbel weekloon! Een zelfde aantal tweede prijzen (vijf guldenstukken) werden uitgedeeld. De derde prijs was een getuigschrift. Dat getuigschrift werd niet uitgereikt aan P. van der Linden. Die werd betrapt als oplichter: hij had zijn plant niet zelf opgekweekt! Van der Linden maakte pijnlijk duidelijk wat er mis was met de stekjeswedstrijd.  Want wat voor de heren van stand een interessante uit Engeland overgewaaide hobby was: tuinieren, was voor velen in de kelderwoningen en krotten van de Jordaan en andere buurten toch wel iets raars. De helft van de Amsterdammers behoorde tot de werkende stand, een kwart daarvan woonde in éénkamerwoningen in kelders, op zolders enzovoort. In die bedompte hokken ontbrak het aan twee belangrijke voorwaarden voor de plantengroei: licht en water. De plantjes stonden dan ook in dakgoten, op platjes of buiten op de vensterbank (waardoor er nog minder licht binnenkwam). Niet zo gek dat sommigen slim dachten te zijn om voor een paar centen vlak voor de tentoonstelling bij een professionele kweker een plant te kopen en die in te zenden. Als gezegd: er waren mooie prijzen en een behoorlijke kans om er één te winnen: dat konden velen prima berekenen. Er was een kans van misschien wel 1 op 50 op een geldprijs 

Dus moesten de heren van het comité maatregelen nemen. Ze stopten eerst stukjes lood bij de stekjes. Won je een prijs, dan kon met wat graven worden vastgesteld of dat wel terecht was. Makkelijk te vervalsen, natuurlijk. Dus moest men gaan controleren middels onaangekondigde huisbezoeken: stond er wel ergens een fuchsia te groeien? Stekjes bleken een breekijzer om achter de voordeur van de armen te komen: “alle [deelnemers aan Floralia] kunnen dus elk oogenblik de komst van een der [bestuurs]leden verwachten”, en dat alleen al zou zorgen voor netheid en orde, schreef dominee Perk in 1881. Woonbeschaving, huiselijkheid, had hij inmiddels ontdekt,  moest onder begeleiding aangeleerd worden. Huisbezoeken bij armoedzaaiers (het achter de voordeur komen): dat was nieuw. Ongeveer dezelfde tijd begon Liefdadigheid naar Vermogen daarmee in Amsterdam,  naar Duits voorbeeld: het Eberfelder stelsel.

Het Nut komt wellicht door zijn ervaringen met huisbezoeken als deze in 1890 met een zeer invloedrijk rapport over de huisvesting van arbeiders. Het rapport was een belangrijke stap op weg naar de Woningwet. Het Nut stelde in dat rapport vast dat volksopvoeding pas kon beginnen als de volkshuisvesting wordt verbeterd. Betere woningen, maar ook: streng toezicht en huisbezoeken door woningopzichteressen, nu naar Engels voorbeeld (Octavia Hill).

Frankendael was al lang uit het zicht verdwenen. Al snel na het begin verplaatsten de tentoonstellingen zich naar de stad, wellicht vanwege toenemende kritiek op de bazen van Linnaeus: een topzwaar management: drie directeuren en een huismeester waar een enkele huismeester genoeg zou zijn geweest, schrijft iemand in de krant. Professionele kwekers hadden last van de valse concurrentie. Linnaeus ging vanwege financieel wanbeheer niet veel later ten onder. De Floralia-manifestaties waren toen al naar Amsterdam zelf verplaatst, en voortaan zonder de kinderfeesten.

In 1876 waren er ernstige onlusten in de stad geweest vanwege het niet plaatsvinden van de kermis: het kermisoproer. Tien jaar later haalden Jordaners hartje zomer (eind juli) een oud volksgebruik uit de mottenballen: over de Lindegracht werd een levende paling gehangen die vanuit bootjes moest worden losgetrokken. Dat mocht niet. De politie greep hardhandig in. Rellen. De politie werd verjaagd. Het leger werd ingezet. De bewoners bekogelden de soldaten vanuit hun huizen en vanaf de daken met van alles en nog wat, waaronder veel bloempotten met daarin vast en zeker al bijna volgroeide fuchsia’s en begonia’s. Er werd met scherp teruggeschoten: 26 doden, honderden gewonden. De Amsterdamse Floraliavereniging intussen kwijnde weg. In 1908 was het voorbij. Elders, bij voorbeeld in Nieuwe Niedorp, bestaan er nog steeds Floraliaverenigingen.

Theo Kentie

Sept. 2012

Het Dakpark: de voorgeschiedenis

(juni 2018: dit verhaal is volop in ontwikkeling)

 

In het tweede deel van de 18e en het begin van de 19e eeuw groeide Rotterdam onstuimig. De machtige directeur Gemeentewerken G.J. de Jongh probeerde die groei in banen te leiden door steeds weer bijgestelde plannen. Hij werd daarbij uiteindelijk geholpen door de Woningwet van 1901. Die verplichtte het opstellen van uitbreidingsplannen, voorloper van de bestemmingsplannen. In het Uitbreidingsplan van 1903 werd niet alleen de ontwikkeling van de Boschpolder geschetst maar waren ook plannen voor de rest van het buitendijkse gebied van Delfshaven, dat in 1886 geannexeerd was, opgenomen.

Aan de linker Maasoever waren veel nieuwe havens gepland. Reders en verladers wilden ook aan de rechter Maasoever uitbreiding van de havenfaciliteiten, vooral voor stukgoed, vanwege de verbinding met het achterland. Aan de linker Maasoever werden de nieuwe havens door een havenspoorlijn van de Staatsspoorwegen ontsloten. Die ontbrak nog aan de rechterkant. De HIJSM (‘Holland Spoor’) legde daarom een havenspoorlijn aan, die in 1908 gereed kwam, en waarvoor verschillende bedrijven moesten wijken.

Wilton in 1918. Op de voorgrond het havenspoor.

 Ter hoogte van de Havenstraat kwam goederenstation Rechter Maasoever. Aanvankelijk was er nog geen groot rangeerterrein. De eerste nieuwe havens, Parkhaven, Sint Jobshaven en Schiehaven, waren toen al gereed. Voor de aanleg van de Parkhaven moest scheepsbouwer Wilton verhuizen. De nieuwe werf kwam aan de Schiemond te liggen.

In de rivier de Ruigeplaat met doorbraak, dijken en schutsluis.

Voor die Schiemond lag in de rivier een groot eiland, de Ruigeplaat. Die belemmerde de scheepvaart vanuit Delfshaven in toenemende mate. Er was al eens ter hoogte van de Schie een doorbraak gegraven dwars door de Ruigeplaat. Ook werd er een boogvormige dijk over gelegd ter bescherming tegen hoog water, met in het midden in de doorbraak een sluis: de Oostkousdijk en de Westkousdijk.  Op dat eiland stonden bedrijven: de gemeentedrinkwaterleiding, de gasfabriek, zalmvisserij Prins Hendrik. In 1909 werd besloten om naast de geplande Keilehaven een nieuwe gasfabriek neer te zetten. Al eerder was bij de Schiehaven de eerste grote elektriciteitscentrale gebouwd. (In 1930 volgde een nog grotere centrale aan de Galileistraat bij de Merwehaven).

Zalmvisserij Prins Hendrik op de Ruigeplaat, 1903.

De gemeente kocht de Ruigeplaat. De oevers van de Maas werden genormaliseerd (rechtgetrokken)  en dus moest het eiland weg.  Zalmvisserij Prins Hendrik verhuisde naar Schiedam, maar stopte er in 1915 mee, omdat er in de Nieuwe Maas door toenemende vervuiling nauwelijks meer een zalm zwom. In 1912 kwam het groene licht voor de aanleg van Keile-, Lek- en IJsselhaven, gereed in 1916, in 1927 gevolgd door de Merwehaven. De uitgegraven bagger werd gebruikt voor de ophoging van de Boschpolder en andere te bebouwen gebieden. Die Boschpolder werd al snel volgebouwd met vooral woningen, bedoeld voor arbeiders, en vooral gebouwd door particuliere beleggers. Zo werd er in 1914 druk gebouwd aan de Hudsonstraat. In 1912 werd ook besloten tot de aanleg van een groot rangeerterrein ter hoogte van de drie nieuw geplande havens, langs diezelfde Hudsonstraat.

Dat rangeerterrein was al gauw veel te klein. Op dringend verzoek van de Kamer van Koophandel werd het in 1915 fors vergroot. Oversteken ervan werd een probleem voor arbeiders op weg naar de vele bedrijven aan de andere kant. Er werd dus een voetbrug geplaatst, waarna het rangeerterrein met een groot hek werd afgesloten.

Voetbrug over het rangeerterrein ter hoogte van de Catharina Beersmansstraat. Op de achtergrond de Hudsonstraat. Tekening 1942.

Ter ontsluiting van de nieuw ontwikkelde gebieden in het westen van de stad was een brede verkeersweg nodig tussen Het Park en de Schiemond. Het hele dijkvak van de oude zeedijk  tussen Noordschans en stadscentrum werd daartoe in 1909 gekocht van het Hoogheemraadschap Schieland.

Deltaplan.

De nieuwe stadswijken Bospolder en Tussendijken lagen buitendijks. Dat was geen probleem, want het gebied werd opgehoogd tot dijkhoogte met de bagger afkomstig uit de nieuwe havens en van de normalisatie van de rivier. Sta je op de Mathenesserdijk ter hoogte van Spangen, dan zie je het verschil. Spangen, en ook de verderop gelegen wijken Oud-Mathenesse en het Witte Dorp,  ligt meters onder de dijk, in tegenstelling tot Tussendijken aan de andere kant. 

De Watersnoodramp en het daarop volgende Deltaplan had ook voor Rotterdam ingrijpende gevolgen. De Schielandse Hoge Zeedijk tussen Gouda en Hoek van Holland was sinds de aanleg in de 13e eeuw nog nooit doorgebroken, maar had het in de nacht van 31 januari op 1 februari 1953 maar nipt gehouden. Op een enkel punt bleek de dijk te laag en liep ze over, zoals bij het begin van de Honingerdijk. Grote delen van Rotterdam-Zuid waren veel ernstiger onder water komen te staan.

Had de Hoge Zeedijk het niet gehouden, dan was de schade immens geweest: grote delen van Zuid-Holland waren ondergelopen. De Deltawerken begonnen dan ook met de bescherming van dit economisch cruciale gebied. Als eerste werd dan ook de stormvloedkering in de Hollandse IJssel bij Capelle aan de IJssel gebouwd: het verhogen van de dijken ten oosten ervan was te duur en zou te veel tijd vergen. Tegelijkertijd werd besloten, dat de Schielandse Hoge Zeedijk ten westen van de stormvloedkering fors zou moeten worden verhoogd. Die dijk liep dwars door Rotterdam: Schaardijk, Nesserdijk, Honingerdijk, Oostzeedijk, Hoogstraat, Westzeedijk, Havenstraat, Mathenesserdijk en de Schiedamseweg na het Marconiplein. Door de verhoging verdween de kern van Kralingseveer. Maar waar de dijk in de stad geïntegreerd was geraakt, was verhoging niet mogelijk zonder grote gevolgen voor complete woonwijken en het hele stadscentrum. De aanleg van de Maasboulevard was de oplossing voor het oostelijk stadsdeel en het centrum. De Westzeedijk werd opgehoogd. Tussen Vasteland en Maastunnel over de gehele breedte: de panden aan de zuidzijde liggen lager dan de dijk. Tussen Parksluizen en Hudsonplein werd alleen het fietspad aan de zuidzijde verhoogd.

Een ander bebouwd gedeelte bestond uit Havenstraat en Mathenesserdijk. Daar was een bypass de oplossing: een dijk tussen Westzeedijk en Marconiplein langs het rangeerterrein in de Hudsonstraat. Begin jaren zestig werd deze dijk aangelegd. Deze dijk maakt nu deel uit van het Dakpark.

 

 

 

Komt eraan:

Russen en andere vluchtelingen.

Sinds het begin van de Eerste Wereldoorlog in 1914 was Rusland in oorlog met Duitsland. Het was de eerste grote oorlog, waarin oorlogvoerende landen krijgsgevangenen humaan moesten behandelen. Dat lukte nog niet overal en altijd. Vaak gaven zulke grote groepen soldaten zich tegelijk over, dat ze voor het gemak massaal werden doodgeschoten. De gelukkigen belandden in kampen. Al gauw waren er heel veel krijgsgevangenen in overvolle kampen. Ook was de voedselsituatie in de meeste oorlogvoerende en omliggende landen al gauw dramatisch slecht, voor de gewone burgers, en dus ook voor de krijgsgevangenen. Rusland behandelde Duitse gevangenen heel erg slecht: er was nauwelijks voedsel, de manschappen kregen geen kleding. Als vergelding werden de Russen in Duitsland ook slecht behandeld. Ze kregen ook nauwelijks te eten, zaten in de slechtste kampen, deelden met drie man een matras in beroerde barakken.  Men was bovendien overgeleverd aan willekeur: niet alle bewakers gedroegen zich beschaafd. En er heersten in de  kampen ernstige epidemieën.

In Duitsland zaten aan het eind van de oorlog ruim twee miljoen soldaten gevangen. Anders dan in Engeland was ontsnappen niet zo moeilijk. Veel Russen, Polen en andere gevangenen lukte dat. Het neutrale Nederland was dan vaak de bestemming, in de hoop vandaar via Engeland terug te keren naar eigen land. Dat bleek niet zo makkelijk: internationaal reizen was bijna onmogelijk geworden. En dus bleven ze hier, vooral in havenstad Rotterdam. Er waren ook vluchtelingen en deserteurs uit andere oorlogvoerende landen, maar Russen vormden de grootste groep. Het ging overigens niet alleen om ontsnapte krijgsgevangenen, maar ook om gevluchte burgers en studenten die in een van de oorlogvoerende landen hun studie moesten onderbreken.

Russische vluchtelingen worden geregistreerd in het Russische Consulaat.

Al gauw, begin 1917, diende weduwe Frederica Meijwes-Altona zich aan om de Russen in haar hotel Wilson in de Hudsonstraat onder te brengen. Dat was geen naastenliefde: het Russisch consulaat betaalde de opvang: 1,50 à 2,00 gulden per dag aan logementkosten. Soldaten kregen daarnaast hun soldij van 25 à 50 cent per week. Het hotel was al gauw te klein. De weduwe huurde daarom panden in Schippersstraat, Haspelsstraat en Hudsonstraat. De daar wonende huurders werden, er was geen enkele vorm van huurbescherming, op straat gezet. 

 

Het voormalige hotel Wilson, nu hoek Schippersstraat/Haspelsstraat, in 1917 was het adres Hudsonstraat 57, en verbouwd tot woningen.

De straatarme Russische soldaten zorgden snel voor grote problemen. Ze zagen er haveloos uit, hadden niks te doen en hingen dus de hele dag op straat, ze plunderden bakkerskarren, zwommen naakt in de Keilehaven, zopen zich voortdurend lam, verduisterden fietsen, rolden zakken in de tram, pleegden straatroof, staken politieagenten neer, vochten met elkaar, vergrepen zich aan meisjes uit de buurt (die zich soms zelf zouden hebben aangeboden), en pleegden ontucht, waaronder ‘onnatuurlijke’.

Het inpikken van de huizen van de Hollanders en het ongewenste gedrag leiden tot en stroom van klachten, in de pers en bij de gemeente. Dit moest wel leiden tot ingrijpen. Het hielp niet dat een in maart 1917 geconstateerde stijging van huid- en geslachtsziektes door de gemeente direct werd gelinkt aan de komst van de Russen. 

Als eerste stap begon men de grootste probleemfiguren onder te brengen in een schip, dat gelegen was in de Parkhaven onder toezicht van de daar gevestigde rivierpolitie. Dat was niet echt een goede oplossing, want het vaartuig was te klein en veel Russen waren goede zwemmers. De gemeente vroeg vervolgens aan de regering om een speciaal Russenkamp te openen en anders honderden Russen buiten Rotterdam te huisvesten. Dat laatste gebeurde door duizend Russen en Polen in Schiedam onder te brengen. Helaas bleef ook voor hen Hudsonstraat en omgeving de ideale hangplek: de wijkbewoners schoten er niets mee op.

In juli kwam een volgende oplossing: lastige Russen en Polen konden worden ondergebracht in het zogenaamde interneringsdepot voor deserteurs in het Noord-Hollandse Bergen.

Ansichtkaart van het interneringsdepot in Bergen.

 

In 1918 werden er Duitse krijgsgevangenen in gehuisvest. Hier staan ze in de Haspelsstraat.

Duitse krijgsgevangenen (onderofficieren van de 5e compagnie) in de Haspelsstraat, 1918.

 

Koninklijk bezoek.

(Hospitaaltrein in Hudsonstraat wordt bezocht door Wilhelmina en Hendrik).

Het is 2 januari 1918, zes uur ’s avonds op de Rotterdamse Westzeedijk, op dat tijdstip een verlaten stukje stad. Het is donker, mistig, koud, het begint te sneeuwen. De stilte wordt doorbroken door een klaroenstoot van een wisselwachter. Een enorme Duitse hospitaaltrein, beschilderd met rode kruisen, trekt langzaam op. Vaag verlicht zijn in de coupés houten kribben zichtbaar, en soms daar bovenuit een vermoeid hoofd op een kussen. Een enkel keertje zie je zo’n “typisch Engelse kop”, met een brede glimlach, wuivend met een zakdoek. De trein rijdt over het verlaten rangeerterrein en draait het terrein van de Rotterdamsche Lloyd op, op weg naar een daar liggend schip, dat de Engelsen naar het Engelse havenstadje Boston zal gaan transporteren.

Op de trein was gewacht, lang gewacht. De trein kwam meer dan drie uur te laat op de Lloydkade aan. Maar al een half jaar eerder waren over dit transport afspraken gemaakt, in Den Haag op een conferentie tussen de elkaar op leven en dood bestrijdende vijanden Duitsland en Engeland, onder leiding van het neutrale Nederland.

De hospitaaltrein was die dag uit Aken vertrokken met 28 Engelse officieren en 209 onderofficieren en manschappen aan boord, twee man meer dan doorgegeven. Ze waren al jaren eerder krijgsgevangen genomen. Velen waren zwaar invalide of ‘insane’.  Sommigen waren er zo slecht aan toe, dat ze liggend in houten kribben vervoerd moesten worden. Er reisden veertig medische begeleiders mee, mannen en vrouwen. Deze “lange wagenreeks met haar gruwelijke last van enkel zwaar verminkt oorlogsafval” vervoerde de eerste groep Britse krijgsgevangenen die naar huis mocht: ze waren zo beschadigd dat ze niet meer in de oorlog konden worden ingezet.

De Duitse hospitaaltrein met Engelse krijgsgevangenen op 2 januari 1918 op weg naar Rotterdam: tussenstop op station Roosendaal.

Ze waren dus ook over het rangeerterrein aan de Hudsonstraat gereden. Daar stond wellicht nog de Nederlandse hospitaaltrein, die in 1917 middels een inzamelingsactie was aangeschaft.

En ze waren langs hotel Wilson gereden, in diezelfde Hudsonstraat. In dat hotel en enkele omliggende panden zou ongeveer tegelijkertijd een grote groep Duitse krijgsgevangenen gehuisvest worden, een deel van de gevangenen tegen wie ze waren uitgeruild. Militairen en geïnterneerde burgers die niet meer ingezet konden worden, mochten naar huis. De Rotterdamse Lloyd verzorgde vanaf de Lloydkade de overtochten. Duitsers en Engelsen die wel weer inzetbaar waren, werden in ons land opgevangen, de Engelsen vooral in Den Haag, de Duitsers vooral in Rotterdam. De uitgewisselde militairen waren onderofficieren en officieren: gewone manschappen die krijgsgevangen waren gemaakt, mochten volgens de in 1909 in Den Haag opgestelde verdragen als dwangarbeider worden ingezet.

De vele vooral Belgische vluchtelingen en de stagnatie in de bouw door gebrek aan bouwmaterialen hadden in het hele land gezorgd voor woningnood, maar er werd toch nog plaats gevonden. Duitse officieren werden ondergebracht in dure hotels in het centrum van de stad: hun vrouwen en hun personeel waren al vooruit gereisd.

Duitse officieren worden na aankomst uit Engeland door hun vrouwen en chauffeurs afgehaald aan de Lloydkade.

De Duitse onderofficieren hadden het ook niet echt zwaar. Zo lang ze niet terugkeerden naar Duitsland, mochten ze gaan en staan waar ze wilden. Ze werden gehuisvest in zojuist gereedgekomen nieuwbouwwoningen aan o.a. de Schiedamseweg en de Burgemeester Meineszlaan. En in hotel Wilson en andere panden in Haspelsstraat, Schippersstraat en Hudsonstraat van eigenaar weduwe Frederica Meijwes-Altona. Ze had weer plek: de Russische vluchtelingen waar ze al goed aan had verdiend, waren vanwege de overlast die ze gaven over de gehele stad verspreid.

Voorouders V: Den Bommel, Zaltbommel: who cares? Het korte leven van Maria Berkhof.

(In ontwikkeling)

 

Van mijn voorouders die geboren werden vanaf zeg circa 1750 is niet veel bekend. Anders dan van hun voorgangers kennen we van de meesten wel een geboorte- of doopdatum, de data van ondertrouw en huwelijk en wanneer ze overleden of werden begraven. Soms kennen we een beroep, of weten we welk stuk grond ze ooit pachtten. Maar daarmee houdt het ongeveer op. Ze waren te arm en onbeduidend om indruk te maken, en leefden een niet of nauwelijks geregistreerd leven. Alleen de grootste pechvogels maakten kans op nog wat meer sporen: zij die in een of ander instituut belandden: een gasthuis, een gevangenis, een kolonistenkolonie. Een van hen is een oudtante van mijn oma Kentie (Alida Berkhof). Ze had de pech syfilis op te lopen en in Veenhuizen te belanden.

Maria Berkhof was de jongste zus van oma’s grootvader. Ze werd op 11 augustus 1819 in Den Bommel op Goeree-Overflakkee geboren als dochter van Cornelis Arents Berkhof en Francina Kaghelland. Van haar vader kennen we geen sterfdatum, mijn laatste voorouder bij wie dat het geval is.

Maria duikt op in Amsterdam: ze wordt op 12 augustus 1844 in het Buitengasthuis opgenomen, lijdend aan syfilis. Ze is 25, heeft geen beroep, krijgt kribbe T34 toegewezen, is ongehuwd, woont aan de Goudsbloemgracht, maar komt uit [Den] Bommel. Haar vader, Cornelis, was werkman, beide ouders zijn overleden, en ze is g[ereformeerd]. Op 1 december 1844 mag ze naar huis.

Had je in die tijd een zwak gestel, dan kon je beter niet in een ziekenhuis belanden, maar al helemaal niet in het Buitengasthuis in Amsterdam. In 1853 berekende een van de twee geneesheren van het Buitengasthuis, dat in de twaalf jaar daarvoor 231 patiënten waren gestorven niet zozeer vanwege hun ziekte, maar door het gasthuis zelf. Bezoekende buitenlandse artsen zien in die jaren ‘un asile de douleur’, ‘un véritable enfer’, met personeel, dat ‘abschreckende Bilder der Roheit, Trägheit und Unreinlichkeit sind’.  Binnenkomende patiënten, onder wie veel bedelaars, werden niet gebaad en kregen geen ziekenhuiskleding, maar werden met vuile kleren vol ongedierte in de kribben gelegd.

[J.A. Verdoorn (1991), p. 134-135.]

Figuur 1: Het Buitengasthuis in 1883.

Op 22 februari 1845 is Maria weer terug. Ze woont nu in de Barndesteeg in het centrum van Amsterdam (zie F. Bordewijk, Bij gaslicht (1947) over ‘het grootste armoedepand’ van Amsterdam in de Barndesteeg). Nog steeds staan er in die straat overblijfselen van het oude Bethaniënklooster, circa 1450 gesticht voor ‘gevallen vrouwen’. Het klooster werd na 1578 veranderd in woonruimte. Het is nog steeds een straat met raamprostitutie. Het is natuurlijk niet zeker, dat Maria prostituee was. Maar syfilis, woonadressen en het feit, dat ze later naar Veenhuizen wordt afgevoerd, zijn sterke indicaties.

Op 24 juni mag ze weer naar huis. Op 9 juli het jaar daarop wordt ze weer opgenomen. Ze is nu ergens dienstmeid, woont in de Hoefijzergang (dat waren er twee, de Nieuwe en de Oude) bij de Koestraat, “inpandige krotten”, waar grote ellende heerste (http://www.onsamsterdam.nl/component/content/article/15-dossiers/dossiers/2735-de-koestraat-sjiek-en-sjofel).

Figuur 2: De Nieuwe Hoefijzergang bij de Koestraat.

Ze wordt dat jaar niet ontslagen: ze verblijft meer dan een jaar in het Buitengasthuis. Pas op 2 juli 1847 gaat ze naar huis. Het kan niet anders, of ze was er beroerd aan toe. We verliezen ook even zicht op haar, maar vier jaar later duikt ze weer op in de archieven: ze overlijdt op 17 mei 1851 om 9 uur ’s ochtends in het Derde Gesticht te Veenhuizen (Norg). Ze is van beroep ‘koloniste’. Ze is 31 jaar. Haar doodakte wordt opgemaakt in Zaltbommel, een plaats waar ze waarschijnlijk nooit is geweest, maar waar haar overlijden desondanks wordt verwerkt in de Burgerlijke Stand.  Zaltbommel ligt zo’n 100 kilometer van Den Bommel.

Figuur 3: De binnentuin van het Derde Gesticht in Veenhuizen.

Vier weken nadat Maria het Buitengasthuis voor de laatste keer verlaat, op 29 juli 1847, wordt Gerritje Spinhoven opgenomen vanwege een vrouwenziekte. Ook zij heeft een dienstje en is ongehuwd. Ze is 28, woont in de Weesperstraat op nummer 27 en het is onbekend wie haar ouders zijn. Op 11 oktober mag ze weer naar huis.

Op 15 juli 1848 is ze terug, op 24 juli wordt ze weer ontslagen. Maar op 19 september wordt ze weer opgenomen. Ze zou nu werkster zijn, en woont in de Weesperstraat op de hoek van de Keizersgracht, op nummer 26. Pas op 30 juni 1849 kan ze weer naar huis. Twee weken later, op 13 juli 1849, overlijdt ze, ergens op de Overtoom in Amsterdam. Ook zij werd 31 jaar.

Maar Gerritje had Veenhuizen overleefd. Ze werd op 9 november 1817 geboren in Utrecht. Haar moeder heette ook Gerritje, en is een voorouder van mijn dochter (via haar moeder, natuurlijk). Moeder Gerritje had op 8 maart 1803 al een kind laten dopen, van wie de vader niet bekend was. Ze trouwt twee jaar later met Arij van der Tol, kreeg met hem enkele kinderen, en was nog steeds officieel met hem gehuwd, toen Gerritje werd geboren. Het kind krijgt desondanks moeders achternaam: de vader is onbekend.

Een maand later, op 9 december 1817 om 9 uur ‘s avonds wordt Gerritje op de Prinsengracht in Amsterdam vlak bij de Utrechtsestraat, dus waarschijnlijk voor de deur van het Aalmoezeniersweeshuis, gevonden. Ze heeft een briefje bij zich met haar naam. Ze had een hemdje en een borstrokje aan, en een navelbandje, en wat wollen lappen om zich heen. Op het briefje staat ook haar geboortedatum, dat ze niet is gedoopt, maar wel ‘griffermeerd’.

Het Aalmoezeniersweeshuis aan de Prinsengracht was voor de meest hopeloze wezen en vondelingen: de allerarmsten die vaak geen band met de stad hadden en ook niet met een kerkgenootschap. Rond de tijd dat Gerritje werd opgenomen groeide het aantal weeskinderen enorm. De stad wist zich geen raad. In 1818 werd de Maatschappij van Weldadigheid opgericht, die in het Drentse Veenhuizen  wezen en vondelingen ging opvangen. Vanaf 6 november 1822 moesten Amsterdamse vondelingen en wezen zonder andere opvang allemaal naar Veenhuizen zodra ze zes jaar waren. In het archief van het weeshuis staat, dat Gerritje in 1824 naar Veenhuizen zou zijn gestuurd. Ze is dan zes. In het archief van Veenhuizen staat als aankomstdatum 11 augustus 1829. Wellicht ging het hier om een interne verhuizing.

In april 1839 werd ze, meldt het archief van het Aalmoezeniersweeshuis, uit Veenhuizen ‘ontslagen’. Ze is dan 21.

 

Cees Engel de stad Utrecht uit gejaagd.

Voor de zoveelste keer is Cees Engel in het nieuws, de laatste jaren als eigenaar van Fort Oranje, een vrijstaat in Rijsbergen. Hij is zo te zien jaren ouder geworden, maar toch lijkt hij nog steeds op de Cees Engel die ik eind jaren zeventig in Utrecht als huisbaas had.

Ik kwam in 1993 weer in Rotterdam wonen, en een van de eerste weken keek ik even naar buiten. Een man met een bril reed op een oude herenfiets aan de overkant van de straat, met op de bagagedrager onder de snelbinders een doos. Verdomd, Cees Engel! Ik had al begrepen, dat hij zich tegenwoordig in Rotterdam ophield en de bijnaam ‘krottenkoning’ had verworven. Hij bezat honderden, vaak uiterst beroerde woningen, vooral in Rotterdam-West. En soms vlogen die panden in brand, volgens geruchten moedwillig. Zo was enkele dagen voordat hij langs fietste, iets verderop in mijn straat een huis afgebrand. Een voorbijganger had een baby gered, de andere bewoners overleefden het ook. Niet iedere bewoner van een Engel-pand was overigens zo gelukkig, ontdekte ik wat later. En inderdaad, het afgebrande pand verderop was van Engel. Hem kennende was hij zelf iets gaan repareren, het gereedschap in een doos onder de snelbinders.

In mei 1998 schreef de Volkskrant een stuk over Engel:

“De biochemicus Engel promoveerde in de jaren zestig aan de Universiteit van Utrecht. Hij kwam naar Rotterdam om op het laboratorium van het tabaks- en koffiebedrijf Van Nelle te werken. Na een gecompliceerde longontsteking raakte hij arbeidsongeschikt. Engel herstelde en ontdekte een nieuwe hobby. Begin jaren tachtig kocht hij zijn eerste pand en verhuurde daarin kamers. Hij ondervond dat in die branche snel geld te verdienen was en bouwde in hoog tempo een waar imperium op. Vijfhonderd huizen bezat Engel op een gegeven moment, het ene nog rotter en vuiler dan het andere.”

En dat van dat eerste pand klopt dus niet. Want in 1977 en de jaren erna huurde ik een kamer (eigenlijk twee piepkleine kamertjes) in een pand met studenten en werkende jongeren, in de Justus van Effenstraat in Utrecht. En wie was de huisbaas? Cees Engel. Zelf woonde hij aan een van de Daalsedijken. Hij was gepromoveerd biochemicus, en werkte bij de smaakstoffenfabriek Chemische Fabriek Naarden. En ook toen al nam hij het niet zo nauw met de brandveiligheid. Ik herinner me, dat hij op last van de gemeente aanpassingen moest doen. En dus kwam hij op zaterdagen op een oude herenfiets, kinderzitje met de kleine Jan voorop, gereedschap in een doos onder de snelbinders achterop, naar ons huis om de meest noodzakelijke dingen te doen.

Het pand waarin ik woonde, zou hij hebben gekocht van het geld dat hij kreeg nadat hij een proces tegen de Nederlandse Staat had gewonnen bij het Europese Hof van de Rechten van de Mensen. Het was in die tijd zeer ongebruikelijk, dat Nederlanders bij dat Hof procedeerden tegen de Nederlandse Staat, en de case ‘Engel and others vs. the Netherlands’ eind 1975, begin 1976 is een beroemde zaak geworden, waarover op internet een en ander te vinden is.

Het ging vooral om de toepassing van het militaire tuchtrecht tegen leden van de dienstplichtigenbond VVDM. Engel had zich gekandideerd voor het vice-voorzitterschap van de VVDM. Hij vroeg verlof om de VVDM-vergadering op 17 mei 1971 te bezoeken, zonder zijn kandidatuur te vermelden. Enkele dagen daarvoor meldde hij zich ziek. De keuringsarts vond, dat hij op 18 mei weer aan de slag moest en keurde het goed, dat hij op 17 mei zijn huis verliet. Zijn commandant had nog geen besluit genomen betreffende het aangevraagde verlof, en stuurde op 17 mei een controleur langs Engels adres. Maar die liet zich die dag kiezen tot vice-voorzitter van de VVDM, en was dus niet thuis. De volgende dag verscheen Engel op de kazerne, waar hij door zijn commandant tot vier dagen licht arrest werd veroordeeld. En daar was Engel het niet mee eens, want daardoor kwam zijn doctoraal examen een week later in gevaar. Hij probeerde dat aan de orde te stellen, maar kon zijn commandant niet vinden. Hij ging naar huis, omdat hij dacht dat dat ok was bij licht arrest. En dat liep verder uit de hand met degradatie en verzwaard arrest. Hij ging in beroep, de straffen werden verlicht, maar deels gehandhaafd. Al die tijd werd Engel niet bijgestaan door een advocaat. Het Europees Hof oordeelde, dat een en ander ‘unlawful’ was verlopen. Lees het verder zelf maar na: http://hudoc.echr.coe.int/eng#{“dmdocnumber”:[“695356″],”itemid”:[“001-57479”]}, of google deze case.

Engel kreeg uiteindelijk een schadevergoeding, hoog genoeg om ‘ons’ huis te kopen. Dat was althans het verhaal, dat onder ons kamerhuurders rondging, net als het verhaal dat hij het pand samen met de latere D’66-politicus Gerrit Jan Wolffensperger had gekocht.

Ik woonde dus in twee kleine kamertjes, aan beide einden van de gang op de bovenste verdieping van dat vier verdiepingen hoge pand. Een daarvan mocht niet eens bewoond worden: het was de vluchtroute naar het balkon. We betaalden bij elkaar een enorm bedrag aan huur, en na een tijdje begon het bij mij, de actievoerder, toch een beetje te klemmen, dat we daar niks aan deden. Dus nam ik het initiatief om een procedure te starten bij de huurcommissie, en vervolgens de kantonrechter. Het kostte wat moeite om voldoende huisgenoten mee te krijgen: sommigen vonden het ‘zielig’ voor Engel. Maar uiteindelijk deed iedereen mee. We namen contact op met het Advokatenkollektief Utrecht in de Twijnstraat. Via Titia Beukema kende ik Wout van Veen, een van de advocaten, en ik kende  ook kantoorgenoot Bernhard Tomlow, nu een rechts overkomende vaak de publiciteit opzoekende advocaat, toen een niet onbelangrijk CPN-lid (ik kende hem als fractiemedewerker van die partij) met een achtergrond bij het Utrechts Studentencorps! Met hem gingen we in zee. De huurcommissie berekende op basis van de huurwetten nieuwe huren: een fractie van de huur die we betaalden. Ik herinner me, dat we met zijn allen zo’n 400 gulden per maand moesten opbrengen. Maar Engel ging niet akkoord met een huuraanpassing. Dus werd het een zaak van de kantonrechter. Inmiddels was Tomlow bij het advocatencollectief vertrokken, en dus deden we zaken met een andere compagnon, Sjef de Laat. Tomlow vond overigens, dat wij met hem naar zijn nieuwe kantoor hadden moeten meegaan.

Engels advocaat wees de rechter op een beding in ons huurcontract: indien gewenst, en indien zeer ruim van tevoren besteld, konden we voor tien gulden een ontbijt bestellen! Het was geen kamerverhuur, maar een pension, zo stelde hij. De rechter stelde vast, dat dit een onzinbepaling was, en legde de huurprijzen als berekend door de huurcommissie vast. Ook moest Engel het teveel betaalde huurbedrag over een vastgesteld aantal jaren terugbetalen! Voortaan woonden we bijna voor niks, terwijl iedereen geld toe kreeg! Bijna onmiddellijk verkocht Engel het pand met forse winst aan een andere huisjesmelker. We hadden Cees Engel klein gekregen. Hij vertrok al snel uit Utrecht om in Rotterdam met meer succes (want aanvankelijk  met stille steun van de gemeente) huisjesmelker te worden.

Update 22 juni 2017. Engel blijkt zijn camping sneller te sluiten dan de gemeente eist. Natuurlijk, hij heeft zijn afkoopsom binnen. Want dat lijkt toch een belangrijk doel van Engel te zijn: het zich laten vergoeden door de overheid, eerst vanwege de VVDM-zaak, later in Rotterdam, en nu weer in Noord-Brabant. Het lukt hem, moet je toegeven, al 50 jaar.

http://www.ad.nl/rotterdam/cees-engel-die-man-was-compleet-maf-br~a38b7ff9/

De oorlogsjaren van mijn vader, deel 9: bijlagen.

9. Bijlagen.

 

 

  1. Brieven aan de dominee.

[Briefkaart]

Hannover, 20 Nov. 1942.

Geachte Dominé,

In Duitschland aangekomen, zal ik u vast mijn adres schrijven. Daar ik pas één dag ben kan ik geen verdere bijzonderheden nog mededelen, doch ik hoop U spoedig een brief te sturen. Mijn adres is:

C. Kentie

D.A.F. Gemeinschaftslager P.T.T.

Schierholzstrasse

Hannover-Buchholz

Duitschland

Met vr. groeten en vaste hoop

 

[w.g.] C. Kentie

 

 

– – – – – – – – – – –

 

 

 

Hannover, 1 Januari 1943

Geachte Dominé,

Voor de derde maal zal ik trachten U een brief te schrijven. Tot twee maal toe heb ik, om een bepaalde reden, de brief terug gestuurd gekregen.

Hoe hier de toestand in Duitschland is, valt moeilijk te schrijven. De bevolking zelf is tegenover ons zeer hoffelijk. Dat is hier dan ook een eisch. ook onderling [?] zijn ze zoo.

We zijn tijdelijk ondergebracht in een z.g. Gemeinschaftslager. Als ik nu ‘we’ schrijf, bedoel ik daarmee mijn Hollandsche collega’s en ikzelf. In het lager is van alles ondergebracht, Polen Franschen, Duitschers, Italianen, Hollanders en zelfs Arabieren.

Onder mijn collega’s hebben zich direct kringetjes gevormd, bestaande uit stadgenoten, enz. Ook zijn hier enige Protestanten onderling verenigd. Alleen moet ik U tot mijn spijt mededelen, dat er weinig Christelijke of hun geloof uitdragende hier zijn. Het is dan ook een pracht taak, die hier voor een Christen is weggelegd.

Er valt voor een vreemdeling hier niet veel te beleven, als bioscoop, café, enz.

Het meest wordt hier gesnakt naar goede Hollandsche lectuur, want die ontbreekt hier totaal.

Dominé, ik moet gaan eindigen en hoop dat deze brief U dan moge bereiken. Ik wensch U tevens nog een door God gezegend Nieuwjaar toe en groet U.

Van Uw oud-cathechisant,

[w.g.] C. Kentie

 

Hannover, 25 Januari 1943

– – – – – – – – – – – – – –

Geachte Dominé,

Reeds Woensdag heb ik Uw brief ontvangen, maar kon door verhuizing niet eerder antwoorden.

We zijn n.l. uit het Gemeinschaftslager vertrokken naar een eigen onderkomen, een nieuw nog niet in gebruik genomen Postkantoor, wat gedeeltelijk afgebouwd is. We liggen nu als Holl. Postbeambten alleen in dit gebouw. Het is veel frisscher en gezonder als het vorige onderkomen, want daar lagen allerlei Nationaliteiten. Men mag niemand wel ergens om verachten, maar als Hollander kijkt men toch wel eens raar, zoo vuil als Polen en Franschen zijn en dan blijft men liever toch maar een beetje uit de buurt.

Wat de Godsdienst betreft is hier maar weinig te doen. Vele kerken zijn gesloten wegens de groote leegte en misschien nog wel om een andere reden.

Als Christenen en Hollanders onder elkaar houden we over de Bijbel en haar inhoud dikwijls diepgaande gesprekken. Ook niet Christenen doen daar aan mee. Het gebeurt dikwijls dat er tot 12 à 1 uur des nachts over gepraat wordt.

Waarom oorlog? Omdat we er niet uit kunnen komen. Dominé, ook hier rijzen de vragen omhoog, maar ook hier kunnen we deze [?] niet beantwoorden op een bevredigende manier.

Daartegenover is het toch heerlijk, dat er Een is Die er antwoord op kan en wil geven. Heerlijk is het te weten, dat er Een is die nooit verlaat, ook al werkt men in den vreemde niet. Hij is het die mij hier naar toe haalt, en Hij zal, als Hij dat wil me ook weer terugbrengen. Ik bid alleen dat het spoedig moge zijn. Dat is hier ook de eenige en grote troost die men kan en zal vinden.

Dominé, ik ga U weer groeten tot een volgende keer. Met blijvende hoop

 

(w.g) Cornelis Kentie

 

 


 2. Het vonnis.

Abschrift

6 S Ls. 92/43.

21/24 S 1 – 110/ 43

Im Namen des Deutschen Volkes

Srafsache

gegen den holländischen Postfacharbeiter Cornelius K e n t i e aus Hannover, geb. Am 28. 9. 1919 zu Rotterdam, zurzeit in H a f t,

wegen Postdiebstahls.

./.

Das Sondergericht Abteilung 1 für den Oberlandesgerichtsbezirk Celle beim Landgericht in Hannover hat in der Sitzung vom 21. Mai 1943, an der teilgenomen haben:

Landesgerichtsdirektor Dr. Stein

als Vorsitzer

Amtsgerichtsrat Dr. Hamelberg

Landgerichtsrat Dr. Schmedes

als Beisitzer

Staatsanwalt Hille

als Beamter der Staatsanwaltschaft

für R e c h t erkannt:

Der Angeklagte wird als Volksschädling wegen

Amtsunterschlagung zahlreicher Feldpostpäckchen

zum T o d e

und zum lebenslänglichem Ehrverlust verurteilt.

Die Kosten des Verfahrens fallen dem Angeklagten zur Last.       .!.

G r ü n d e

Der 23 jährige, ledige Angeklagte ist holländischer Staatsangeh[ö]riger. Nach dem Besuch der Volkssch[ü]le seines Geburtsortes Rotterdam besuchte er vom 11. Bis 15. Lebensjahre eine hohere Schule. Anschliessend arbeitete er bis zum 19. Lebensjahre auf einem Büro in Rotterdam. In den Jahren 1938 /39 war er Soldat. In Mai 1941 wurde er als Hilfszusteller bei der holländischen Postverwaltung eingestellt. Am 19. November 1942 wurde er nach Deutschland vermittelt. Er wurde dem Postamt I in Hannover zur Beschäftigung überwiesen. Er war in der Brief abgab[e]stelle [t]ätig. Seine Dienstobliegenheiten bestanden darin, dass er die Briefe abstempeln, zu ordnen und aufzustellen, dass er die Post zu den Zügen zu bringen und Briefkasten zu legen hatte.

Von Januar 1943 an bis seiner Festnahme am 7. April 1943 nahm der Angeklagte fortlaufend ins Feld gehende Feldpostpäckchen die ihm bei seiner Beschäftigung bei der Post in die Hände kamen, weg. Er [ö]ffnete sie und nahm den Inha[l]t, der vor allem in Keks und Kuchen, sowie Süssigkeiten bestand, heraus und verzehrte ihn. Es fielen ihm aber auch Rauchwaren und ein Füllhalter in die Hände. Die Umhüllungen der Päckchen versteckte er in seinen zwei Koffern, die er in dem Lager, das er in Kleefeld bewohnte, stehen hatte. Der Angeklagte nahm insgesamt 47 Feldpostpäckchen weg. Der Angeklagte gibt diesen S[a]chverhalt zu. Er will zu dem Verbrechen gekommen sein, weil er Hunger gehabt habe. Dies ist keine Entschuldigung für sein Verhalten. Nach seinen eigenen Angaben hat er das Mittagessen in der Kantine erhalten und er hat hierfür w[ö]chentlich nur 40 gr. Fett und 150- 200 Gr Fleischmarken, sowie Kartoffelmarken abgeben brauchen. Es blieben also für die [ü]brige Verpflegung noch genügend Lebensmittel, mindestens ebensoviel wie der deutschen Bevölkerung und auch seinen holländischen Arbeitskameraden. Von einer besonderen Notlage kann daher nicht gesprochen werden.

Der Angeklagte war Beamter im Sinne des § 359 STGB denn er war zu Verrichtungen bestellt, die zu der von der Post als Hoheitsverwaltung ausge[ü]bten Beförderungstätigkeit geh[ö]ren. Er hat sich daher durch die Fortnahme und Oeffnung der 47 Päckchen in fortgesetzter Handlung der Amtsunterschlagung – § 350 ST- GB und der unbefugten Er[ö]ffnung von Postsendungen  – § 354 STGB- schuldig gemacht. Gleichzeitig hat er dadurch, dass er die mit dem Poststempel abgestempelten, auf der Packetumhüllung angebrachte Empfängeranschriften- [ö]ffentliche, ihm anvertraute Urkunden in seinen Koffer verschwinden liess und damit beiseitegeschaffte, eine Urkundenunterdrückung im Amte § 348 Abs. 2 STGB begangen. Da er hierbei in der Absicht handelte, sich den Inhalt der Päckchen, einen Verm[ö]gensvorteil zu verschaffen, liegt eine erschwerte Urkundenunterdrückung – § 349 STGB vor.

Der Angeklagte hat zugleich aber auch gegen § 4 der Volksschädlingsverordnung verstossen. Er hat die Straftat unter Ausnutzung der durch den Krieg verursachten aussergew[ö]hnlichen Verhältnisse begangen. Die Feldpost ist eine durch den Krieg notwendig gewordene Einrichtung, die bei den meist grossen Entfernungen zwischen Absender und Empfänger und der dadurch längeren Dauer der Bef[ö]rderung schwer zu überwachen ist. Darüber hinaus sind aber auch bei allen Postsendungen infolge der durch den Personalmangel hervorgerufenen verringerten Dienstaufsicht die Verluste von Postsendungen zahlreicher geworden und die M[ö]glichkeit die Verluste aufzudecken, erschwert. Diese kriegsbedingten Umstände und die Tatsache, waren dem Angeklagten bekannt. Er hat sie ausgenutzt, um sich in den Besitz der von ihm begehrten Dinge zu setzen. Die Tat der Angeklagten ist besonders verwerflich denn der Angeklagte hat sich an dem Gut vergriffen, dass sich deutsche Volksgenossen unter erheblichen Einschränkungen abgespart haben, um ihren Angeh[ö]rigen an der Front eine Freude zu machen und ihnen die Gewissheit zu geben, dass die Heimat an sie denkt. Wenn der Angeklagte hierfür als Ausländer vielleicht auch nicht das richtige Empfinden gehabt hat, so hat er doch verstandesgemässig erkannt, wie sehr sein Verhalten geeignet war, die Verbindung zwischen Front und Heimat zu st[ö]ren.

Es kann dem Angeklagten nicht widerlegt werden, dass er bei seiner Einstellung nur auf die gewissenhafte und uneigennützige Erfüllung seiner Dienstobliegenheiten und auf die Befolgung der Gesetze und Anordnungen der Nat. soz. Staats verpflichtet worden sei, dass ihm aber nichts über die schwere Bestrafung von Feldpostpackchendiebstählen gesagt worden sei, und dass er hiervon auch in der folgenden Zeit seiner Dienstleistung nichts erfahren habe, denn der Sachverständige Oberpostinspektor M e y e r ware nicht in der Lage, f[ü]r den Angeklagten ungünstige Angaben in dieser Aufsicht zu machen.  Das Gericht hat aber keinen Zweifel, dass der Angeklagte sich bewusst war, dass er ein schweres Verbrechen beging. Mit Rücksicht auf die grosse Zahl der von dem Angeklagten in der verhältnissmäsig kurzen Zeit von 3 Monaten geraubten Päckchen ist seine Straftat besonders verwerflich. Wenn sich der Angeklagte bisher auch straffrei geführt hat, so wiegt sein Verbrechen doch schwer, dass seine Bestrafung als Volksschädling gemäss § 4 der Volksschädlingsverordnung geboten ist. Das gesunde Volksempfinden verlangt zum Schutze der Einrichtung der Feldpost und der Verbindung von Heimat und Front die Verhängung der Todesstrafe gegen den Angeklagten.

Als Volksschädling sind dem Angeklagten die bürgerlichen Ehrenrechte auf Lebensdauer aberkannt worden. § 32 S[tPO]. Die Kostenentscheidung beruht auf § 465 StPO.

Gez. Stein                                             gez. Dr. Hamelberg                            gez. Dr. Schmedes

Beglaubigt:

gez. Jaffa Just. Assistent

Als Urkundsbeamter der Geschäft des Landsgerichts.

 

3. Krantenartikel. 

http://www.braunschweig-spiegel.de/index.php/politik-2/kultur/5693-jva-wolfenbuettel-zwei-tage-im-april-11-april-1945-und-11-april-2015

11. April 1945(vor 70 Jahren)

Gegen Mittag war nach der “Übergabe” der Stadt Wolfenbüttel an die 9. US-Armee durch den nationalsozialistischen Bürgermeister Fritz Ramien endlich befreit. Schon bald darauf öffneten GI’s die Zellen im Gefängnis und befreiten die dort eingepferchten 1512 registrierten Häftlinge.

Zeitzeuge dieses Ereignisses war Fritz Counradi, der in den Gefängnisbetrieben seit Ende 1943 die Produktion optischer Geräte der Firma Voigtländer für die Wehrmacht geleitet hatte. Seine Erinnerungen veröffentlichte Wilfried Knauer, Leiter der Gedenkstätte von 1990 bis 2015, im Heimatbuch des Landkreises Wolfenbüttel 1995.

Ausschnitte dieses eindrucksvollen Berichts sollen hier zitiert werden:
Am Morgen des 11. April waren offensichtlich nur noch der Lazarettbeamte und der für die sogenannte „Kammer” mit der privaten Habe der Gefangenen zustän­dige Wachtmeister im Dienst. Fritz Counradi und seine Kollegen hatten schon seit dem Abtransport „ihrer” N.N.-Gefangenen, mit denen sie über 16 Monate ge­meinsam gearbeitet hatten, keine Möglichkeiten zur Fortsetzung der Produktion. Sie blieben in ihren Werkstätten und bei den Anlagen, um den ganzen Betrieb ordnungsgemäß den alliierten Truppen zu übergeben.

Eine merkwürdige Unruhe hatte an diesem Morgen die ganze Anstalt erfaßt. Aus den Fenstern, die zum Herzogtore lagen, beobachtete Counradi, wie amerikani­sche Infanteristen gebückt, die Gewehre schußbereit im Anschlag und an den Straßenrändern Deckung suchend in Richtung Breite Herzogstraße vorrückten. Wenige Minuten später drang ein leichter Panzer durch das hintere Tor in die Anstalt ein. Sofort setzte ein ohrenbetäubender und inferna­lischer Lärm” ein. Die Gefangenen schlugen in ihren Zellen mit den Hockern gegen die zum Teil eisenbeschlagenen Türen, sie schrien und heulten.

Ein baum­langer, farbiger amerikanischer Soldat hatte offensichtlich Schlüssel gefunden, die er einem im Grauen Hause umherlaufenden Hausarbeiter zuwarf. Dieser rannte über die Galerien und öffnete jede einzelne Zelle. Mit rasender Geschwindigkeit bewegten sich Hunderte von Gefangenen zum Küchengebäude und zur Kammer. Der Kammerbeamte, ein kleingewachsener, älterer Mann, der sich auf der Treppe schützend vor den Eingang des Gebäudes stellte, „flog” im hohen Bogen über die Köpfe der Gefangenen hinweg auf den Holzhof. Die Kammer wurde geplündert.

Dem Lazarettbeamten, der bis zum Schluß bei „seinen” Patienten ausgeharrt hatte, halfen Gefangene mit einer Leiter über die Mauer. Die wegen krimineller Delikte Verurteilten beschafften sich sofort Zivilkleidung in der Kammer, sollen wohl anschließend auch ihre Personalakten  und sonstige möglicherweise bela­stende Unterlagen beseitigt haben, um dann zu verschwinden. (…)

In der Küche fanden die Gefangenen zu ihrer großen Überraschung umfangreiche Lebensmittel bestände vor, die sogleich verteilt wurden. In den hinter dem Küchen­gebäude liegenden Stallungen war noch der gesamte Bestand an Mastvieh vor­handen, so daß einige Gefangene begannen, die Schweine, ca. 200 Stück, und den gesamten Kaninchenbestand zu schlachten. Über offenen Feuerstellen, die auf dem Holzhof eingerichtet wurden, briet man das Frischgeschlachtete. Große Kessel mit Fleisch wurden in der Küche aufs Feuer gesetzt. Die Szene schien geradezu idyllisch. So zog am Abend dieses denkwürdigen Tages, wie Fritz Counradi berichtet, der lange vermißte Duft von gebratenem und gekochtem Fleisch über das Anstaltsgelände. Aber schon wenige Stunden später erfüllte entsetzliches Schreien und Stöhnen die Zellengebäude. Viele der völlig ausgehun­gert Gefangenen vertrugen das frischgeschlachtete, fettige Fleisch nicht und starben unter großen Qualen noch in derselben Nacht.

Die Anzahl auch dieser Opfer wird wohl nicht mehr festzustellen sein. Der Abwicklungsbericht des Registrators Walter Niemeier resümiert die Ereignis­se dieses 11. April 1945 und gibt ihnen folgende Deutung: „Die in hiesiger Anstalt herrschenden vorhergehenden Zustände lassen das Verhalten der Gefangenen bei ihrer Befreiung einigermaßen erklären, insofern der Ernährungszustand fast sämtlicher Gefangenen als unterernährt zu bezeichnen war. Den Inhaftierten wurden nicht im Mindesten ausreichende Nahrung zuteil,… dabei wurde aber das tägliche Arbeitspensum verlangt.” Das durchschnittliche Körpergewicht lag so­mit unter 100 Pfund.

Afbeelding 1: Soldaten der 9. US Armee nehmen am 11. April 1945 in den Straßen von Wolfenbüttel Deutsche Wehrmachtssoldaten gefangen.

  

 

De oorlogsjaren van mijn vader, deel 8.

8. Thuiskomst.

Op 27 februari 1946 meldde het informatiebureau van het Nederlandsche Roode Kruis aan de familie Kentie op de Noorderhavenkade 44b te Rotterdam, dat een opsporingsteam van het Rode Kruis had ontdekt, dat “Cornelis Kentje” op 6 april 1945 van het tuchthuis Celle naar Wolfenbüttel was overgebracht, maar dat verdere gegevens ontbreken. Weet de familie meer? Op 5 maart 1946 wordt het schrijven ontvangen en per kerende post schrijft mijn vader zelf terug, dat hij geen Kentje maar Kentie heet. In de nacht van 5 op 6 april 1945[i], zo meldt hij, is hij inderdaad op transport gesteld naar Wolfenbüttel. Hij kwam er ’s middags aan[ii]. Enkele dagen later werd hij door Amerikaanse troepen bevrijd. Hij is toen gaan lopen naar Hannover (een afstand van circa 80 km), waar hij enkele dagen over deed.

Wanneer hij precies is vertrokken uit de gevangenis, is niet duidelijk. De meeste gevangenen konden niet weg: de Amerikaanse frontsoldaten die hen hadden bevrijd, wilden ze niet laten gaan. Na de frontsoldaten kwamen er militaire autoriteiten. Toen mochten ze weg, maar Hausser bij voorbeeld weigerde te vertrekken zonder papieren. Vervolgens kwamen de Engelsen, en die haalden de papieren op uit Celle. Omdat het uit Celle afkomstige gevangenisdossier van Cornelis Kentie zich bij het NIOD in Amsterdam bevindt, heeft hij daar kennelijk ook op gewacht.

Hij werd vervolgens opgenomen in het Krankenhaus Ricklingen. Dat deels weggebombardeerde ziekenhuis had toen 280 bedden[iii].

Afbeelding 1: Krankenhaus Ricklingen, Hannover (nu: Siloah).

Op 9 mei ging hij met een transport naar Eindhoven, waar hij twee dagen later aankwam. Daar bracht hij enige weken in de omgeving door. Op 12 juni 1945 kwam hij weer thuis in Rotterdam[iv]. Hij werd een onbekende tijd later opgenomen in het hulpziekenhuis van het Rode Kruis aan de Mecklenburglaan in Kralingen. Waarvoor en hoe lang is niet bekend, waarschijnlijk tot december 1945 toen hij weer aan de slag ging bij de PTT. Hij ontmoette in het ziekenhuis mijn moeder, die er als hulpverpleegster werkte. Op 12 november 1946 trouwden ze.

Afbeelding 2: Hulpziekenhuis Mecklenburglaan.

 

Het einde van de oorlog betekende overigens niet, dat mijn vader van zijn straf af was. Op 5 juli 1945 constateert de Oberstaatsanwalt in Hannover, dat Kentie nog 7 jaar en 10 maanden moet zitten, tot 20 mei 1953. Maar waar is hij? Tuchthuis Celle meldt, dat Coneluis Kentje werd overgeplaatst naar Wolfenbüttel. Op 21 februari 1946 vraagt de Oberstaatsanwalt aan de gevangenisautoriteiten, of Cornelius Kentie zich daar nog bevindt. Op 1 maart antwoordt men, dat hij er vandoor is. Op 18 maart 1946 wordt het dossier officieel gesloten: het ziet er niet naar uit, dat Kentie weer gegrepen kan worden. Hij is bij de invasie van de geallieerden uit gevangenschap verdwenen en waarschijnlijk naar zijn vaderland teruggebracht. Aanbevolen wordt te doen alsof hij vrijgelaten is op basis van een besluit van de militaire regering. Het heeft, zo vindt men,  weinig zin om de zaak verder te onderzoeken.

Afbeelding 3: Noorderhavenkade, met puin gedempt, april 1945.

Op 11 december 1945 ging hij weer aan de slag bij de PTT. Pas op 26 juli 1947 kreeg hij weer een vaste aanstelling. Toen mijn vader dacht 25 jaar in overheidsdienst te zijn, bleek dat de PTT de jaren van zijn gevangenschap niet meetelde. Hij was vervolgens een jaar ziek thuis. Bij zijn pensioen als briefsorteerder (expediteur 2e klasse) kreeg hij een kalenderstandaard, waaraan een ieder jaar te ontvangen losbladige kalender voor gepensioneerde PTT’ers gehangen kon worden. Op de standaard stonden zijn dienstjaren vermeld, twee aaneengesloten periodes met een nadrukkelijk hiaat, bestaande uit zijn oorlogsjaren. Toch stond deze standaard gewoon in de kamer. Mijn broer Martin weet zich nog iets anders te herinneren. Bij de officiële plechtigheid vanwege zijn pensionering kreeg hij van de PTT ook een oorkonde, met daarop vermeld zijn dienstjaren. Thuisgekomen in de flat in Ommoord smeet mijn vader deze oorkonde vanaf het balkon naar beneden.

Tot zijn dood in 1998 bleef zijn veroordeling officieel van kracht, inclusief het eeuwige eerverlies. Pas in 1998 nam het Duitse parlement de Gesetz zur Aufhebung nationalsozialistischer Unrechtsurteile in der Strafrechtspflege aan: veel veroordelingen, waaronder alle op basis van de Volksschädlingsverordnung, werden herroepen[v].

 

[i] In het verslag van Trampmann [?] is slechts sprake van één transport van Celle naar Wolfenbüttel met 4 april als vertrekdatum. Gezien de afstand (70 km) kan de tocht nooit in één dag gedaan zijn, ervan uitgaande, dat er niet per trein werd gereisd, maar zoals meestal per voet of per open kolenwagen, zoals het transport naar Butzow, dat daar overigens een week over deed (brief afdeling Oude IJssel van het Rode Kruis, 26 februari 1946).

[ii] N.B.: vertrektijd uit Celle en duur van de tocht wijken af van de gegevens van Trampenau.

[iii]  http://de.wikipedia.org/wiki/KRH_Klinikum_Siloah en http://www.klinikum-hannover.de/sil/his/2postwar.htm. Het ziekenhuis bestaat nog steeds onder zijn oorspronkelijke naam Siloah.

[iv] Archief Rode Kruis, Den Haag.

[v] Gesetz zur Aufhebung nationalsozialistischer Unrechtsurteile in der Strafrechtspflege (1998):

  • 1

Durch dieses Gesetz werden verurteilende strafgerichtliche Entscheidungen, die unter Verstoß gegen elementare Gedanken der Gerechtigkeit nach dem 30. Januar 1933 zur Durchsetzung oder Aufrechterhaltung des nationalsozialistischen Unrechtsregimes aus politischen, militärischen, rassischen, religiösen oder weltanschaulichen Gründen ergangen sind, aufgehoben. Die den Entscheidungen zugrunde liegenden Verfahren werden

eingestellt.

  • 2

Entscheidungen im Sinne des § 1 sind insbesondere

  1. Entscheidungen des Volksgerichtshofes,
  2. Entscheidungen der aufgrund der Verordnung über die Einrichtung von Standgerichten vom 15. Februar 1945 (RGBl. I S. 30) gebildeten Standgerichte,
  3. Entscheidungen, die auf den in der Anlage genannten gesetzlichen Vorschriften beruhen.

Anlage:

  1. Verordnung gegen Volksschädlinge vom 5. September 1939 (RGBl. I S. 1679)

 

De oorlogsjaren van mijn vader, deel 7.

7. Terug naar Wolfenbüttel.

De gevangenisautoriteiten hadden al de nodige ervaring met verplaatsingen van grote groepen geïnterneerden: de bommenregens van de geallieerden zorgden voortdurend voor verhuizingen. Toen de fronten in het oosten en het westen dichterbij kwamen, trokken steeds grotere groepen gevangenen bijna dagelijks van gevangenis naar tuchthuis of andersom, van het ene concentratiekamp naar het andere, soms per trein of op open wagens, meestal lopend. Thierack had in 1943 al duidelijk kenbaar gemaakt, dat gevangenen niet mochten worden vrijgelaten, op hele lichte gevallen na. In Hamburg hadden de autoriteiten na het zware bombardement van eind juli 1943, waarbij verschillende strafinrichtingen zwaar waren beschadigd, grote aantallen gedetineerden, ook langgestraften, vrijgelaten. Dat was dus niet de bedoeling. De Hamburgse Oberstaatsanwalt werd hiervoor tot vier maanden gevangenis veroordeeld.

Eind 1944 werden veel gevangenissen in het westen en oosten van Duitsland ontruimd. De geëvacueerden werden naar het midden van het land getransporteerd. Er kwamen officiële richtlijnen over hoe te handelen bij ontruimingen, met een ongebruikelijk element in nazi-Duitsland: men mocht improviseren. Dat vergrootte de chaos. Kortgestraften mochten worden vrijgelaten, anderen moesten eventueel worden overgedragen aan andere autoriteiten, maar een grote groep politieke gevangenen en langgestraften moest naar elders worden overgebracht, of desnoods ‘geneutraliseerd’, met verwijdering van alle sporen, door ze dood te schieten.

In januari werden strafinrichtingen in het oosten verder ontruimd. Op 12 januari was het winteroffensief van de Sovjets begonnen. 35.000 gevangenen gingen op pad, onder chaotische omstandigheden, meestal lopend. Uitgehongerde mannen en vrouwen liepen zeer lange afstanden in ijzige kou, met minimale rantsoenen of helemaal niks te eten, slecht gekleed en op houten slippers of blootvoets. Gevangenen uit Stargard liepen bij voorbeeld gedurende zeventien dagen naar het 315 kilometer westelijker gelegen Bützow. De gevangenisdirecteur noteerde:

“De weersomstandigheden waren rampzalig. De voortgang van de tocht werd belemmerd door zware sneeuwval, de kou, de massa voertuigen van vluchtelingen en het leger, en het terugstromen van massa’s troepen, krijgsgevangenen enz. Elke weg was verstopt, zodat de groepen soms uren op dezelfde plek moesten wachten om niet meer dan een paar honderd meter vooruit te komen”.

Duizenden kwamen om. De vrouwengevangenis in Fordon werd op 21 januari 1945 geëvacueerd naar Krone. Veertig van de 565 vrouwen overleefden deze tocht.

Gevangenen bezweken van de honger, de kou, de uitputting, of werden doodgeschoten. Soms voor de lol, door gefrustreerde SS’ers, die een groep gevangenen uit Krone met machinegeweren neermaaiden. Bij de  beruchtste dodenmarsen uit de concentratiekampen vielen meer dan een kwart miljoen doden.  Gevangenispersoneel was meestal niet te vergelijken met de SS, hoewel aan het eind van de oorlog heel wat van het oostfront teruggekeerde SS’ers in gevangenissen en tuchthuizen aan het werk gingen. Cipiers die de marcherende groepen gevangenen moesten bewaken, deden dat vaak met tegenzin: ook hun hachje was nu in groot gevaar. Vaak ook waren ze slecht bewapend. Soms wisten grote groepen gevangenen dan ook, ondanks het bevel om iedere wegloper te executeren, er vandoor te gaan.

Verantwoordelijk voor de transporten uit Celle in april 1945 was volgens een verslag van Richard Trampenau ene Langebartels, die sinds 1933 lid van de NSDAP was. De gevangenen werden op transport gestuurd vanwege de oprukkende Engelsen. Volgens de schrijver werden ze de dood ingestuurd. Op 4 april 1945 (volgens Trampenau) vertrok onder leiding van SS-Sturmführer Baumgarten (die op de vlucht voor de Russen in Celle was beland) een groep gevangenen naar de gevangenis van Wolfenbüttel. Hij en zijn ondergeschikten sloegen de gevangenen tot bloedens toe. Het ging daarbij vooral om gevangenen die op sterven na dood waren, en het marstempo niet bij konden houden. Sommigen die niet meekonden, werden langs de kant van de weg achtergelaten. De rest joeg Baumgarten met pistolen op om verder te marcheren. Hij schoot diverse malen, maar de auteur weet niet of hij iemand raakte. Sommigen moesten meegesleept worden. Voor velen was dat extra pijnlijk, omdat ze hun houten slippers waren kwijtgeraakt. Een ondergeschikte, Kubiak, had een doornentak afgesneden en sloeg daarmee gevangenen in het gezicht. De gevangenen kregen ’s morgens om vier uur een dunne plak brood, en mochten toekijken hoe de bewakers zich tegoed deden aan hele broden en spek uit de gevangeniskeuken[i].

Er zijn weinig bronnen over het transport van Celle naar Wolfenbüttel. Cornelis Kentie meldt in 1946 aan het Rode Kruis, dat hij niet op 4 april, maar in de nacht van 5 op 6 april op transport werd gezet, en in de loop van 6 april in Wolfenbüttel arriveerde. In 1998 werd voor de door Steven Spielberg opgerichte Shoah Foundation Alfred Hauseer geïnterviewd. Hij was als communist eind 1934 gearresteerd en tot 15 jaar tuchthuis veroordeeld. Hij vertelt dat hij in 1943 naar Celle werd getransporteerd, en daar door de Amerikanen werd bevrijd. Of nee, herinnert hij zich dan. Hij was plotseling, enkele dagen voor de bevrijding, op transport gezet. Hij moest een deken meenemen, en ze werden staand in open goederenwagons per trein naar Braunschweig vervoerd. Daar moesten ze uitstappen, en in rijen van vier op hun houten slippers twaalf kilometer naar Wolfenbüttel marcheren. De bewakers hadden honden en dreigden iedereen die probeerde te vluchten, dood te schieten. In de gevangenis van Wolfenbüttel werden ze in een grote zaal opgesloten[ii].

Alfred Hausser in 2000
Afb. 1: Alfred Hausser in 2000.

Eerder genoemde Baumgarten was ook de baas over het transport van gevangenen van Celle naar Bützow-Dreibergen, in een open kolenwagen. Tijdens dat transport bezweken circa 180 man. De gevangenis was vol, dus werden de overlevende gevangenen in een nabij gelegen kamp ondergebracht. Op 10 april braken daar tyfus en buikloop uit, waaraan nog eens ongeveer 860 gedeporteerden stierven[iii].

Op 6 april 1945 kwam het transport met mijn vader aan in de gevangenis van Wolfenbüttel: hij had de helse tocht uit Celle overleefd[iv]. Twee dagen later werd een groep NN-gevangenen, waaronder Smedts, uit Wolfenbüttel afgevoerd: per trein naar het oosten, naar Maagdenburg, vervolgens naar Burg en tenslotte naar tuchthuis Brandenburg-Görden, dat pas op 27 april door de Russen werd bevrijd[v]. Ook op 8 april ontruimden de Duitsers diverse buitenkampen in de omgeving van Celle en zetten ze meer dan 4000 gevangenen per trein op transport naar Bergen-Belsen.  ’s Middags stopte de trein op het goederenstation in Celle. Enkele uren later vielen Amerikaanse bommenwerpers Celle aan. De trein kreeg de volle laag. De schattingen lopen uiteen, maar volgens sommige onderzoekers stierf meer dan de helft van de treinpassagiers. Veel overlevenden vluchtten de bossen of de stad in. Soldaten, politie en burgers begonnen een klopjacht. Honderden gevangenen  vonden daarbij de dood. Vijfhonderd gevangenen die het bombardement op hun trein hadden overleefd, werden alsnog door gewone soldaten naar Bergen-Belsen gedreven, en ook bij deze dodenmars vielen vele doden. Een grote groep werd in Celle zonder enige verzorging opgesloten in een kazerne. Daar werden ze twee dagen later,  vaak stervend of al dood, op 12 april door de Britten gevonden.

Afbeelding 2: 11 april 1945: Amerikaanse militairen houden in de straten van Wolfenbüttel enkele Wehrmachtssoldaten onder schot.

Mijn vader was dus op tijd uit Celle vertrokken, en moet er bij geweest zijn, toen de gevangenis van Wolfenbüttel op 11 april, vijf dagen na zijn terugkeer, door de Amerikanen werd bevrijd. Een tank ramde de poort open, vertelde Ton Velder. Bewakers maakten een paar cellen open, gaven de sleutels aan de mannen die naar buiten kwamen om de andere deuren te openen en vluchtten weg. Iedereen stormde de trappen af. Buiten stond een overijverige bewaker met een machinegeweer voor de deur. Enkele Franse gevangenen leidden hem af: hij werd totaal onder de voet gelopen, wat hij niet overleefde. De keuken werd bestormd. Niemand had oog voor de ander. Sommigen werden doodgedrukt op de trap naar boven. Daar lag het warme brood nog in de oven. Er waren er die zich niet konden beheersen: ze pakten een stuk vet en begonnen te likken. Er waren erbij, die deze overvloed niet aan konden: ze stierven aan hun vraatzucht. Dood rolden ze de trap af.

Hausser vertelt, dat ze opeens op een ochtend pantserwagens buiten hoorden: de Amerikanen. Een uur later maakten die de cellen open en iedereen werd naar de binnenplaats gestuurd. Ze mochten de gevangenis niet uit, maar hoefden ook niet meer in de cellen te blijven. Iedereen had honger, de bakkerij, waar brood klaar lag, werd bestormd. Men rukte het brood uit elkaars handen. Hausser schreef toen in zijn dagboek: “Ich habe das Tier im Menschen erlebt.”

 

Afbeelding 3: Direct na de bevrijding in de gevangenis van Wolfenbüttel, april 1945.

Velder was erbij, toen de verstopte valbijl weer werd opgegraven. Hij had de bijl zelfs in zijn handen. Ook bekeek hij voor het eerst het executiegebouwtje van binnen. In de dodencellen lag een laag stront, de executieruimte zelf was bedekt met bloed.

 

[i] Einige Erlebnisse […]. Gezeichnet: Richard Trampenau. In archief NIOD. Trampenau was een Duitse communist die in 1933 ter dood werd veroordeeld. Zijn straf werd omgezet in levenslang. Zie: http://www.dkp-hamburg.de/index.php?mact=News,cntnt01,detail,0&cntnt01articleid=113&cntnt01origid=39&cntnt01detailtemplate=Sample&cntnt01returnid=39

[ii]  Brief Cornelis Kentie aan Rode Kruis, 5 maart 1946.  Hausser, Alfred. Interview 43805. Visual History Archive. USC Shoah Foundation. Transkript Freie Universität Berlin. 2012.

[iii] Zie hierboven en een brief van de afdeling Oude IJssel van het Nederlandsche Roode Kruis aan het Informatiebureau van het Rode Kruis, gedateerd 26 februari 1946, aanwezig bij het NIOD, met daarin een verslag van ene J.H.L. Evers.

[iv] Op diezelfde dag werden in het nabije Hannover de vijf ‘KZ-Aussenlager’ van Neuengamme geëvacueerd, juist richting het noorden. Men passeerde Celle nog, maar Neuengamme werd niet bereikt. Degenen die de dodentochten overleefden, belandden omstreeks 8 april in Bergen-Belsen. Rainer Fröbe u.a. (1985), p. 503-513.

[v] Smedts (1978), p. 147-152.

De oorlogsjaren van mijn vader, deel 6.

6. Tuchthuis Celle.

Op 26 mei 1944 stuurde de Oberstaatsanwalt van het Sondergericht te Hannover naar het tuchthuis te Celle het bericht, dat mijn vader daarheen zou worden overgeplaatst. Op 3 juni 1944 werd hij om 7 uur ’s morgens afgevoerd naar de politiegevangenis in Hannover. Op 9 juni stond hij om 5:10 uur in de ochtend klaar op station Hannover om naar Celle te worden gebracht. Na een treinreis van 1 uur en 25 minuten kwam hij daar aan. Niet veel later arriveerde hij in het vlakbij het station gelegen tuchthuis van Celle.

Afbeelding 1: Direct na aankomst in Celle, begin juni 1944.

Twee dagen later volgde de officiële inboeking. Hij moest een vragenformulier invullen en een korte levensbeschrijving op papier zetten. Zijn handschrift is nog verbazend vast. Hij noemt zich zelf foutief maar conform eerder opgestelde papieren Cornelius, en meldt dat er in Rotterdam een invalidenkaart aanwezig is, maar dat zal een vergissing zijn. Een fotograaf maakte twee foto’s, en profil en en face. Hij ziet er met zijn kaal geschoren hoofd slecht uit. Hij woog 51 kilo, en was dus met zijn 1 meter 73 ernstig ondervoed.

Afbeelding 3: Levensloopformulier

De gevangenis in Celle werd begin 18e eeuw, naar Frans voorbeeld gebouwd als tuchthuis, werkhuis en, tot 1833,  gekkenhuis. Boven de ingang staat dan ook: “Puniendis facinorosis custodiendia furiosis et mente captis publico sumptu dicata domus”[i].  Achter een stevige muur rijst het monumentale hoofdgebouw op, omklemd door twee vleugels. De oorspronkelijke laagbouw erachter werd later vervangen door kazerneachtige hoogbouw, waarin de cellen zaten en zitten.

Een tuchthuisstraf, zeker van tien jaar, was in nazi-Duitsland inmiddels niets anders dan een doodstraf met vertraging geworden.  Om steeds geringere feiten werd voortdurend zwaarder gestraft en daardoor raakten de gevangenissen en tuchthuizen overvol. Daarom besloten minister van justitie Thierack en Himmler op 18 september 1942 om ‘asociale elementen’ in de gevangenissen onder het gezag van de Gestapo te brengen en ze “te vernietigen door arbeid”.   In eerste instantie ging het om gevangen gezette Joden, Sinti en Roma, en Russen en Polen die tot meer dan drie jaar waren veroordeeld. Duitsers en leden van ‘broedervolken’ die veroordeeld waren tot een tuchthuisstraf van meer dan acht jaar, zouden individueel worden beoordeeld. Een commissie van het ministerie van justitie moest de mate van onmaatschappelijkheid onderzoeken, en wie voorgoed zonder waarde voor de volksgemeenschap was, werd aan de politie overgedragen[ii].  Verschillende gevangenen uit Celle, ook doodzieke die in het gevangenishospitaal lagen, werden in het kader van de Vernichtung durch Arbeit afgevoerd naar Neuengamme of voor wegenonderhoud in het Noorden van Noorwegen aan het werk gezet[iii]. Op 24 april 1943 waren er al 14.700 asociale Duitsers en leden van broedervolken geïdentificeerd en naar werkkampen afgevoerd. Het waren meestal gewone misdadigers, maar ook politieke gevangenen. Het doel werkte: het sterftecijfer in Mauthausen bij voorbeeld was 35%, per maand. De gemiddelde overlevingstijd was daar dus drie maanden.

Afbeelding 4: Maquette van het tuchthuis in Celle (1930).

Mijn vader werd dit lot bespaard. Op het eerder genoemde overplaatsingsverzoek van 26 mei 1944 stond nadrukkelijk vermeld, dat hij niet als crimineel (Gestrauchelter) moest worden beschouwd (onderstreping op het formulier). Niet duidelijk is, waarom dat zo was. Was dat overeengekomen met de personen die de gratie hadden weten te bewerkstelligen? Was er al een onderzoek naar zijn eventuele asocialiteit geweest?

Maar ook in tuchthuis Celle was je je leven niet zeker. Het viel weliswaar onder het gewone gevangeniswezen, maar het regime was er bikkelhard. In december 1938 begon Bernhard Hartung als arts in het tuchthuis. Hij zou dat blijven tot 15 januari 1944, toen hij werd overgeplaatst. Wel bleef hij wonen in de dienstwoning direct naast het tuchthuis. In 1986 publiceerde hij zijn deels op bewaarde documenten gebaseerde  memoires als wat late ‘aanklacht en apologie’. Ja, hij kon niet anders dan lid worden van de SA en de NSDAP, en ja, hij had een foto van Hitler in huis hangen, maar niet boven zijn bureau! En natuurlijk had hij niet in het openbaar kritiek geleverd op het regime. Maar hij had vanuit zijn functie als tuchthuisarts wel diverse malen geprobeerd te protesteren tegen de behandeling van de gevangenen.

Zo schreef hij op 13 juli 1942 de hoofdofficier van justitie over het afnemen van het gemiddelde gewicht van de gevangenen, in enkele maanden van 61,5 naar 57 kg. Sommige mannen van 175 à 176 cm wogen nog maar 50 kg of minder. De gevangenen kregen in die tijd steeds minder te eten, en wat ze kregen was van belabberde kwaliteit. Door deze ondervoeding en de verlenging van de arbeidsdag tot elf uren konden de gevangenen natuurlijk veel minder produceren, terwijl de productie-eisen steeds hoger werden en de straffen voor het niet halen daarvan steeds harder. Er trad hongeroedeem op, en er waren, door gebrek aan weerstand,  steeds meer gevallen van ziektes als tbc, ook een groot risico voor het personeel. Broodrantsoenen mochten echter niet worden verhoogd, ook niet voor de mannen in de ziekenzaal.

Mishandelingen door beambten, hulpbeambten, hulpopzichters en kennelijk voorgetrokken gevangenen namen toe, vooral bij de buitencommando’s. Steeds meer bij de buitencommando’s tewerkgestelden gingen dood zonder voorafgaande ziekte, steeds meer werden ‘op de vlucht’ neergeschoten, ook al zou geen normaal mens overdag in gevangeniskledij op de vlucht slaan. Sommige gevangenen werden als gevolg van  de honger bevangen door een soort toeval, liepen verdwaasd de verkeerde kant op en werden dan neergeschoten.

Bij het NIOD bevindt zich een slechte kopie van een typoscript van ene Richard Trampeman, een politieke gevangene die in 1934 tot levenslange tuchthuisstraf was veroordeeld en in Celle verbleef tot april 1945. Celle was een tuchthuis met een verzwaard regime. Er zaten politieke gevangenen, Joden, zigeuners en buitenlanders, maar de meeste gevangenen waren gewone criminelen.  Trampeman werkte vooral in de timmerwerkplaats waar zo’n 50 man werkten, 30 daarvan criminelen. Er werkten vier Nederlanders, twee Belgen, twee Fransen, twee Russen, een Oekraïner en een Joegoslaaf. En negen politieke gevangenen. Vooral het laatste jaar was de gevangenis overbevolkt. De capaciteit was 450, maar er zaten 1600 gevangenen, die stierven als ratten: zes tot tien man per dag: 30% van alle gevangenen was ziek. In de timmerwerkplaats moesten de doodskisten worden getimmerd, dus wie daar werkte, kon het aantal doden vaststellen. Ook in de timmerwerkplaats werden gevangenen  zwaar mishandeld, hoewel er nooit  één werd doodgeslagen. Maar in het algemeen  werd het gauw slechter. Zo sloeg ziekenverzorger Leppelt iedere dag de doodzieken in de ziekenzaal, en liet ze vervolgens aan hun lot over. Velen stierven.

Trampeman vertelt het geval van de Hollander Sipke de Hoop. Die werd ernstig ziek: hij had wekenlang zware arbeid verricht. Dat en de slechte voeding bezorgden hem een zware longontsteking. Hij kon niet meer werken, en dus werd hij op doodscommando gestuurd. Dan waren de omstandigheden nog veel slechter en werkte je dus tot je dood neerviel.

Vooral de buitenlanders werden zeer slecht behandeld. Trampeman praatte met de buitenlanders, en daarom noemden de bewakers hem ‘staatsvijand nummer één’: al zijn gesprekjes werden gerapporteerd bij de politie, waar hij zich geregeld moest verantwoorden.

Ook in Celle moesten de gevangenen werken voor allerlei bedrijven. In diverse afdelingen werden elektromotoren gemaakt (ankerwikkelaars) voor het bedrijf Trillke-Werke uit Hildesheim, een bedrijf dat door Albert Speer tot militair modelbedrijf was aangewezen, en onderdeel was van het Bosch-concern[iv]. Anderen werkten bij de meubelmakerij of in de drukkerij, de schoenfabriek van Gehrken uit Celle, in een recyclingbedrijf van oude legeronderdelen, de zakkenfabriek, de mattenfabriek of in de wagenfabriek. De werkzaamheden werden beloond met 10, 20, 30 of 40 Pfennig per dag. Er waren naast de zogenaamde Außenkommandos in onder andere Tiste en Westermünde ook nog drie à vier ‘boerencommando’s’. Tot slot waren er nog ‘stadscommando’s’ in Ratsmühle, en in de Trillke-fabrieken.

Mijn vader begon op 13 juni 1944 bij het mattenbedrijf, tot 6 september dat jaar. Toen werd hij wegens longtuberculose opgenomen in de ziekenzaal, een lange brede ruimte met grote ramen[v],  waar hij ruim vier maanden verbleef, tot 8 januari[vi]. In die eerste maand van 1945 stierven zeventien gevangenen en tot de bevrijding door de Britten op 15 april nog eens 211 in het inmiddels door overplaatsingen overvolle complex[vii].

Bij ons bezoek aan de gevangenis in 2001 konden mijn broer Martin en ik vaststellen, dat er nog steeds een meubelmakerij is, nu als Arbeitstherapie. Prijzen van houten speelgoed en meubelen op aanvraag.

Afbeelding 5: Cel in tuchthuis Celle. Situatie 1963. Ansichtkaart.

Bij het NIOD ligt een lijst met Hollanders die tussen 1940 en 1945 in Celle vastzaten[viii]. Ik heb een kopie van een deel van die lijst, met 54 namen. De meesten waren, als ze niet in voorarrest zaten, veroordeeld wegens diefstal, heling, vervalsen. Er was iemand bij, die ook wegens onderduiken werd veroordeeld, een ander volgde bevelen van de regering niet op. Een paar luisterden naar een buitenlandse radiozender. Straffen voor deze groep varieerden van enkele maanden tot anderhalf jaar, een enkeling kreeg meer, tot zes jaar toe. Voor hoogverraad kreeg iemand vijf jaar tuchthuis, een ander voor voorbereidingen tot hoogverraad twee jaar. Een homoseksueel (althans een man die veroordeeld werd voor tegennatuurlijke ontucht) moest zes jaar zitten. Iemand die een deserteur had geholpen, werd tot twee jaar veroordeeld. De langst gestrafte was een deserteur: twaalf jaar en zes maanden. Niet veel korter moesten twee andere mannen zitten: tien jaar voor postdiefstal, en tien jaar voor ambtsverduistering. Deze laatste is mijn vader. Tien mannen van de lijst waren in de loop der tijd aan de politie overgedragen. Eén Nederlander werd officieel bij een vluchtpoging doodgeschoten (op 14 maart 1945). Zes van de 54 stierven tussen maart en april 1945 in het tuchthuis te Celle. Hoeveel doden er waren bij de Nederlanders die tussentijds naar andere gevangenissen en tuchthuizen werden afgevoerd, staat niet vermeld.

Begin april 1945 werden elf Nederlanders naar de gevangenis in Wolfenbüttel afgevoerd [ix].

 

[i] Dit huis werd gebouwd met publiek geld om de criminelen te bestraffen en de dwazen en de gekken te bewaken.

[ii] Wachsmann (2005), p. 272 e.v.

[iii] Hartung (1986), p. 183-184.

[iv] Manfred Overesch, Bosch in Hildesheim, 1937-1945: Freies Unternehmertum und Nationalsozialistische Rüstungspolitik. Göttingen. 2008.

[v] Karl Tuttas (1980), p. 257. Tuttas was een Duitse communistische verzetsstrijder., die eind jaren dertig twee keer een korte periode in Celle vastzat.

[vi] Data afkomstig uit brief Rode Kruis, Oorlogsnazorg aan mij, begin 2003 (eerste bladzijde ontbreekt).

[vii] http://www.celle-im-nationalsozialismus.de/Stationen/Zuchthaus.html

[viii] NIOD: ongedateerde Werklijst van de hand van L. Meijers uit Blerick (g[01.039]315.1).

[ix] Niet alleen naar Wolfenbüttel, ook naar Bützow-Dreibergen werd een groep afgevoerd.

De oorlogsjaren van mijn vader, deel 5.

5. ‘Hergabe seiner ganzen Arbeitskraft’.

Op 10 september 1943 wijzigde Rijksminister van Justitie Dr. Otto-Georg Thierack, en daartoe gemachtigd door de Führer zelf, de doodstraf van Cornelius Kentie in een tuchthuisstraf van 10 jaar[i]. Dit feit werd hem overigens pas tien dagen later op 20 september, waarschijnlijk door Staatsanwalt Goerck persoonlijk, in de gevangenis van Wolfenbüttel medegedeeld. Vervolgens verbleef hij nog eens negen maanden in Wolfenbüttel, zonder ooit bezoek te ontvangen.

Direct de dag nadat hem de gratieverlening was medegedeeld werd mijn vader aan het werk gezet. Gevangenisarbeid was lang een vorm van verheffing geweest, maar de nazi’s vonden, dat werken door veroordeelden een vorm van boetedoening was. Een veroordeelde moest door “Hergabe seiner ganzen Arbeitskraft dem Volksganzen” dienen. In 1939 werkten 250 van de 931 gedetineerden in de gevangenis zelf zoals in de Holzhof of de eigen tuinen, of ze werkten voor private ondernemingen, al dan niet gevestigd binnen de gevangenis. Onder deze bedrijven waren rubberverwerker Schroers & Simmerling, kachelpijpfabriek Grüttemans Nachfolger, de nog steeds bestaande lijmfabriek Ludwig Noltemeyer, erwtensorteerder Conrad Wrehde en de Hamburgse fabrikant van rubber matten H.C. Meyer jun. Bijna 500 gevangenen werkten bij zogenaamde Außenbetriebe bij bedrijven buiten de gevangenis. Ze verlieten nog vóór zes uur onder bewaking de gevangenis en kwamen ongeveer twaalf uur later weer terug. Enkelen van hen werkten bij tuinders. Anderen werkten in de kalkfabriek Bahl & Conen, bij de ‘Reichswerke Hermann Göring’ in Börßum en Braunschweig (nu onderdeel van Salzgitter), bij de railfabriek van Büssing & Sohn, bij transportbedrijf Walter Wagner of bij wegwerkbedrijf Gustav Stabbert. De meesten werkten bij de nog bestaande wegenbouwer Friedrich Preuße. Later werkten steeds meer gedetineerden bij Außenkommandos die direct voor de oorlogsindustrieën werkten. Deze gevangenen, uiteindelijk meer dan 800, werden gehuisvest bij hun arbeidsplaats.

Afbeelding 1: Een buitencommando aan het werk.

Op het formulier A36 uit de gevangenis van Wolfenbüttel staan voor mijn vader drie soorten door hem verrichte werkzaamheden vermeld: Zwiebeln, Gümmi en Matten. De uien hebben als begindatum 21 september 1943. Een maand later, op 19 oktober, gaat hij kennelijk aan het werk bij rubberverwerker Schroers & Simmerling. Wat hij ook deed, het betekende minstens elf uur per dag, zes dagen per week, het hele jaar door zonder enige pauze op de korte middagpauze na, werken.

Afbeelding 2: De Holzhof in de gevangenis van Wolfenbüttel.

‘s Ochtends kregen de gevangenen een stukje brood, tussen de middag was er koolraapsoep met wellicht wat aardappels erin, als je het geluk had één der laatsten te zijn die zijn portie kreeg, en ‘s avonds weer een stukje brood. Het was iedere dag honger lijden. Werkte hij buiten, op houten slippers en met veel te weinig kleren, zodat het in de winter voortdurend kou lijden was, dan was hij wellicht in staat wat te jatten, zoals Ton Velder vertelde.

Velder werd op 16-jarige leeftijd in Utrecht bij een razzia in Utrecht gearresteerd. De Duitsers zagen in zijn Ausweis een vervalsing, omdat ze niet konden geloven dat de ouder uitziende Velder pas 16 was. Via Scheveningen en Kleve belandde hij in Wolfenbüttel, waar hij tot de bevrijding verbleef. Hij was aan het werk gezet op de Holzhof, en vertelde me op 30 november 2001 over de werkomstandigheden. Het magere rantsoen wist hij een heel klein beetje aan te vullen dankzij de varkens. In een grote ruimte ergens in de gevangenis werden varkens gehouden. Op het binnenterrein stond ook een klein houten huisje, dat als wc diende. Erin stond een emmer, die, als hij vol was, geleegd moest worden in het varkenshok. Na het legen stopte men gauw wat bieten of knollen die voor de varkens bestemd waren, in de emmer. Met behulp van een uit blik gemaakt ‘mesje’ werden ze geschild, vooral om de poep en de pis te verwijderen. Als het binnenste was genuttigd, bestormden Polen en Russen het hok: zij aten de vervuilde schillen zonder aarzelen op. Eens in de zoveel dagen kwam er een kar met voer voor de varkens. Had je geluk, dan kon je uit de laadbak wat half rotte aardappels of ander voer gappen.

Er was sprake van enorme honger, en alleen al daarom was je nooit je leven zeker, zo vertelde Velder. Want van enige solidariteit onder de gevangenen was geen sprake. Voor een stukje brood kon je vermoord worden, en je wist nooit wie je kon vertrouwen. Je zat weliswaar met drie man in een cel, maten die je wellicht op den duur kon vertrouwen, maar de kans dat die op zekere dag op transport werden gesteld naar een andere gevangenis was groot. Gevangenen praatten niet veel met elkaar, want je kon zomaar verraden worden: anderen kon je niet vertrouwen. Je kon het zelfs wel eens treffen met de bewakers, in dienst van het ministerie van Justitie, en dus geen Gestapo of SS. Toch waren de meesten volgens Ton Velder allesbehalve zachtzinnig. Werkte je niet hard genoeg, of praatte je met een medegevangene, dan kon je een afstraffing met de gummilat verwachten. Betrapten ze je op sabotage, dan wachtte de guillotine. Want sabotage was zelfs bij het hout hakken mogelijk: een gevangene met technische kennis van de houtgeneratoren waarvoor ze waren bestemd, wist in welke vorm je ze moest hakken om de generatoren te verstoppen.

Ook volgens Velder wist iedereen van de doodstraffen. Dat lag als een doem over alle gevangenen. Hij zag vaak hoe ruwhouten kisten op een kar werden geladen en de gevangenis uit werden gereden. De kisten van gevangenen die waren gestorven door ziekte, honger of geweld stonden op een andere plek.

 

[i] In zijn dossier, aanwezig in het Niedersächsische Hauptstaatsarchiv te Hannover (Hann. 171A, nr. 638) is een afschrift van deze beschikking aanwezig, gedateerd 9 november 1944. De Staatsanwalt had daar op 26 mei 1944 om gevraagd omdat de originele stukken door ‘Feindeinwirkung’  vernietigd waren.

De oorlogsjaren van mijn vader, deel 4.

4. ‘Todeskandidat’ in Wolfenbüttel.

Mijn vader liet nooit de naam Wolfenbüttel vallen. Het was dan ook een verrassing toen ik bij het NIOD  zijn gevangenisdossier aantrof in een map van de strafgevangenis in die stad. Op 7 juni 1943 om 9.40 uur werd mijn vader in Wolfenbüttel ‘ingeboekt’ als nummer 271 onder de naam Cornelius Kentie en opgesloten in Haus II, het zogenaamde Rode Huis. Bij hem werd een bedrag van 77,28 RM aangetroffen, terwijl maximaal 50 RM in zijn bezit mocht blijven. Het teveel werd in beslag genomen, en later vond men nog eens 159,98 RM. Zijn weekloon bij zijn arrestatie was overigens 21 RM. Hij vulde de Aufnahmeverhandlung (formulier nr. 36 van het gevangeniswezen) in en werd in Einzelhaft en geboeid opgesloten, naar alle waarschijnlijkheid in een dodencel.

Afbeelding 1: Maquette van de gevangenis van Wolfenbüttel.

De gevangenis in Wolfenbüttel heeft zijn hoofdingang in een nauwe straat in het met eeuwenoude vakwerkhuizen volgebouwde historische centrum. Het hoofdgebouw van de gevangenis stamt uit 1506. In 1619 werd het voor het eerst een (militaire) gevangenis. Sinds 1790 is het een tuchthuis. In 1873 werden achter het hoofdgebouw twee cellencomplexen gebouwd, Haus I en Haus II. Her en der op het terrein staan werkplaatsen. De gevangenis werd vanaf het begin van de machtsovername door de nazi’s gebruikt voor het opsluiten van politieke gevangenen. In de tweede helft van de jaren dertig was bijna de helft van de circa 800 gevangenen veroordeeld vanwege politieke delicten. De gevangenis werd beheerd door regulier justitiepersoneel, en dat was aanvankelijk te merken. Joden mochten bij voorbeeld Pesach vieren en gebedenboeken hebben. Soms werd iemand tegen de zin van de Gestapo op strikt juridische gronden vrijgelaten. Maar de Gestapo kreeg in de loop der tijd steeds meer grip op de gevangenis, en het werd een beruchte gevangenis voor Nacht-und-Nebel-gevangenen (NN-gevangenen)[i].   De gevangenis had een capaciteit van duizend gevangenen, maar gedurende de oorlog verdubbelde dat aantal tot tweeduizend.

Afbeelding 2: Haus II te Wolfenbüttel, het Rode Huis (2001).

Op het binnenterrein van de gevangenis staat een oud gebouwtje, de oude smederij. Deze smederij werd in 1937 tot een executieplaats omgebouwd, nadat besloten was de voltrekking van de doodstraf te centraliseren in elf executieoorden. Een valbijl (guillotine), afkomstig uit een gevangenis in Hannover en een galg werden geplaatst, een bloedgoot gegraven, enkele ruimtes tot dodencellen verbouwd. Vanaf de herfst van 1943 werd Haus I, het ‘Grauen Haus’ de gevangenis van  de NN-gevangenen[ii]. Over hun verblijf weten we wat meer. Op de begane grond bevonden zich de dodencellen, die in 2001 nog als gewone cellen in gebruik waren.  Op de tweede verdieping, in de voormalige kapel, moesten deze gevangenen verrekijkers van de firma Voigtländer u. Sohn in elkaar zetten, iedere dag van zes uur ’s morgens tot zes uur ’s avonds. Alleen op dinsdag stopten ze al om vijf uur. Dan kwamen de beulen: dinsdag was executiedag.

Afbeelding 3: Haus I, het ‘Grauen Haus’.

De Todeskandidaten werden door de wachtmeesters naar de guillotine gebracht. Hoeveel er op een dag werden geëxecuteerd, kon je dinsdagochtend al weten, omdat dan de ongebruikelijk korte kisten werden afgeleverd. Kort, want er werd op hout bezuinigd en de onthoofde lichamen waren nu eenmaal korter. Het afgehakte hoofd kon er altijd wel bij gepropt worden[iii]. De ter dood veroordeelde NN-gevangenen (meer dan 70 werden in Wolfenbüttel geëxecuteerd) zaten in de cellen op de begane grond, dag en nacht geboeid. Ook eten deden ze met de boeien om. Het galgenmaal was soep. Als dat op was, moesten ze zich uitkleden. Hun handen werden op de rug geboeid. Na 3 december 1943 kregen ze standaard een spuitje om het spreken onmogelijk te maken. Op die dag had een man uit Poitiers de Marseillaise gezongen tot het moment, dat zijn hoofd op de grond viel.

Afbeelding 4: De dodencellen in het ‘Grauen Haus’.

De gevangenen op de hogere etages van het Grauen Haus mochten niet kijken als de ter dood veroordeelden hun laatste gang maakten, maar deden dat toch en zagen dan hoe de ter dood veroordeelden tussen twee bewakers naar de oude smederij werden gevoerd. Daar namen twee mannen met bebloede schorten hen over en verdween men in het gebouwtje. Het onthoofden ging razendsnel: op 3 december 1943 werden bij voorbeeld in nauwelijks meer dan een kwartier tien leden van de verzetsgroep Renard geëxecuteerd[iv]. Na enige tijd arriveerde de vrachtwagen, waarmee de kisten werden afgevoerd, samen met het mes: dat moest geslepen worden voor de volgende keer.

Dat zijn details die de latere hoofdredacteur van Vrij Nederland Mathieu Smedts ooit opschreef. Smedts kwam op 14 maart 1944 in Wolfenbüttel aan. Hij was als verzetsstrijder op 17 november 1943 in Utrecht ter dood veroordeeld, en werd als NN-gevangene afgevoerd naar tuchthuis Sonnenburg (een speciale NN-gevangenis, waar per maand bijna twintig procent van de gevangenen stierf) en vervolgens naar Wolfenbüttel. Daar was het na Sonnenburg “pure verrukking de eerste dagen”, schreef hij later[v]. De cellen waren helder, er waren wc’s, veel bewakers waren redelijk correct. Maar toch werd Wolfenbüttel “een verschrikkelijker ervaring dan alles wat wij tot dan toe hadden beleefd”. En dat kwam door een klein huisje met daarin een guillotine. “Week in week uit, bijna elke dinsdag kwamen de beulen om enkele ter dood veroordeelden te onthoofden”.

Ook Smedts monteerde in de oude gevangeniskapel verrekijkers tot zes uur ’s middags. Op dinsdag werd er een uur eerder gestopt,

“want dan moesten onze brave wachtmeesters de ter dood veroordeelden uit hun cel naar de guillotine brengen. Zij zaten gelijkvloers beneden ons, de Todeskandidaten, zoals zij genoemd werden. Altijd waren zij geboeid. ’s Morgens werden de boeien hun twintig minuten afgenomen om hun bedden uit de cel te slepen en op de gang te leggen, twintig minuten ’s avonds om ze weer terug te halen. Ze aten met de boeien aan, zij zaten de hele dag alleen te wachten op hun dinsdag” [vi].

Toen Smedts er zat, was mijn vader geen Todeskandidat meer, maar de kans is heel groot, dat ook hij maandenlang in een dodencel angstig heeft gewacht op zijn dag des oordeels. Smedts hoorde ter dood veroordeelden in afwachting van hun executie krankzinnig worden. ’s Nachts werd soms de stilte doorbroken door “een gehuil dat je door merg en been ging. Een man die te lang alleen met zijn gedachten over zijn komende executie had gezeten, kon zich niet meer beheersen”[vii].

Afbeelding 5: De oude smederij.

Overigens vermeldt dominee Hans Hüneke, die bij veel executies aanwezig was, een heel ander tijdschema. Eerst om de veertien dagen, later bijna elke dag werd er geëxecuteerd. Afwisselend met dominee Schubert was Hüneke twee keer per week als zielzorger aanwezig. Het ritueel begon ’s avonds om 19 uur. De verantwoordelijke officieren van justitie in hun toga’s, de griffier, een evangelisch en een katholiek geestelijke en twee ambtenaren betraden dan het executiegebouwtje. Vloer en wanden waren er met tegels bedekt. Een gordijn deelde de ruimte in tweeën. Achter het gordijn bevond zich de guillotine.

Afbeelding 6: De executieruimte in de oude smederij.

In het deel voor het gordijn stond een zwart bedekte tafel, waarachter men plaats nam. Vervolgens kwamen de ter dood veroordeelden één voor één binnen, gekleed in blauwe gevangeniskledij op houten slippers, de handen op de rug gebonden. De verantwoordelijke officier van justitie las nog eens het doodsoordeel voor, deelde mede dat het gratieverzoek was afgewezen en vertelde vervolgens dat de straf de volgende morgen om 5 uur zou worden voltrokken. De veroordeelde werd dan naar de cel in het gebouwtje gebracht.

Afbeelding 7: Meubels in een dodencel in de oude smederij.

Om 5 uur ’s morgens werd de executieklok in het torentje op de smederij geluid. Hetzelfde gezelschap als de avond ervoor verzamelde zich, aangevuld door een arts (om de dood van de onthoofden formeel vast te stellen), de beul en zijn twee helpers. De beul, een wat oudere vriendelijke man, was gekleed in rokkostuum met hoge hoed. Ook zijn helpers waren stemmig gekleed.

Afbeelding 8: De valbijl.

Vervolgens werd de veroordeelde binnengebracht, met een blauw jasje over zijn ontbloot bovenlijf. De verantwoordelijke aanklager las nog eens voor, dat er geen gratie was verleend en zei dan: “Beul, doe uw plicht”.  Het gordijn werd opengetrokken, de guillotine werd zichtbaar. De beul ging ernaast staan, zijn helpers gingen aan beide kanten van de veroordeelde staan, trokken zijn jasje uit en grepen hem bij de armen. Snel brachten ze hem naar het schavot, legden hem op zijn buik neer. De nekplank werd vastgezet. En dan drukte de beul op een aan de zijkant bevestigde knop. De bijl viel met een luide klap, het hoofd viel in een leren zak, het bloed spoot sissend uit de halsslagader, de houten slippers vielen van de slap geworden voeten met een tik op de betegelde grond. Het gordijn werd weer gesloten. De beul kwam ervoor staan, en zei: “Das Urteil ist vollstreckt”.  De aanwezige geestelijke sprak hardop een Onzevader, waarbij alle aanwezigen hun hoofd ontblootten. Alles had nog geen vijf minuten geduurd. Vervolgens werden de andere veroordeelden onthoofd, eerst die in de dodencellen in de oude smederij, daarna de NN-gevangenen uit het Grauen Haus. Die moesten over het binnenhof gevoerd worden. Daarom stonden er overal gevangenbewaarders met geladen karabijnen, die er ook voor zorgden dat geen van de gevangenen naar buiten keek[viii]. Dominee Hüneke deed zijn werk in Wolfenbüttel tot maart 1943.

 

[i] Knauer (2000), p. 85-86.

[ii] Knauer (1990), p. 37. Gevangenisaalmoezenier Unverhau noemt in 1946 echter mei 1943: ibidem, p. 42.

[iii] Smedts (1978), p. 129.

[iv] Knauer (1990), p. 48-51.

[v] Smedts (1962), p. 57.

[vi] Smedts (1962), p. 57.

[vii] Cornelissen (2006), p. 64-65.

[viii] Hans Hüneke, Zehn Stunden vor der Hinrichtung; meine Arbeit an dem Strafgefängnis zu Wolfenbüttel 1942/43. Typoscript. Salzdahlum, juni 1951.