Henricus Thamerus voor zijn komst naar Joure.

Toen ik een tijdje geleden de redactie van het historisch tijdschrift Fryslân wees op de onjuiste omschrijving van mijn voorouder Henricus Thamerus, kreeg ik van drs. Sybrand Krul, hoofdredacteur, een zuinige reactie terug. Ik had een link meegestuurd naar mijn blog over Thamerus, met daarin tientallen eindnoten en minstens zoveel literatuurverwijzingen, waarin je zowat al het bekende over Thamerus’ leven kan lezen. Hier werd mijn stelling, dat moderne historici meestal in navolging  van historici Van Deursen en Bergsma met een geheel onjuist beeld van de man komen, m.i. onweerlegbaar onderbouwd.

Wat was het antwoord van Krul? “Spijtig genoeg zijn ze [Van Deursen en Bergsma] niet meer onder ons en kunnen we ze derhalve niet meer aan de tand voelen. Het zou nieuw, [oorspronkelijk] onderzoek vergen om het beeld van Thamerus beter passend bij de werkelijkheid te brengen. Ik weet zo niemand die dit op zich kan nemen, maar zal het in gedachten houden als ik historici ontmoet die zich met het bewuste tijdvak bezig houden.”

Nou is Thamerus ook niet meer onder ons, en ook niet de 19e-eeuwse historici die een geheel ander beeld van hem schetsten. Niet zo’n sterk argument dus. En dan ook nog de implicatie, dat mijn onderzoek niet ‘oorspronkelijk’ zou zijn.

Juist voor een Fries tijdschrift zou Thamerus overigens interessant moeten zijn. Ik heb nog meer onderzoek gedaan. Ik twijfel daardoor inmiddels aan de familieband met andere dominees en theologen met de naam Thamerus, met als bekendste Theobaldus. Die kwamen uit Straatsburg en andere steden in het midden en zuiden van Duitsland. Onze Henricus vond ik terug als diaken (of tweede dominee) te Jever, de hoofdstad van Oost-Friesland, in het jaar 1580. Hij schrijft in een boekje over drie grote watersnoodrampen die (Oost-)Friesland hebben getroffen, over de Allerheiligenvloed van 1 november 1570 in het graafschap Delmenhorst, tussen Oldenburg en Bremen. Daar bevond hij zich toen kennelijk. Of hij vertelde een bekend verhaal. Want het door hem vertelde verhaal vinden we ook terug in boeken uit 1795 en 1824.

Wat was er gebeurd? Bij de overstroming was een groot stuk land bij het dorp Moordorf in de buurt van Oldenburg met daarop talloze eiken en andere bomen, én mensen en vee, losgeraakt en 7,5 kilometer verderop in de buurt van Bardenfleth terechtgekomen. Dat leidde tot een proces. De nieuwe eigenaar, Martin (of Theodorich bij Thamerus) Ammerman, wilde van de oorspronkelijke eigenaar Hermann Gloysteen, die niet van het land af wou, af. Ammerman won het proces.

Zijn bijdrage heeft alle kenmerken van een bijdrage van ‘onze correspondent’, grappig genoeg. Maar dan wel met tien jaar vertraging. Bovendien zou het nog enige decennia duren, voordat de eerste krant het licht zag (omstreeks 1609 in Straatsburg).

Thamerus komt dus niet uit de lucht vallen, als hij in 1591 in Joure opduikt. Ik denk ook, dat ik zijn inschrijving aan de Universiteit van Wittenberg heb gevonden. In 1572 studeert daar ene Heinricus Tabnerus. Omdat ‘Tabnerus’ verder volstrekt onbekend is als achternaam, denk ik dat op enig moment er een overschrijffout is gemaakt. Duker, de biograaf van Gisbertus Voetius, een van de grootste tegenstrevers van Thamerus, schrijft in 1897 in diens biografie in een voetnoot, dat T[h]amerus reeds op 18-jarige leeftijd een bekwaam leerling van Melanchton was, in Wittenberg. In 1572 is Melanchton echter al twaalf jaar dood. Werd Thamerus in 1540 geboren, dan is het dus mogelijk, dat Thamerus bij Melanchton studeerde. Maar ik vind geen Thamerus in welke spellingvariant dan ook in de matrikel van Wittenberg in die periode vlak voor Melanchtons overlijden. Hoe Duker aan zijn feit kwam, is nog niet geheel duidelijk.

Heinricus Tamerus, 1580.

Marcus Wagner, Johannes Dinckel, Gerhard Howick, Andreas von Meyendorf, Heinrich Thamer, Einfeltige, kurtze, warhafftige, schreckliche, unerhörte Historiae von den dreyen Wasserfluten in Phriszlandt […]. Erfurt, Georg Baumann d. Ä., 1580.

Ludwig Kohli, Handbuch einer historisch-statistisch-geographischen Beschreibung des Herzogthums Oldenburg sammt der Erbherrschaft Jever, und der beiden Fürstenthümer Lübeck und Birkenfeld. Band 1. Bremen: Verlag Wilhelm Kaiser, 1824, P. 204.

Zie ook: Gerhard Anton von Halem, Geschichte des Herzogthums Oldenburg. 2er Band. Oldenburg: Gerhard Stalling, 1795. P. 116.

Karl Eduard Försteman (ed.), Album Academiae Vitebergensis: 1502-1602. Lipsia [Leipzig]: Carl Tauchnitz, 1841. Dit is deel 1.

A.C. Duker, Gisbertus Voetius. Eerste deel. Leiden: E.J. Brill, 1897.

augustus 2019, drs. M.C. Kentie

Heinricus Tamerus, diaken te Jever.

Tamerus liet voor zijn komst in Friesland wel degelijk een spoor na. We komen hem tegen in een boekje uit 1580. In dat boekje worden overstromingsrampen uit 1512, 1570 en 1577 beschreven (en de rol van God daarbij), die Friesland (lees Oost-Friesland) hebben getroffen. Diaken Heinricus Thamerus doet verslag van de gevolgen van de catastrofale watersnoodramp van 1 november 1570 in Delmenhorst, een plaatsje in de buurt van Bremen. Bij deze ramp, de beruchte Allerheiligenvloed met een vloedgolf hoger dan die van 1953, vielen minstens 20.000 doden in onze contreien inclusief Oost-Friesland, waarvan minstens 3000 doden in onze provincies Friesland en Groningen.
Henricus ondertekent met zijn functie: Diaconus Iheuerensis. Na veel speurwerk ontdekte ik wat dat betekent. Diaconus is naast diaken tweede predikant. Slechts één bron komt met de betekenis van Iheuerensis. De 88-delige encyclopedie van Johann Heinrich Zedler, gepubliceerd tussen 1731 en 1754, meldt ons dat het gaat om Iheueria, de Latijnse naam voor de hoofdstad van Oost-Friesland, Jever! Onze Henricus was dus in 1580 diaken of tweede predikant in Jever! Daar spraken ze Fries en een Nederduits dialect, dat zeer dicht bij het Nederlands lag.

Heinricus Tamerus, 1580.