Voorouders III: Henricus Thamerus.

Een stichtelijk leven: eerherstel voor dominee Henricus Thamerus.

(Nieuwe verbeterde versie, november 2016). Aangevuld augustus 2017, februari 2018, februari 2019.

Ruziënde ziekentroosters.

Op 10 september 1594 bood ene Henricus Thamerus zich aan als interim-predikant bij de zes jaar eerder gestichte lutherse gemeente van Amsterdam. Die toch al kleine gemeente dreigde uiteen te vallen:  de twee ziekentroosters, die ook de preken verzorgden, stonden lijnrecht tegenover elkaar. Ze verschilden van mening over de betekenis van de Erfzonde, een conflict dat heel de lutherse kerk in zijn greep hield.

De Amsterdamse geloofsgemeenschap was samengesteld uit twee groepen: gevluchte handwerkerslieden uit Antwerpen en al veel langer in Amsterdam verblijvende Hamburgse handelaren, verenigd in het Hamburger Koor. De eerste groep stond achter de radicale ziekentrooster Van de Populiere, een volgeling van Flacius. Matthias Flacius Illyricus was een Kroatische lutheraan, die stelde dat ieder mens dankzij de Erfzonde door en door slecht was. Hij en zijn navolgers hadden zich verzet tegen Philippus Melanchton, de opvolger van Luther en de opsteller van de Augsburgse Confessie, de geloofsbelijdenis voor de lutherse kerk.

Fig. 1: Matthias Flaccius

Ziekentrooster Andries Nesscher vertegenwoordigde de meer gematigde richting van Melanchton. Het conflict liep zo hoog op, dat beide ziekentroosters een preekverbod kregen. De Amsterdamse gemeente moest dus op zoek naar een echte dominee, en die werd gevonden in Adolf Fisscher. Hij had de gemeente al in 1593 tijdelijk gediend, en dat was kennelijk bevallen, want hij werd teruggevraagd. Maar tot zijn komst zat de kerk enkele maanden zonder predikant en daarom overwoog ze het aanbod van Thamerus, die bij een eerdere sollicitatiepoging al had gemeld van de Augsburgse Confessie en dus lutheraan te zijn, én dat hij in Friesland door de calvinistische classis niet werd geduld.

De gemeente vroeg op 6 oktober 1594 aan Johannes Ligarius, predikant in Embden, inlichtingen over Thamerus. Ligarius had de Amsterdamse lutheranen, toen hij in Woerden werkte, al eens eerder als adviseur gediend. Hij had in Wittenberg gestudeerd (in 1546) en had goede contacten in Noord-Duitsland, onder andere met de superintendent van Lübeck, Andreas Pouchenius. Het antwoord is niet bekend, maar Thamerus ging aan de slag, dus er zal sprake zijn geweest van een positieve referentie.

Fig. 2: Andreas Pouchenius.

Op 18 februari 1595 arriveerde Fisscher in Amsterdam. Dankzij hem en wellicht ook invaller Thamerus begon de lutherse gemeente weer op te bloeien.  En dat trok de aandacht van het stadsbestuur, dat de lutheranen niet welgezind was. De calvinistische kerkenraad, waarin dominee, kaartenmaker, VOC-oprichter en fervent tegenstander van het lutheranisme Petrus Plancius (de uit Vlaanderen afkomstige Pieter Platevoet) een grote rol speelde, besloot op 23 maart om de lutheranen maar vooral Thamerus ‘op kerkelijke wijze’ te bestrijden. Werd Thamerus doelwit, omdat de komst van Fisscher nog niet was opgemerkt en ze hem nog steeds als het lutherse boegbeeld zagen, had hij uitspraken gedaan die bij de gereformeerden in het verkeerde keelgat waren geschoten, of speelden zijn eerdere conflicten in Friesland een rol? Pont, op wie het bovenstaande is gebaseerd, vermeldt dit niet[1].

De lutheranen werden al vanaf 1590 door het Amsterdamse stadsbestuur lastiggevallen, net als de joden en andere religieuze minderheden. Het reageerde daarmee op de druk vanuit de gereformeerde kerkenraad, waarin overigens tot afschuw van burgemeester Cornelis Pietersz. Hooft, gehuwd met een doopsgezinde, buitenlandse vluchtelingen het voor het zeggen hadden. De geïmporteerde dominees en ouderlingen hadden de twisten van elders meegenomen en verkondigden een radicaal en meedogenloos calvinisme. Ze begrepen bovendien ‘het temperament van de Hollanders niet’:  Hollanders willen immers zelf uitzoeken hoe de Bijbel moet worden gelezen en bovendien  kiezen ze voor de deugden van ‘voorzichtige vastheid en vrede’. De buitenlandse dominees zaaiden volgens Hooft verdeeldheid en wilden de calvinistische predestinatieleer aan de stad opleggen. In 1597 probeerden de calvinisten zelfs een oproer tegen andersdenkenden uit te lokken[2].  Ondanks Hooft werden in 1595 alle lutherse bijeenkomsten verboden.

Fig. 3: Petrus Plancius.

In een voetnoot licht Pont ook Thamerus’ doopceel, waarbij hij zich vooral baseert op vergaderverslagen van de classis Gorinchem, het gebied, waar Thamerus later actief zou worden. In die vergaderingen werden tegen Thamerus verschillende keren bezwaren gemaakt. Maar al met al  “maakte in 1610 de klassis van Gorinchem geen zwarigheid hem tot predikant van Doveren en Genderen te bevestigen, maar uit hooge achting voor zijn grondige geleerdheid en godsvrucht, schijnt zij hem gedragen te hebben, zonder dat hij echter lid van hare vergadering was”, stelt Van der Aa in 1874 in zijn Biografisch Woordenboek[3]. Thamerus was inderdaad twee keer uit een Friese gemeente verjaagd, maar in die tijd werden predikanten wel vaker uit hun gemeente verdreven vanwege verschillen van inzicht. Genoemde Ligarius, bij voorbeeld, werd ondanks zijn aanzien weggestuurd uit Norden, Antwerpen, Woerden en, uiteindelijk, Embden[4].  Ponts voetnoot lijkt voor latere geschiedkundigen de belangrijkste zo niet enige bron voor hun beschrijving van Thamerus, die door verkeerd of selectief lezen in kerkhistorische kringen uitgroeit tot een figuur die in een schelmenroman niet zou misstaan.

Afkomst.

Henricus Thamerus (of Tam(m)erus of Tameris) is een voorouder van mij. Twaalf generaties terug, en dan heb je in theorie meer dan 4000 voorouders, maar zo ver terug laten alleen die voorouders sporen in de archieven na die om een of andere reden het vermelden waard gevonden werden. Dat zijn er niet veel in mijn voorgeslacht. Thamerus is een uitzondering. En hij is een van de weinigen die ‘doorgeleerd’ had.

Maar waar kwam Henricus vandaan? Gepubliceerde stambomen zijn vaag en soms tegenstrijdig, waar het de vroege leden van de Thamer-familie betreft. En dat, terwijl er in deze ‘bürgerlicher Familie’ al heel vroeg genealogische belangstelling was. Carl Friedrich Dietzel (1688-1726), gehuwd met Margaretha Elisabeth Thamerus, stelde als eerste een stamboom op, maar deze lutherse dominee liet alle katholieke voorouders weg. In 1901 liet de fabrikant Horst Thamerus de familiegeschiedenis optekenen, inclusief de katholieke voorouders.  In het boekje uit 1901 wordt gesuggereerd, dat al eeuwen eerder in oude annalen namen als Damarus, Tamarus en Damar opduiken, vaak behorend bij monniken. Zo’n voornaam zou geleid hebben tot de achternaam Thamer.

Bovendien: maakte onze Henricus Thamerus wel deel uit van deze familie? Hij werd volgens sommige bronnen in 1540 in Merzenich als Heinrich Thamer geboren. Van der Aa noemt hem een echte leerling van Melanchton, en inderdaad studeerde hij in Wittenberg universiteit waaraan Melanchton verbonden was. In de inschrijvingslijsten van deze universiteit treffen we hem op 9 oktober 1572 – Melanchton is dan al twaalf jaar dood – als Henricus Tabnerus aan. Hier is natuurlijk sprake van een, begrijpelijke, transscriptiefout: de -m werd gelezen als -bn. Daarbij: de achternaam Tabnerus is verder volslagen onbekend. (Google vindt weliswaar deze naam in oude boeken, maar dat is dan een leesfout voor Tannerus.) Tabner werd als Duitse achternaam ook niet aangetroffen.

In het matrikel staat achter Henricus als plaats van afkomst: Pawenhusanus. Het betreft hier Babenhausen. Daar zijn er drie van. Er is een oud stadje in Hessen met die naam. Babenhausen is ook een stadje in Schwaben (Beieren). En er was het dorp Babenhausen, dat opgeslokt werd door Bielefeld. Daar is nu nog een Babenhauser Strasse. Pavenhusen, Pabenhausen en Pabenhusan komen ook als spellingvarianten voor.

We weten niet uit welk Babenhausen hij afkomstig is. Bielefeld ligt natuurlijk niet ver van Nederland, terwijl je met het daar gesproken Westfaalse dialect in grote delen van ons land prima terecht kon. Het wordt wel minder waarschijnlijk, dat onze Henricus afstamt van Heinrich Thamer.

Wie was de vader van Henricus? Het zou  Sixtus Thamer kunnen zijn, en daarmee wordt hij een kleinzoon van Heinrich, geboren in Landshut in circa 1449. Deze Heinrich is de oudst bekende Thamer. Hij studeerde vanaf 1467 aan de universiteit van Erfurt, waar enkele decennia later Luther studeerde. Sommige stambomen denken dat Sixtus een broer van Heinrich is, evenals Theobaldus. Gezien de geboortedata moeten het zonen zijn geweest, als het al familie was. Want Sixtus en Theobaldus kwamen uit de buurt van Straatsburg, op ruime afstand van Erfurt en Landshut gelegen. 

Theobaldus werd in 1505 geboren in Oberehnheim (Obernai) in de Elzas (30 kilometer ten zuidwesten van Straatsburg). Hij studeerde bij Luther zelf. Hij promoveerde in 1539 in Wittenberg tot Meester in de filosofie. Al eerder stond hij ingeschreven aan de universiteit van Erfurt: in 1538 staat hij daar vermeld als magister Wittenbergensis, dus moet hij voor die tijd in Wittenburg gestudeerd hebben. En dat klopt: in 1535 staat hij ingeschreven als Theobaldus Damerus Strasburgen (in een voetnoot staat, dat de naam Damerus is doorgestreept). In 1539 heeft hij  achternaam Theodoricus. Het moet hier om dezelfde Theobaldus gaan: die voornaam is dan behoorlijk zeldzaam, en ook bij hem staat Straatsburg als plaats van afkomst vermeld.

In 1540 promoveerde hij, terwijl hij er professor was, nog eens in Frankfurt an der Oder.  In 1543 werd Theobaldus predikant en hoogleraar in Marburg en in 1547 veldpredikant in het leger van landgraaf Philip van Hessen, die in 1527 de universiteit van Marburg als eerste protestantse universiteit had gesticht. Twee jaar later werd Theobald ontslagen in Marburg. Hij werd nog even tweede predikant in Frankfurt an der Main, waar hij in 1553 werd ontslagen. Hij vertrok naar Rome, werd katholiek, promoveerde voor de derde keer, nu tot doctor in de theologie aan de universiteit van Siena, werd prediker in de Dom van het Duitse Minden, en vervolgens hoogleraar in Mainz en, in 1566 aan de universiteit van Freiburg. In die stad stierf hij, op 23 mei 1569. Melanchton wijdde een beschouwing aan zijn overstap naar het katholicisme en bepleitte in zijn “De Thamero vagante in dioecesi Mindensi commonefactio” straf voor Thamer.

.

Fig. 4: Theobaldus Thamerus, uit Prosopographia heroum atque illustrium virorum totius Germaniae van Heinrich Pantaleon. Bd. III. Basel, 1566, p. 291. 

Een mogelijk derde broer was Haymann Thamerus. Deze Haymann was de voorvader was van veel lutherse dominees in Duitsland (zie verderop). Haymann werd geboren in Merzenich, een dorpje tussen Keulen en Aken, weer ver van Straatsburg gelegen. Als geboortejaar wordt circa 1520 genoemd. Geboortejaar en geboorteplaats maken van deze Haymann natuurlijk de beste kandidaat om de vader van Henricus te zijn, als Henricus inderdaad in Merzenich geboren is. En misschien is er geen enkele verwantschap tussen Hayman en Sixtus en Theobaldus.

Curt Meischke en zijn opdrachtgever Horst Thamerus zien Haymann in 1901 wel als familie, maar als een generatie na Sixtus en Theobaldus. Dat lijkt me sterk gezien de mogelijke geboortedata. Ze menen ook, dat het niet duidelijk is of Theobaldus verwant is aan Sixtus Thamer. Maar dat is hij volgens mij wel. Meischke ziet niet in, dat Argentoratensis achter Sixtus’ naam ‘uit Straatsburg’ betekent (Argentoratum is de Romeinse naam voor Straatsburg). Die toevoeging staat in de jaarboeken met namenlijsten (het matrikel) van de universiteit van Frankfurt an der Oder achter Sixtus’ naam, in 1541, en, in ongeveer hetzelfde jaar, achter die van Theobaldus. Beiden hebben er ook nog eens de achternaam Thamerus. In het testament van Theobaldus staat overigens alleen een broer met de naam Wendel, en een aantal zusters. In deze genoemde oude genealogieën komt onze Henricus overigens niet voor[5].

Fig. 5: Philipp Melanchthon.

Resumerend. Onze Henricus behoort misschien maar misschien ook niet tot de Thamerus-familie waaruit veel theologen en dominees zijn voortgekomen. Als er een kandidaat-vader is, dan is dat Haymann Thamerus uit Merzenich, een broer van Sixtus en Theobaldus is. Echte bewijzen hiervoor ontbreken echter. Is Henricus Tabnerus die in 1572 in Wittenberg studeerde onze Henricus, dan was hij afkomstig uit een van de plaatsen met de naam Babenhausen. Die plaatsnaam kan (vooralsnog) niet verbonden worden met een van de anderen met de achternaam Thamerus (of een variant daarvan). Dat sluit natuurlijk niet uit, dat die relatie er wel is, maar de kans dat onze Henricus een nazaat is van Heinrich Thamer uit Landshut lijkt niet zo groot!

Gedoe in Friesland.

Alvast een update (9-8-2019). Henricus Thamerus laat voor 1591 wel degelijk iets van zich horen! We vinden een bijdrage van hem in een boek van 1580 over de grote overstromingen in (Oost-)Friesland in 1512, 1570 en 1577. Als Heinricus Thamerus beschrijft hij wat hij zag in 1570 als diaken in het graafschap Delmenhorst bij Bremen. (De Allerheiligenvloed van 1 november dat jaar zorgde voor misschien wel meer dan 20.000 doden in onze streken, inclusief Oost-Friesland. In Groningen en Friesland alleen vielen minstens 3000 doden (Wikipedia)). 

Marcus Wagner, Johannes Dinckel, Gerhard Howick, Andreas von Meyendorf, Heinrich Thamer, Einfeltige, kurtze, warhafftige, schreckliche, unerhörte Historiae von den dreyen Wasserfluten in Phriszlandt […]. Erfurt, Georg Baumann d. Ä., 1580.

Tot 1591 laat onze Henricus verder geen sporen na.  In 1591 duikt hij op als predikant in het Friese Joure. Hij was daar aangesteld door de grietman, Asse Obbes. En hij wist al gauw de woede van de gereformeerde classis van Sneek, waar Joure onder viel, te wekken. Die beschuldigde hem van openbare dronkenschap: hij zou drinken ‘als een soldaat’[6].

De gereformeerde kerk zal om twee fundamentelere redenen ontstemd zijn geweest: Thamerus was geen calvinist, en hij was niet aangesteld door een kerkenraad en vervolgens goedgekeurd door de classis.  Aanvankelijk was de reformatie een brede grassroots beweging van allerlei protestantse richtingen, waarin de calvinisten een minderheid van zo’n tien procent vormden[7]. Vanaf 1572 namen ze in de reformatie het voortouw. Ze waren het best georganiseerd, en kregen steeds meer autoriteiten achter zich. Andersdenkenden kregen het dringende advies ook calvinist te worden. Een poging in 1580 om staatskerk te worden, mislukte, maar dopen en trouwen moesten vanaf toen verplicht in een gereformeerde kerk plaatsvinden. Vanaf 1586 moest je de Nederlandse geloofsbelijdenis van de calvinist Guido de Brès ondertekenen, wilde je waar dan ook predikant worden.  Slechts een enkele oudgediende met andere opvattingen werd nog gedoogd. De Nederlandse reformatie was bijna geheel ‘gecalviniseerd’[8].

De calvinisten hadden zich georganiseerd in synodes en classes. De regionaal georganiseerde classes trokken de macht over plaatselijke geloofsgemeenschappen, vaak verenigd in kerkenraden, naar zich toe. Alleen met toestemming van een classis mocht voortaan een kerkenraad worden opgericht en mochten dominees worden benoemd[9]. Deze calvinisering en institutionalisering werden kennelijk niet zonder slag of stoot overal geaccepteerd.  Thamerus werd, zoals we zullen zien, tot twee keer toe benoemd door de grietman van Haskerland, een decennium later door de ambtsman van Overbetuwe en vervolgens door de verzamelde gelovigen van Genderen en Doeveren, in alle gevallen zonder overleg met laat staan toestemming van de betreffende classes. Die wilden dat niet over hun kant laten gaan. En dus botsten die classes of de scherpslijpers daarin enkele keren frontaal met de lutherse dominee Thamerus.

In Joure verloor Thamerus na de beschuldigingen door de classis zijn aanstelling, maar Obbes benoemde hem meteen tot dominee in Aldehaske-Haskerhorne. Ook daar ging het mis: op paasmaandag 1593 zou hij in een dronken bui schoolmeester Douwe Rinses voor verrader, dief, booswicht en tovenaar hebben uitgescholden. Nu liet ook Obbes hem vallen: weer werd hij ontslagen. In de lijsten dominees van beide plaatsen komt Thamerus niet voor: die beginnen met de eerste door de classis aangestelde predikanten[10]. Obbes legde zich kennelijk bij de nieuwe verhoudingen neer. In 1594 werd hij eerste ouderling te Joure[11].

Schoolmeester Rinses was overigens wel door de classis van Sneek aangesteld. Grote kans dus, dat hij voor die classis spioneerde en verkeerd geachte uitspraken van Thamerus rapporteerde, wat, al dan niet door drank verergerd, heel goed tot Thamerus’ woede-uitbarsting (‘verrader’) kan hebben geleid.  In 1600 werd Rinses tot dominee in Terkaple en Akmarijp benoemd[12].

Kerkhistorici in de war.

Wat maken moderne (kerk)historici van bovenstaande gebeurtenissen? Meiners noemt Thamerus een ‘wegens dronkenschap ontslagen Calvinistische predikant die zich voor Lutheraan uitgaf’. We weten dus, dat hij juist geen calvinist is, en hij verloor zijn baan vooral vanwege zijn uitbarsting tegen Rinses. Meiners, die weliswaar geen bronnen vermeldt, maar waarschijnlijk vooral Pont gebruikt, stelt dan, dat de benoeming van dronkenlap Thamerus in Amsterdam voor de plaatselijke gereformeerden reden was om lutherse diensten in Amsterdam te verbieden en dominee Fisscher gevangen te zetten. Dat lazen we niet bij Pont, en je vraagt je af, waarom ze dan niet dominee Thamerus in het cachot gooiden[13]. En Bergsma plaatst hem onder de niet-gestudeerde Duitsers of idioten die her en der tot dominee werden benoemd. Maar Thamerus was dus wel degelijk een universitair opgeleide dominee, alleen niet van calvinistische snit[14]. Hij kwam uit een familie van hoog opgeleide vooral theologisch geschoolde intellectuelen.

Van Deursen, die Pont als bron vermeldt, rekent hem tot de “predikanten van eigen creatie […], die zich min of meer als vrije ondernemers lijken te beschouwen”,  “avonturiers, die een paar weken of maanden in een dorpje gevestigd bleven, en zodra de vraag naar de wettigheid van hun dienst of de omvang van hun kundigheden actueel ging worden, zich schielijk uit de voeten maakten”[15].  Wat Thamerus’ tekortkomingen ook waren, hij was dus geen predikant van eigen creatie, geen vrije ondernemer, en hij maakte zich zeker niet na enkele weken of maanden schielijk uit de voeten, zoals we nog zullen zien.

Kees Vreeken meldt in 2009 over Henricus en andere ‘zwervende predikanten’, dat “hun kwaliteiten vaak zodanig te wensen over dat de classis hun adviseerde om een andere ‘staat des levens’ te zoeken om vrouw en kinderen te kunnen onderhouden”. Het waren immers “[f]iguren met “geringe gaven en ontwikkeling, van slechte of losse levenswandel, die elders niet beroepen worden en nu op deze wijze haar plaats proberen te komen”, onder meer doelend op de bij Melanchton in Wittenburg afgestudeerde Henricus[16].

Van Manen schrijft in 2001: “Geërgerd werd in de gereformeerde synodezittingen gereageerd op de overgang van de gereformeerde predikant naar de lutheranen. Toen de gereformeerde voorganger Henricus Thammerus luthers werd, waarschuwde de synode de drost van Heusden deze martinist te weren”. Tien jaar later stelt Van Manen eerst, dat hij als gereformeerde dominee tot de lutherse kerk was toegetreden, toen hij in 1595 in Amsterdam solliciteerde, maar verderop laat hij hem weer als gereformeerde dominee tot de lutherse kerk toetreden, in 1606. Vervolgens zou hij van remonstrantse gevoelens zijn geweest. Ook Van Manen noemt hem een ontslagen dronkenlap,  maar nu ook ontslagen vanwege “nog andere onverkwikkelijkheden”[17]. Vanwege dertig andere zonden, beweerde Van Deursen, zonder enige nadere onderbouwing.

Gedoogd in het Land van Heusden.

Waar komt dat jaar 1606 vandaan? In 1606 bespreekt de Zuid-Hollandse synode in Gorinchem Henricus, die zich in Eethen, een dorpje enkele kilometers ten westen van Genderen,  gevestigd heeft als dominee. De synode besluit de drost van Heusden te verzoeken  om hem weg te jagen, en als dat niet gebeurt, de Staten van Holland te benaderen. Deze martinist was immers, zo wordt gemeld, verschillende malen door de Gelderse synode besproken, en uiteindelijk uit de Overbetuwe verjaagd, nadat hij voor de derde keer was aangegeven bij het Hof van Holland[18].

De Gelderse synode had inderdaad in haar vergadering van juni 1598 vastgesteld, dat ene Hendricus Ammerus zich onwettig in Heteren had gevestigd, zonder getuigschriften uit Friesland waar hij vandaan zou komen, terwijl hij dagelijks ‘verloopt met dronckenschap ende andere lelicke sonden ende gebreecken’’. De synode eiste, dat hij onmiddellijk stopte met zijn werk en besloot een brief naar het Hof te zenden met het verzoek de ambtsman en de schout in Heteren op te dragen te voorkomen dat Thamerus vruchtgebruik heeft van de pastorie. Twee jaar later zit hij er nog steeds, ook al zou hij (volgens de synode) niet van de zuivere leer zijn, en bovendien onstichtelijk in zijn gedrag en onwettelijk als predikant[19].

Ambtsman, schout en kerkvolk hadden hem dus gewoon laten zitten, en dat zou zo blijven tot 1602[20]. Hij was overigens de eerste dominee in Heteren, zou daar begonnen zijn in 1598 en vertrokken in 1602. Deze aanstelling is niet uit de geschiedschrijving weggewist[21].

Bij de Gorkumse  classis kon hij een paar jaar later, in 1606, een vijf jaar oud getuigschrift van de burgerlijke autoriteiten van Heteren overleggen. Dat alles duidt toch niet op een altijd dronken dominee die ook allerlei andere zonden zou hebben begaan. Was de beschuldiging van dronkenschap en andere gebreken gebaseerd op het classisverslag uit Sneek? Lezen konden de verzamelde dominees natuurlijk heel goed.

De classis Gorinchem citeerde dus op haar beurt weer uit de verslagen van de Gelderse synode van 1598. Henricus werd er besproken, omdat hij in dat jaar als ‘predicant religiosis reformatae’ in Eethen aan de slag is gegaan, zonder haar voorkennis of advies. Maar men maakte zich vooral druk over het feit, dat hij in Heteren gezegd zou hebben, dat hij aangesteld was geweest in Woerden. En dat was dan een leugen, en die leugen werd niet geaccepteerd. Wat hiervan waar was, weten we niet. Was hij na Amsterdam in Woerden beland, waar de oudste lutherse gemeenschap in Holland was[22]? Hoe dan ook, sommige aantijgingen van de Gelderse synode ontkende Thamerus, terwijl hij door de classis van Gorinchem niet beschuldigd werd van dronkenschap of andere zonden.

Classisleden Dithmarus Bleskenius en Sebastianus Helt krijgen de opdracht om met Thamerus over zijn vertrek te gaan overleggen. Helt had overigens zes jaar eerder een financieel akkefietje met Thamerus gehad: hij zou nog een half jaar loon van hem tegoed hebben[23]. Kennelijk werd de soep uiteindelijk niet zo heet gegeten: de vergadering van 29 mei concludeerde, dat Thamerus het beste de ‘quade leere afstaat’, en hoopte, dat hij in een volgende vergadering van de classis wilde verschijnen, omdat er anders een procedure bij de synode zou moeten worden gestart. Op de vermeende leugen en andere onwaarheden komt men niet meer terug. In de vergadering van 31 juli wordt gemeld, dat Thamerus na een brief van de Staten van Holland uit Eethen is vertrokken, maar dat lijkt een vergissing te zijn. Hij zou in Genderen zijn neergestreken. Op de website van de hervormde kerk van Eethen en Drongelen staat echter vermeld, dat Thamerus daar tot 1610 predikant was, terwijl de website van de hervormde kerk van Genderen hem daar in 1606, komende van Eethen, als predikant laat beginnen, tot 1619 wanneer hij met emeritaat gaat[24]. Wellicht bediende hij al deze bij elkaar liggende dorpen.

Hoe het precies zat tussen 1606 en 1608 is niet duidelijk. De Staten van Holland vragen in augustus 1608 Henricus in Genderen te benoemen, omdat hij de gereformeerde geloofsbelijdenis inmiddels heeft ondertekend,  en zodat hij in zijn onderhoud kan voorzien. De classis wil dit aan de synode voorleggen, en besluit hem zo lang te tolereren, maar hem nog niet als lidmaat van de gereformeerde kerk toe te laten. Het lijkt, alsof ze van hem af willen, maar niet precies weten hoe, gezien de druk van de Staten van Holland en de gelovigen van Genderen en Doeveren. Die dorpjes (nog niet gescheiden door de Bergsche Maas) hadden sinds 1589 zonder predikant gezeten, toen de allereerste dominee (de voormalige pastoor) naar Asperen vertrok. Ze hadden Henricus gevraagd als hun dominee ‘vanwege zijn leerstellingen’, hadden geen kerkelijke of wereldlijke toestemming gevraagd, en betaalden hem dus uit eigen zak.  In 1610 vroegen ze de classis per brief of Henricus mocht blijven.

De classis besloot om aan een deel van het verzoek van de Staten van Holland tegemoet te komen door Henricus vanwege zijn leeftijd alimentatie (pensioen) te verlenen: ze zijn dan van hem af en Henricus kon in zijn onderhoud voorzien. Maar deze oplossing werd door de andere partijen kennelijk niet geaccepteerd: Henricus blijft dominee in Genderen, tot 1619. In de verslagen van de classis heet hij niet langer ‘loper’, maar gewoon predikant[25].

In Genderen leefde hij in grote armoede. Dominee Johannes de Greve, in 1606 tot dominee beroepen in Heteren en in 1610 te Heusden, bezocht hem daar enkele keren, en ontdekte, dat hij, hoewel hogelijk gewaardeerd door het kerkvolk en ‘neerstich’ studerend,  ‘seer armelick’ woonde. Hij woonde er met zijn bejaarde vrouw en kinderen in een kleine en rokerige aan de kerkmuur vastgemaakte hut, die eerder gediend had als verblijfsruimte van soldaten van de schans van Doeveren. Henricus moest bovendien ook zijn dochter, die met vijf kleine kinderen in Heusden woonde, onderhouden.  Dat was volgens De Greve onmogelijk met zijn traktement van hooguit 350 gulden, zo schrijft hij in 1613 in een brief aan de Gorinchemse classis[26].

Fig. 6: De hervormde kerk in Genderen.

Grevius tegenover Voetius: strijd in de kerk van Heusden.

Maar nog steeds leefden er onder leden van die classis grote bezwaren tegen Thamerus. Men vond nu, dat Thamerus zich alsnog moest verzoenen met de classis van Gelderland. Kwamen deze nieuwe bezwaren omdat hij een remonstrant zou zijn? Want inmiddels is een ander conflict de gereformeerde kerk gaan beheersen: dat tussen arminianen en gomarianen, de latere remonstranten en contraremonstranten. Arminius was dominee in Amsterdam, waar hij over vooral de predestinatie in botsing kwam met eerder genoemde Plancius. Later werd hij hoogleraar in Leiden, en daar kreeg hij het aan de stok met Gomarus.

In Heusden diende de al genoemde dominee Grevius  (Johannes de Greve), een echte arminiaan, die zich later zou onderscheiden als publicist tegen martelingen en heksenprocessen. In 1615 is er een vacature voor de tweede dominee. De Vlijmense dominee Gijsbert Voet (zijn grootvader was ooit burgemeester in Heusden) solliciteerde, maar Grevius wilde geen contra-remonstrant naast zich.

Fig. 7: Voorblad Tribunal reformatum van Grevius.

Voetius was een leerling van Gomarus en zou later, als hoogleraar in Utrecht, de gereformeerde orthodoxie verder uitwerken. Hij werd de woordvoerder van de Nadere Reformatie. Hij zette zich scherp af tegen Descartes en Spinoza, en verwierp de bevindingen van Copernicus, omdat de zon wel degelijk om de aarde zou draaien. Voetius zag ook overal de werkzaamheid van de duivel, en verzette zich tegen het afschaffen van de heksenvervolging.

Fig. 8: Gisbertus Voetius (1589-1676). Postzegel uit 1936, ontw. Pyke Koch.

In Heusden vocht hij zijn eerste grote conflict uit, en wel met Grevius. Die trok zo hard van leer tegen de contra-remonstranten, dat zelfs prins Maurits, Van Oldenbarnevelt en Hugo de Groot zich met hem en Heusden gingen bemoeien. De strijd tussen remonstranten en contra-remonstranten was dan ook sterk gepolitiseerd. Maurits steunde de laatsten, terwijl de Staten van Holland en Van Oldenbarnevelt en De Groot  op de hand van de arminianen waren. Op 24 mei 1617 werd  Voetius toch benoemd. Bij zijn eerste preek in een stampvolle kerk ontstond een rel, toen de gouverneur hem het preken wilde beletten. De drost weigerde echter op te treden. De gouverneur haalde er een luitenant bij, maar Voetius preekte door. De Staten van Holland verwierpen later Voetius’ klachten tegen de gang van zaken, maar grepen niet in.

Al snel, op 15 oktober dat jaar, liep het conflict tussen Grevius en Voetius nog verder uit de hand. Grevius was, zoals wel vaker, afwezig, maar liet zich vervangen door de inmiddels stokoude Henricus Thamerus. Voetius had inmiddels de kerkenraad achter zich gekregen. Voetius en kerkenraad constateerden, dat Thamerus zeer ’ontstichtelijk’ had gepreekt: hij belasterde de ‘perseverantie der Heiligen’ omdat het  ‘een oude ketterie der Valentianen’ zou zijn en hij probeerde ‘de zekerheid der zaligheid’ (de predestinatie) te weerleggen. Ook eindigde hij zijn preek zonder gezang! Hij was voor Voetius dus een arminiaan, die zich ook nog eens niet aan de voorgeschreven liturgie hield. De kerkenraad vroeg dan ook aan de classis deze broeder voortaan te weren[27].

Valentianen waren overigens een christelijke sekte uit de tweede eeuw, volgelingen van de omstreeks het jaar 100 in Alexandrië geboren Valentinus. Die legde de grondslag voor de predestinatieleer: een kleine groep uitverkorenen (het ‘Uitgelezen Zaad’) zou volgens hem zalig worden, niet vanwege hun gedrag of door goed onderwijs, maar omdat zij van nature geestelijk zijn en daarom op voorhand uitgekozen. Genade kon je hoe dan ook niet verliezen en uitverkorene bleef je (de perseverantie van de heiligen)[28]. Henricus viel via Valentinus dus de calvinistische leer van Voetius en de andere contraremonstranten aan.

Fig. 9: Voetius.

De Acte van Stilstand.

In augustus 1618 greep prins Maurits eindelijk de macht. Van Oldenbarnevelt en De Groot werden eind die maand gevangen gezet. De Staten van Holland en Westvriesland werden gezuiverd van arminiaanse tegenstanders en stonden niet langer tegenover de  Zuid-Hollandse synode. Staten en synode besloten samen, dat Henricus eigenlijk geen wettelijk gereformeerd dominee was en dus voortaan geen kerkdiensten meer mocht leiden. Ook al had hij dan de geloofsartikelen ondertekend, hij was uiteindelijk toch niet toegelaten tot de classis. Voetius en de andere contraremonstranten hadden de strijd gewonnen[29].  Maar het respect voor Henricus Thamerus was kennelijk groot: hij mocht tot mei 1619 in zijn huisje blijven wonen en behield tot dan ook zijn traktement, als hij zich ten minste stichtelijk en eerlijk zou blijven gedragen. De classis beloofde om ook een pensioen te regelen.

Gisbertus Voetius (nr. 60) op de Synode van Dordrecht.

Tijdens de Dordtse synode van 1619, waar Plancius een belangrijke rol speelde, tekende dominee Johannes Cloppenburg in naam van Henricus Thamerus,  predikant te Doeveren en Genderen, en te verzwakt om te reizen, de Acte van Stilstand: ook op grond daarvan moest hij stoppen met preken (wie niet tekende, was een remonstrant en werd verbannen). Henricus was toen 79 jaar[30]. Voetius’ tegenstrever dominee Grevius verdween in het Amsterdamse Rasphuis, waaruit hij in 1621 wist te ontsnappen, geholpen door dominee Sapma, die al eerder vermomd in vrouwenkleren uit het Rasphuis was ontsnapt.  Henricus  werd verder met rust gelaten.

Fig. 10: Dominee Sapma ontsnapt uit het Rasphuis.

Hij verhuisde uiteindelijk naar Heusden en leefde daar nog enige jaren van zijn pensioen. Zijn precieze sterfdatum is onbekend. In mei 1623 is er sprake van zijn weduwe, Marijcken Gerarts van den Bosch. Zij vertrok na Henricus’ overlijden uit Heusden. Voetius, dominee te Heusden en bevrijd van remonstrantse oproerkraaiers, meldde over de laatste jaren van Henricus Thamerus, dat hij ijverig de kerkdiensten bezocht, stichtelijk leefde, belijdenis deed bij het avondmaal en uiteindelijk steeds verder verzwakte tot hij, nog steeds goed bij het verstand, overleed. Dat moet dus ongeveer 1622 zijn geweest, toen Henricus ongeveer 82 jaar oud was.

Tot slot.

We weten veel over Henricus Thamerus, omdat hij zo vaak besproken werd in de verschillende classes van de gereformeerde kerk. Dat zijn in dit verband natuurlijk eenzijdige bronnen. Eén keer komt hij zelf aan het woord, als hij in Amsterdam solliciteert en zich een door de Friese calvinisten weggejaagde lutherse dominee noemt. Hadden historici dat als uitgangspunt genomen, ook andere bronnen geraadpleegd en iets meer eigen onderzoek gedaan, dan hadden ze een heel andere Thamerus ontdekt. Natuurlijk helpt het, als je, zoals ik, obscure oude boeken via internet kan raadplegen. Maar in het in veel bibliotheken aanwezige standaardwerk over de geschiedenis van de Nederlands hervormde kerk van Annaeus Ypey kon men lezen, dat de gelovigen in Doeveren en Genderen Henricus vanwege zijn leerstellingen zo waardeerden, dat ze hem uit eigen zak betaalden. Ook had men daar kunnen lezen, dat het ging om een echte leerling van Melanchton, “in de theologische wetenschappen wel geoefend”, zo bekend om zijn ‘braafheid’, dat hij van de Staten na het tekenen van de akte van stilstand een jaarlijks pensioen kreeg[31].

Juist voor kerkhistorici lijkt hij mij een zeer belangwekkend figuur: zijn wederwaardigheden illustreren heel goed de richtingenstrijd in de vroege reformatie en wat die strijd op lokaal niveau betekende.

Fig. 11: Het zwaard van Maurits aan de kant van Gomarus geeft de doorslag. Met een gedicht van Vondel.

—————————————————————————————————————-

VARIA

Een aanvulling uit juli 2017, om nog maar eens te onderbouwen dat Thamerus geen ‘niet-gestudeerde Duitsers of idioot’ was, maar uit een belangrijke Duitse familie van theologen en dominees stamde.

In Duitsland leverde het Thamerusgeslacht vele lutherse dominees. Zo was er een in Saksen zo hoog geachte predikantenfamilie Thamerus, gesticht door de achterneef van onze Henricus, de in 1719 als ‘Oberhofprediger’ en ‘Generalsuperinterdent’ gestorven Johann Heinrich Thamerus. Zijn zoon en zijn kleinzoon werden ook dominee[32].

Van Johannes Henricus bestaat een portret, vervaardigd in opdracht van zijn schoonzoon, de hofpredikant Carl Friedrich Dietzel, en gemaakte door de gerenommeerde Duitse tekenaar en graveur Christian Romstet.

Fig. 12: Johann Heinrich Thamerus. Portret van Christian Romstet.

Vanaf 1662 predikte hij in Maastricht bij de verboden evangelisch-lutherse gemeente, eerst enkele keren per jaar, later elke zondag. In 1679 konden de lutheranen in Maastricht eindelijk, in een eigen onopvallende kerk, bijeenkomen. In 1684 werd daartoe de lutherse of Duitse kerk ingewijd, door Johann Heinrich Thamerus. Pas in 2013 werd deze kerk gesloten.

De vader van Johann Heinrich was echter ook al dominee, Johannes Thamerus, dominee in het hertogdom Jülich en super-intendant van het hertogdom Berg. Deze stierf op 13 november 1690 op 74 jarige leeftijd in Burscheid, nadat hij 55 jaar predikant was geweest.

Fig. 13: Wapen van Johannes Thamerus en zijn vrouw Margaretha Becker.

Grootvader Johann Wilhelm Thamerus was predikant vanaf 1614 in Witzhelden, tot 1631, toen hij stierf aan de pest: zie hier. Diens vader Wilhelm Thamerus, zoon van Haymann,  was van oorsprong franciscaner monnik. Hij werd hofprediker van hertog Johann van Jülich in Heimbach, en werd in 1598 pastoor in Burg aan de Wupper. Vervolgens werd hij gereformeerd, maar in 1605 trad hij toe tot de lutheranen. In 1613 werd hij superintendent van de lutherse kerk in het hertogdom Berg, waarvan Düsseldorf de hoofdstad was. In 1621 overleed hij in Burg. In diezelfde tijd was onze Henricus dus ook dominee, zo’n 160 kilometer verderop, minder ver dan Joure.

Aan moederszijde was grootvader Melchior Becker die ook een indrukwekkende kerkelijke carrière maakte. Hij was uiteindelijk dominee van de hoofdkerk in Lippstadt, van 1624 tot 1641. Grootmoeder was Clara auf der Trappen, stammend uit een burgemeestersfamilie te Lennep[33].

Fig. 14: Het familiewapen van de familie Thamerus. Thamar is Hebreeuws voor palmboom.

 

Pantaleon, Heinrich

Prosopographia heroum atque illustrium virorum totius Germaniae

Opus plane novum et iucundissimum, ex omnium fere gentium chronicis, annalibus, & historiis magna diligentia excerptum, & vivis heroum imaginibus (quantum fieri potuit) p0ßim illustratum, ac nunc primum ob patriae decorem in lucem editum, ita quod instar continua historiae germanorum esse queat. Authore Heinrico Pantaleone, physico Basieliensi

BrylingeriBasileae1565

 

Eugen Becker, Beiträge zur Geschichte der Familie Becker. Düsseldorf: Lintz, 1898. Het afgebeelde wapen op blz. IV.

 

 

Fig. 15: Evangelische kerk Dr. Farský uit 1892 in Jablonec nad Nisou (Gablonz an der Neiße) in Tsjechië, ontworpen door Arwed Thamerus.

Heinrich had ook volgens deze bron: https://books.google.nl/books/about/The_Tamerus_Family_and_Their_Descendents.html?id=1WahngEACAAJ&redir_esc=y  zes kinderen. Boek:  Furman A. Demaris, The Tamerus Family and Their DescendentsA Record of the Family of Heinrich Thamer from 1449 to Present. Gateway Press, 2004. Ik heb het niet in handen gehad.

.

 

 

© Theo Kentie, augustus 2017.

Toevoeging mogelijke broer en zusters van Theobaldus op 2-2-2018.

 

 

 

 

 

 

[1] J.W. Pont, Geschiedenis van het Lutheranisme in de Nederlanden tot 1618. Haarlem: De Erven Bohn, 1911. Deel 17 van de nieuwe serie van de Verhandelingen rakende den natuurlijken en geopenbaarden godsdienst. P. 452-459.

[2] K. van Berghem, De Dordtse Synode 1618 – 1619. Uitgebreid komt Hoofts twee keer uitgesproken toespraak aan de orde in Carl Bangs, Arminius; a study in the Dutch reformation. Nashville & New York: Abingdon Press, 1971. P. 161-165.

[3] A.J. van der Aa, Biographisch woordenboek der Nederlanden[….]. Deel 18. Haarlem: J.J. van Brederode, 1874. P. 14.

[4] A.J. van der Aa, Biographisch woordenboek der Nederlanden[….]. Deel 11. Haarlem: J.J. van Brederode, 1865. P. 435-436.

[5] Curt Meischke, Beiträge zur Geschichte der Familie Thamerus. Herausg. von Horst Thamerus. Pirna: F.J. Eberlein, 1901.  Na de publicatie van dit boekje vraagt Horst in het blad van de genealogische vereniging Roland uit 1905 om meer informatie over de familie Thamerus. Een antwoord van een niet-lid wijst hem op Henricus Thamerus, predikant te Doeveren en Genderen in 1619: https://archive.org/stream/archivfurstammun05rheu/archivfurstammun05rheu_djvu.txt

Zie bij voorbeeld ook: August Neander, Theobald Thamer; der Repräsentant und Vorgänger moderner Geistesrichtung in dem Reformationszeitalter. Eine historische Monografie. Berlin: C.G. Lüderitz, 1842. Otto Opper, Theobald Thamer (1502-1569). Sein Leben u. seine religiöse Gedankenwelt. Dissertation. Dresden: M. Dittert & Co, 1941. In noot 4 van p. 1 over mogelijke familie.  Zie ook: https://www.deutsche-biographie.de/gnd118621599.html#adbcontent.

Dr. J. C. Hermann Weissenborn [ed.], Acten der Erfurter Universitaet, I. Teil. Daarin: 3. Allgemeine Studentenmatrikel, erste Hälfte (1392-1492), Halle: Otto Hendel, 1881. Op. p. 324 (1467) wordt Heinricus Thamer uit Lancshud vermeld. Op 8 november 1469 studeert hij bij Heinrich Reusz von Plawen af (baccalariandi Mychaelis, p. 334). Hij staat vermeld als Hinricus Themer uit Lanshut.

Dr. Ernst Friedländer (Hrsg.), Dr. Georg Liebe und Dr. Emil Thenner: Ältere Universitätsmatrikeln. I. Universität Frankfurt a. O., Erster Band (1506-1648), S. Hirzel, Leipzig 1887. P. 83 en 85.

In het matrikel van de universiteit van Wittenberg komen we op p. 158 ‘Theobaldus Damerus Strasburgen’ tegen, in het jaar 1535. In 1541, op p. 191 stond ingeschreven ‘Theobaldus Theodoricus Argentinensis’. Dat is natuurlijk nogmaals onze Theobaldus, die in dat jaar in Wittenberg promoveerde: 
Förstemann, Karl Eduard (ed.), Album Academiae Vitebergensis: 1502-1602. Lipsia [Leipzig]: Carl Tauchnitz, 1841. Dit is deel 1. 

[Universität Erfurt], Acten der Erfurter Universitaet. Vol. 2. Erfurt, 1884. P. 349.

Album Academiae Vitebergensis: 1502-1602. Volumen secundum. Halis [Halle]: Maximilianus Niemeyer, 1894. Op p. 217 vinden we Henricus Tabnerus.

David A. Pol (http://www.genealogy.com/ftm/p/o/l/David-A-Pol/GENE3-0001.html) suggereert, dat Theobaldus de vader van Henricus kan zijn geweest.

Bij de matrikel van de universiteit van Leipzig hoort een plaatsnamenregister. Daarin vinden we de verbogen plaatsnaam Pabenhausensis en Pabenhusanus, afkomstig uit Pabenhausen. Met Pabenhausen wordt Babenhausen bedoeld. Georg Eller (ed.), Die iüngere Matrikel der Universität Leipzig; 1559-1809. Vol. I. Leipzig: Giesecke & Devrient, 1909. P. 539 en 649.

In Heinricus Pantalion, Prosopographia heroum atque illustrium virorum totius Germaniae. Basel: Nicolaus Brylingerus, 1565,  staat op blz. 291 een afbeelding van Theobaldus Thamerus.

[6] Lodewijk Born, ‘Van klokluiders tot domineeskluis’. In: Friesch Dagblad, 19-6-2007.

[7] Wiebe Bergsma,  Tussen Gideonsbende en publieke kerk; een studie over het gereformeerd protestantisme in Friesland, 1580-1650. Hilversum-Leeuwarden: Verloren, 1999. P. 13-24

[8] A. Th. van Deursen,  Bavianen en slijkgeuzen; kerk en kerkvolk ten tijde van Maurits en Oldenbarnevelt.  3e druk. Franeker: Van Wijnen, 1998 (1974). P. 1-5.

[9] Van Deursen (1998), p. 5-7.

[10] T.A. Romein, Naamlijst der predikanten sedert de hervorming tot nu toe, in de hervormde gemeenten van Friesland. Tweede gedeelte. Uitg. door Het Friesch genootschap voor geschied-, oudheid- en taalkunde. Leeuwarden: A. Meijer, 1888. De eerste dominee in Joure is, in 1593, Jodias Eytering. In Haskerhorne zou in 1602 Johannes Schotanus de eerste zijn.

[11] A.J. van der Aa, Biografisch woordenboek der Nederlanden. [….]. 14e deel. Haarlem: J.J. van Brederode, 1867. P. 1.

[12] Romein (1888), p. 626. Hij werd in 1600 beroepen.

[13] In: Happee, J.; Meiners, J.L.J.; Mostert, M. (red.), De Lutheranen in Amsterdam (1588-1988); gedenkboek ter gelegenheid van 400 Jaar Evangelisch-Lutherse Gemeente te Amsterdam. Hilversum: Uitgeverij Verloren, 1988. P. 19.

[14] Bergsma (1999), p. 182.

[15]  A. Th. van Deursen,  Bavianen en slijkgeuzen; kerk en kerkvolk ten tijde van Maurits en Oldenbarnevelt.  3e druk. Franeker: Van Wijnen, 1998 (1974). P. 9-10.

[16]  Kees Vreeken, De classis Gorinchem na ‘Dordt’; ontwikkeling en consolidatie van de classis Gorinchem in de periode 1618-1650. Scriptie RUU. Augustus 2009. P. 27.

[17] K.G. van Manen, Verboden en getolereerd; een onderzoek naar lutheranen, lutheranisme en lutherse gemeentevorming in Gelderland ten tijde van de Republiek. Hilversum: Verloren, 2001. P. 44.  K.G. van Manen (red.)., Lutheranen in de Lage Landen; geschiedenis van een godsdienstige minderheid. Zoetermeer: Boekencentrum, 2011. P. 112, 203.

[18] Acta synodi particularis van Suydthollandt, Gorinchem, 8 augustus 1606. P. 251.

[19] Gelders archief. Missives van het Hof van Gelre, nrs. 11611, 11612, 11648 (alle uit 1600).

[20] http://www.dominees.nl/search.php?srt=g&id=11495.

[21] http://www.dominees.nl/search.php?srt=g&id=11495.

[22] J. Haitsma, De geschiedenis van de oudste Evangelisch-Lutherse gemeente in Nederlan. Woerden: Stichting Stichts-Hollandse Bijdragen, 1999. Stichts-Hollandse bijdragen, 29.

[23] Gelders archief. 11615 Missive van het Hof aan den ambtman van Overbetuwe met last om bij de liquidatie rekening te houden met de vordering van Sebastianus Helt, die van Thammerus een half jaar loon tegoed beweert te hebben.

[24] http://www.kerkingenderen.nl/nh/index.php/2012-06-08-10-24-54/geschiedenis-van-genderen-in-het-kort; http://www.hervormdeethendrongelen.nl/index.php?option=com_content&view=article&id=65&Itemid=87. Waarschijnlijk gebaseerd op Martinus Soermans, Kerkelijk register van de plaatsen en namen der predikanten van alle de classes, gehorende onder de synodus van Zuyd-Holland, van ’t begin der reformatie, tot nu toe. 2e verbeterde en vermeerderde druk. Haarlem: Wilhelmus van Kessel, 1702. P. 101.

[25] Annaeus Ypey en Isaac Johannes Dermout,  Geschiedenis der Nederlandsche hervormde kerk, Volume 2. Breda: W. van Bergen en Comp., 1822. P. 124, 125.

[26] Brief aan de classis van Gorinchem van 18 augustus 1613, opgenomen als bijlage LXXXVII in A.C. Duker, Gisbertus Voetius. Eerste deel. Leiden: E.J. Brill, 1897. P. LXXXIII.

[27] 1617 VIII classis Gorinchem, 30 oktober.  Zie hierover ook: A.C. Duker, (1897), p. 231.

[28] Thomas Moore en Franciscus Johannes Hoppenbrouwers, Reizen eens Ierschen edelmans om eene godsdienst te zoeken. ’s-Gravenhage: Van Langenhuysen, 1835. P. 233.

[29] Zie Duker (1897), p. 231 en bijlage LXXXVII op blz. LXXXIII.

[30] ‘Synodale handelingen van Zuid-Holland in de zaak en leer der remonstranten, artikel 54’. In: N.C. Kist en H.J. Royaards (ed.),  Archief voor kerkelijke geschiedenis, inzonderheid van Nederland. Leiden: S. & J. Luchtmans, 1837. Volume 7. P. 56.

[31] Annaeus Ypey, Geschiedenis der Nederlandsche hervormde kerk. Vol. 2. W. van Bergen en comp., 1822. P. 124-125.

[32]  Christian Friedrich Möller, Denkwürdigkeiten aus der geschichte sächsischer prediger. C. Hahn, 1820. Blz. 129 en 130.

Zie ook: Bernhard Koerner (ed.), Genealogisches Handbuch bürgerlicher Familien.  Sechszehnter Band. Görlitz: C.A. Starcke, 1910. Vanaf p. 524:  Thamerus I, aus Merzenich im Rheinland.

[33]  Johann Werner Krauß, Antiquitates et memorabilia historiae Franconiae; […]. Hanisch, 1753. P. 239-240.

 

 

Er is een lied over de gevangenschap van Grevius.

Op de Verlossinge van Samuel de Prince, ende Johannes Grevius.
Wijse: Weest verheugt al ghy oprechte. Psa. 33.

Houd goede moet, al gy oprechten,
Gods Majesteyt komt ons te baet
Die Grev’ en Prins, die trouwe knechten,
Uut t’Amsterdamsche Tuchthuys laet.
Contra-remonstranten,
Vangt gheen Predicanten.
Godt is u party (*1).
U tyranniseren
Sal hy u verleren,
En ons blijven by.

(*1): tegenstander

Uit: Bly-lieden 1621.

Voorouders II: conventikels en beroeringen in de Alblasserwaard.

Nog in ontwikkeling.

Tot circa 1700 komen al mijn voorouders (256 zijn er tot zeven generaties terug bekend) uit een beperkt gebied, meestal kleine dorpjes nooit verder dan 70 kilometer van Dordrecht. Er zijn twee uitzonderingen. Eén voorvader komt uit Pruisen (zie elders), en één uit Aalten. Daar in de Achterhoek wordt in 1753 Willem Lohuis (of Loos) geboren. Hij trouwt in 1787 in Bleskensgraaf met Grietje de Wit. Aalten is ver weg van Bleskensgraaf, enkele dagen reizen in de 18e eeuw, maar is het in één opzicht niet: én Aalten én Bleskensgraaf maken deel uit van de tientallen plaatsen waarin halverwege de 18e eeuw befaamd geworden religieuze ‘beroeringen’ plaatsvonden: grote groepen gelovigen kregen vooral tijdens kerkdiensten allerlei lichamelijke verschijnselen: spasmen, flauwvallen, visioenen. Mensen begonnen spontaan te huilen, zingen en te roepen, vaak dwars door de dominee heen. Die golf van beroeringen begon met ‘het ruisen als de Libanon’ in Nijkerk in 1749, verspreidde zich over tientallen plaatsen in ons land en het Duitse grensgebied, vooral binnen de gereformeerde (later: hervormde) kerk en duurde tot 1752.

Omdat deze calvinistische kerk eerder noch later met vergelijkbare verschijnselen te maken had, lijken de gebeurtenissen buitengewoon merkwaardig. Maar misschien is het niet meer voorkomen van vergelijkbare manieren van geloofsuitingen binnen de Nederlandse protestantse kerken veel merkwaardiger. Want in veel geloofsgemeenschappen waren en zijn vergelijkbare extatische geloofsuitingen niet ongewoon. Denk bij voorbeeld aan Afro-Amerikaanse en blanke kerkgenootschappen in Amerika.

De achttiende-eeuwse beroerten lijken zich vooral af te spelen in de tegenwoordige bible belt, en sommige onderzoekers zien dan ook een direct verband. Maar ook in plaatsen waar de gereformeerde bevindelijkheid geen wortel schoot, deden de verschijnselen zich voor. Anderzijds zijn er wel verbanden met de zogenaamde Nadere Reformatie en de conventikels, religieuze bijeenkomsten in de gereformeerde kerk. Met deze conventikels zijn tenminste twee van mijn voorouders verbonden.

Conventikels waren ontstaan tijdens de Nadere Reformatie in de 17e eeuw, de Nederlands-calvinistische vorm van het piëtisme. Gelijkgezinde vromen, meestal uit de eenvoudige klassen, kwamen in huiskamerbijeenkomsten bijeen om het geloof te belijden én om zich te onderscheiden van kerkgenoten met een minder doorleefd geloof. De gereformeerde kerk was immers de staatskerk: bijna de hele elite was gereformeerd, maar daar waren in de ogen van de vromen veel opportunisten onder, die het ware geloof misten.  Middels catechisatie, zwarte kleding, bijbels taalgebruik (de zogenaamde tale Kanaäns, een eigenaardig jargon, gebaseerd op het taalgebruik uit de Statenvertaling en letterlijk vertaalde Hebreeuwse uitdrukkingen) en andere uitingen probeerden de ‘ware gelovigen’ zich van hen die alleen in schijn gereformeerd waren, de naamchristenen, te onderscheiden.  De deelnemers gingen zich zien als enige ware wedergeboren gelovigen, de echte ‘kinderen van Jezus’. De fijnen, volgens de buitenwacht.

De officiële kerk was blij met al die gelovigheid zolang de arme gelovigen maar leerden wat ze als gewillige burgers moesten leren, maar in veel conventikels ging men ook zittende predikanten en de reguliere geloofspraktijk bekritiseren, en daarmee het staatsgezag.  Men bedacht er eigen verklaringen voor Bijbelteksten, zong psalmen, collecteerde geld bij elkaar. Dit alles gebeurde onder leiding van een zogenaamde oefenaar. Dat was soms de dorpsmeester, of een ziekentrooster, een kerkenraadslid of  de eigen of een rondtrekkende predikant, of een proponent. Ook vrouwen waren soms oefenaar. Veel conventikels gingen op gewone kerkdiensten lijken, en sommige bezoekers gingen de officiële diensten mijden.

Ook in Bleskensgraaf vonden in huiskamers conventikels plaats, in de eerste helft van de achttiende eeuw onder meer geleid door Ary van der Waal en Dirck den Toom, beiden voorouders van mij. Een nakomeling van Ary trouwt met de dochter van eerder genoemde Willem Lohuis uit Aalten. De dochter van dit echtpaar, Egbertje,  huwt een nazaat van Dirck den Toom. En dat werden dan weer de grootouders van mijn opa Mostert.

Naar de bijeenkomsten van Ary van der Waal kwamen steeds meer mensen, soms honderden, van heinde en verre. In 1717 probeerde de kerkenraad zo’n bijeenkomst tevergeefs te voorkomen.

De Zuid-Hollandse Synode van 1669 had al geprobeerd het conventikelgebeuren te reguleren, maar dat was niet goed gelukt. Verschillende ‘oproerkraaiers’ trokken van dorp naar dorp en bekritiseerden in woord en geschrift de officiële gereformeerde kerk. Vooral in de Alblasserwaard was de weerklank groot.

Maar er kwam ook verzet tegen al die ‘fijmelachtige dweperijen’ van zwaar gereformeerde voorgangers, waaronder bij voorbeeld Gerard van Schuylenborg, die vanaf 1711 voorganger in Molenaarsgraaf was en die vond dat alleen echte ‘wedergeborenen’ het Gebed des Heren mochten uitspreken. Zijn schoolmeester weigerde om die reden de kinderen het ‘Onze Vader te leren’: die waren nog niet zo ver. Van Schuylenborg werd onder toezicht geplaatst en vertrok in 1716 naar Tienhoven. Genoemde schoolmeester Van Es zag zijn kansen en begon extra bijeenkomsten naast de kerkdiensten te organiseren. Steeds meer oproerkraaiers gingen de officiële kerk uitdagen. Zo ook voorouder Den Toom. Die organiseerde tot woede van de dominee conventikels die sterk op kerkdiensten leken. Bezoekers ervan bleven bij de gewone diensten weg. Hij begon en eindigde met een soort zegen en collecteerde zelfs. De kerkenraad ging jacht maken op deze illegale bijeenkomsten, bij voorbeeld in het bij Bleskensgraaf gelegen Hofwegen. De groep gelovigen week daarom uit naar een woning van iemand die geen lidmaat was. Vast en zeker via deze conventikels werden de ‘beroerten’ die al in Duitsland, Frankrijk, Schotland en Nieuw-Engeland plaats hadden gevonden, bekend. In Amerika staan ze bekend als de First Great Awakening, waarin veel Afrikaanse slaven zich voor het eerst en vrijwillig tot het christendom bekeerden.

Spotprent van William Hogarth,  gericht tegen de opwekkingsprediking van John Wesley en George Whitefield. ‘Ervaarbaar’ geloven stelt Hogarth gelijk aan heksenwaan, niet-christelijke religies en seksuele uitspattingen. Achter de lessenaar een jood, achter het raam een Moor.

In Nijkerk begonnen in onze streken de ‘beroerten’ of ‘beroeringen’ in 1749. Daar gingen halverwege november gelovigen tijdens kerkdiensten van de nieuwe dominee Gerardus Kuypers soms dwars door de preek heen roepen, zingen, huilen. Sommigen kregen stuiptrekkingen of vielen flauw. Ze beweerden daarbij, dat ze bevangen waren door ‘het ware geloof’. Al gauw werden deze beroeringen bekend in den lande: van heinde en verre trokken gelovigen naar Nijkerk om het zelf te zien of om ook bevangen te raken. Kwamen daar mijn  Bleskensgraafse en Aaltense voorouders elkaar tegen?

 

Deze afbeelding met als origineel onderschrift ‘Beroering onder den godsdienst te Nieuwkerk’ komt uit een geschiedenisboek uit 1780.

Door het ‘Nieuwkerkse werk’ was Nijkerk dus even het centrum van gereformeerd reli-toerisme. Vanuit Nijkerk verspreidden rondtrekkende predikers deze nieuwe vorm van religieus beleven naar dorpen en stadjes. In sommige plaatsen ontlokte de vaste dominee zelf de beroeringen. In Aalten was dat in 1750 het geval met predikant Philippus de Roy. In 1751 volgde Werkendam en in 1752 stond de Alblasserwaard op zijn kop, eerst in Hardinxveld en in Giessendam, daarna in Sliedrecht en Papendrecht en in Giessen-Nieuwkerk. In maart begonnen de beroerten in Bleskensgraaf, gevolgd door Molenaarsgraaf, Oud-Alblas, Alblasserdam en Streefkerk, bijna allemaal dorpen waarvandaan heel wat voorouders van mij komen!

In Bleskensgraaf waren op 2 maart 1752 de kinderen op de dorpsschool heel opvallend gaan huilen vanwege hun zonden. Ze riepen ernstig en krachtig om de Goddelijke verlossing. Al gauw gingen de dorpsbewoners met eigen ogen dit verschijnsel bekijken en ook zij raakten in staat van beroerte vanwege hun eigen ‘verloren staat’. Op zondagavond 5 maart werden de conventikels  massaal bezocht door mensen die rouwklaagden, baden en huilden vanwege hun zondige leven. De week daarop kregen tijdens de reguliere kerkdienst verschillende mensen allerlei ‘lichaamsaandoeningen’, zoals verhevigde polsslag, blozen, en gevoelloosheid voor externe prikkels. Men wrong de handen, viel op de grond, had zware stuiptrekkingen. Bij de een waren de verschijnselen zwaarder dan bij de ander, en de waarlijk bekeerden kregen ook visioenen, bij voorbeeld van Jezus als geslacht lam.

Hoe lang Bleskensgraaf in de ban van de beroeringen was, is onbekend: bronnen zijn uiterst schaars. Meestal duurde een en ander een jaar. Omstreeks 1753 begonnen verschillende kerksynodes en wereldlijke overheden maatregelen te treffen. Wat andersgelovigen uitvraten tijdens hun kerkdiensten, maakte niet uit, maar in de gereformeerde staatskerk waren niet gereguleerde geloofsuitingen door het gewone volk ongewenst. Ze werden gezien als bedreigend voor de openbare orde: het is hier geen smouzenkerk, foeterde invloedrijk Leids hoogleraar Van den Honert. De stadhouder Willem IV zag het gevaar en organiseerde een tegenbeweging. Gewestelijke vergaderingen en provinciale synodes bogen zich erover. In verschillende gewesten kon je daardoor voortaan, als je de kerkdienst verstoorde, door het burgerlijk gezag gearresteerd en door het kerkelijk gezag uit de geloofsgemeenschap verbannen worden. Het hielp: gereformeerd Nederland zou niet meer door gekte worden bevangen.

Er is betrekkelijk veel over deze beroeringen gepubliceerd. Er is om te beginnen onder historici veel discussie over mogelijke verklaringen. Zo zou er een biochemische oorzaak kunnen zijn! Het moederkoren zou voor al die gekte hebben gezorgd: dat moederkoren heeft geestverruimende stoffen in zich, die lijken op LSD en die tot spasmen en visioenen kunnen leiden.

Ook werd er door tijdgenoten veel, meestal negatief over geschreven. Er brak bij voorbeeld een ware pamflettenoorlog los onder dominees en hoogleraren. En er zijn enkele egodocumenten bewaard gebleven van piëtisten, ook van vrouwen.

De gebeurtenissen lijken bovendien iets te zeggen over de ontwikkeling van de staatsmacht en de greep van de overheid op het geestelijk leven van haar onderdanen. Tot slot stonden bij alle gebeurtenissen vooral mensen centraal die weinig sporen in de geschiedenis hebben achtergelaten: arme boeren en arbeiders in dorpen en stadjes aan de periferie van de Republiek. Bijna al mijn voorouders komen uit de getroffen gebieden, en vaak ook uit de dorpen waarin de beroerten plaatsvonden, nu vooral te vinden in onze bible belt.

Voorouder Willem Lohuis wordt net na de beroeringen geboren, en er is geen reden om een direct verband te veronderstellen. Misschien echter ontmoetten zijn ouders en die van Grietje de Wit elkaar wel als reli-toeristen in Nijkerk. Want de geschiedenis van deze korte en heftige periode in het Nederlandse protestantisme maakt wel duidelijk, dat er niet of nauwelijks geboekstaafde contacten bestonden tussen geloofsgemeenschappen van straatarme plattelandsgemeentes, en niet alleen via de formele contacten van hun officiële voorgangers.

.

Voorouders I: de Bernhard-tak

Hier wordt nog gewerkt.

Voorouders Bernhard.

Tot en met de zevende generatie van mijn voorouders, dus vanaf ongeveer 1700, is meer dan 95% traceerbaar in de archieven. Ze kwamen bijna allemaal van Goeree-Overflakkee, uit de Alblasserwaard of uit de omgeving van Woudrichem: Zuid-Hollandse, zwaar calvinistische klei, ook al hoort Woudrichem nu tot Noord-Brabant. Als we Dordrecht als centrum nemen, dan werden de ‘verste voorouders’ hooguit zeventig kilometer verderop geboren (Ouddorp, Oud-Vossemeer): een paar uurtjes fietsen, minder dan twee dagmarsen.

De Bernhards.

Een opvallende uitzondering is de Bernhard-tak. Schippersknecht Johan Hendrik trouwde weliswaar in 1825 in Sliedrecht, en vestigde daarmee de Sliedrechtse dynastie, die zich aan het eind van de 19e eeuw verbond met de Kentie-dynastie. Maar zijn directe voorouders lieten een spoor na dat loopt vanuit Pruisen en Hessen via Den Haag en Leiden naar Hoorn, Enkhuizen, Alkmaar en Amsterdam. De eerste voorouder Bernhard in ons land zag zelfs Kaapstad en Batavia.
Zo’n zwerftocht is voor onderzoek in doop-, trouw- en begrafenisboeken niet erg handig. Het lijkt er bovendien op, dat Johan Hendrik en zijn nakomelingen hun uiterste best hebben gedaan om latere archiefonderzoekers het leven zuur te maken. Hij, zijn vrouw en zijn nakomelingen komen voor met allerlei naamsvarianten. Bovendien krijgen sommigen precies dezelfde naam als van vader, een oom of een tante. Er worden verschillende geboorteplaatsen vermeld van de stamvader en dat van zijn vrouw. Hun drie dochters trouwden met drie broers, alle drie met de achternaam Rondhout, ook weer een achternaam met de nodige spellingvarianten. Zijn vijf kinderen werden dankzij verhuizingen in verschillende steden geboren. Maar waar precies is bij drie van de vijf nakomelingen niet bekend.
De eerste vrouw van zoon Balthasar heeft een achternaam die verder in ons land nauwelijks voorkomt en voorkwam. Dat geldt ook voor de achternaam van zijn schoonmoeder. Balthasars tweede vrouw, die hij in Amsterdam trouwt, heeft een naam die juist heel vaak voorkomt: in Amsterdam alleen gaat het om tientallen naamgenoten met ongeveer gelijke leeftijden. En dus zijn haar sporen vooralsnog niet te traceren.
Toch laten de Bernhards juist weer meer sporen dan gemiddeld na. Ze zijn van oorsprong evangelisch-luthers. Veel lidmaatschapsboeken van dit kerkgenootschap zijn bewaard gebleven, en gepubliceerd[1]. Gezien de omvang van de evangelisch-lutherse kerk zijn die te overzien. Helaas lijken er wel veel overschrijffouten te zijn gemaakt. Plaatsnamen waarvandaan een ingeschreven Bernhard zou komen, lijken vaak niet te kloppen.

Van Den Haag via Leiden naar Hoorn.

Johan Hendrik Bernhard kwam volgens de ene bron uit Aschersleben, volgens een andere uit Gröningen, Pruisen dus. Hij trouwde in Den Haag, op 18 maart 1753, met Maria Elisabeth Discher (of Disschern of iets wat daar op lijkt). Wellicht was dat de Maria Elisabeth Disser die in 1733 in Mainhausen-Zellhausen, in Hessen, werd geboren. Het trouwregister spreekt van het 75 kilometer westelijker gelegen Schlangenbad. Johan Hendrik zou ruiter geweest zijn en dus wellicht als huurling zijn gekomen. Er is een Johan Heinrich Bernhard geregistreerd als Staatse Militair in de periode 1705 tot 1795, in het 2e Oranje-Nassau-regiment, Bataljon 3, Compagnie A, lijfcompagnie grenadiers.  Is dat hem? Het lijkt, dat deze pas in 1783 in dienst kwam.

In Den Haag werd in 1754 zoon Balthasar Leonhard geboren. Twee dochters werden vervolgens in Leiden gedoopt: Maria Elizabeth op 18 april 1755 en Maria Christina op 20 maart 1758. Maria Christina heet later, ook officieel, Engeltje Christina. Er volgden nog twee kinderen: Rosina Frederica, in 1766 (zij zou wel eens in Haarlem geboren kunnen zijn), en Johan Bernard, waarschijnlijk geboren in 1774, wat dan in Hoorn moet zijn gebeurd, maar dat is niet terug te vinden in de bewaard gebleven doopboeken.
Want in 1758 duikt de familie in Hoorn op. Waarom ze daar terechtkwam, is niet duidelijk. Hoorn was overigens, als een van de VOC-steden een ‘multiculturele’ samenleving. Op 1 oktober werden de ouders als lidmaten van de evangelisch-lutherse kerk ingeschreven: Johan Hendrik uit Aschersleben, en Maria Elizabeth Tissen uit een voor de uitgever van het lidmaatschapsregister onleesbare plaats. Ze worden door die uitgever ook al vermeld op 1 oktober 1753, maar dat moet een overschrijffout zijn. Zijn drie dochters doen overigens in 1771, 1774 en 1778 geloofsbelijdenis in die Hoornse kerk.
Dan neemt het leven een merkwaardige wending: Johan Hendrik monsterde aan op het VOC-schip Bredenhof en vertrok op 7 december 1773 naar Batavia . Het spiegelretourschip was in 1771 in Hoorn gebouwd en had een bemanning van ruim 250 man onder commando van Marten Pietersz. Mooy. Johan Hendrik is hooploper, de laagste rang aan boord: een hulpje voor de matrozen. Een vreemde carrièrestap voor iemand die toch boven de veertig moet zijn. Dat suggereert armoede en wanhoop. Of zocht hij het avontuur? Wilde hij weg van problemen thuis? Was het lucratief om als kleermaker mee te varen? Op 21 juli 1774 arriveerde hij, na een tussenstop op de Kaap, in Batavia. Ergens in dat jaar moet zijn jongste zoon zijn geboren.
Na anderhalf jaar varen is hij terug: op 24 april arriveerde het schip op de rede van Texel, op 24 juli 1775 monsterde hij in Hoorn af[2] . Tijdens zijn terugvaart was niet alleen een zoon geboren, maar overleed ook zijn vrouw Maria Elisabeth Discher: op 12 november 1774, als Johan Hendrik zich midden op de Indische Oceaan bevindt, wordt hij weduwnaar.
Johan Hendrik zat niet bij de pakken neer. Al op 10 december 1775 hertrouwde hij met weduwe Helena Cornel uit de Nieuwe Westerstraat in Enkhuizen, die al eerder dat jaar was ingeschreven als lidmaat van de evangelish lutherse gemeente van Hoorn. 

Dis is vast en zeker de Helena Cornel, en eerder gehuwd geweest met Pieter Bello. Die monsterde  in 1767 afmonsterde af van het VOC-schip Enchuizen, en was afkomstig uit de stad van die naam. Oorspronkelijk kwam hij echter uit Zwolle. In 1757 krijgt hij daar toestemming om in Enkhuizen met Helena Cornel te trouwen. Hij had al eerder VOC-reizen naar de Oost gemaakt, in een medische functie. Zijn laatste reis was hij opperchirurgijn. Nog hetzelfde jaar, op 2 november, overlijdt hij in Enkhuizen. Het is dus een andere Pieter Bello, die als medicus in 1813 in Zwolle overlijdt. Neven, wellicht?

Wellicht begon Johan Hendrik na zijn VOC-avontuur als kleermaker. Of was hij dat al eerder? Hij wordt gesignaleerd als woonachtig in de Koperen Pot aan het Nieuwland in Hoorn, en hij haalt de geschiedschrijving met zijn bedgordijnen! Voor zijn bedstee hingen blauwe en rode gordijnen, waar anderen gordijnen van groene saai of, soms, bont bedrukte katoenen sits hadden![3]

Je verwacht grote armoede. Kleermakers verdienden gemiddeld niet veel. De meeste (minstens 92%) bleven, althans in 1742 in zestien Hollandse steden, met hun inkomen onder de taxatiegrens: ze verdienden minder dan 600 gulden per jaar. Maar zestien jaar na zijn afmonsteren is Johan Hendrik niet onbemiddeld, zoals we zullen zien[4] .

De kinderen.

Op 23 juli 1780 trouwde zoon Balthasar in Hoorn met Anghanita Dwingers. Als Agnita Dwingers deed ze op 19 maart 1771 geloofsbelijdenis in de evangelisch-lutherse kerk van Hoorn. Ze zou volgens de kerkregisters afkomstig zijn uit Doornik. Dat kan niet kloppen. Haar ouders kwamen, minstens drie jaar eerder, uit Den Briel naar Hoorn. Broer Casper Dwingers deed in 1768 geloofsbelijdenis in voornoemde kerk. De achternaam Dwingers is overigens zeer zeldzaam. Ook Agnita’s moeder heeft een extreem zeldzame achternaam: Ridderhuis.
Maria Elizabeth ging op 14 mei 1784 in Enkhuizen met Ouker Rondhout in ondertrouw. Op dezelfde dag ging zus Rosina Frederica in ondertrouw met Oukers broer, Nanning. Zus Engeltje Christina trouwde tien maanden later, op 4 maart 1785, ook in Enkhuizen met de broer van Ouker en Nanning, Cornelis, een kleermaker.
Een jaar later duikt Engeltje Christina met Cornelis op in Alkmaar: Engeltje wordt lidmaat van de evangelisch-lutherse kerk daar, maar woont in het nabijgelegen Bergen. Hun dochtertje Hillegonda Cornelis wordt op 3 april 1787 in Bergen gedoopt, Engeltjes zus Maria Elizabeth is getuige. Ook zij verhuist richting Alkmaar: op 1 juli dat jaar wordt zij ingeschreven als lidmaat van voornoemde kerk, twee weken nadat broer Balthasar er werd ingeschreven. Maria’s man, Ouker, is vanaf 1789 commies bij de Stedelijke Middelen van Alkmaar. Hij incasseerde de havengelden aan de Boompoort, de toegang tot de stadshavens. Hij was een verdienstelijk kunstschilder, sinds 1789 lid van het lokale Sint-Lucasgilde. Het Stedelijk Museum in Alkmaar heeft zeven werken van hem, allemaal stadsgezichten van of vanuit zijn werkplek[5] .

Erfenissen.

Balthasar ging ook in Alkmaar aan de slag, als kleermaker, net als zijn vader, maar heel wat minder succesvol. Hij was in het voorjaar van 1788 weduwnaar geworden, en straatarm: op 3 april begroef Balthasar zijn dan 35-jarige vrouw. Pro deo, dus in een armengraf. Twee kleine kinderen bleven achter. Balthasar gaat enkele jaren later failliet. Hij kon of wil niet meer voor zijn kinderen zorgen. Om die reden trad de Weeskamer van de stad Alkmaar op als toeziend voogd: de stad besteedde de twee kinderen uit bij Balthasars schoonmoeder in Enkhuizen, Johanna Ridderhuijs weduwe Dwingers, voor 20 gulden per maand.
In de Oprechte Haarlemse Courant van donderdag 26 mei 1791 wordt ieder die iets te ‘pretenderen’ heeft van de insolvente boedel van ‘Kleedermakers Baas’ Balthasar Leonhard Bernhard uit Alkmaar opgeroepen zich te melden bij advocaat Hendrick Carbosius of procureur Michiel Johan de Lange, uiterlijk tot 5 juli 1791. De stad Alkmaar wikkelt als grote schuldeiser het faillissement af.
Alkmaar heeft dan ook belang bij de forse erfenis die stamvader Johan Hendrik nalaat, als hij op 18 oktober 1791 overlijdt. De Oprechte Haarlemse Courant van donderdag 29 december dat jaar en die van donderdag 19 januari daaropvolgend en de Amsterdamse Courant van dinsdag 31 januari 1792 (kranten van vier en twee pagina’s dik) bevatten de volgende advertentie:
“Alle de geene, die iets te pretendeeren heeft van, of verschuldigd is aan den Boedel van wylen J. H. BERNHARD, overleeden op ’t Nieuwe Land te Hoorn, gelieve daarvan ten spoedigste opgaave te doen aan S. Gerrits of D. Hoffman aldaar, of aan J.P. Hebel, Makelaar, op de Nieuwezyds Voorburgwal, over de Nieuwe Kerk, te Amsterdam.”
Uiteindelijk werden de bezittingen van Johan Hendrik Bernhard geveild: huizen, obligaties, meubilair en andere roerende goederen. Dat leverde voor zijn vier solvente kinderen en de schuldeisers van Balthasar fl. 5507,19 op. Bij de erfenis werd het bedrag gevoegd, dat vader Johan Hendrik aan Balthasar had geleend en het geld, dat hij ten behoeve van Balthasars twee kinderen, Maria Elisabeth en Johanna, had besteed, in totaal fl. 159:4:8. Vandaag zou dat ongeveer € 1300,- zijn. De boedelscheiding vond op 10 augustus 1792 plaats bij notaris Sybrand Pereboom in Hoorn. Voor die schuld vaardigden de Schepenen van Alkmaar eerder genoemd procureur De Lange en advocaat Carbosius af. De drie zussen waren alle drie met hun Rondhout-echtgenoot aanwezig. Broer Johan Hendrik, apotheker in Amsterdam, was alleen. Hij was enkele maanden eerder in de hoofdstad in het huwelijk getreden met Cornelia van Wijk, die inmiddels zwanger was van de op 1 maart 1793 gedoopte Maria Elisabeth.
De erfgenamen hadden in totaal dus fl. 5667:3:8 te verdelen, meer dan € 45.000,- in huidige waarde. Een ieder kreeg fl. 1133:8:11 1/5, maar de vertegenwoordigers van de stad Alkmaar moesten van dat deel natuurlijk eerst Balthasars schuld aan zijn vader betalen[6] .
Alkmaar hield fl. 974:4:3 1/5 over, waarmee Balthasars schuldeisers een klein beetje konden worden gecompenseerd. Natuurlijk kregen de preferente crediteuren eerst hun totale schulden betaald: 56 gulden en vier stuivers. De overige schuldeisers mochten de na aftrek van andere kosten resterende € 911,- verdelen. Voor een ieder was maar 8% beschikbaar. Balthasar had al met al een aanzienlijke schuld weten op te bouwen: bijna fl. 11.500,-, zo’n € 100.000,- in huidige waarde. De lijst schuldeisers is enorm. Sommige hadden heel veel geld te goed, andere, vaak vrouwen, kleine bedragen: werkten ze voor hem, de kleermakersbaas?

In 1794 duikt Balthasar in Amsterdam op. Hij trouwde er, op 22 juli, met Antje Hendrikse Dirks. Pas op 6 maart 1805 werd hij als lidmaat van de Amsterdamse evangelisch-lutherse kerk ingeschreven. Op 5 februari 1796 en op 2 augustus 1798 werden zoon Johan Hendrik en dochter Antje Hendrikse geboren. Op 15 januari 1799 volgde dochter Maria Elizabeth. Op 5 december 1800 overleed een Antje Hendriks Dirks uit het Duitse Norden in het Gasthuis of het Pesthuis in Amsterdam. Verdere informatie ontbreekt. Ook Balthasar overleed in de hoofdstad, op 3 oktober 1817.

De kunstschilder.

Een jaar later stierf zijn zwager Ouker Rondhout, op 17 november 1818 om 22:30 uur. Diens vrouw, Maria Elizabeth Bernhard, is dan al overleden. Ouker woonde in een eenkamerwoning in het Huis van Achten, officieel het Provenhuis van Johan van Nordingen: een hofje, bestemd voor acht hulpbehoevenden, gesticht in 1665 en onafgebroken tot mei 1981 als verzorgingshuis in gebruik. Via zijn schuifraam keek Ouker uit op de Lombardstraat, nu de Lombardsteeg. Hij was commies bij de Stedelijke Middelen van de stad Alkmaar. Als chercher  incasseerde hij aan het begin van de stadshaven (aan de boom) de accijnzen. En dat liet hem kennelijk voldoende tijd voor zijn andere werk: hij was kunstschilder, tekenaar en aquarellist. Hij was lid van het Sint-Lucasgilde. En er is werk van hem bewaard: schilderijen van (je raadt het al) de stadshaven van Alkmaar. In 1811 werden in Haarlem twee werken van hem geveild. [Bronnen: Nieuw Nederlandsch Biografisch woordenboek, deel 3, blz. 1093 en 1094. https://rkd.nl/nl/explore/artists/341186.   Fichescollectie Cornelis Hofstede de Groot, baknummer 217, fichenummer 1443465].

gemaakt door Ouke Rondhout

Vrederechter Adrianus Bolten en zijn griffier onderzochten de dag na het overlijden het huis. Een andere bewoner van het hofje, Jan Vreede, bood zich daarbij aan om op alles te letten. Rechter en griffier inspecteerden de boedel, en schreven die minutieus op. Alles van waarde en 22 gulden en 20 cent werden in de laden van het aanwezige witwerkersbureau gestopt. De laden gingen op slot en vervolgens werd er een stoffen band om het bureau geknoopt, aan de bovenkant verzegeld met rode zegels. Twee uur zijn ze bezig, en ze weten, dat ze dat doen voor de twee dochters, van wie er een nog minderjarig is. De jongste, Hillegonda Dorothea, woont als dienstmeisje ‘aan De Helder’. De oudste is in dienst bij broodbakker Westerholt aan het Luttik in Alkmaar-Oudorp.
In de boedel troffen Bolten en zijn griffier enkele schilderijen, een paar portretten, een map met tekeningen en penselen en verf. Er stonden twee beelden: een zwart gebrand en een wit ‘pleisten’. Het kamertje was behoorlijk volgestouwd. Het was zeker geen armoe troef. Er was een fauteuil met matten zittingen, vijf stoelen. Een tafeltje, wat boeken, een blikken blaker, een blikken kwispedoor, een aardenwerk theeservies, en tabakspot, heel wat kleren, twee paar schoenen, een paar laarzen, een kleed op de vloer en katoenen bedgordijnen[7] .
Enkele maanden later, op 23 maart 1819 om 9 uur ’s ochtends bezocht Adrianus Bolten met zijn griffier weer de kamer van Ouker. Ze waren in gezelschap van Oukers dochter Maria Elizabeth en van Jacob Jozias de Lange, procureur, door de rechtbank te Alkmaar aangesteld om de belangen van de minderjarige dochter Hillegonda Dorothea, dienstmeid te Den Helder, te vertegenwoordigen. De zegels op de linten om het bureau werden ongeschonden aangetroffen en verbroken. Met de twee sleutels opende de griffier de laden. De boedel was nog geheel intact. Zelfs al het geld was nog aanwezig[8] .

Opoe.
De neef van de twee erfgenamen, de zoon van Balthasar, schippersknecht Johan Hendrik trouwde op 23 december 1825 met Marrigje Teeuw. In Sliedrecht: Marrigje is door en door Sliedrechts. Hun kleindochter Engelina trouwde in 1885 met Mattheus Adrianus Kentie. Engelina, opoe Kentie noemde mijn moeder haar, overleed in 1950 in IJsselmonde. Twee jaar voor mijn geboorte.

 

 

Theo Kentie

Oktober 2014

(correcties: 11-12-17; aanvullingen: 24-2-18)

 

Zie ook: http://www.genealogie-alblasserwaard.nl/grabbelton/Bernhard.pdf

 

 

 

[1] http://arch.vortmes.nl/documents/

[2] Nationaal Archief: Nummer toegang: 1.04.02, inventarisnummer: 14495, folionummer: 219.

[3] Liesje Schram, Inrichting van Hoornse woonhuizen eind 18e eeuw. In:  West-Frieslands Oud & Nieuw, 58e bundel, pagina 132-137. Uitgave: Historisch Genootschap ‘Oud West-Friesland’, 1991

[4] Jan de Vries & Ad van der Woude, Nederland 1500-1815; de eerste ronde van moderne economische groei. Amsterdam: Balans, 1995.  P. 662-663

[5] Scheen, 1981. Zie: https://rkd.nl/explore/artists/341186

[6] Boedelscheiding en lijsten met schuldeisers: Regionaal archief Alkmaar, archief Weeskamer Alkmaar. Toegangnr. AmrRAA_10.3.007. Inv. Nr. 71, doos B2.

[7] Noord-Hollands Archief. 41-54 Vredegerecht Alkmaar, 1811-1838. 1818, Nr. 58.

[8] Noord-Hollands Archief. 41-54 Vredegerecht Alkmaar, 1811-1838. 1818, nr. 86.

 

Stadsvarkens I

Een kleine geschiedenis van het stadsvarken.

Man’s best friend.

Meer dan 10.000 jaar geleden werden in het huidige Irak voor het eerst wilde zwijnen tot varkens gedomesticeerd, in hetzelfde gebied dus waar ook landbouw en steden zijn ontstaan. Met de verspreiding van de landbouw naar Europa kwam ook het varken mee, al was het maar omdat zijn wroetvermogen zeer behulpzaam was bij het bewerken van woeste gronden.

In de Middeleeuwen werden grote groepen varkens in de gemeenschappelijke bossen geweid totdat ze, vet geworden door eikels en ander voedsel, als kudde naar de markten in de opkomende steden werden gedreven. Zo werd de Man van La Mancha samen met zijn knecht Sancho Panza en hun paard Rossinant onder de voet gelopen door een kudde van meer dan zeshonderd varkens op weg naar de markt van Barcelona[1].

In de loop van de Middeleeuwen werden veel communale bossen ten behoeve van de opkomende steden gekapt of geprivatiseerd. “Graas- en eikelrechten” en jachtrechten werden afgeschaft. Jagen door armen heette voortaan stropen. Varkens bleken echter ook in steden te kunnen grazen en je kon ze prima in of bij je huis houden: ze kunnen in een klein hok vetgemest worden. In een agrarisch handboek uit het midden van de zestiende eeuw, dat in Nederlandse vertaling in 1582 verscheen en vele malen herdrukt werd, wordt dat beschreven: “De verckens die ghy mesten wilt sullen altydts gesloten staen in een besonder cot,” zonder lichtinval en als enige verzorging het geven van voedsel en het schoonmaken van hun hok[2].

Voor de opkomende steden was de aanvoer van voldoende voedsel naar hun markten van levensbelang. Rijke stadsbewoners gingen rundvlees eten. Dat kwam vaak van ver en was dus duur. Gewone stadsbewoners waren aangewezen op goedkoper vlees, bij voorbeeld dat wat ze zelf in of vlakbij de stad konden produceren. En dus hielden arme stedelingen hun eigen vee en pluimvee.

Koeien lagen aan een touw, kippen bleven in de buurt van hun hok, maar varkens struinden de hele stad af, op zoek naar alles wat eetbaar was. En dat is voor varkens bijna alles. Varkens waren dus uiterst nuttig in het reinigen van de overbevolkte Middeleeuwse steden zonder sanitaire voorzieningen.

En niet alleen in de Middeleeuwen: varkens vormden tot ver in de 19e eeuw “an auxiliary department of sanitation”,  ook in moderne steden als Philadelphia en New York[3], en Manchester. Friedrich Engels ziet daar in 1845 overal varkens, vooral bij de door hem zeer verachte migranten (dat waren toen Ieren), terwijl open ruimtes in woonblokken werden verpacht aan varkensboeren, die hun beesten door omwonenden met hun afval lieten vetmesten. Charles Dickens bezoekt in 1842 New York, ‘the beautiful metropolis of America’, en vooral Broadway viel bij hem in de smaak. Behalve dan de twee zeugen die daar achter zijn rijtuig aanliepen.

New York, Fivepoints: varkens op straat. George Catlin, 1827.

Een paar jaar later besloot die stad een einde te maken aan de stedelijke varkenshouderij: hun stank werd verantwoordelijk gehouden voor de heersende cholera-epidemie. Bijna zesduizend varkens werden uit kelders en van zolders gejaagd, onder hevig verzet van hun eigenaren. In totaal werden er zo’n 20.000 varkens de stad uit gedreven[4]. Sommigen zien het als de eerste gentrificatie in New York.

Pas toen steeds beter functionerende steden de stadsreiniging gingen organiseren, werden varkens langzamerhand van de straat gedreven. Ook andere redenen speelden daarbij een rol, zoals veiligheid, ‘overbegrazing’ en heel soms milieuredenen.

New York: de grote varkensjacht van 1859.

 

New York: super-intendant Downing wil, dat de varkens worden verwijderd, 1853.

Stadsvarkens duiken pas in bronnen op, als de stedelijke elite er last van krijgt en als de overheid met regels komt. Dat gebeurde bij voorbeeld in Parijs in de 12e eeuw, toen een edelman zijn schedel brak, omdat zijn paard over een rondscharrelend varken struikelde. Het houden van varkens werd verboden, maar dat verbod werd massaal genegeerd.

Niet alleen voor het verkeer vormden varkens een risico. Varkens kunnen soms agressief worden: ze begonnen soms te knabbelen aan op straat rondkruipende peuters. Ook was de hoeveelheid op straat te vinden afval eindig: al gauw scharrelden er te veel varkens.

Dus kwam het Amsterdamse stadsbestuur in 1413 niet alleen met een verbod op het houden van honden en ganzen maar ook met de regel, dat er nog maar vier varkens op straat werden toegelaten: twee varkens van het klooster en leprozengasthuis van Sint Anthonis,  en twee van het klooster van Sint Cornelis. Om ze herkenbaar te maken, moesten ze een oor missen: de varkens van Sint Cornelis hun linker, die van Sint Anthonis hun rechter oor. Ook droegen ze een bel, zodat moeders hun kroost op tijd binnen konden halen. In Schiedam werd het in 1311 verboden om je varkens op het Raamveld te laten lopen, waar het wasgoed te drogen werd gehangen.

Maar varkens konden ook prima in, bij of onder het huis worden gehouden. Op zolders, in kelders, voor, naast en achter de huizen in de steden werden steeds meer varkens ‘opgehokt’ om bijna voor niets te worden vetgemest met huishoudelijk afval en het afval, dat sommige bedrijfstakken produceerden: brouwers, jeneverstokers, suikerbakkers. Her en der begonnen de grote aantallen varkens voor overlast te zorgen. Dus mochten Nijmeegse brouwers vanaf 1413 nog maar twaalf en overige burgers nog maar acht varkens bij hun huis houden.

Vanaf ongeveer halverwege de 18e eeuw gaat het met de economie in ons land bergafwaarts. Steden lopen leeg, de vele armen hebben het steeds moeilijker om te overleven. Vooral in de winter en het vroege voorjaar waren de problemen groot: dan lagen veel bedrijfstakken stil, en dan moest de gemiddelde armoedzaaier zien te overleven van wat hij in betere seizoenen had weten te sparen, of een beroep doen op de bedeling. Van oudsher zorgde de gemeenschap voor zijn armen en behoeftigen. Die traditionele ondersteuning vloeide voort uit zorg voor je naasten op basis van geloofsovertuigingen, maar het algemeen belang werd ook gediend met het overeind houden van een in de zomer onmisbare arbeidsreserve.

In de loop van de 18e eeuw groeide door de economische terugval het aantal behoeftigen. Ook de stedelijke middenklasse nam in omvang toe, maar voelde zich steeds minder verbonden met de noodzaak om arme plaatsgenoten in slechte tijden te ondersteunen, terwijl juist zij middels stedelijke belastingen en het collectezakje bijdroeg aan de bedeling. Als oplossing begonnen leden uit de middenklasse de armen te doordringen van de noodzaak zich ook in slechte tijden zelf te bedruipen door te sparen en door het aanleggen van voorraden. Deze liberale ideologie van de opgelegde zelfredzaamheid kreeg organisatorisch vorm in de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen (‘Het Nut’). Het bevorderen van spaarzaamheid werd haar belangrijkste doel, mede te bereiken door huiselijkheid: door een gezellig huis hoefde de man zijn vertier niet te zoeken in kroegen en op kermissen, waardoor hij zijn geld aan zijn gezin kon besteden en kon sparen.

In 1804 publiceert de Bataafsche Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen het boek Eelhart, de menschenvriend[5]. Daarin krijgen met name boeren, maar ook hun personeel,  in dialoogvorm wijze lessen voorgeschoteld. Leermeesters Eelhart en Braafman geven aan boeren en aan slampamper Ary Ligt van Zin advies.

“Een behoorlijk overleg en bespaaring in den zomer, of dan, wanneer het meeste geld verdiend wordt, kan immers nog al ligt te weeg brengen, dat ook de geringste daghuurder zijn eigen varken kan mesten, en als men dit dan zoo kan aanleggen, en zulk voeder geeven, dat het geen ligt varkentje blijve, dan heeft men althans in den winter van een pekelspek een hartigen brok, en voor de toekomende zomer is ‘er nog wat in den schoorsteen”.

Het boek was bedoeld voor boeren en dagloners, maar het houden van voor eigen consumptie bestemde huisdieren was niet beperkt tot het platteland. Vijftig jaar later wordt het houden van varkens door een paardenarts der tweede klasse nog steeds geadviseerd[6]:

“De varkensfokkerij is inzonderheid op het platte land, doch ook onder zekere omstandigheden in de steden aan te bevelen, daar zonder dezelve eene groote hoeveelheid afval nutteloos verloren zoude gaan.”

Het slachten van een varken gebeurde meestal thuis, en ging gepaard met allerlei rituelen, zo beschrijft de Maatschappij tot Nut in een brochure[7]:

“Ge weet van hoe groot belang het is voor een gewone burger-huishouding, een varkentje op ’t hok te hebben. ’t Is wel een leelijk dier zoo’n zwijn, zoo lang als ’t in het hok ligt te knorren en te blazen; maar toch, als het geslagt wordt, en dan, met Gods zegen, goed uitvalt, welk een pleizierige dag voor groot en klein! Men krijgt bezoek van de buren, die plegtstatig komen om den mooijen doode te inspecteren, om eene proeve te doen op de dikte van ’t spek, om over lengte en breedte met kennis van zaken te redeneren, enz. enz., en de kinderen zijn er ook bij, en geven hunne deelneming met dansen en springen te kennen. En als nu het varken op tafel komt, dan is alles lekker, wat er aan is, en het mooiste van alles is, dat het zoo van zelf vet wordt.”

Inmiddels had Het Nut een nog betere vorm van sparen ontdekt: de spaarbank, zoals die omstreeks 1812 in Schotland en Hamburg was ontstaan. En dus is er in hetzelfde foldertje sprake van een aardewerken varkentje, met een kleine sleuf in de rug:

“Een spaarpot! Een spaarpot! O, wat ben ik blij!’- ‘Juist,’ hernam moeder, ‘’t is een spaarpot, maar die spaarpot is voor jou als voor ons het zwijntje is, dat we op ’t hok hebben; […].”

Natuurlijk hoefde men de meeste armen niet te vertellen, hoe nuttig het houden van een varken kon zijn: dat wisten zij zelf ook wel. Varkensvlees dat je kocht, was inmiddels extra duur geworden vanwege accijnzen op het slachten. En anders dan veel andere voorraden (die door vocht en ongedierte werden aangetast) was een levend varken heel goed houdbaar.

Stadsvarkens in Rotterdam en varkensstad Schiedam.

Geen enkele bedrijfstak zorgde voor zoveel stadsvarkens als de jeneverindustrie. Rotterdam lag als havenstad uiterst gunstig voor de aanvoer van de grondstoffen voor jenever en de afvoer van het eindproduct, terwijl in tonnen verpakt gezouten varkensvlees als scheepsproviand zijn weg vond. Maar jeneverbranderijen zorgden door stank en brandgevaar ook voor overlast en gevaar. Dus verbande de stad de bedrijfstak inclusief de bijbehorende varkens naar een terrein aan de Baan. Daar, maar ook elders in de stad, werden in 1847 nog varkensstallen gevonden[8].

Veel branderijen vertrokken uit Rotterdam naar omliggende stadjes: Delfshaven, maar vooral Schiedam[9]. Schiedam werd dé jeneverstad, en dé varkensstad. Varkens werden vetgemest met het restproduct van de jeneverstokerij: de spoeling. Die spoeling was buitengewoon voedzaam, maar niet goed houdbaar, waardoor varkens dichtbij de branderijen moesten worden gehouden.

De enorme aantallen varkens in Schiedam gingen voor milieuproblemen zorgen door de hoeveelheden drek en pis die ze produceerden. Het vuil liep in de Schie, dezelfde Schie waaruit de branderijen hun water haalden. Dus verordonneerde het stadsbestuur op 4 juni 1695, om alle varkens binnen vier weken “buijten de stad ‘t amoveeren”. Dat hielp aanvankelijk niet echt. Zestien jaar later moest de betreffende Keur worden herhaald.

Uiteindelijk lukte het. Toen reisboekenschrijver Lieve van Ollefen in 1797 zijn bezoek aan Schiedam publiceerde, klaagde hij over de stank die opsteeg uit de ‘menigte varkenshokken’ bij de stadspoorten. Bij de poorten werden 30.000 varkens vetgemest[10]. Schiedam had in 1795 9.111 inwoners. Ook die latere reisschrijver, de Duitser Karl Baedeker, meldt in 1880 hetzelfde aantal van 30.000 Schiedamse varkens[11]. Intensieve varkenshouderij is dus geen moderne uitvinding, maar begon in het Schiedam van de 18e eeuw.

In Schiedam was in de Franse tijd het verbod om varkens in de stad te houden niet goed gehandhaafd. In maart 1816 plakt de gemeente een publicatie aan het stadhuis, waarin het houden van varkens binnen de stad én in enkele gebieden erbuiten weer werd verboden, met een belangrijke uitzondering: enkele met name genoemde varkensmesters en eigenaren van branderijen en boeren in de omgeving mochten hun kotten, mits voorzien van een goede mestafvoer, laten staan. De armen en de arbeiders werd het houden van een varken ontzegd. Dat verbod werd op grote schaal ontdoken.

In 1859 kreeg Schiedam een nieuwe hoofdcommissaris van politie. Die constateerde al gauw, dat er overal weer varkens werden gehouden, soms op basis van een door hem te verlenen vergunning, vaak ook illegaal. In datzelfde jaar sloeg de cholera toe. Ziektes, en zeker cholera, werden volgens de inzichten van die tijd veroorzaakt door stank en bedorven lucht. Commissaris Kok wilde dus het houden van varkens weer verbieden. Maar de gemeenteraad was het daar niet mee eens. En dus werd er voorgesteld om het houden van een varken, mits goed gehuisvest, toe te staan. Dan moest er wel ieder jaar een vergunning worden aangevraagd. Het nadeel van stank, zo vond de gemeenteraad, woog niet op tegen het grote voordeel:

“door meer dierlijk voedsel op goedkoper wijze aan sommige gezinnen te verschaffen, die anders, tot groote schade voor de gezondheid, bijna uitsluitend van plantaardige stoffen, en wel voornamelijk van aardappelen leven […].”[12]

Schiedam was door de vele branderijen een zeer ongezonde industriestad geworden, de ongezondste stad van het land. De commissaris intussen kon alleen nog maar jacht maken op varkens die zonder vergunning werden gehouden, en daar had hij het druk genoeg mee. In andere steden waren de regels minder streng. In de Utrechtse Zeven Steegjes in het centrum van die stad hadden veel bewoners in 1862 voor hun huis een kippen- of varkenshok[13]. In 1855 ontdekte een arts ten tijde van een cholera-epidemie in een dichtbevolkte buurt op een zolder zes varkens, terwijl de mest in de kelder werd opgeslagen[14]. In de binnensteden van Arnhem, Den Haag, Haarlem, overal troffen bezorgde onderzoekers in de 19e eeuw varkens aan[15].

Rond het begin van de 20e eeuw hadden de meeste stadsbewoners door geregelde arbeid en dus inkomsten geen behoefte meer aan een varken, terwijl de Woningwet van 1901 het houden ervan strenger reguleerde. In 1900 bij voorbeeld kreeg bewoner Haas aan de Westzeedijk in Rotterdam alleen toestemming voor het houden van vier varkens, als hij aan strakke bouwvoorschriften voldeed. De stedelijke varkenshouderij verdwijnt nog verder uit het zicht door steeds luider klagende omwonenden.

In 1906 klaagt personeel van de Rotterdamse reiniging, dat ze op de vuilnisbelten aan het Bosland en aan de Kralingseweg voor de kippen, konijnen en varkens van hun opzichters moeten zorgen. In Schiedam wijst in april 1918 de gemeente het houden van een varken in de Lange Kerkstraat af, omdat art. 90 der Bouwverordening een absoluut verbod kent zonder ontheffingsmogelijkheid. Maar: een paar maanden later wordt dat artikel tijdelijk buiten werking gesteld ten behoeve van  ‘dilettant-varkensfokkers’. Door de oorlogsomstandigheden was vlees uiterst schaars geworden! Bijzonder is, dat deze dilettanten vooral uit de betere middenklasse kwamen: hotelhouder Beijensbergen uit de Vlaardingenstraat, notaris Boddeüs uit de Lange Haven, de eigenaar van woningbureau Stolk uit de Hoogstraat.

In 1940 deed het weeshuis van de Evangelisch-Lutherse gemeente in hartje Amsterdam (het zat in het West-Indisch huis aan de Haarlemmerstraat) zijn twee mestvarkens vanwege de oorlogsomstandigheden juist van de hand. Maar nog in de jaren zestig stuitte een Amsterdamse huisarts tijdens zijn visite op Kattenburg in een bovenwoning op een voor de slacht gehouden varken.

Na de Tweede Wereldoorlog werden de meeste arme stadsbewoners rijk genoeg om afstand te doen van de symbolen van hun oude armoede: moestuin, kippen en varkens werden vervangen door een siertuin en uitsluitend voor het mooi of de gezelligheid gehouden huisdieren. In 1946 komt de Rotterdamse Commissie Bos met een plan om Rotterdam zo te herbouwen, dat de arme grotestadsbewoner als bijna vanzelf een nette burger werd in nieuwe, goed geordende stadswijken zonder cafés, bioscopen en dancings. Bij de nieuwe huizen moesten tuinen komen met genoeg ruimte om er kippen en kleinvee te kunnen fokken[16]. De gemiddelde Rotterdammer zat daar niet meer op te wachten. Pas decennia later keerden stadsvarkens weer terug, aanvankelijk vooral in de vorm van kleine hangbuikzwijntjes met een strik om hun nek. Maar ook ontdekt men weer, hoe goed het houden van varkens in de stad voor het milieu is.

 

© Theo Kentie, maart 2015

 

[1] Miguel de Cervantes Saavreda, De geestrijke ridder Don Quichot van De Mancha. Amsterdam: Em. Querido, 1978 (1605). P. 752.

[2] Charles Estienne, De veltbouw ofte lantwinninghe: inhoudende eene rechte wel bestellinghe eenes hofs te bouwen: cruydt-hoven ende fruyt-hoven te maken: alderhande boomen te planten: byen te houden, te distilleren: beemden, vijvers, en̄ staende wateren te maken, en̄ die te onderhouden: visschen te vanghen: ackerlant te winnen: wijngaerden te oeffenen: medicinale wijnen te bereyden: parck voor wilde beesten te maecken, mitsgaders de wolve jacht. Amsterdam: Hendrick Laurensz, 1611 [1554].

[3] Lewis Mumford, The city in history; its origins, its transformations and its prospects. London: Penguin Books, 1991 (1961). P. 23, 337.

[4] Friedrich Engels, De toestand van de arbeidersklasse in Engeland; naar eigen aanschouwingen en authentieke bronnen. Vert. naar de 3e druk (1892). Moskou: Progress, 1987. Edwin G. Burrows & Mike Wallace, Gotham; a history of New York City to 1898. New York & Oxford: Oxford University Press, 1999. P. 698, 786.

[5] Bataafsche Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen, Eelhart, de menschenvriend; of gemeenzame onderrigtingen, ter leering en waarschouwing, ingezonderheid van den landman. Eerste stuk. Amsterdam: Cornelis de Vries, Hendk. van Munster en Johannes van der Hey, 1804. Het citaat staat op blz. 116.

[6] A.J. de Bruijn, Handleiding tot het fokken en mesten der varkens, en de behandeling van eenige ziekten bij dezelven : een middel tot het verkrijgen van eene belangrijke jaarlijksche opbrengst. Amsterdam: Noordendorp, 1852. P. 1.

[7] Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen, Het steenen varkentje. Kleine Geschriften, nr. 2. Oktober 1847.

[8] L.J.C.J. van Ravesteyn, Rotterdam in de negentiende eeuw. Herdruk. Schiedam: Schie-Pers, 1974. P. 13.

[9] Coen Kramers Thz., De moutwijnindustrie in Schiedam. Amsterdam: Lieverlee, 1946.

[10] Lieve van Ollefen en Rs. Bakker, De Nederlandsche stad- en dorp-beschrijver. Deel V: Schieland en Krimpenerwaard. Amsterdam: H.A. Banse,  1797. P. 10,13.

[11] K. Baedeker, Belgien und Holland nebst dem Grossherzogthum Luxemburg; Handbuch für Reisende. Leipzig: Karl Baedeker, 1888. P. 274.

[12] Nota Plaatselijke Commissie van Geneeskundig Toevoorzigt, 8 maart 1860.

[13] Riccardo Alberelli en Nol van Dongen, De zeven steegjes; 125 jaar volksleven in Utrecht. Amsterdam: De Balie, 1987. P. 24.

[14] De Woningwet 1902-1929. Amsterdam: Nederlandsch Instituut voor Volkshuisvesting en Stedebouw. 1930, p. 5.

[15] Auke van der Woud, Koninkrijk vol sloppen; achterbuurten en vuil in de negentiende eeuw. Amsterdam: Bert Bakker, 2010. P. 93, 116, 117.

[16] A. Bos e.a., De stad der toekomst, de toekomst der stad; en stedebouwkundige en sociaal-culturele studie over de groeiende stadsgemeenschap. Rotterdam: A. Voorhoeve, 1946. P. 316.