Voorouders V: Den Bommel, Zaltbommel: who cares? Het korte leven van Maria Berkhof.

(In ontwikkeling)

 

Van mijn voorouders die geboren werden vanaf zeg circa 1750 is niet veel bekend. Anders dan van hun voorgangers kennen we van de meesten wel een geboorte- of doopdatum, de data van ondertrouw en huwelijk en wanneer ze overleden of werden begraven. Soms kennen we een beroep, of weten we welk stuk grond ze ooit pachtten. Maar daarmee houdt het ongeveer op. Ze waren te arm en onbeduidend om indruk te maken, en leefden een niet of nauwelijks geregistreerd leven. Alleen de grootste pechvogels maakten kans op nog wat meer sporen: zij die in een of ander instituut belandden: een gasthuis, een gevangenis, een kolonistenkolonie. Een van hen is een oudtante van mijn oma Kentie (Alida Berkhof). Ze had de pech syfilis op te lopen en in Veenhuizen te belanden.

Maria Berkhof was de jongste zus van oma’s grootvader. Ze werd op 11 augustus 1819 in Den Bommel op Goeree-Overflakkee geboren als dochter van Cornelis Arents Berkhof en Francina Kaghelland. Van haar vader kennen we geen sterfdatum, mijn laatste voorouder bij wie dat het geval is.

Maria duikt op in Amsterdam: ze wordt op 12 augustus 1844 in het Buitengasthuis opgenomen, lijdend aan syfilis. Ze is 25, heeft geen beroep, krijgt kribbe T34 toegewezen, is ongehuwd, woont aan de Goudsbloemgracht, maar komt uit [Den] Bommel. Haar vader, Cornelis, was werkman, beide ouders zijn overleden, en ze is g[ereformeerd]. Op 1 december 1844 mag ze naar huis.

Had je in die tijd een zwak gestel, dan kon je beter niet in een ziekenhuis belanden, maar al helemaal niet in het Buitengasthuis in Amsterdam. In 1853 berekende een van de twee geneesheren van het Buitengasthuis, dat in de twaalf jaar daarvoor 231 patiënten waren gestorven niet zozeer vanwege hun ziekte, maar door het gasthuis zelf. Bezoekende buitenlandse artsen zien in die jaren ‘un asile de douleur’, ‘un véritable enfer’, met personeel, dat ‘abschreckende Bilder der Roheit, Trägheit und Unreinlichkeit sind’.  Binnenkomende patiënten, onder wie veel bedelaars, werden niet gebaad en kregen geen ziekenhuiskleding, maar werden met vuile kleren vol ongedierte in de kribben gelegd.

[J.A. Verdoorn (1991), p. 134-135.]

Figuur 1: Het Buitengasthuis in 1883.

Op 22 februari 1845 is Maria weer terug. Ze woont nu in de Barndesteeg in het centrum van Amsterdam (zie F. Bordewijk, Bij gaslicht (1947) over ‘het grootste armoedepand’ van Amsterdam in de Barndesteeg). Nog steeds staan er in die straat overblijfselen van het oude Bethaniënklooster, circa 1450 gesticht voor ‘gevallen vrouwen’. Het klooster werd na 1578 veranderd in woonruimte. Het is nog steeds een straat met raamprostitutie. Het is natuurlijk niet zeker, dat Maria prostituee was. Maar syfilis, woonadressen en het feit, dat ze later naar Veenhuizen wordt afgevoerd, zijn sterke indicaties.

Op 24 juni mag ze weer naar huis. Op 9 juli het jaar daarop wordt ze weer opgenomen. Ze is nu ergens dienstmeid, woont in de Hoefijzergang (dat waren er twee, de Nieuwe en de Oude) bij de Koestraat, “inpandige krotten”, waar grote ellende heerste (http://www.onsamsterdam.nl/component/content/article/15-dossiers/dossiers/2735-de-koestraat-sjiek-en-sjofel).

Figuur 2: De Nieuwe Hoefijzergang bij de Koestraat.

Ze wordt dat jaar niet ontslagen: ze verblijft meer dan een jaar in het Buitengasthuis. Pas op 2 juli 1847 gaat ze naar huis. Het kan niet anders, of ze was er beroerd aan toe. We verliezen ook even zicht op haar, maar vier jaar later duikt ze weer op in de archieven: ze overlijdt op 17 mei 1851 om 9 uur ’s ochtends in het Derde Gesticht te Veenhuizen (Norg). Ze is van beroep ‘koloniste’. Ze is 31 jaar. Haar doodakte wordt opgemaakt in Zaltbommel, een plaats waar ze waarschijnlijk nooit is geweest, maar waar haar overlijden desondanks wordt verwerkt in de Burgerlijke Stand.  Zaltbommel ligt zo’n 100 kilometer van Den Bommel.

Figuur 3: De binnentuin van het Derde Gesticht in Veenhuizen.

Vier weken nadat Maria het Buitengasthuis voor de laatste keer verlaat, op 29 juli 1847, wordt Gerritje Spinhoven opgenomen vanwege een vrouwenziekte. Ook zij heeft een dienstje en is ongehuwd. Ze is 28, woont in de Weesperstraat op nummer 27 en het is onbekend wie haar ouders zijn. Op 11 oktober mag ze weer naar huis.

Op 15 juli 1848 is ze terug, op 24 juli wordt ze weer ontslagen. Maar op 19 september wordt ze weer opgenomen. Ze zou nu werkster zijn, en woont in de Weesperstraat op de hoek van de Keizersgracht, op nummer 26. Pas op 30 juni 1849 kan ze weer naar huis. Twee weken later, op 13 juli 1849, overlijdt ze, ergens op de Overtoom in Amsterdam. Ook zij werd 31 jaar.

Maar Gerritje had Veenhuizen overleefd. Ze werd op 9 november 1817 geboren in Utrecht. Haar moeder heette ook Gerritje, en is een voorouder van mijn dochter (via haar moeder, natuurlijk). Moeder Gerritje had op 8 maart 1803 al een kind laten dopen, van wie de vader niet bekend was. Ze trouwt twee jaar later met Arij van der Tol, kreeg met hem enkele kinderen, en was nog steeds officieel met hem gehuwd, toen Gerritje werd geboren. Het kind krijgt desondanks moeders achternaam: de vader is onbekend.

Een maand later, op 9 december 1817 om 9 uur ’s avonds wordt Gerritje op de Prinsengracht in Amsterdam vlak bij de Utrechtsestraat, dus waarschijnlijk voor de deur van het Aalmoezeniersweeshuis, gevonden. Ze heeft een briefje bij zich met haar naam. Ze had een hemdje en een borstrokje aan, en een navelbandje, en wat wollen lappen om zich heen. Op het briefje staat ook haar geboortedatum, dat ze niet is gedoopt, maar wel ‘griffermeerd’.

Het Aalmoezeniersweeshuis aan de Prinsengracht was voor de meest hopeloze wezen en vondelingen: de allerarmsten die vaak geen band met de stad hadden en ook niet met een kerkgenootschap. Rond de tijd dat Gerritje werd opgenomen groeide het aantal weeskinderen enorm. De stad wist zich geen raad. In 1818 werd de Maatschappij van Weldadigheid opgericht, die in het Drentse Veenhuizen  wezen en vondelingen ging opvangen. Vanaf 6 november 1822 moesten Amsterdamse vondelingen en wezen zonder andere opvang allemaal naar Veenhuizen zodra ze zes jaar waren. In het archief van het weeshuis staat, dat Gerritje in 1824 naar Veenhuizen zou zijn gestuurd. Ze is dan zes. In het archief van Veenhuizen staat als aankomstdatum 11 augustus 1829. Wellicht ging het hier om een interne verhuizing.

In april 1839 werd ze, meldt het archief van het Aalmoezeniersweeshuis, uit Veenhuizen ‘ontslagen’. Ze is dan 21.

 

Leendert Lodder de lorrendraaier.

Lorrendraaien met de snauw de Rusteloze Galeij.

Als zowat al je voorouders uit de Zuid-Hollandse klei lijken te komen, lijkt het onwaarschijnlijk dat een voorouder geld zou hebben verdiend aan de slavenhandel. Even leek het erop, dat dat toch het geval was. Een van mijn voorouders heette Leendert Lodder, en er is een lorrendraaier uit dezelfde tijd met die naam. Wat is een lorrendraaier?

Op 3 juni 1621 gaven de Staten-Generaal aan de West-Indische Compagnie (WIC) het monopolie op alle handel en scheepvaart in het Atlantisch Gebied. Dat alleenrecht kwam al gauw onder druk te staan, want het ging de WIC niet altijd voor de wind. Ze was dan ook vaak niet in staat dat monopolie af te dwingen.  De meeste handel op Amerika, maar niet die van slaven, was al in de jaren 30 vrijgegeven. De WIC concentreerde zich voortaan op West-Afrika en Brazilië, maar in 1654 verloor ze haar Braziliaanse bezittingen.  Wel had ze in 1649 van het koninkrijk Accra het alleenrecht op de handel in slaven gekregen. De handel met de West-Afrikaanse kusten bleef dan ook het monopolie van de WIC. In 1674 ging de WIC  failliet, maar maakte een jaar later een doorstart vanwege vooral de lucratieve slavenhandel.

Ze bleef echter kampen met grootschalige schendingen van haar monopolie door smokkelhandelaren.  De WIC had weinig geld, onder andere door de enorme verliezen op haar Braziliaanse bezittingen. Ze kon haar Afrikaanse kusten dan ook vaak nauwelijks bewaken. Er waren weinig eigen forten langs de lange kust, die zelfs met kano’s moest worden bewaakt. Dichter Willem Godschalck van Focquenbroch, als arts in dienst van de Compagnie in fort Elmina, dichtte in 1669:

Al zittende in een holle boom,
Bezwangert met een troep soldaten,
En met elf zwarte potentaten,
Gaat Fok vast dobberen langs de stroom.

Om zekre Zeeusche karavelle,
Die hier voor lorrendrajer speelt,
En ’s Kompagnies octroy besteelt,
Te ga vermeestren, en beknellen.

Zo loop hy, en gevaar van zee,
En dat van koegels, en muskwetten,
Die meenig styve kop verpletten,
En schwinkels smakken uit hun steê.

En inderdaad waren het vooral Zeeuwen die het monopolie ontdoken en als ‘lorrendraaiers’ of ‘octrooidieven’ op grote schaal smokkelden. Want er waren grote rijkdommen te halen, door te handelen en soms door kapen: ivoor, goud en slaven leverden enorme sommen geld op. En anders dan de gebieden van de VOC was West-Afrika redelijk goed bereikbaar met kleine scheepjes onder commando van onverschrokken schippers uit een gewest dat een oogje dichtkneep of middels paspoorten de smokkelhandel bewust faciliteerde.

Een zo’n schipper was Leendert Lodder. De archieven (veel WIC-archieven zijn overigens verloren gegaan) vermelden natuurlijk niet veel over smokkelaars. Die duiken vooral op als ze gegrepen worden. Maar hun tochten komen ook aan het licht doordat kranten scheepsberichten publiceerden, ook die van de lorrendraaiers, en uit processtukken.

Leendert Lodder komt drie keer aan het oppervlak. In oktober 1711 komt zijn snauw Sint Paulus uit Zierikzee aan in het fort van de Brandenburgse-Afrikaanse Compagnie, die in 1687 het handelsrecht op Arguin (nu van Mauretanië) van de WIC had overgenomen.

Van november 1714 tot februari 1715 vaart Lodder met een pas van de Turkse sultan, als hij door de WIC-kruiser Faam wordt opgebracht. Hij is dan schipper van de Zierikzeese snauw Rusteloze Galeij, die 62 voet lang was en met vier kanonnen was uitgerust. Er werd voor 4754 guldens aan exportgoederen geconfisqueerd, vooral ijzer, een heel klein beetje alcohol en voor 53 gulden aan kralen. Er was voor 4445 gulden aan importgoederen aan boord. Geen slaven, maar wel goud, ivoor en peper. De ook dat jaar geconfisqueerde Herstel van Zeeland had voor 1200 gulden aan slaven als vracht. Voor de trans-Atlantische slavenhandel was een goed netwerk nodig, en dat had niet iedere smokkelschipper. Toch handelden ze bijna altijd ook in slaven: ze ruilden die met Portugese slavenhandelaren voor makkelijker verhandelbaar goud en ivoor 1).

Tussen oktober 1718 en februari 1719 is Lodder schipper van het Vlissingse jacht de Jonge David Galeij, als hij weer door de WIC wordt gepakt. Dat schip was nieuw, had acht kanonnen, was 76 voet lang en had een bemanning van 19 koppen. Bijna 13000 guldens aan goederen werden in beslag genomen, waaronder 5000 gulden aan buskruit en 88 gulden aan kralen. (Er is nog een andere lijst met hogere bedragen). Tussendoor was Leendert partenreder van de Johanna Galeij, welk schip overigens eind 1714 na een vuurgevecht door het WIC-fregat Engelenburgh en het WIC-schip de Guinese Broeders werd opgebracht. Er vielen daarbij geen doden. Toen de Johanna Galeij in juni 1715 in Middelburg terugkeerde, was de woede over het WIC-optreden groot. Smokkelschepen werden voortaan nog zwaarder bewapend.

snauw
Een snauw

In de internet-archieven duiken in die jaren zes personen met de naam Leendert Lodder op. Leendert Cornelisse Lodder wordt in 1649 in Dirksland geboren. Hij koopt er in 1713 een boerderij en is er enkele jaren later schepen. Zijn broer Abraham Cornelisse krijgt in 1693 een zoon Leendert, maar die zal vast niet 18 jaar later kapitein zijn geweest. Overigens krijgt Abraham in 1699 een zoon, die Jan Kabouter gaat heten.

Zijn neef Leendert Zachariasz Lodder wordt in 1667 in Dirksland gedoopt. Hij trouwt in 1796 in Ooltgensplaat met Jannetje van Kempen. Nog in 1710 krijgt hij met haar een zoon. In mei 1715 wordt hij voor het Hof van Holland gedaagd: Hester van de Wis, weduwe van Johan Kabouter, uit Rotterdam heeft Leendert sinds 1713 voor zeven jaren een woning met landerijen verhuurd voor 575 gulden per jaar, maar hij betaalt niet meer. Ze wil en krijgt toestemming voor in beslagname. Leendert woont dan in de polder van het oude land van Ooltgensplaat 2).

In 1672 wordt de volgende neef, Leendert Marinusse Lodder, in Dirksland geboren. In 1703 trouwt hij met Anna Cooman, in 1714 met Dimmetje Jans, met wie hij in 1717 en 1718 kinderen krijgt. Meer weten we niet van hem. Drie jaar na hem komt neef Leendert Leunisse Lodder ter wereld, ook in Dirksland. Die trouwt in 1706 met Arriaantje Jans Goemare, en in 1709 met Cornelia Arens Krepelman, met wie hij nog in 1711 en 1714 kinderen krijgt. Zijn kinderen met Cornelia komen in Oude-Tonge en later in Dirksland ter wereld. Deze Leendert Lodder is een voorouder van mij.

Maar er is nog een zesde Leendert Lodder, Leendert Willemse Lodder. Hij is de zoon van ene Willem Lodder, en geboren omstreeks 1675. Vader Willem is waarschijnlijk de op 31 december 1645 in Dirksland samen met tweelingbroer Leunis gedoopte Willem, en daarmee is deze Leendert een vijfde neef. Hij is poorter van Zierikzee, en meldt zich diverse malen bij notaris Zeeman, vaak voor een attestatie. Dat deed je om bij voorbeeld het vergaan van een schip vast te leggen. In 1714 komt hij minstens drie keer bij de notaris, o.a. met een andere van naam bekende lorrendraaier, Dingeman Boom. Ook heeft hij iets te regelen met enkele mannen met een waarschijnlijk Portugese achternaam. En hij komt een keer bij de notaris samen met een andere betrapte lorrendraaier, Jan (Jean) Bisschop. In 1719 is Leendert Willemse overleden. Het kan niet anders, of deze Leendert is de lorrendraaier.

Esaias-van-de-velde_zierikzee 1618

Esaias van der Velde – Gezicht op Zierikzee (1618)

 

 

1). http://www.ethesis.net/wic/wic_deel_5.htm

2). http://www.gahetna.nl/collectie/index/nt00354/2e03ab18-d353-11e2-a0c1-00505693001d/filtermeer/ove_tekst_soort_mandament/filterpos/7/sort_column/ove_datum_rekest/sort_type/desc/view/NT00354_rekesten/q/zoekterm/rotterdam/q/comments/1/f/ove_tekst_soort_mandament/Mandament%20van%20arrest%20en%20rau%20actie

Belangrijkste bron: het proefschrift van Rudolf Paesie, Lorrendrayen op Africa; de illegale goederen- en slavenhandel op West-Afrika tijdens het achttiende-eeuwse handelsmonopolie van de West-Indische Compagnie, 1700-1734. Amsterdam: De Bataafsche Leeuw, 2008.

Voorouders III: Henricus Thamerus.

Een stichtelijk leven: eerherstel voor dominee Henricus Thamerus.

(Nieuwe verbeterde versie, november 2016). Aangevuld augustus 2017.

Ruziënde ziekentroosters.

Op 10 september 1594 bood de 54 jaar oude Henricus Thamerus zich aan als interim-predikant bij de zes jaar eerder gestichte lutherse gemeente van Amsterdam. Die toch al kleine gemeente dreigde uiteen te vallen:  de twee ziekentroosters, die ook de preken verzorgden, stonden lijnrecht tegenover elkaar. Ze verschilden van mening over de betekenis van de Erfzonde, een conflict dat heel de lutherse kerk in zijn greep hield.

De Amsterdamse geloofsgemeenschap was samengesteld uit twee groepen: gevluchte handwerkerslieden uit Antwerpen en al veel langer in Amsterdam verblijvende Hamburgse handelaren, verenigd in het Hamburger Koor. De eerste groep stond achter de radicale ziekentrooster Van de Populiere, een volgeling van Flacius. Matthias Flacius Illyricus was een Kroatische lutheraan, die stelde dat ieder mens dankzij de Erfzonde door en door slecht was. Hij en zijn navolgers hadden zich verzet tegen Philippus Melanchton, de opvolger van Luther en de opsteller van de Augsburgse Confessie, de geloofsbelijdenis voor de lutherse kerk.

Fig. 1: Matthias Flaccius

Ziekentrooster Andries Nesscher vertegenwoordigde de meer gematigde richting van Melanchton. Het conflict liep zo hoog op, dat beide ziekentroosters een preekverbod kregen. De Amsterdamse gemeente moest dus op zoek naar een echte dominee, en die werd gevonden in Adolf Fisscher. Hij had de gemeente al in 1593 tijdelijk gediend, en dat was kennelijk bevallen, want hij werd teruggevraagd. Maar tot zijn komst zat de kerk enkele maanden zonder predikant en daarom overwoog ze het aanbod van Thamerus, die bij een eerdere sollicitatiepoging al had gemeld van de Augsburgse Confessie en dus lutheraan te zijn, én dat hij in Friesland door de calvinistische classis niet werd geduld.

De gemeente vroeg op 6 oktober 1594 aan Johannes Ligarius, predikant in Embden, inlichtingen over Thamerus. Ligarius had de Amsterdamse lutheranen, toen hij in Woerden werkte, al eens eerder als adviseur gediend. Hij had in Wittenberg gestudeerd en had  goede contacten in Noord-Duitsland, onder andere met de superintendent van Lübeck, Andreas Pouchenius. Het antwoord is niet bekend, maar Thamerus ging aan de slag, dus er zal sprake zijn geweest van een positieve referentie.

Fig. 2: Andreas Pouchenius.

Op 18 februari 1595 arriveerde Fisscher in Amsterdam. Dankzij hem en wellicht ook invaller Thamerus begon de lutherse gemeente weer op te bloeien.  En dat trok de aandacht van het stadsbestuur, dat de lutheranen niet welgezind was. De calvinistische kerkenraad, waarin dominee, kaartenmaker, VOC-oprichter en fervent tegenstander van het lutheranisme Petrus Plancius (de uit Vlaanderen afkomstige Pieter Platevoet) een grote rol speelde, besloot op 23 maart om vooral Thamerus ‘op kerkelijke wijze’ te bestrijden. Werd Thamerus doelwit, omdat de komst van Fisscher nog niet was opgemerkt en ze hem nog steeds als het lutherse boegbeeld zagen, had hij uitspraken gedaan die bij de gereformeerden in het verkeerde keelgat waren geschoten, of speelden zijn eerdere conflicten in Friesland een rol? Pont, op wie het bovenstaande is gebaseerd, vermeldt dit niet[1].

De lutheranen werden al vanaf 1590 door het Amsterdamse stadsbestuur lastiggevallen, net als de joden en andere religieuze minderheden. Het reageerde daarmee op de druk vanuit de gereformeerde kerkenraad, waarin overigens tot afschuw van burgemeester Cornelis Pietersz. Hooft, gehuwd met een doopsgezinde, buitenlandse vluchtelingen het voor het zeggen hadden. De geïmporteerde dominees en ouderlingen hadden de twisten van elders meegenomen en verkondigden een radicaal en meedogenloos calvinisme. Ze begrepen bovendien ‘het temperament van de Hollanders niet’:  Hollanders willen immers zelf uitzoeken hoe de Bijbel moet worden gelezen en bovendien  kiezen ze voor de deugden van ‘voorzichtige vastheid en vrede’. De buitenlandse dominees zaaiden volgens Hooft verdeeldheid en wilden de calvinistische predestinatieleer aan de stad opleggen. In 1597 probeerden de calvinisten zelfs een oproer tegen andersdenkenden uit te lokken[2].   Ondanks Hooft werden in 1595 alle lutherse bijeenkomsten verboden.

Fig. 3: Petrus Plancius.

In een voetnoot licht Pont ook Thamerus’ doopceel, waarbij hij zich vooral baseert op vergaderverslagen van de classis Gorinchem, het gebied, waar Thamerus later actief zou worden. In die vergaderingen werden tegen Thamerus verschillende keren bezwaren gemaakt. Maar al met al  “maakte in 1610 de klassis van Gorinchem geen zwarigheid hem tot predikant van Doveren en Genderen te bevestigen, maar uit hooge achting voor zijn grondige geleerdheid en godsvrucht, schijnt zij hem gedragen te hebben, zonder dat hij echter lid van hare vergadering was”, stelt Van der Aa in 1874 in zijn Biografisch Woordenboek[3]. Thamerus was inderdaad twee keer uit een Friese gemeente verjaagd, maar in die tijd werden predikanten wel vaker uit hun gemeente verdreven vanwege verschillen van inzicht. Genoemde Ligarius, bij voorbeeld, werd ondanks zijn aanzien weggestuurd uit Norden, Antwerpen, Woerden en, uiteindelijk, Embden[4].  Ponts voetnoot lijkt voor latere geschiedkundigen de belangrijkste zo niet enige bron voor hun beschrijving van Thamerus, die door verkeerd of selectief lezen in kerkhistorische kringen uitgroeit tot een figuur die in een schelmenroman niet zou misstaan.

Afkomst.

Henricus Thamerus (of Tam(m)erus of Tameris) is een voorouder van mij. Twaalf generaties terug, en dan heb je in theorie meer dan 4000 voorouders, maar in zijn generatie laten alleen zij sporen in de archieven na, die om een of andere reden het vermelden waard gevonden werden. Dat zijn er niet veel in mijn geval. Thamerus is een uitzondering.

Gepubliceerde stambomen zijn vaag en soms tegenstrijdig, waar het de vroege -leden van de Thamer-familie betreft. En dat, terwijl er al heel vroeg genealogische belangstelling was in de Thamerus-familie. Carl Friedrich Dietzel (1688-1726) en gehuwd met Margaretha Elisabeth Thamerus stelde als eerste een stamboom op, maar deze lutherse dominee liet alle katholieken weg. In 1901 liet de fabrikant Horst Thamerus de familiegeschiedenis optekenen, inclusief de katholieke voorouders.  In het boekje uit 1901 wordt gesuggereerd, dat al eeuwen eerder in oude annalen namen als Damarus, Tamarus en Damar opduiken, vaak behorend bij monniken. Zo’n voornaam zou geleid hebben tot de achternaam Thamer.

Onze Thamerus werd in ongeveer 1540 in Merzenich als Heinrich Thamer geboren. Hij studeerde in Wittenberg bij Melanchton, die in 1560 overleed. Hij zou een zoon zijn van Sixtus Thamer, en een kleinzoon van Heinrich, geboren in Landshut in circa 1449. Deze Heinrich is de oudst bekende Thamer. Hij studeerde vanaf 1467 aan de universiteit van Erfurt, waar enkele decennia later Luther studeerde. Volgens mij waren Theobaldus (geboren in 1505) en Sixtus (deze laatste voornaam suggereert een groter gezin) twee van zijn zonen, en niet zijn broers, zoals sommige stambomen vermelden. Dat kan haast niet anders gezien de geboortedata. Een naar alle waarschijnlijkheid derde broer was Haymann Thamerus, die de voorvader was van veel lutherse dominees in Duitsland. Ook Haymann werd geboren in Merzenich, een dorpje tussen Keulen en Aken, waar de familie oorspronkelijk dus niet vandaan kwam. Als geboortejaar wordt circa 1520 genoemd. Een enkele bron suggereert, dat Theobaldus de vader van Henricus is.

Fig. 4: Theobaldus Thamerus, uit Prosopographia heroum atque illustrium virorum totius Germaniae van Heinrich Pantaleon. Bd. III. Basel, 1566, p. 291.

Theobald Thamer studeerde bij Luther zelf. Deze oom van onze Henricus, geboren in Oberenhnheim (Obernai) in de Elzas, promoveerde in 1539 in Wittenberg tot Meester in de filosofie, en het jaar daarop promoveerde hij nog eens in Frankfurt an der Oder.  In 1543 werd hij predikant en hoogleraar in Marburg. In 1547 werd hij veldpredikant in het leger van landgraaf Philip van Hessen, die in 1527 de universiteit van Marburg als eerste protestantse universiteit had gesticht. Twee jaar later werd Theobald ontslagen in Marburg, werd nog even tweede predikant in Frankfurt an der Main, waar hij in 1553 werd ontslagen. Hij vertrok naar Rome, werd katholiek, promoveerde voor de derde keer, nu tot doctor in de theologie aan de universiteit van Siena, werd prediker in de Dom van Minden, en vervolgens hoogleraar in Mainz en, in 1566 aan de universiteit van Freiburg. In die stad stierf hij in 1569. Melanchton wijdde een beschouwing aan de overstap naar het katholicisme en bepleitte in zijn “De Thamero vagante in dioecesi Mindensi commonefactio” straf voor Thamer[5].

Fig. 5: Philipp Melanchthon.

Van Sixtus Thamerus, de vermoedelijke vader van Henricus, weten we minder. Hij volgde in 1541 de studie tot argentoratensis [?] in Frankfurt an der Oder. Hij zal dus ook circa 1520 geboren zijn. In de oude Duitse stambomen komt diens zoon, Henricus niet voor.

Gedoe in Friesland.

Tot 1591 laat onze Henricus geen sporen na.  In 1591 duikt hij op als predikant in het Friese Joure. Hij was daar aangesteld door de grietman, Asse Obbes. En hij wist al gauw de woede van de gereformeerde classis van Sneek, waar Joure onder viel, te wekken. Die beschuldigde hem van openbare dronkenschap: hij zou drinken ‘als een soldaat’[6].

De gereformeerde kerk zal om twee fundamentelere redenen ontstemd zijn geweest: Thamerus was geen calvinist, en hij was niet aangesteld door een kerkenraad en vervolgens goedgekeurd door de classis.  Aanvankelijk was de reformatie een brede grassroots beweging van allerlei protestantse richtingen, waarin de calvinisten een minderheid van zo’n tien procent vormden[7]. Vanaf 1572 namen ze in de reformatie het voortouw. Ze waren het best georganiseerd, en kregen steeds meer autoriteiten achter zich. Andersdenkenden kregen het dringende advies ook calvinist te worden. Een poging in 1580 om staatskerk te worden, mislukte, maar dopen en trouwen moesten vanaf toen verplicht in een gereformeerde kerk plaatsvinden. Vanaf 1586 moest je de Nederlandse geloofsbelijdenis van de calvinist Guido de Brès ondertekenen, wilde je waar dan ook predikant worden.  Slechts een enkele oudgediende met andere opvattingen werd nog gedoogd. De Nederlandse reformatie was bijna geheel ‘gecalviniseerd’[8].

De calvinisten hadden zich georganiseerd in synodes en classes. De regionaal georganiseerde classes trokken de macht over plaatselijke geloofsgemeenschappen, vaak verenigd in kerkenraden, naar zich toe. Alleen met toestemming van een classis mocht voortaan een kerkenraad worden opgericht en mochten dominees worden benoemd[9]. Deze calvinisering en institutionalisering werden kennelijk niet zonder slag of stoot overal geaccepteerd.  Thamerus werd, zoals we zullen zien, tot twee keer toe benoemd door de grietman van Haskerland, een decennium later door de ambtsman van Overbetuwe en vervolgens door de verzamelde gelovigen van Genderen en Doeveren, in alle gevallen zonder overleg met laat staan toestemming van de betreffende classes. Die wilden dat niet over hun kant laten gaan. En dus botsten die classes of de scherpslijpers daarin enkele keren frontaal met de lutherse dominee Thamerus.

In Joure verloor Thamerus na de beschuldigingen door de classis zijn aanstelling, maar Obbes benoemde hem meteen tot dominee in Aldehaske-Haskerhorne. Ook daar ging het mis: op paasmaandag 1593 zou hij in een dronken bui schoolmeester Douwe Rinses voor verrader, dief, booswicht en tovenaar hebben uitgescholden. Nu liet ook Obbes hem vallen: weer werd hij ontslagen. In de lijsten dominees van beide plaatsen komt Thamerus niet voor: die beginnen met de eerste door de classis aangestelde predikanten[10]. Obbes legde zich kennelijk bij de nieuwe verhoudingen neer. In 1594 werd hij eerste ouderling te Joure[11].

Schoolmeester Rinses was overigens wel door de classis van Sneek aangesteld. Grote kans dus, dat hij voor die classis spioneerde en verkeerd geachte uitspraken van Thamerus rapporteerde, wat, al dan niet door drank verergerd, heel goed tot Thamerus’ woede-uitbarsting (‘verrader’) kan hebben geleid.  In 1600 werd Rinses tot dominee in Terkaple en Akmarijp benoemd[12].

Kerkhistorici in de war.

Wat maken moderne (kerk)historici van bovenstaande gebeurtenissen? Meiners noemt Thamerus een ‘wegens dronkenschap ontslagen Calvinistische predikant die zich voor Lutheraan uitgaf’. We weten dus, dat hij juist geen calvinist is, en hij verloor zijn baan vooral vanwege zijn uitbarsting tegen Rinses. Meiners, die weliswaar geen bronnen vermeldt, maar waarschijnlijk vooral Pont gebruikt, stelt dan, dat de benoeming van dronkenlap Thamerus in Amsterdam voor de plaatselijke gereformeerden reden was om lutherse diensten in Amsterdam te verbieden en dominee Fisscher gevangen te zetten. Dat lazen we niet bij Pont, en je vraagt je af, waarom ze dan niet dominee Thamerus in het cachot gooiden[13]. En Bergsma plaatst hem onder de niet-gestudeerde Duitsers of idioten die her en der tot dominee werden benoemd. Maar Thamerus was dus wel degelijk een universitair opgeleide dominee, alleen niet van calvinistische snit[14]. Hij kwam uit een familie van hoog opgeleide vooral theologisch geschoolde intellectuelen.

Van Deursen, die Pont als bron vermeldt, rekent hem tot de “predikanten van eigen creatie […], die zich min of meer als vrije ondernemers lijken te beschouwen”,  “avonturiers, die een paar weken of maanden in een dorpje gevestigd bleven, en zodra de vraag naar de wettigheid van hun dienst of de omvang van hun kundigheden actueel ging worden, zich schielijk uit de voeten maakten”[15].  Wat Thamerus’ tekortkomingen ook waren, hij was dus geen predikant van eigen creatie, geen vrije ondernemer, en hij maakte zich zeker niet na enkele weken of maanden schielijk uit de voeten, zoals we nog zullen zien.

Kees Vreeken meldt in 2009 over Henricus en andere ‘zwervende predikanten’, dat “hun kwaliteiten vaak zodanig te wensen over dat de classis hun adviseerde om een andere ‘staat des levens’ te zoeken om vrouw en kinderen te kunnen onderhouden”. Het waren immers “[f]iguren met “geringe gaven en ontwikkeling, van slechte of losse levenswandel, die elders niet beroepen worden en nu op deze wijze haar plaats proberen te komen”, onder meer doelend op de bij Melanchton in Wittenburg afgestudeerde Henricus[16].

Van Manen schrijft in 2001: “Geërgerd werd in de gereformeerde synodezittingen gereageerd op de overgang van de gereformeerde predikant naar de lutheranen. Toen de gereformeerde voorganger Henricus Thammerus luthers werd, waarschuwde de synode de drost van Heusden deze martinist te weren”. Tien jaar later stelt Van Manen eerst, dat hij als gereformeerde dominee tot de lutherse kerk was toegetreden, toen hij in 1595 in Amsterdam solliciteerde, maar verderop laat hij hem weer als gereformeerde dominee tot de lutherse kerk toetreden, in 1606. Vervolgens zou hij van remonstrantse gevoelens zijn geweest. Ook Van Manen noemt hem een ontslagen dronkenlap,  maar nu ook ontslagen vanwege “nog andere onverkwikkelijkheden”[17]. Vanwege dertig andere zonden, beweerde Van Deursen, zonder enige nadere onderbouwing.

Gedoogd in het Land van Heusden.

Waar komt dat jaar 1606 vandaan? In 1606 bespreekt de Zuid-Hollandse synode in Gorinchem Henricus, die zich in Eethen, een dorpje enkele kilometers ten westen van Genderen,  gevestigd heeft als dominee. De synode besluit de drost van Heusden te verzoeken  om hem weg te jagen, en als dat niet gebeurt, de Staten van Holland te benaderen. Deze martinist was immers, zo wordt gemeld, verschillende malen door de Gelderse synode besproken, en uiteindelijk uit de Overbetuwe verjaagd, nadat hij voor de derde keer was aangegeven bij het Hof van Holland[18].

De Gelderse synode had inderdaad in haar vergadering van juni 1598 vastgesteld, dat ene Hendricus Ammerus zich onwettig in Heteren had gevestigd, zonder getuigschriften uit Friesland waar hij vandaan zou komen, terwijl hij dagelijks ‘verloopt met dronckenschap ende andere lelicke sonden ende gebreecken’’. De synode eiste, dat hij onmiddellijk stopte met zijn werk en besloot een brief naar het Hof te zenden met het verzoek de ambtsman en de schout in Heteren op te dragen te voorkomen dat Thamerus vruchtgebruik heeft van de pastorie. Twee jaar later zit hij er nog steeds, ook al zou hij (volgens de synode) niet van de zuivere leer zijn, en bovendien onstichtelijk in zijn gedrag en onwettelijk als predikant[19].

Ambtsman, schout en kerkvolk hadden hem dus gewoon laten zitten, en dat zou zo blijven tot 1602[20]. Hij was overigens de eerste dominee in Heteren, zou daar begonnen zijn in 1598 en vertrokken in 1602. Deze aanstelling is niet uit de geschiedschrijving weggewist[21].

Bij de Gorkumse  classis kon hij een paar jaar later, in 1606, een vijf jaar oud getuigschrift van de burgerlijke autoriteiten van Heteren overleggen. Dat alles duidt toch niet op een altijd dronken dominee die ook allerlei andere zonden zou hebben begaan. Was de beschuldiging van dronkenschap en andere gebreken gebaseerd op het classisverslag uit Sneek? Lezen konden de verzamelde dominees natuurlijk heel goed.

De classis Gorinchem citeerde dus op haar beurt weer uit de verslagen van de Gelderse synode van 1598. Henricus werd er besproken, omdat hij in dat jaar als ‘predicant religiosis reformatae’ in Eethen aan de slag is gegaan, zonder haar voorkennis of advies. Maar men maakte zich vooral druk over het feit, dat hij in Heteren gezegd zou hebben, dat hij aangesteld was geweest in Woerden. En dat was dan een leugen, en die leugen werd niet geaccepteerd. Wat hiervan waar was, weten we niet. Was hij na Amsterdam in Woerden beland, waar de oudste lutherse gemeenschap in Holland was[22]? Hoe dan ook, sommige aantijgingen van de Gelderse synode ontkende Thamerus, terwijl hij door de classis van Gorinchem niet beschuldigd werd van dronkenschap of andere zonden.

Classisleden Dithmarus Bleskenius en Sebastianus Helt krijgen de opdracht om met Thamerus over zijn vertrek te gaan overleggen. Helt had overigens zes jaar eerder een financieel akkefietje met Thamerus gehad: hij zou nog een half jaar loon van hem tegoed hebben[23]. Kennelijk werd de soep uiteindelijk niet zo heet gegeten: de vergadering van 29 mei concludeerde, dat Thamerus het beste de ‘quade leere afstaat’, en hoopte, dat hij in een volgende vergadering van de classis wilde verschijnen, omdat er anders een procedure bij de synode zou moeten worden gestart. Op de vermeende leugen en andere onwaarheden komt men niet meer terug. In de vergadering van 31 juli wordt gemeld, dat Thamerus na een brief van de Staten van Holland uit Eethen is vertrokken, maar dat lijkt een vergissing te zijn. Hij zou in Genderen zijn neergestreken. Op de website van de hervormde kerk van Eethen en Drongelen staat echter vermeld, dat Thamerus daar tot 1610 predikant was, terwijl de website van de hervormde kerk van Genderen hem daar in 1606, komende van Eethen, als predikant laat beginnen, tot 1619 wanneer hij met emeritaat gaat[24]. Wellicht bediende hij al deze bij elkaar liggende dorpen.

Hoe het precies zat tussen 1606 en 1608 is niet duidelijk. De Staten van Holland vragen in augustus 1608 Henricus in Genderen te benoemen, omdat hij de gereformeerde geloofsbelijdenis inmiddels heeft ondertekend,  en zodat hij in zijn onderhoud kan voorzien. De classis wil dit aan de synode voorleggen, en besluit hem zo lang te tolereren, maar hem nog niet als lidmaat van de gereformeerde kerk toe te laten. Het lijkt, alsof ze van hem af willen, maar niet precies weten hoe, gezien de druk van de Staten van Holland en de gelovigen van Genderen en Doeveren. Die dorpjes (nog niet gescheiden door de Bergsche Maas) hadden sinds 1589 zonder predikant gezeten, toen de allereerste dominee (de voormalige pastoor) naar Asperen vertrok. Ze hadden Henricus gevraagd als hun dominee ‘vanwege zijn leerstellingen’, hadden geen kerkelijke of wereldlijke toestemming gevraagd, en betaalden hem dus uit eigen zak.  In 1610 vroegen ze de classis per brief of Henricus mocht blijven.

De classis besloot om aan een deel van het verzoek van de Staten van Holland tegemoet te komen door Henricus vanwege zijn leeftijd alimentatie (pensioen) te verlenen: ze zijn dan van hem af en Henricus kon in zijn onderhoud voorzien. Maar deze oplossing werd door de andere partijen kennelijk niet geaccepteerd: Henricus blijft dominee in Genderen, tot 1619. In de verslagen van de classis heet hij niet langer ‘loper’, maar gewoon predikant[25].

In Genderen leefde hij in grote armoede. Dominee Johannes de Greve, in 1606 tot dominee beroepen in Heteren en in 1610 te Heusden, bezocht hem daar enkele keren, en ontdekte, dat hij, hoewel hogelijk gewaardeerd door het kerkvolk en ‘neerstich’ studerend,  ‘seer armelick’ woonde. Hij woonde er met zijn bejaarde vrouw en kinderen in een kleine en rokerige aan de kerkmuur vastgemaakte hut, die eerder gediend had als verblijfsruimte van soldaten van de schans van Doeveren. Henricus moest bovendien ook zijn dochter, die met vijf kleine kinderen in Heusden woonde, onderhouden.  Dat was volgens De Greve onmogelijk met zijn traktement van hooguit 350 gulden, zo schrijft hij in 1613 in een brief aan de Gorinchemse classis[26].

Fig. 6: De hervormde kerk in Genderen.

Grevius tegenover Voetius: strijd in de kerk van Heusden.

Maar nog steeds leefden er onder leden van die classis grote bezwaren tegen Thamerus. Men vond nu, dat Thamerus zich alsnog moest verzoenen met de classis van Gelderland. Kwamen deze nieuwe bezwaren omdat hij een remonstrant zou zijn? Want inmiddels is een ander conflict de gereformeerde kerk gaan beheersen: dat tussen arminianen en gomarianen, de latere remonstranten en contraremonstranten. Arminius was dominee in Amsterdam, waar hij over vooral de predestinatie in botsing kwam met eerder genoemde Plancius. Later werd hij hoogleraar in Leiden, en daar kreeg hij het aan de stok met Gomarus.

In Heusden diende de al genoemde dominee Grevius  (Johannes de Greve), een echte arminiaan, die zich later zou onderscheiden als publicist tegen martelingen en heksenprocessen. In 1615 is er een vacature voor de tweede dominee. De Vlijmense dominee Gijsbert Voet (zijn grootvader was ooit burgemeester in Heusden) solliciteerde, maar Grevius wilde geen contra-remonstrant naast zich.

Fig. 7: Voorblad Tribunal reformatum van Grevius.

Voetius was een leerling van Gomarus en zou later, als hoogleraar in Utrecht, de gereformeerde orthodoxie verder uitwerken. Hij werd de woordvoerder van de Nadere Reformatie. Hij zette zich scherp af tegen Descartes en Spinoza, en verwierp de bevindingen van Copernicus, omdat de zon wel degelijk om de aarde zou draaien. Voetius zag ook overal de werkzaamheid van de duivel, en verzette zich tegen het afschaffen van de heksenvervolging.

Fig. 8: Gisbertus Voetius (1589-1676). Postzegel uit 1936, ontw. Pyke Koch.

In Heusden vocht hij zijn eerste grote conflict uit, en wel met Grevius. Die trok zo hard van leer tegen de contra-remonstranten, dat zelfs prins Maurits, Van Oldenbarnevelt en Hugo de Groot zich met hem en Heusden gingen bemoeien. De strijd tussen remonstranten en contra-remonstranten was dan ook sterk gepolitiseerd. Maurits steunde de laatsten, terwijl de Staten van Holland en Van Oldenbarnevelt en De Groot  op de hand van de arminianen waren. Op 24 mei 1617 werd  Voetius toch benoemd. Bij zijn eerste preek in een stampvolle kerk ontstond een rel, toen de gouverneur hem het preken wilde beletten. De drost weigerde echter op te treden. De gouverneur haalde er een luitenant bij, maar Voetius preekte door. De Staten van Holland verwierpen later Voetius’ klachten tegen de gang van zaken, maar grepen niet in.

Al snel, op 15 oktober dat jaar, liep het conflict tussen Grevius en Voetius nog verder uit de hand. Grevius was, zoals wel vaker, afwezig, maar liet zich vervangen door de inmiddels stokoude Henricus Thamerus. Voetius had inmiddels de kerkenraad achter zich gekregen. Voetius en kerkenraad constateerden, dat Thamerus zeer ’ontstichtelijk’ had gepreekt: hij belasterde de ‘perseverantie der Heiligen’ omdat het  ‘een oude ketterie der Valentianen’ zou zijn en hij probeerde ‘de zekerheid der zaligheid’ (de predestinatie) te weerleggen. Ook eindigde hij zijn preek zonder gezang! Hij was voor Voetius dus een arminiaan, die zich ook nog eens niet aan de voorgeschreven liturgie hield. De kerkenraad vroeg dan ook aan de classis deze broeder voortaan te weren[27].

Valentianen waren overigens een christelijke sekte uit de tweede eeuw, volgelingen van de omstreeks het jaar 100 in Alexandrië geboren Valentinus. Die legde de grondslag voor de predestinatieleer: een kleine groep uitverkorenen (het ‘Uitgelezen Zaad’) zou volgens hem zalig worden, niet vanwege hun gedrag of door goed onderwijs, maar omdat zij van nature geestelijk zijn en daarom op voorhand uitgekozen. Genade kon je hoe dan ook niet verliezen en uitverkorene bleef je (de perseverantie van de heiligen)[28]. Henricus viel via Valentinus dus de calvinistische leer van Voetius en de andere contraremonstranten aan.

Fig. 9: Voetius.

De Acte van Stilstand.

In augustus 1618 greep prins Maurits eindelijk de macht. Van Oldenbarnevelt en De Groot werden eind die maand gevangen gezet. De Staten van Holland en Westvriesland werden gezuiverd van arminiaanse tegenstanders en stonden niet langer tegenover de  Zuid-Hollandse synode. Staten en synode besloten samen, dat Henricus eigenlijk geen wettelijk gereformeerd dominee was en dus voortaan geen kerkdiensten meer mocht leiden. Ook al had hij dan de geloofsartikelen ondertekend, hij was uiteindelijk toch niet toegelaten tot de classis. Voetius en de andere contraremonstranten hadden de strijd gewonnen[29].  Maar het respect voor Henricus Thamerus was kennelijk groot: hij mocht tot mei 1619 in zijn huisje blijven wonen en behield tot dan ook zijn traktement, als hij zich ten minste stichtelijk en eerlijk zou blijven gedragen. De classis beloofde om ook een pensioen te regelen.

Tijdens de Dordtse synode van 1619, waar Plancius een belangrijke rol speelde, tekende dominee Johannes Cloppenburg in naam van Henricus Thamerus,  predikant te Doeveren en Genderen, en te verzwakt om te reizen, de Acte van Stilstand: ook op grond daarvan moest hij stoppen met preken (wie niet tekende, was een remonstrant en werd verbannen). Henricus was toen 79 jaar[30]. Voetius’ tegenstrever dominee Grevius verdween in het Amsterdamse Rasphuis, waaruit hij in 1621 wist te ontsnappen, geholpen door dominee Sapma, die al eerder vermomd in vrouwenkleren uit het Rasphuis was ontsnapt.  Henricus  werd verder met rust gelaten.

Fig. 10: Dominee Sapma ontsnapt uit het Rasphuis.

Hij verhuisde uiteindelijk naar Heusden en leefde daar nog enige jaren van zijn pensioen. Zijn precieze sterfdatum is onbekend. In mei 1623 is er sprake van zijn weduwe, Marijcken Gerarts van den Bosch. Zij vertrok na Henricus’ overlijden uit Heusden. Voetius, dominee te Heusden en bevrijd van remonstrantse oproerkraaiers, meldde over de laatste jaren van Henricus Thamerus, dat hij ijverig de kerkdiensten bezocht, stichtelijk leefde, belijdenis deed bij het avondmaal en uiteindelijk steeds verder verzwakte tot hij, nog steeds goed bij het verstand, overleed. Dat moet dus ongeveer 1622 zijn geweest, toen Henricus ongeveer 82 jaar oud was.

Tot slot.

We weten veel over Henricus Thamerus, omdat hij zo vaak besproken werd in de verschillende classes van de gereformeerde kerk. Dat zijn in dit verband natuurlijk eenzijdige bronnen. Eén keer komt hij zelf aan het woord, als hij in Amsterdam solliciteert en zich een door de Friese calvinisten weggejaagde lutherse dominee noemt. Hadden historici dat als uitgangspunt genomen, ook andere bronnen geraadpleegd en iets meer eigen onderzoek gedaan, dan hadden ze een heel andere Thamerus ontdekt. Natuurlijk helpt het, als je, zoals ik, obscure oude boeken via internet kan raadplegen. Maar in het in veel bibliotheken aanwezige standaardwerk over de geschiedenis van de Nederlands hervormde kerk van Annaeus Ypey kon men lezen, dat de gelovigen in Doeveren en Genderen Henricus vanwege zijn leerstellingen zo waardeerden, dat ze hem uit eigen zak betaalden. Ook had men daar kunnen lezen, dat het ging om een echte leerling van Melanchton, “in de theologische wetenschappen wel geoefend”, zo bekend om zijn ‘braafheid’, dat hij van de Staten na het tekenen van de akte van stilstand een jaarlijks pensioen kreeg[31].

Juist voor kerkhistorici lijkt hij mij een zeer belangwekkend figuur: zijn wederwaardigheden illustreren heel goed de richtingenstrijd in de vroege reformatie en wat die strijd op lokaal niveau betekende.

Fig. 11: Het zwaard van Maurits aan de kant van Gomarus geeft de doorslag. Met een gedicht van Vondel.

—————————————————————————————————————-

VARIA

Een aanvulling uit juli 2017, om nog maar eens te onderbouwen dat Thamerus geen ‘niet-gestudeerde Duitsers of idioot’ was, maar uit een belangrijke Duitse familie van theologen en dominees stamde.

In Duitsland leverde het Thamerusgeslacht vele lutherse dominees. Zo was er een in Saksen zo hoog geachte predikantenfamilie Thamerus, gesticht door de achterneef van onze Henricus, de in 1719 als ‘Oberhofprediger’ en ‘Generalsuperinterdent’ gestorven Johann Heinrich Thamerus. Zijn zoon en zijn kleinzoon werden ook dominee[32].

Van Johannes Henricus bestaat een portret, vervaardigd in opdracht van zijn schoonzoon, de hofpredikant Carl Friedrich Dietzel, en gemaakte door de gerenommeerde Duitse tekenaar en graveur Christian Romstet.

Fig. 12: Johann Heinrich Thamerus. Portret van Christian Romstet.

Vanaf 1662 predikte hij in Maastricht bij de verboden evangelisch-lutherse gemeente, eerst enkele keren per jaar, later elke zondag. In 1679 konden de lutheranen in Maastricht eindelijk, in een eigen onopvallende kerk, bijeenkomen. In 1684 werd daartoe de lutherse of Duitse kerk ingewijd, door Johann Heinrich Thamerus. Pas in 2013 werd deze kerk gesloten.

De vader van Johann Heinrich was echter ook al dominee, Johannes Thamerus, dominee in het hertogdom Jülich en super-intendant van het hertogdom Berg. Deze stierf op 13 november 1690 op 74 jarige leeftijd in Burscheid, nadat hij 55 jaar predikant was geweest.

Fig. 13: Wapen van Johannes Thamerus en zijn vrouw Margaretha Becker.

Grootvader Johann Wilhelm Thamerus was predikant vanaf 1614 in Witzhelden, tot 1631, toen hij stierf aan de pest: zie hier. Diens vader Wilhelm Thamerus, zoon van Haymann,  was van oorsprong franciscaner monnik. Hij werd hofprediker van hertog Johann van Jülich in Heimbach, en werd in 1598 pastoor in Burg aan de Wupper. Vervolgens werd hij gereformeerd, maar in 1605 trad hij toe tot de lutheranen. In 1613 werd hij superintendent van de lutherse kerk in het hertogdom Berg, waarvan Düsseldorf de hoofdstad was. In 1621 overleed hij in Burg. In diezelfde tijd was onze Henricus dus ook dominee, zo’n 160 kilometer verderop, minder ver dan Joure.

Aan moederszijde was grootvader Melchior Becker die ook een indrukwekkende kerkelijke carrière maakte. Hij was uiteindelijk dominee van de hoofdkerk in Lippstadt, van 1624 tot 1641. Grootmoeder was Clara auf der Trappen, stammend uit een burgemeestersfamilie te Lennep[33].

Fig. 14: Het familiewapen van de familie Thamerus. Thamar is Hebreeuws voor palmboom.

 

Pantaleon, Heinrich

Prosopographia heroum atque illustrium virorum totius Germaniae

Opus plane novum et iucundissimum, ex omnium fere gentium chronicis, annalibus, & historiis magna diligentia excerptum, & vivis heroum imaginibus (quantum fieri potuit) p0ßim illustratum, ac nunc primum ob patriae decorem in lucem editum, ita quod instar continua historiae germanorum esse queat. Authore Heinrico Pantaleone, physico Basieliensi

BrylingeriBasileae1565

 

Eugen Becker, Beiträge zur Geschichte der Familie Becker. Düsseldorf: Lintz, 1898. Het afgebeelde wapen op blz. IV.

 

 

Fig. 15: Evangelische kerk Dr. Farský uit 1892 in Jablonec nad Nisou (Gablonz an der Neiße) in Tsjechië, ontworpen door Arwed Thamerus.

Heinrich had ook volgens deze bron: https://books.google.nl/books/about/The_Tamerus_Family_and_Their_Descendents.html?id=1WahngEACAAJ&redir_esc=y  zes kinderen. Boek:  Furman A. Demaris, The Tamerus Family and Their DescendentsA Record of the Family of Heinrich Thamer from 1449 to Present. Gateway Press, 2004. Ik heb het niet in handen gehad.

.

 

 

© Theo Kentie, augustus 2017

 

 

 

 

 

[1] J.W. Pont, Geschiedenis van het Lutheranisme in de Nederlanden tot 1618. Haarlem: De Erven Bohn, 1911. Deel 17 van de nieuwe serie van de Verhandelingen rakende den natuurlijken en geopenbaarden godsdienst. P. 452-459.

[2] K. van Berghem, De Dordtse Synode 1618 – 1619. Uitgebreid komt Hoofts twee keer uitgesproken toespraak aan de orde in Carl Bangs, Arminius; a study in the Dutch reformation. Nashville & New York: Abingdon Press, 1971. P. 161-165.

[3] A.J. van der Aa, Biographisch woordenboek der Nederlanden[….]. Deel 18. Haarlem: J.J. van Brederode, 1874. P. 14.

[4] A.J. van der Aa, Biographisch woordenboek der Nederlanden[….]. Deel 11. Haarlem: J.J. van Brederode, 1865. P. 435-436.

[5] Curt Meischke, Beiträge zur Geschichte der Familie Thamerus. Herausg. von Horst Thamerus. Pirna: F.J. Eberlein, 1901.   Zie bij voorbeeld ook: August Neander, Theobald Thamer; der Repräsentant und Vorgänger moderner Geistesrichtung in dem Reformationszeitalter. Eine historische Monografie. Berlin: C.G. Lüderitz, 1842. Otto Opper, Theobald Thamer (1502-1569). Sein Leben u. seine religiöse Gedankenwelt. Dresden: M. Dittert & Co, 1941. Zie ook: Church History / Volume 18 / Issue 02 / June 1949, pp 126-127. Uitg:  American Society of Church History. Zie ook: https://www.deutsche-biographie.de/gnd118621599.html#adbcontent.

David A. Pol (http://www.genealogy.com/ftm/p/o/l/David-A-Pol/GENE3-0001.html) suggereert, dat Theobaldus de vader van Henricus kan zijn geweest.

In Heinricus Pantalion, Prosopographia heroum atque illustrium virorum totius Germaniae. Basel: Nicolaus Brylingerus, 1565,  staat op blz. 291 een afbeelding van Theobaldus Thamerus.

[6] Lodewijk Born, ‘Van klokluiders tot domineeskluis’. In: Friesch Dagblad, 19-6-2007.

[7] Wiebe Bergsma,  Tussen Gideonsbende en publieke kerk; een studie over het gereformeerd protestantisme in Friesland, 1580-1650. Hilversum-Leeuwarden: Verloren, 1999. P. 13-24

[8] A. Th. van Deursen,  Bavianen en slijkgeuzen; kerk en kerkvolk ten tijde van Maurits en Oldenbarnevelt.  3e druk. Franeker: Van Wijnen, 1998 (1974). P. 1-5.

[9] Van Deursen (1998), p. 5-7.

[10] T.A. Romein, Naamlijst der predikanten sedert de hervorming tot nu toe, in de hervormde gemeenten van Friesland. Tweede gedeelte. Uitg. door Het Friesch genootschap voor geschied-, oudheid- en taalkunde. Leeuwarden: A. Meijer, 1888. De eerste dominee in Joure is, in 1593, Jodias Eytering. In Haskerhorne zou in 1602 Johannes Schotanus de eerste zijn.

[11] A.J. van der Aa, Biografisch woordenboek der Nederlanden. [….]. 14e deel. Haarlem: J.J. van Brederode, 1867. P. 1.

[12] Romein (1888), p. 626. Hij werd in 1600 beroepen.

[13] In: Happee, J.; Meiners, J.L.J.; Mostert, M. (red.), De Lutheranen in Amsterdam (1588-1988); gedenkboek ter gelegenheid van 400 Jaar Evangelisch-Lutherse Gemeente te Amsterdam. Hilversum: Uitgeverij Verloren, 1988. P. 19.

[14] Bergsma (1999), p. 182.

[15]  A. Th. van Deursen,  Bavianen en slijkgeuzen; kerk en kerkvolk ten tijde van Maurits en Oldenbarnevelt.  3e druk. Franeker: Van Wijnen, 1998 (1974). P. 9-10.

[16]  Kees Vreeken, De classis Gorinchem na ‘Dordt’; ontwikkeling en consolidatie van de classis Gorinchem in de periode 1618-1650. Scriptie RUU. Augustus 2009. P. 27.

[17] K.G. van Manen, Verboden en getolereerd; een onderzoek naar lutheranen, lutheranisme en lutherse gemeentevorming in Gelderland ten tijde van de Republiek. Hilversum: Verloren, 2001. P. 44.  K.G. van Manen (red.)., Lutheranen in de Lage Landen; geschiedenis van een godsdienstige minderheid. Zoetermeer: Boekencentrum, 2011. P. 112, 203.

[18] Acta synodi particularis van Suydthollandt, Gorinchem, 8 augustus 1606. P. 251.

[19] Gelders archief. Missives van het Hof van Gelre, nrs. 11611, 11612, 11648 (alle uit 1600).

[20] http://www.dominees.nl/search.php?srt=g&id=11495.

[21] http://www.dominees.nl/search.php?srt=g&id=11495.

[22] J. Haitsma, De geschiedenis van de oudste Evangelisch-Lutherse gemeente in Nederlan. Woerden: Stichting Stichts-Hollandse Bijdragen, 1999. Stichts-Hollandse bijdragen, 29.

[23] Gelders archief. 11615 Missive van het Hof aan den ambtman van Overbetuwe met last om bij de liquidatie rekening te houden met de vordering van Sebastianus Helt, die van Thammerus een half jaar loon tegoed beweert te hebben.

[24] http://www.kerkingenderen.nl/nh/index.php/2012-06-08-10-24-54/geschiedenis-van-genderen-in-het-kort; http://www.hervormdeethendrongelen.nl/index.php?option=com_content&view=article&id=65&Itemid=87. Waarschijnlijk gebaseerd op Martinus Soermans, Kerkelijk register van de plaatsen en namen der predikanten van alle de classes, gehorende onder de synodus van Zuyd-Holland, van ’t begin der reformatie, tot nu toe. 2e verbeterde en vermeerderde druk. Haarlem: Wilhelmus van Kessel, 1702. P. 101.

[25] Annaeus Ypey en Isaac Johannes Dermout,  Geschiedenis der Nederlandsche hervormde kerk, Volume 2. Breda: W. van Bergen en Comp., 1822. P. 124, 125.

[26] Brief aan de classis van Gorinchem van 18 augustus 1613, opgenomen als bijlage LXXXVII in A.C. Duker, Gisbertus Voetius. Eerste deel. Leiden: E.J. Brill, p. 1897. P. LXXXIII.

[27] 1617 VIII classis Gorinchem, 30 oktober.  Zie hierover ook: A.C. Duker, (1897), p. 231.

[28] Thomas Moore en Franciscus Johannes Hoppenbrouwers, Reizen eens Ierschen edelmans om eene godsdienst te zoeken. ’s-Gravenhage: Van Langenhuysen, 1835. P. 233.

[29] Zie Duker (1897), p. 231 en bijlage LXXXVII op blz. LXXXIII.

[30] ‘Synodale handelingen van Zuid-Holland in de zaak en leer der remonstranten, artikel 54’. In: N.C. Kist en H.J. Royaards (ed.),  Archief voor kerkelijke geschiedenis, inzonderheid van Nederland. Leiden: S. & J. Luchtmans, 1837. Volume 7. P. 56.

[31] Annaeus Ypey, Geschiedenis der Nederlandsche hervormde kerk. Vol. 2. W. van Bergen en comp., 1822. P. 124-125.

[32]  Christian Friedrich Möller, Denkwürdigkeiten aus der geschichte sächsischer prediger. C. Hahn, 1820. Blz. 129 en 130.

[33]  Johann Werner Krauß, Antiquitates et memorabilia historiae Franconiae; […]. Hanisch, 1753. P. 139-140.

 

 

Er is een lied over de gevangenschap van Grevius.

Op de Verlossinge van Samuel de Prince, ende Johannes Grevius.
Wijse: Weest verheugt al ghy oprechte. Psa. 33.

Houd goede moet, al gy oprechten,
Gods Majesteyt komt ons te baet
Die Grev’ en Prins, die trouwe knechten,
Uut t’Amsterdamsche Tuchthuys laet.
Contra-remonstranten,
Vangt gheen Predicanten.
Godt is u party (*1).
U tyranniseren
Sal hy u verleren,
En ons blijven by.

(*1): tegenstander

Uit: Bly-lieden 1621.

Voorouders II: conventikels en beroeringen in de Alblasserwaard.

Nog in ontwikkeling.

Tot circa 1700 komen al mijn voorouders (256 zijn er tot zeven generaties terug bekend) uit een beperkt gebied, meestal kleine dorpjes nooit verder dan 70 kilometer van Dordrecht. Er zijn twee uitzonderingen. Eén voorvader komt uit Pruisen (zie elders), en één uit Aalten. Daar in de Achterhoek wordt in 1753 Willem Lohuis (of Loos) geboren. Hij trouwt in 1787 in Bleskensgraaf met Grietje de Wit. Aalten is ver weg van Bleskensgraaf, enkele dagen reizen in de 18e eeuw, maar is het in één opzicht niet: én Aalten én Bleskensgraaf maken deel uit van de tientallen plaatsen waarin halverwege de 18e eeuw befaamd geworden religieuze ‘beroeringen’ plaatsvonden: grote groepen gelovigen kregen vooral tijdens kerkdiensten allerlei lichamelijke verschijnselen: spasmen, flauwvallen, visioenen. Mensen begonnen spontaan te huilen, zingen en te roepen, vaak dwars door de dominee heen. Die golf van beroeringen begon met ‘het ruisen als de Libanon’ in Nijkerk in 1749, verspreidde zich over tientallen plaatsen in ons land en het Duitse grensgebied, vooral binnen de gereformeerde (later: hervormde) kerk en duurde tot 1752.

Omdat deze calvinistische kerk eerder noch later met vergelijkbare verschijnselen te maken had, lijken de gebeurtenissen buitengewoon merkwaardig. Maar misschien is het niet meer voorkomen van vergelijkbare manieren van geloofsuitingen binnen de Nederlandse protestantse kerken veel merkwaardiger. Want in veel geloofsgemeenschappen waren en zijn vergelijkbare extatische geloofsuitingen niet ongewoon. Denk bij voorbeeld aan Afro-Amerikaanse en blanke kerkgenootschappen in Amerika.

De achttiende-eeuwse beroerten lijken zich vooral af te spelen in de tegenwoordige bible belt, en sommige onderzoekers zien dan ook een direct verband. Maar ook in plaatsen waar de gereformeerde bevindelijkheid geen wortel schoot, deden de verschijnselen zich voor. Anderzijds zijn er wel verbanden met de zogenaamde Nadere Reformatie en de conventikels, religieuze bijeenkomsten in de gereformeerde kerk. Met deze conventikels zijn tenminste twee van mijn voorouders verbonden.

Conventikels waren ontstaan tijdens de Nadere Reformatie in de 17e eeuw, de Nederlands-calvinistische vorm van het piëtisme. Gelijkgezinde vromen, meestal uit de eenvoudige klassen, kwamen in huiskamerbijeenkomsten bijeen om het geloof te belijden én om zich te onderscheiden van kerkgenoten met een minder doorleefd geloof. De gereformeerde kerk was immers de staatskerk: bijna de hele elite was gereformeerd, maar daar waren in de ogen van de vromen veel opportunisten onder, die het ware geloof misten.  Middels catechisatie, zwarte kleding, bijbels taalgebruik (de zogenaamde tale Kanaäns, een eigenaardig jargon, gebaseerd op het taalgebruik uit de Statenvertaling en letterlijk vertaalde Hebreeuwse uitdrukkingen) en andere uitingen probeerden de ‘ware gelovigen’ zich van hen die alleen in schijn gereformeerd waren, de naamchristenen, te onderscheiden.  De deelnemers gingen zich zien als enige ware wedergeboren gelovigen, de echte ‘kinderen van Jezus’. De fijnen, volgens de buitenwacht.

De officiële kerk was blij met al die gelovigheid zolang de arme gelovigen maar leerden wat ze als gewillige burgers moesten leren, maar in veel conventikels ging men ook zittende predikanten en de reguliere geloofspraktijk bekritiseren, en daarmee het staatsgezag.  Men bedacht er eigen verklaringen voor Bijbelteksten, zong psalmen, collecteerde geld bij elkaar. Dit alles gebeurde onder leiding van een zogenaamde oefenaar. Dat was soms de dorpsmeester, of een ziekentrooster, een kerkenraadslid of  de eigen of een rondtrekkende predikant, of een proponent. Ook vrouwen waren soms oefenaar. Veel conventikels gingen op gewone kerkdiensten lijken, en sommige bezoekers gingen de officiële diensten mijden.

Ook in Bleskensgraaf vonden in huiskamers conventikels plaats, in de eerste helft van de achttiende eeuw onder meer geleid door Ary van der Waal en Dirck den Toom, beiden voorouders van mij. Een nakomeling van Ary trouwt met de dochter van eerder genoemde Willem Lohuis uit Aalten. De dochter van dit echtpaar, Egbertje,  huwt een nazaat van Dirck den Toom. En dat werden dan weer de grootouders van mijn opa Mostert.

Naar de bijeenkomsten van Ary van der Waal kwamen steeds meer mensen, soms honderden, van heinde en verre. In 1717 probeerde de kerkenraad zo’n bijeenkomst tevergeefs te voorkomen.

De Zuid-Hollandse Synode van 1669 had al geprobeerd het conventikelgebeuren te reguleren, maar dat was niet goed gelukt. Verschillende ‘oproerkraaiers’ trokken van dorp naar dorp en bekritiseerden in woord en geschrift de officiële gereformeerde kerk. Vooral in de Alblasserwaard was de weerklank groot.

Maar er kwam ook verzet tegen al die ‘fijmelachtige dweperijen’ van zwaar gereformeerde voorgangers, waaronder bij voorbeeld Gerard van Schuylenborg, die vanaf 1711 voorganger in Molenaarsgraaf was en die vond dat alleen echte ‘wedergeborenen’ het Gebed des Heren mochten uitspreken. Zijn schoolmeester weigerde om die reden de kinderen het ‘Onze Vader te leren’: die waren nog niet zo ver. Van Schuylenborg werd onder toezicht geplaatst en vertrok in 1716 naar Tienhoven. Genoemde schoolmeester Van Es zag zijn kansen en begon extra bijeenkomsten naast de kerkdiensten te organiseren. Steeds meer oproerkraaiers gingen de officiële kerk uitdagen. Zo ook voorouder Den Toom. Die organiseerde tot woede van de dominee conventikels die sterk op kerkdiensten leken. Bezoekers ervan bleven bij de gewone diensten weg. Hij begon en eindigde met een soort zegen en collecteerde zelfs. De kerkenraad ging jacht maken op deze illegale bijeenkomsten, bij voorbeeld in het bij Bleskensgraaf gelegen Hofwegen. De groep gelovigen week daarom uit naar een woning van iemand die geen lidmaat was. Vast en zeker via deze conventikels werden de ‘beroerten’ die al in Duitsland, Frankrijk, Schotland en Nieuw-Engeland plaats hadden gevonden, bekend. In Amerika staan ze bekend als de First Great Awakening, waarin veel Afrikaanse slaven zich voor het eerst en vrijwillig tot het christendom bekeerden.

karikatur328Spotprent van William Hogarth,  gericht tegen de opwekkingsprediking van John Wesley en George Whitefield. ‘Ervaarbaar’ geloven stelt Hogarth gelijk aan heksenwaan, niet-christelijke religies en seksuele uitspattingen. Achter de lessenaar een jood, achter het raam een Moor.

In Nijkerk begonnen in onze streken de ‘beroerten’ of ‘beroeringen’ in 1749. Daar gingen halverwege november gelovigen tijdens kerkdiensten van de nieuwe dominee Gerardus Kuypers soms dwars door de preek heen roepen, zingen, huilen. Sommigen kregen stuiptrekkingen of vielen flauw. Ze beweerden daarbij, dat ze bevangen waren door ‘het ware geloof’. Al gauw werden deze beroeringen bekend in den lande: van heinde en verre trokken gelovigen naar Nijkerk om het zelf te zien of om ook bevangen te raken. Kwamen daar mijn  Bleskensgraafse en Aaltense voorouders elkaar tegen?

Nieuwkerk

Deze afbeelding met als origineel onderschrift ‘Beroering onder den godsdienst te Nieuwkerk’ komt uit een geschiedenisboek uit 1780.

Door het ‘Nieuwkerkse werk’ was Nijkerk dus even het centrum van gereformeerd reli-toerisme. Vanuit Nijkerk verspreidden rondtrekkende predikers deze nieuwe vorm van religieus beleven naar dorpen en stadjes. In sommige plaatsen ontlokte de vaste dominee zelf de beroeringen. In Aalten was dat in 1750 het geval met predikant Philippus de Roy. In 1751 volgde Werkendam en in 1752 stond de Alblasserwaard op zijn kop, eerst in Hardinxveld en in Giessendam, daarna in Sliedrecht en Papendrecht en in Giessen-Nieuwkerk. In maart begonnen de beroerten in Bleskensgraaf, gevolgd door Molenaarsgraaf, Oud-Alblas, Alblasserdam en Streefkerk, bijna allemaal dorpen waarvandaan heel wat voorouders van mij komen!

In Bleskensgraaf waren op 2 maart 1752 de kinderen op de dorpsschool heel opvallend gaan huilen vanwege hun zonden. Ze riepen ernstig en krachtig om de Goddelijke verlossing. Al gauw gingen de dorpsbewoners met eigen ogen dit verschijnsel bekijken en ook zij raakten in staat van beroerte vanwege hun eigen ‘verloren staat’. Op zondagavond 5 maart werden de conventikels  massaal bezocht door mensen die rouwklaagden, baden en huilden vanwege hun zondige leven. De week daarop kregen tijdens de reguliere kerkdienst verschillende mensen allerlei ‘lichaamsaandoeningen’, zoals verhevigde polsslag, blozen, en gevoelloosheid voor externe prikkels. Men wrong de handen, viel op de grond, had zware stuiptrekkingen. Bij de een waren de verschijnselen zwaarder dan bij de ander, en de waarlijk bekeerden kregen ook visioenen, bij voorbeeld van Jezus als geslacht lam.

Hoe lang Bleskensgraaf in de ban van de beroeringen was, is onbekend: bronnen zijn uiterst schaars. Meestal duurde een en ander een jaar. Omstreeks 1753 begonnen verschillende kerksynodes en wereldlijke overheden maatregelen te treffen. Wat andersgelovigen uitvraten tijdens hun kerkdiensten, maakte niet uit, maar in de gereformeerde staatskerk waren niet gereguleerde geloofsuitingen door het gewone volk ongewenst. Ze werden gezien als bedreigend voor de openbare orde: het is hier geen smouzenkerk, foeterde invloedrijk Leids hoogleraar Van den Honert. De stadhouder Willem IV zag het gevaar en organiseerde een tegenbeweging. Gewestelijke vergaderingen en provinciale synodes bogen zich erover. In verschillende gewesten kon je daardoor voortaan, als je de kerkdienst verstoorde, door het burgerlijk gezag gearresteerd en door het kerkelijk gezag uit de geloofsgemeenschap verbannen worden. Het hielp: gereformeerd Nederland zou niet meer door gekte worden bevangen.

Er is betrekkelijk veel over deze beroeringen gepubliceerd. Er is om te beginnen onder historici veel discussie over mogelijke verklaringen. Zo zou er een biochemische oorzaak kunnen zijn! Het moederkoren zou voor al die gekte hebben gezorgd: dat moederkoren heeft geestverruimende stoffen in zich, die lijken op LSD en die tot spasmen en visioenen kunnen leiden.

Ook werd er door tijdgenoten veel, meestal negatief over geschreven. Er brak bij voorbeeld een ware pamflettenoorlog los onder dominees en hoogleraren. En er zijn enkele egodocumenten bewaard gebleven van piëtisten, ook van vrouwen.

De gebeurtenissen lijken bovendien iets te zeggen over de ontwikkeling van de staatsmacht en de greep van de overheid op het geestelijk leven van haar onderdanen. Tot slot stonden bij alle gebeurtenissen vooral mensen centraal die weinig sporen in de geschiedenis hebben achtergelaten: arme boeren en arbeiders in dorpen en stadjes aan de periferie van de Republiek. Bijna al mijn voorouders komen uit de getroffen gebieden, en vaak ook uit de dorpen waarin de beroerten plaatsvonden, nu vooral te vinden in onze bible belt.

Voorouder Willem Lohuis wordt net na de beroeringen geboren, en er is geen reden om een direct verband te veronderstellen. Misschien echter ontmoetten zijn ouders en die van Grietje de Wit elkaar wel als reli-toeristen in Nijkerk. Want de geschiedenis van deze korte en heftige periode in het Nederlandse protestantisme maakt wel duidelijk, dat er niet of nauwelijks geboekstaafde contacten bestonden tussen geloofsgemeenschappen van straatarme plattelandsgemeentes, en niet alleen via de formele contacten van hun officiële voorgangers.

.

Voorouders I: de Bernhard-tak

Hier wordt nog gewerkt.

Voorouders Bernhard.

Tot en met de zevende generatie van mijn voorouders, dus vanaf ongeveer 1700, is meer dan 95% traceerbaar in de archieven. Ze kwamen bijna allemaal van Goeree-Overflakkee, uit de Alblasserwaard of uit de omgeving van Woudrichem: Zuid-Hollandse, zwaar calvinistische klei, ook al hoort Woudrichem nu tot Noord-Brabant. Als we Dordrecht als centrum nemen, dan werden de ‘verste voorouders’ hooguit zeventig kilometer verderop geboren (Ouddorp, Oud-Vossemeer): een paar uurtjes fietsen, minder dan twee dagmarsen.

De Bernhards.

Een opvallende uitzondering is de Bernhard-tak. Schippersknecht Johan Hendrik trouwde weliswaar in 1825 in Sliedrecht, en vestigde daarmee de Sliedrechtse dynastie, die zich aan het eind van de 19e eeuw verbond met de Kentie-dynastie. Maar zijn directe voorouders lieten een spoor na dat loopt vanuit Pruisen en Hessen via Den Haag en Leiden naar Hoorn, Enkhuizen, Alkmaar en Amsterdam. De eerste voorouder Bernhard in ons land zag zelfs Kaapstad en Batavia.
Zo’n zwerftocht is voor onderzoek in doop-, trouw- en begrafenisboeken niet erg handig. Het lijkt er bovendien op, dat Johan Hendrik en zijn nakomelingen hun uiterste best hebben gedaan om latere archiefonderzoekers het leven zuur te maken. Hij, zijn vrouw en zijn nakomelingen komen voor met allerlei naamsvarianten. Bovendien krijgen sommigen precies dezelfde naam als van vader, een oom of een tante. Er worden verschillende geboorteplaatsen vermeld van de stamvader en dat van zijn vrouw. Hun drie dochters trouwden met drie broers, alle drie met de achternaam Rondhout, ook weer een achternaam met de nodige spellingvarianten. Zijn vijf kinderen werden dankzij verhuizingen in verschillende steden geboren. Maar waar precies is bij drie van de vijf nakomelingen niet bekend.
De eerste vrouw van zoon Balthasar heeft een achternaam die verder in ons land nauwelijks voorkomt en voorkwam. Dat geldt ook voor de achternaam van zijn schoonmoeder. Balthasars tweede vrouw, die hij in Amsterdam trouwt, heeft een naam die juist heel vaak voorkomt: in Amsterdam alleen gaat het om tientallen naamgenoten met ongeveer gelijke leeftijden. En dus zijn haar sporen vooralsnog niet te traceren.
Toch laten de Bernhards juist weer meer sporen dan gemiddeld na. Ze zijn van oorsprong evangelisch-luthers. Veel lidmaatschapsboeken van dit kerkgenootschap zijn bewaard gebleven, en gepubliceerd. Gezien de omvang van de evangelisch-lutherse kerk zijn die te overzien. Helaas lijken er wel veel overschrijffouten te zijn gemaakt. Plaatsnamen waarvandaan een ingeschreven Bernhard zou komen, lijken vaak niet te kloppen.

Van Den Haag via Leiden naar Hoorn.

Johan Hendrik Bernhard kwam volgens de ene bron uit Aschersleben, volgens een andere uit Gröningen, Pruisen dus. Hij trouwde in Den Haag, op 18 maart 1753, met Maria Elisabeth Discher (of Disschern of iets wat daar op lijkt). Wellicht was dat de Maria Elisabeth Disser die in 1733 in Mainhausen-Zellhausen, in Hessen, werd geboren. Het trouwregister spreekt van het 75 kilometer westelijker gelegen Schlangenbad. Johan Hendrik zou ruiter geweest zijn en dus wellicht als huurling zijn gekomen, maar in militaire archieven op internet is hij niet terug te vinden.
In Den Haag werd in 1754 zoon Balthasar Leonhard geboren. Twee dochters werden vervolgens in Leiden gedoopt: Maria Elizabeth op 18 april 1755 en Maria Christina op 20 maart 1758. Maria Christina heet later, ook officieel, Engeltje Christina. Er volgden nog twee kinderen: Rosina Frederica, in 1766 (zij zou wel eens in Haarlem geboren kunnen zijn), en Johan Bernard, waarschijnlijk geboren in 1774, wat dan in Hoorn moet zijn gebeurd, maar dat is niet terug te vinden in de bewaard gebleven doopboeken.
Want in 1758 duikt de familie in Hoorn op. Waarom ze daar terechtkwam, is niet duidelijk. Hoorn was overigens, als een van de VOC-steden een ‘multiculturele’ samenleving. Op 1 oktober werden de ouders als lidmaten van de evangelisch-lutherse kerk ingeschreven: Johan Hendrik uit Aschersleben, en Maria Elizabeth Tissen uit een voor de uitgever van het lidmaatschapsregister onleesbare plaats. Ze worden door die uitgever ook al vermeld op 1 oktober 1753, maar dat moet een overschrijffout zijn. Zijn drie dochters doen overigens in 1771, 1774 en 1778 geloofsbelijdenis in die Hoornse kerk.
Dan neemt het leven een merkwaardige wending: Johan Hendrik monsterde aan op het VOC-schip Bredenhof en vertrok op 7 december 1773 naar Batavia . Het spiegelretourschip was in 1771 in Hoorn gebouwd en had een bemanning van ruim 250 man onder commando van Marten Pietersz. Mooy. Johan Hendrik is hooploper, de laagste rang aan boord: een hulpje voor de matrozen. Een vreemde carrièrestap voor iemand die toch boven de veertig moet zijn. Dat suggereert armoede en wanhoop. Of zocht hij het avontuur? Wilde hij weg van problemen thuis? Op 21 juli 1774 arriveerde hij, na een tussenstop op de Kaap, in Batavia. Ergens in dat jaar moet zijn jongste zoon zijn geboren.
Na anderhalf jaar varen is hij terug: op 24 april arriveerde het schip op de rede van Texel, op 24 juli 1775 monsterde hij in Hoorn af. Tijdens zijn terugvaart was niet alleen een zoon geboren, maar overleed ook zijn vrouw Maria Elisabeth Discher: op 12 november 1774, als Johan Hendrik zich midden op de Indische Oceaan bevindt, wordt hij weduwnaar.
Johan Hendrik zat niet bij de pakken neer. Al op 10 december 1775 hertrouwde hij met Helena Cornel uit de Nieuwe Westerstraat in Enkhuizen. Een jaar later werd zijn nieuwe echtgenote ingeschreven als lidmaat van zijn kerk. Waarschijnlijk begon hij in die tijd een loopbaan als kleermaker. Of was hij dat al eerder? Hij wordt gesignaleerd als woonachtig in de Koperen Pot aan het Nieuwland in Hoorn, en hij haalt de geschiedschrijving met zijn bedgordijnen! Voor zijn bedstee hingen blauwe en rode gordijnen, waar anderen gordijnen van groene saai of, soms, bont bedrukte katoenen sits hadden!
Je verwacht grote armoede. Kleermakers verdienden gemiddeld niet veel. De meeste (minstens 92%) bleven, althans in 1742 in zestien Hollandse steden, met hun inkomen onder de taxatiegrens: ze verdienden minder dan 600 gulden per jaar. Maar zestien jaar na zijn afmonsteren is Johan Hendrik niet onbemiddeld, zoals we zullen zien.

De kinderen.

Op 23 juli 1780 trouwde zoon Balthasar in Hoorn met Anghanita Dwingers. Als Agnita Dwingers deed ze op 19 maart 1771 geloofsbelijdenis in de evangelisch-lutherse kerk van Hoorn. Ze zou volgens de kerkregisters afkomstig zijn uit Doornik. Dat kan niet kloppen. Haar ouders kwamen, minstens drie jaar eerder, uit Den Briel naar Hoorn. Broer Casper Dwingers deed in 1768 geloofsbelijdenis in voornoemde kerk. De achternaam Dwingers is overigens zeer zeldzaam. Ook Agnita’s moeder heeft een extreem zeldzame achternaam: Ridderhuis.
Maria Elizabeth ging op 14 mei 1784 in Enkhuizen met Ouker Rondhout in ondertrouw. Op dezelfde dag ging zus Rosina Frederica in ondertrouw met Oukers broer, Nanning. Zus Engeltje Christina trouwde tien maanden later, op 4 maart 1785, ook in Enkhuizen met de broer van Ouker en Nanning, Cornelis, een kleermaker.
Een jaar later duikt Engeltje Christina met Cornelis op in Alkmaar: Engeltje wordt lidmaat van de evangelisch-lutherse kerk daar, maar woont in het nabijgelegen Bergen. Hun dochtertje Hillegonda Cornelis wordt op 3 april 1787 in Bergen gedoopt, Engeltjes zus Maria Elizabeth is getuige. Ook zij verhuist richting Alkmaar: op 1 juli dat jaar wordt zij ingeschreven als lidmaat van voornoemde kerk, twee weken nadat broer Balthasar er werd ingeschreven. Maria’s man, Ouker, is vanaf 1789 commies bij de Stedelijke Middelen van Alkmaar. Hij incasseerde de havengelden aan de Boompoort, de toegang tot de stadshavens. Hij was een verdienstelijk kunstschilder, sinds 1789 lid van het lokale Sint-Lucasgilde. Het Stedelijk Museum in Alkmaar heeft zeven werken van hem, allemaal stadsgezichten van of vanuit zijn werkplek.

Erfenissen.

Balthasar ging ook in Alkmaar aan de slag, als kleermaker, net als zijn vader, maar heel wat minder succesvol. Hij was in het voorjaar van 1788 weduwnaar geworden, en straatarm: op 3 april begroef Balthasar zijn dan 35-jarige vrouw. Pro deo, dus in een armengraf. Twee kleine kinderen bleven achter. Balthasar gaat enkele jaren later failliet. Hij kon of wil niet meer voor zijn kinderen zorgen. Om die reden trad de Weeskamer van de stad Alkmaar op als toeziend voogd: de stad besteedde de twee kinderen uit bij Balthasars schoonmoeder in Enkhuizen, Johanna Ridderhuijs weduwe Dwingers, voor 20 gulden per maand.
In de Oprechte Haarlemse Courant van donderdag 26 mei 1791 wordt ieder die iets te ‘pretenderen’ heeft van de insolvente boedel van ‘Kleedermakers Baas’ Balthasar Leonhard Bernhard uit Alkmaar opgeroepen zich te melden bij advocaat Hendrick Carbosius of procureur Michiel Johan de Lange, uiterlijk tot 5 juli 1791. De stad Alkmaar wikkelt als grote schuldeiser het faillissement af.
Alkmaar heeft dan ook belang bij de forse erfenis die stamvader Johan Hendrik nalaat, als hij op 18 oktober 1791 overlijdt. De Oprechte Haarlemse Courant van donderdag 29 december dat jaar en die van donderdag 19 januari daaropvolgend en de Amsterdamse Courant van dinsdag 31 januari 1792 (kranten van vier en twee pagina’s dik) bevatten de volgende advertentie:
“Alle de geene, die iets te pretendeeren heeft van, of verschuldigd is aan den Boedel van wylen J. H. BERNHARD, overleeden op ’t Nieuwe Land te Hoorn, gelieve daarvan ten spoedigste opgaave te doen aan S. Gerrits of D. Hoffman aldaar, of aan J.P. Hebel, Makelaar, op de Nieuwezyds Voorburgwal, over de Nieuwe Kerk, te Amsterdam.”
Uiteindelijk werden de bezittingen van Johan Hendrik Bernhard geveild: huizen, obligaties, meubilair en andere roerende goederen. Dat leverde voor zijn vier solvente kinderen en de schuldeisers van Balthasar fl. 5507,19 op. Bij de erfenis werd het bedrag gevoegd, dat vader Johan Hendrik aan Balthasar had geleend en het geld, dat hij ten behoeve van Balthasars twee kinderen, Maria Elisabeth en Johanna, had besteed, in totaal fl. 159:4:8. Vandaag zou dat ongeveer € 1300,- zijn. De boedelscheiding vond op 10 augustus 1792 plaats bij notaris Sybrand Pereboom in Hoorn. Voor die schuld vaardigden de Schepenen van Alkmaar eerder genoemd procureur De Lange en advocaat Carbosius af. De drie zussen waren alle drie met hun Rondhout-echtgenoot aanwezig. Broer Johan Hendrik, apotheker in Amsterdam, was alleen. Hij was enkele maanden eerder in de hoofdstad in het huwelijk getreden met Cornelia van Wijk, die inmiddels zwanger was van de op 1 maart 1793 gedoopte Maria Elisabeth.
De erfgenamen hadden in totaal dus fl. 5667:3:8 te verdelen, meer dan € 45.000,- in huidige waarde. Een ieder kreeg fl. 1133:8:11 1/5, maar de vertegenwoordigers van de stad Alkmaar moesten van dat deel natuurlijk eerst Balthasars schuld aan zijn vader betalen.
Alkmaar hield fl. 974:4:3 1/5 over, waarmee Balthasars schuldeisers een klein beetje konden worden gecompenseerd. Natuurlijk kregen de preferente crediteuren eerst hun totale schulden betaald: 56 gulden en vier stuivers. De overige schuldeisers mochten de na aftrek van andere kosten resterende € 911,- verdelen. Voor een ieder was maar 8% beschikbaar. Balthasar had al met al een aanzienlijke schuld weten op te bouwen: bijna fl. 11.500,-, zo’n € 100.000,- in huidige waarde. De lijst schuldeisers is enorm. Sommige hadden heel veel geld te goed, andere, vaak vrouwen, kleine bedragen: werkten ze voor hem, de kleermakersbaas?

In 1794 duikt Balthasar in Amsterdam op. Hij trouwde er, op 22 juli, met Antje Hendrikse Dirks. Pas op 6 maart 1805 werd hij als lidmaat van de Amsterdamse evangelisch-lutherse kerk ingeschreven. Op 5 februari 1796 en op 2 augustus 1798 werden zoon Johan Hendrik en dochter Antje Hendrikse geboren. Op 15 januari 1799 volgde dochter Maria Elizabeth. Op 5 december 1800 overleed een Antje Hendriks Dirks uit het Duitse Norden in het Gasthuis of het Pesthuis in Amsterdam. Verdere informatie ontbreekt. Ook Balthasar overleed in de hoofdstad, op 3 oktober 1817.

De kunstschilder.

Een jaar later stierf zijn zwager Ouker Rondbout, op 17 november 1818 om 22:30 uur. Diens crouw, Maria Elizabeth Bernhard, is dan al overleden. Ouker woonde in een eenkamerwoning in het Huis van Achten, officieel het Provenhuis van Johan van Nordingen: een hofje, bestemd voor acht hulpbehoevenden, gesticht in 1665 en onafgebroken tot mei 1981 als verzorgingshuis in gebruik. Via zijn schuifraam keek Ouker uit op de Lombardstraat, nu de Lombardsteeg. Hij was commies bij de Stedelijke Middelen van de stad Alkmaar.

Vrederechter Adrianus Bolten en zijn griffier onderzochten de dag na het overlijden het huis. Een andere bewoner van het hofje, Jan Vreede, bood zich daarbij aan om op alles te letten. Rechter en griffier inspecteerden de boedel, en schreven die minutieus op. Alles van waarde en 22 gulden en 20 cent werden in de laden van het aanwezige witwerkersbureau gestopt. De laden gingen op slot en vervolgens werd er een stoffen band om het bureau geknoopt, aan de bovenkant verzegeld met rode zegels. Twee uur zijn ze bezig, en ze weten, dat ze dat doen voor de twee dochters, van wie er een nog minderjarig is. De jongste, Hillegonda Dorothea, woont als dienstmeisje ‘aan De Helder’. De oudste is in dienst bij broodbakker Westerholt aan het Luttik in Alkmaar-Oudorp.
In de boedel troffen Bolten en zijn griffier enkele schilderijen, een paar portretten, een map met tekeningen en penselen en verf. Er stonden twee beelden: een zwart gebrand en een wit ‘pleisten’. Het kamertje was behoorlijk volgestouwd. Het was zeker geen armoe troef. Er was een fauteuil met matten zittingen, vijf stoelen. Een tafeltje, wat boeken, een blikken blaker, een blikken kwispedoor, een aardenwerk theeservies, en tabakspot, heel wat kleren, twee paar schoenen, een paar laarzen, een kleed op de vloer en katoenen bedgordijnen.
Enkele maanden later, op 23 maart 1819 om 9 uur ’s ochtends bezocht Adrianus Bolten met zijn griffier weer de kamer van Ouker. Ze waren in gezelschap van Oukers dochter Maria Elizabeth en van Jacob Jozias de Lange, procureur, door de rechtbank te Alkmaar aangesteld om de belangen van de minderjarige dochter Hillegonda Dorothea, dienstmeid te Den Helder, te vertegenwoordigen. De zegels op de linten om het bureau werden ongeschonden aangetroffen en verbroken. Met de twee sleutels opende de griffier de laden. De boedel was nog geheel intact. Zelfs al het geld was nog aanwezig.

Enkele maanden later, op 23 maart 1819 om 9 uur ’s ochtends bezocht Adrianus Bolten met zijn griffier weer de kamer van Ouker, nu in gezelschap van Oukers dochter Maria Elizabeth en van Jacob Jozias de Lange, procureur, door de rechtbank te Alkmaar aangesteld om de belangen van de minderjarige dochter Hillegonda Dorothea, dienstmeid te Den Helder, te vertegenwoordigen. De zegels op de linten om het bureau werden ongeschonden aangetroffen en verbroken. Met de twee sleutels opende de griffier de laden: de boedel is nog geheel intact. Zelfs het geld is nog aanwezig.[8]

Opoe.
De neef van de twee erfgenamen, de zoon van Balthasar, schippersknecht Johan Hendrik trouwde op 23 december 1825 met Marrigje Teeuw. In Sliedrecht: Marrigje is door en door Sliedrechts. Hun kleindochter Engelina trouwde in 1885 met Mattheus Adrianus Kentie. Engelina, opoe Kentie noemde mijn moeder haar, overleed in 1950 in IJsselmonde. Twee jaar voor mijn geboorte.

 

 

Theo Kentie

Oktober 2014

 

 

Zie ook: http://www.historie-sliedrecht.nl/Gen%20Bernhard.htm

 

 

 

[1] http://arch.vortmes.nl/documents/

[2] Nationaal Archief: Nummer toegang: 1.04.02, inventarisnummer: 14495, folionummer: 219.

[3] Liesje Schram, Inrichting van Hoornse woonhuizen eind 18e eeuw. In:  West-Frieslands Oud & Nieuw, 58e bundel, pagina 132-137. Uitgave: Historisch Genootschap ‘Oud West-Friesland’, 1991

[4] Jan de Vries & Ad van der Woude, Nederland 1500-1815; de eerste ronde van moderne economische groei. Amsterdam: Balans, 1995.  P. 662-663

[5] Scheen, 1981. Zie: https://rkd.nl/explore/artists/341186

[6] Boedelscheiding en lijsten met schuldeisers: Regionaal archief Alkmaar, archief Weeskamer Alkmaar. Toegangnr. AmrRAA_10.3.007. Inv. Nr. 71, doos B2.

[7] Noord-Hollands Archief. 41-54 Vredegerecht Alkmaar, 1811-1838. 1818, Nr. 58.

[8] Noord-Hollands Archief. 41-54 Vredegerecht Alkmaar, 1811-1838. 1818, nr. 86.