Mijn contacten met de CIA.

In 1981 gaf ik een berucht CIA-agent een hand.

In 1981 woonde ik met Marian en Josje op de Rooseveltlaan in Amsterdam. Op 19 mei werd dochter Roos geboren. Dat jaar 1981 was ook het jaar van de grote vredesdemonstratie in Amsterdam. Bijna een half miljoen mensen demonstreerden op 21 november tegen de plaatsing van kruisraketten, waaronder wij.

De demonstratie werd georganiseerd door het IKV, en niet door het Comité Stop de Neutronenbom, dat door velen (waaronder ik) gezien werd als een mantelorganisatie van de CPN. Het comité werd, zo bleek later, zelfs opgericht op verzoek van Moskou: de Sovjets wilden de banden met de CPN herstellen, nadat haar grote leider Paul de Groot eindelijk aan de kant was geschoven. Via de DDR ontving dit Comité zijn gelden,  en zoiets werd in de tijd zelf door velen al vermoed.

Natuurlijk wisten de Amerikanen dit toen ook al. In ons land was het verzet tegen de neutronenbom gigantisch, en in de loop van 1981 besloten ‘de Amerikanen’ om een tegenoffensief te starten, in eerste instantie door journalisten te benaderen en van tegeninformatie te voorzien.

Marian was journalist. Ze had bovendien een goede vriendin, Kathy Heckscher. Kathy was typiste bij het SISWO, een inmiddels opgeheven sociaal-wetenschappelijk instituut, en woonde toen in de Amsterdamse Ruyschstraat op een zolderverdieping. Daar stond trots het standaardwerk van haar vader over Rembrandts anatomische les van Dr. Tulp[1].

Toen Roos werd geboren, stuurde die vader van Kathy een pot vitaminen naar Marian vanuit Martha’s Vineyard in de Verenigde Staten. William S. Heckscher was een beroemd kunsthistoricus. Tussen 1955 en 1965 was hij hoogleraar in Utrecht, en daar leerden Kathy en Marian elkaar kennelijk kennen. Als zoon van de Duitse ambassadeur leefde hij net na de Eerste Wereldoorlog enkele jaren in Den Haag. Prins Hendrik himself reed hem rond in Den Haag in diens koets. Hij ging daar naar school, en sprak dus goed Nederlands: hij zat met de latere koningin Juliana op het Nederlandsch Lyceum in Den Haag, had er de bijnaam ‘spitsmuis’,  en werd in 1920 van school geschopt [merkwaardige memoires, uitgetypt vanaf tape: zie https://archive.org/stream/gratiadeisumquis00heck/gratiadeisumquis00heck_djvu.txt).

William Heckscher kwam van oorsprong uit Hamburg, waar hij in de jaren dertig bij Panofsky had gestudeerd. Panofsky vluchtte als Jood naar Amerika, en werd een van de belangrijkste kunsthistorici daar, hoogleraar in Princeton. Ook Heckscher belandde daar in 1936, maar in 1940 werd hij als Duitser geïnterneerd in het Verenigd Koninkrijk en Canada. Na zijn vrijlating raakte hij bevriend met Albert Einstein. In 1961-1962 schreef hij daarover in het Hollands Maandblad, in het Nederlands en als Willem S. Heckscher. In dat blad schreef hij wel vaker.

William had een broer, Henry Heckscher, en die belandde bij de CIA. Er is veel geheimzinnigheid om hem heen. Veel foto’s zijn er niet van hem overgeleverd. Hij speelde een grote of mindere grote rol bij belangrijke historische gebeurtenissen. Zo komt hij aan de oppervlakte rondom de moord op Kennedy, in 1963[2].

Figuur 1: Henry Heckscher

Heckscher was ook eind jaren dertig naar de VS vertrokken, nam dienst in het leger, maakte deel uit van de invasie in Normandië en raakte gewond in Antwerpen[3].

Hij werd geworven door de OSS (Office of Strategic Services), een voorloper van de CIA en interviewde o.a. topnazi Julius Streicher. In 1947 kwam hij in dienst bij de CIA en werd hoofd van de contraspionage in Berlijn. Toen in 1953, direct na de dood van Stalin, in Berlijn rellen uitbraken,  vroeg hij bij zijn bazen toestemming om de relschoppers te bewapenen. Het verzoek werd geweigerd. De Sovjets konden de opstand onderdrukken, en er was ook geen escalatie naar een groter conflict. In Berlijn was Heckscher ondergeschikt aan William King Harvey, die al vroeg clashte met Kim Philby en Guy Burgess. Hij en Heckscher waren beiden natuurlijk betrokken bij het geheime tunnelproject Operation Gold. Harvey schakelde later de maffia in om Castro te elimineren, en bouwde later in Italië het beruchte Gladio netwerk op. Ook doken hij én Heckscher op in samenzweringstheorieën rondom de moord op Kennedy.

Vervolgens werd Heckscher ‘koffiehandelaar’ in Guatemala. De CIA startte daar de operatie PB/SUCCESS met als doel een coup te plegen tegen president Jacobo Arbenz, samen met de latere Watergateverdachte Richard Helms. Henry kocht militaire bevelhebbers om. De jonge Argentijn Ernesto Che Guevara probeerde daarom burgermilities te bewapenen, maar dat mislukte dankzij omgekochte militairen. Een door de CIA betaald rebellenleger dreigde vanuit Nicaragua op te rukken. Arbenz vreesde een bloedbad, en trad af.

President Eisenhower was zo verguld met dit succes, dat hij Heckscher en anderen, waaronder CIA-directeur Allen Dulles, voor een debriefing uitnodigde op het Witte Huis. In 1958 werd Heckscher CIA-baas in Laos. Hij was het niet eens met de Amerikaanse neutraliteitspolitiek daar en begon geheime operaties om het land te ontregelen. De Amerikaanse ambassadeur vroeg daarom om zijn overplaatsing. Heckscher belandde in Thailand en deed daar geheime grensoverschrijdende activiteiten in de Gouden Driehoek. In 1959 duikt hij in Japan op, maar al snel gaat hij aan de slag in de geheime operaties om Fidel Castro te vermoorden. Hij was de case-manager van de Cubaan Manuel Artime. Deze Artime probeerde vanaf het begin van diens machtsovername Castro omver te werpen. Zo wierp hij in 1959 vanuit een CIA-vliegtuig pamfletten boven Havana, waarin hij opriep tot een opstand. Toen dat niet gebeurde, vluchtte hij met een hoop geld naar de VS. Hij raakte bevriend met Bobby Kennedy, was een van de leiders bij de Varkensbaai-operatie, werd gevangen genomen en vrijgekocht door vrienden. Vervolgens maakte hij met o.a. E. Howard Hunt, ook bekend geworden door het Watergateschandaal, allerlei plannen om Castro te vermoorden. Er is wel gesuggereerd, dat Artime een dubbelagent was, maar hij kreeg in 1963 7 miljoen dollar van de CIA om vanuit Nicaragua met een legertje van 300 man Castro te verjagen. Na de moord op Kennedy stopte president Johnson deze operatie. Artime leverde later het zwijggeld aan de Watergate-inbrekers. Toen hij in 1975 voor de senaatscommissie moest verschijnen die mogelijke CIA- en FBI-moorden onderzocht (waaronder de moorden op Kennedy en Martin Luther King), stierf hij binnen de kortst mogelijke keren aan kanker, volgens stafonderzoeker Gaeton Fonzi van deze commissie een mysterieuze dood: ‘he got cancer awfully fast’.

Heckscher ondertussen werd in 1967 CIA-chef in Chili. Hij en ambassadeur Korry probeerden tevergeefs te voorkomen, dat Salvador Allende tot president werd gekozen. Later werkte hij samen met Patria y Libertad, en met CIA-agent Michael Townley. Deze club en Townley waren betrokken bij veel politieke moorden op tegenstanders van het nieuwe rechtse regime. Zo vermoordden ze voormalig legerhoofd Carlos Prats, die na een door Townley georkestreerde campagne in augustus 1973 vervangen werd door generaal Augusto Pinochet.  Op 30 september 1974 werd Prats, met zijn vrouw, vermoord in Buenos Aires. Het was Townleys taak, inmiddels werkzaam voor de geheime dienst van Pinochet, de Dina,  om dissidenten uit de weg te ruimen. In september 1975 werd voormalig vice-president Bernardo Leighton in Rome door fascisten vermoord. Ze werden aangestuurd door Townley. In september 1976 werd in hartje Washington oud-minister onder Allende Orlando Letelier door een autobom vermoord. Hiervoor werd Townley veroordeeld[4].

In 1970 was Allende ondanks alles toch gekozen. Heckscher speelde vervolgens als lokale CIA-baas een grote rol in FUBELT, de geheime operatie om Allende middels een coup te verjagen, wat in september 1973 uiteindelijk lukte. In 1971 was Heckscher overigens officieel met pensioen gegaan. In de zomer van 1981 kwam hij naar Amsterdam om met Marian te spreken over het nut van neutronenbommen. Ik weet niet, of ze het daar over hebben gehad. Voordat ze samen naar de Utrechtsestraat vertrokken om er te eten, gaf ik voormalig CIA-agent Henry Heckscher een hand. Hij stierf in 1990. Hij had in zijn leven geprobeerd vier regeringen omver te werpen, en slaagde daar twee keer in[5].

 

 

[1] William S. Heckscher, Rembrandt’s Anatomy of Dr. Nicolaas Tulp. New York: New York University Press, 1958.

[2] Legacy of Secrecy: The Long Shadow of the JFK Assassination

Door Lamar Waldron,Thom Hartmann. P. 39.

[3] Het volgende ontleend aan http://spartacus-educational.com/JFKhecksher.htm.

[4] Over Townley: http://spartacus-educational.com/JFKtownleyM.htm. Deze moorden staan mij goed bij. Ik was in 1975 en 1976 secretaris van het Utrechtse Chili-comité, een comité waarin ook ander Chileense partijen dan de PS participeerden.

[5] Zie ook: http://educationforum.ipbhost.com/topic/9138-henry-hecksher/

Cees Engel de stad Utrecht uit gejaagd.

Voor de zoveelste keer is Cees Engel in het nieuws, de laatste jaren als eigenaar van Fort Oranje, een vrijstaat in Rijsbergen. Hij is zo te zien jaren ouder geworden, maar toch lijkt hij nog steeds op de Cees Engel die ik eind jaren zeventig in Utrecht als huisbaas had.

Ik kwam in 1993 weer in Rotterdam wonen, en een van de eerste weken keek ik even naar buiten. Een man met een bril reed op een oude herenfiets aan de overkant van de straat, met op de bagagedrager onder de snelbinders een doos. Verdomd, Cees Engel! Ik had al begrepen, dat hij zich tegenwoordig in Rotterdam ophield en de bijnaam ‘krottenkoning’ had verworven. Hij bezat honderden, vaak uiterst beroerde woningen, vooral in Rotterdam-West. En soms vlogen die panden in brand, volgens geruchten moedwillig. Zo was enkele dagen voordat hij langs fietste, iets verderop in mijn straat een huis afgebrand. Een voorbijganger had een baby gered, de andere bewoners overleefden het ook. Niet iedere bewoner van een Engel-pand was overigens zo gelukkig, ontdekte ik wat later. En inderdaad, het afgebrande pand verderop was van Engel. Hem kennende was hij zelf iets gaan repareren, het gereedschap in een doos onder de snelbinders.

In mei 1998 schreef de Volkskrant een stuk over Engel:

“De biochemicus Engel promoveerde in de jaren zestig aan de Universiteit van Utrecht. Hij kwam naar Rotterdam om op het laboratorium van het tabaks- en koffiebedrijf Van Nelle te werken. Na een gecompliceerde longontsteking raakte hij arbeidsongeschikt. Engel herstelde en ontdekte een nieuwe hobby. Begin jaren tachtig kocht hij zijn eerste pand en verhuurde daarin kamers. Hij ondervond dat in die branche snel geld te verdienen was en bouwde in hoog tempo een waar imperium op. Vijfhonderd huizen bezat Engel op een gegeven moment, het ene nog rotter en vuiler dan het andere.”

En dat van dat eerste pand klopt dus niet. Want in 1977 en de jaren erna huurde ik een kamer (eigenlijk twee piepkleine kamertjes) in een pand met studenten en werkende jongeren, in de Justus van Effenstraat in Utrecht. En wie was de huisbaas? Cees Engel. Zelf woonde hij aan een van de Daalsedijken. Hij was gepromoveerd biochemicus, en werkte bij de smaakstoffenfabriek Chemische Fabriek Naarden. En ook toen al nam hij het niet zo nauw met de brandveiligheid. Ik herinner me, dat hij op last van de gemeente aanpassingen moest doen. En dus kwam hij op zaterdagen op een oude herenfiets, kinderzitje met de kleine Jan voorop, gereedschap in een doos onder de snelbinders achterop, naar ons huis om de meest noodzakelijke dingen te doen.

Het pand waarin ik woonde, zou hij hebben gekocht van het geld dat hij kreeg nadat hij een proces tegen de Nederlandse Staat had gewonnen bij het Europese Hof van de Rechten van de Mensen. Het was in die tijd zeer ongebruikelijk, dat Nederlanders bij dat Hof procedeerden tegen de Nederlandse Staat, en de case ‘Engel and others vs. the Netherlands’ eind 1975, begin 1976 is een beroemde zaak geworden, waarover op internet een en ander te vinden is.

Het ging vooral om de toepassing van het militaire tuchtrecht tegen leden van de dienstplichtigenbond VVDM. Engel had zich gekandideerd voor het vice-voorzitterschap van de VVDM. Hij vroeg verlof om de VVDM-vergadering op 17 mei 1971 te bezoeken, zonder zijn kandidatuur te vermelden. Enkele dagen daarvoor meldde hij zich ziek. De keuringsarts vond, dat hij op 18 mei weer aan de slag moest en keurde het goed, dat hij op 17 mei zijn huis verliet. Zijn commandant had nog geen besluit genomen betreffende het aangevraagde verlof, en stuurde op 17 mei een controleur langs Engels adres. Maar die liet zich die dag kiezen tot vice-voorzitter van de VVDM, en was dus niet thuis. De volgende dag verscheen Engel op de kazerne, waar hij door zijn commandant tot vier dagen licht arrest werd veroordeeld. En daar was Engel het niet mee eens, want daardoor kwam zijn doctoraal examen een week later in gevaar. Hij probeerde dat aan de orde te stellen, maar kon zijn commandant niet vinden. Hij ging naar huis, omdat hij dacht dat dat ok was bij licht arrest. En dat liep verder uit de hand met degradatie en verzwaard arrest. Hij ging in beroep, de straffen werden verlicht, maar deels gehandhaafd. Al die tijd werd Engel niet bijgestaan door een advocaat. Het Europees Hof oordeelde, dat een en ander ‘unlawful’ was verlopen. Lees het verder zelf maar na: http://hudoc.echr.coe.int/eng#{“dmdocnumber”:[“695356″],”itemid”:[“001-57479”]}, of google deze case.

Engel kreeg uiteindelijk een schadevergoeding, hoog genoeg om ‘ons’ huis te kopen. Dat was althans het verhaal, dat onder ons kamerhuurders rondging, net als het verhaal dat hij het pand samen met de latere D’66-politicus Gerrit Jan Wolffensperger had gekocht.

Ik woonde dus in twee kleine kamertjes, aan beide einden van de gang op de bovenste verdieping van dat vier verdiepingen hoge pand. Een daarvan mocht niet eens bewoond worden: het was de vluchtroute naar het balkon. We betaalden bij elkaar een enorm bedrag aan huur, en na een tijdje begon het bij mij, de actievoerder, toch een beetje te klemmen, dat we daar niks aan deden. Dus nam ik het initiatief om een procedure te starten bij de huurcommissie, en vervolgens de kantonrechter. Het kostte wat moeite om voldoende huisgenoten mee te krijgen: sommigen vonden het ‘zielig’ voor Engel. Maar uiteindelijk deed iedereen mee. We namen contact op met het Advokatenkollektief Utrecht in de Twijnstraat. Via Titia Beukema kende ik Wout van Veen, een van de advocaten, en ik kende  ook kantoorgenoot Bernhard Tomlow, nu een rechts overkomende vaak de publiciteit opzoekende advocaat, toen een niet onbelangrijk CPN-lid (ik kende hem als fractiemedewerker van die partij) met een achtergrond bij het Utrechts Studentencorps! Met hem gingen we in zee. De huurcommissie berekende op basis van de huurwetten nieuwe huren: een fractie van de huur die we betaalden. Ik herinner me, dat we met zijn allen zo’n 400 gulden per maand moesten opbrengen. Maar Engel ging niet akkoord met een huuraanpassing. Dus werd het een zaak van de kantonrechter. Inmiddels was Tomlow bij het advocatencollectief vertrokken, en dus deden we zaken met een andere compagnon, Sjef de Laat. Tomlow vond overigens, dat wij met hem naar zijn nieuwe kantoor hadden moeten meegaan.

Engels advocaat wees de rechter op een beding in ons huurcontract: indien gewenst, en indien zeer ruim van tevoren besteld, konden we voor tien gulden een ontbijt bestellen! Het was geen kamerverhuur, maar een pension, zo stelde hij. De rechter stelde vast, dat dit een onzinbepaling was, en legde de huurprijzen als berekend door de huurcommissie vast. Ook moest Engel het teveel betaalde huurbedrag over een vastgesteld aantal jaren terugbetalen! Voortaan woonden we bijna voor niks, terwijl iedereen geld toe kreeg! Bijna onmiddellijk verkocht Engel het pand met forse winst aan een andere huisjesmelker. We hadden Cees Engel klein gekregen. Hij vertrok al snel uit Utrecht om in Rotterdam met meer succes (want aanvankelijk  met stille steun van de gemeente) huisjesmelker te worden.

Update 22 juni 2017. Engel blijkt zijn camping sneller te sluiten dan de gemeente eist. Natuurlijk, hij heeft zijn afkoopsom binnen. Want dat lijkt toch een belangrijk doel van Engel te zijn: het zich laten vergoeden door de overheid, eerst vanwege de VVDM-zaak, later in Rotterdam, en nu weer in Noord-Brabant. Het lukt hem, moet je toegeven, al 50 jaar.

http://www.ad.nl/rotterdam/cees-engel-die-man-was-compleet-maf-br~a38b7ff9/

Ad Knotter en de USF

(Wordt nog aan gewerkt)

Ik stuitte bij toeval (dat wil zeggen via internet) op een artikeltje, dat Ad Knotter twintig jaar geleden schreef als ‘oud-activist’ 1). Hij probeert daarin te verklaren, waarom zoveel studenten, onder wie hij zelf, lid werden van de CPN.

Knotter was een jaar lang voorzitter van de studentenvakbond USF (dat vermeldt hij niet), het jaar voordat ik als secretaris buitenland bestuurslid werd van diezelfde USF, toen onder voorzitterschap van Geert van der Kolk. Ik was het enige niet-communistische bestuurslid, en nog erger: lid van de PvdA. Ook in die tijd vroeg ik me geregeld af, hoe slimme studenten als Ad Knotter lid konden zijn van een partij, waarin je niet geacht werd zelfstandig te denken. En een partij, die in mijn ogen uitermate ‘burgerlijk’ was. Ik herinner me bij voorbeeld, dat eind 1971 of begin 1972 het Rotterdamse gemeenteraadslid Heiltje Vos woedend jongerencentrum Exit verliet, omdat gedurende een verkiezingsdebat onder leiding van John Jansen van Galen pornobeelden op de muur werden geprojecteerd. Mevrouw Vos belde als gemeenteraadslid, zo werd verteld, gedurende lastige debatten met kamerlid Marcus Bakker om te horen, wat ze moest vinden.

Knotter probeert een verklaring te geven voor de opkomst van het studentencommunisme. Hij denkt (blz. 56), dat een vrij grote groep studenten voor de CPN koos, maar dat waag ik te betwijfelen. En vervolgens weet hij zeker, dat de ‘massificatie’ een rol speelt: de snelle groei van het aantal studenten in de jaren zestig en zeventig. Hij beroept zich daarbij op Hobsbawn. Deze verklaring lijkt me sterk: Knotter studeerde geschiedenis, en ondanks de groei van het aantal studenten aan dat instituut aan de Kromme Nieuwe Gracht was het er in zijn tijd nog zeer overzichtelijk, en volgens mij ‘fysiek, organisatorisch en mentaal’ nog goed in staat de studentenaantallen te verwerken. Toch leverde dat instituut een groot aantal CPN-studenten. Veel massaler waren de rechten- en de geneeskundefaculteiten, maar daar kwam je nauwelijks of geen communisten tegen.

Vervolgens meent hij, dat de studentenbeweging vooral kon ontstaan doordat de universiteiten volstroomden met kinderen uit de middenklassen met ouders die zelf geen universitaire opleiding hadden genoten. Natuurlijk is daar een verband, hoewel het speculeren is hoe dat verband er uitziet. En dan stelt hij, dat de discrepantie tussen de verwachtingen en voorstellingen van deze nieuwe groepen studenten en de feiten, bestaande uit pogingen van de regering om de toestroom enigszins te reguleren middels hogere collegegelden, scherpere selectie en ‘verlaging van het niveau van de opleiding’ reden was voor de radicalisering van groepen studenten. Hij beroept zich daarbij op Trienekens, die deze frictie tussen perceptie en satisfactie gebruikt om veranderingen op het platteland te verklaren.

Ik geloof er niks van. Veel te gemakkelijk past Knotter grote maatschappelijke ontwikkelingen toe op micro- of mesoniveau. Dat de groei van studentenaantallen natuurlijk alleen maar kon, omdat kinderen uit niet-universitaire milieus gingen studeren, is evident. Maar de impliciete veronderstelling, dat ook CPN-studenten allemaal middenklassekinderen waren, gaat er bij mij niet in. Mij viel juist op, dat nogal wat CPN’ers uit ‘de betere kringen’ kwamen. Ik zal nooit vergeten, dat een CPN’er met de adellijke naam Von Bönninghausen (ik ben zijn voornaam vergeten) mij toesiste, dat ik als sociaaldemocraat niet wist hoe ‘arbeiders’ leefden. Hij had ons moeten zien, met ons achten op een bovenwoninkje met drie kamers (en een piepklein zijkamertje). Govert de Lussanet  hield wijselijk zijn tweede achternaam (de la Sabloniere) verborgen.

Er waren hoogleraarzoontjes en burgemeesterdochters onder de communisten, en de zoon van de directeur van de Rijksvoorlichtingsdienst (hoewel deze nooit officieel lid werd). En een dochter van een vroegere ARP-voorzitter. Sommigen kwamen uit ondernemersgezinnen, van twee waren de ouders vanwege de belastingen naar België uitgeweken. Ik voelde me soms erg misplaatst in deze kringen, als zoon van een brievensorteerder met ploegendienst.

En er zijn meer rare opmerkingen. Hij vindt, dat de studentenbeweging uit de jaren zeventig niet zo zeer syndicaal (opkomend voor eigen groepsbelangen) maar vooral moreel was: de eis voor gratis onderwijs en onbeperkte toegang tot de universiteit zou immers leiden tot  overaanbod op de arbeidsmarkt en dus in de toekomst lagere lonen. Zo verklaart hij het ontbreken van acties tegen studentenstops bij geneeskunde uit de volgens hem zeer ‘gesloten sociale recrutering’ van medicijnenstudies. Maar van zo’n gesloten rekrutering was natuurlijk helemaal geen sprake.  Arbeiderskinderen die goed konden leren, kozen in die tijd (net als nu bij bepaalde groepen allochtonen) juist voor zeer arbeidsmarkt gerichte studies als rechten en medicijnen. Anekdotisch ‘bewijs’: mijn oudste broer ging medicijnen studeren.

USF-acties rondom jongerenhuisvesting waren overigens wel degelijk gericht op het dienen van vermeende eigenbelangen: studentenflats mochten bij voorbeeld onder geen beding open worden gesteld voor werkende jongeren.

Op blz. 53 geeft hij wellicht een betere verklaring voor die vermeend morele acties voor gratis onderwijs en onbeperkte toegang tot onderwijsvoorzieningen: het was communistische ideologie. De CPN meende, dat collectieve voorzieningen (zo stelt Knotter het) ‘een arena van klassenstrijd waren’: er moest zoveel mogelijk geld naartoe. Achterliggende gedachte was, dat dit de communistische zaak zou steunen, omdat daardoor onoverbrugbare sociale en economische tegenstellingen werden blootgelegd, waardoor ‘de arbeidersklasse’  eindelijk tot het juiste inzicht zou komen. Dus was iedere bezuiniging op collectieve voorzieningen (behalve dan het leger) een reden voor actievoeren. Dit lag in het verlengde van de CPN-eis ‘lagere prijzen, hogere lonen’.

De meeste andere studenten waren voor dit simplistische actiedenken niet makkelijk te porren. Dat merkte je, als je handtekeningen voor een of andere inkomenseis probeerde te verzamelen en uit contacten met andere PvdA-studenten. Over verbetering van de inhoud wilden velen het wel hebben, maar de meeste studenten, zeker zij die uit niet-universitaire milieus kwamen, vonden zich bevoorrecht. Geregeld werd er door de studentenvakbonden in Amsterdam gedemonstreerd voor hogere beurzen, lagere collegegelden en onbeperkte toegang, maar alleen het geharde kader uit Utrecht en andere universiteitssteden kwam daarvoor op. De meeste demonstranten waren leden van de Amsterdamse afdeling van de ANJV, de jongerenorganisatie van de CPN.

Knotter vindt in 1996, dat hij en zijn studievrienden ‘grotendeels gelijk’ hadden. Hij zal daarbij doelen op wat hij in het artikeltje vermeldt. En natuurlijk, er was niets op tegen, dat studenten zich organiseerden om hun belangen te verdedigen. Veel daarvan was ook achteraf zeer gerechtvaardigd. Maar hij laat een aantal belangrijke zaken weg, die te maken hadden met de politieke praktijk van hem en zijn CPN-maatjes.

Een voorbeeld van die praktijk. In de Grondraad (de verenigingsvergadering) werd vergaderd over een volgende demonstratie in Amsterdam. CPN’ers vonden niets zo belangrijk als overeenstemming over de leuzen. Dus daar ging het over. Voorzitter Van der Kolk kwam met voorgestelde leuzen (die niet in het bestuur, althans niet in mijn bijzijn, waren voorbesproken). De Grondraad wees ze af: men wilde de inhoud van het onderwijs centraal stellen, en niet weer inkomenseisen. Maar de affiches met de CPN-leuzen waren al gedrukt, de CPN-eisen bleven overeind.

Grondraadvergaderingen waren er niet vaak, maar ze werden vooraf gegaan door een oeverloos verhaal van de voorzitter, in mijn tijd dus Geert van der Kolk. Wat hij ging zeggen, weigerde hij in het bestuur te bespreken. Ik en enkele niet-communistische Grondraadsleden wisten wat ons te doen stond: we lazen het commentaar in De Waarheid van de dag ervoor, en scoorden tijdens Van der Kolks toespraak de overeenkomsten.

Ab Harrewijn (als USF-voorzitter opvolger van Geert van der Kolk), ook CPN-lid, vertelde me ooit, dat CPN-studenten geacht werden zich om de zoveel tijden te vervoegen bij Ton van Hoek en zijn partner Ina Brouwer. Daar werd dan ‘gediscussieerd’ over de partijlijn, maar dat discussiëren vond plaats in het kader van het ‘democratisch centralisme’: je mocht wel een mening uiten, maar je mocht niet afwijken van de partijlijn.

Dat aspect, het kritiekloos willen volgen van een Leider of een stringente ideologie, dat was wat mij het meest verbaasde bij al die CPN-studenten. Het maakte ze onbetrouwbaar als bestuursleden van een studentenvakbond: niet de leden, maar de Partij beschikte. Die behoefte aan het blindelings volgen van gezag was mij vreemd. “Don’t follow leaders”, zong Dylan (terwijl ik dit schrijf, wordt bekend, dat hij de Nobelprijs heeft gekregen), en dat was en is mijn motto.

suharto
USF-sectie buitenland voert actie! Ik sta links. Foto: Werry Crone

Aanvulling.

Op 26 oktober 2017 was ik bij de presentatie van de nieuwste roman van Geert van der Kolk, De witte reiger. Ik had hem in geen veertig jaar gesproken. Niet alleen ik, ook andere oud-USF-bestuurders waren aanwezig: Han, Michiel en Hans, die het jaar erop in het USF-bestuur zat. Ook Maarten liet zich zien. Het was natuurlijk grappig geweest, als het dezelfde verzuurde en rechtlijnige hardliners waren geweest, maar nu een andere zaak toegediend: mijn mede door vooroordelen beïnvloede herinneringen bevestigd. Niets van dat alles. De oud-commies met name waren vriendelijke zestigers geworden. Mooi natuurlijk. En ook mijn herinneringen werden bijgewerkt: was ik bij voorbeeld wel het enige niet-communistische bestuurslid?

Op een enkeling had de Tunesiër Ben Kassem Daieb indruk gemaakt. Daarover later meer.

 

  1. Ad Knotter, ‘De UHSK en de studentenbeweging in de jaren zeventig terugblik van een oud-activist.’ In: H.C. Teitler en P. van Hees (red.), Studeren en promoveren in Utrecht. Utrechtse Historische Cahiers, jg. 17 (1996), nr. 1. Uitgegeven vanwege de Vakgroep Geschiedenis der Universiteit Utrecht. P. 45-60.

 

 

Afrekening met de ‘oude Libanon-stijl’.

Via Internet eindelijk eens gelezen wat er in het boek Libanon Lyceum 1909 – 2009 (Rotterdam, 2009) onder redactie van Els Oosterlaan en Dick Rietveld staat over voor mij belangrijke schoolgebeurtenissen. Oosterlaan was in 2009 afdelingshoofd op een school, Rietveld deed in 1965 eindexamen op het Libanon en gaf er later, geloof ik, les. Wat staat er in hun boekje over de vrolijke jaren zestig?

“Omdat na de schooluren de verantwoordelijkheid voor De Kelder werd overgelaten aan het nog onervaren Kelderbestuur was het vrijwel onvermijdelijk dat zich in deze zelfstandige ruimte uitwassen vertoonden van de nieuwe vrijheid. Dit uitte zich in drugsgebruik, andere omgangsvormen en opvallende veranderingen in uiterlijk en kleding. Oorbellen, stickies en oude bontjassen rekenden op vaak schokkende wijze af met de oude Libanonstijl.”

Die Rietveld is een historicus, maar je mag hopen, dat de jaren zestig niet zijn specialisatie is. Met de opvallende veranderingen in uiterlijk zal hij wel doelen op bij voorbeeld de lange haren bij jongens (Beatles-look). Er zijn weinig historici te vinden, die dat een onvermijdelijke uitwas van de nieuwe vrijheid noemen. Oorbellen zaten in die tijd alleen in oren van meisjes die toch echt nog de oude Libanonstijl hadden. Hij had ook kunnen noemen, dat sommige meisjes broeken gingen dragen. Lerares Nederlands Hoekstra noemde dat toen schokkend. Als illustratie van de oude Libanonstijl een klassenfoto met Dick Rietveld (voorste rij in het midden), het jaar dat ik toelatingsexamen deed.

Dick Rietveld

 

Iets verderop staat: “Veel […] schade werd toegebracht door enkele gevallen van drugsgebruik in De Kelder, die de Libanon een slechte naam bezorgden.”

Het fabuleren over drugsgebruik in De Kelder begon al vroeg. Toen in het tweede jaar van De Kelder een ongebruikt en nog verpakt condoom werd gevonden en eenmalig de geuren van een wierookstokje de gangen van de school erboven bereikten, waren de rapen gaar: seks en drugs en groot rumoer in de docentenkamer. Het toenmalig Kelderbestuur, bestaande uit een zusje Knol, Peter Aubert en ondergetekende, hield wel van een beetje opschudding, maar niet van drugsgebruik, terwijl ook  de toenmalige schooljeugd niet, zelfs niet goed beschermd,  in een openbare ruimte aan het sexen ging. Maar ja, maak dat maar eens duidelijk aan op tilt staande docenten, die deels een kruistocht voerden tegen elke maatschappelijke verandering, en vooral tegen de extern democratiserende Mammoetwet.

We moesten op gesprek bij de rector, Verschoor. Met hem had je altijd vreemde, gemoedelijke praatjes, over zijn neef die bij de T-Set speelde, zijn dochter, die ook de muziek in wou, zijn vriend Jan Wolkers, en wat niet meer. Maar Verschoor wist ons ook te melden, dat Peter de grootste dealer van de school was, en ik de grootste gebruiker. Hij zag dat aan de lengte van onze haren. De grap was, dat wij beiden tegen blowen en andere vormen van drugsgebruik waren omdat dat iets voor ‘Kralingers’ was, en daarmee doelden we op kinderen uit de gegoede milieus, die inderdaad als eersten zich suf blowden. Wij van het Kelderbestuur waren daar heel erg op tegen: tevreden rokers zijn immers geen onruststokers.

Op een gegeven moment sloten wij,  het Kelderbestuur, de Kelder: we konden het niet meer aan. Er waren problemen met de toeloop van vooral eersteklassers, die er een chaos van maakten. We zagen zelden nog een lokaal van binnen, en we waren het voortdurende gezeik van docenten die nog nooit ‘beneden’ waren geweest, zat. We werden bovendien meer en meer opgezadeld met probleemkinderen, die bij ons terecht kwamen, zoals die eersteklassers die de sigarenboer waar mijn vader altijd zijn Golden Fiction-pakjes kocht, in groepsverband beroofden.

Maar De Kelder bleef nog wel toegankelijk voor een heel klein groepje leerlingen, in het bezit van de sleutel. En toen werd er voor het eerst echt geblowd. Niet door leerlingen met een andere sociale achtergrond en ‘met andere gedragspatronen en omgangsvormen’, zoals de auteurs dat op bladzijde 47 noemen, maar juist door de volgens hen verdreven kinderen uit ‘hogere sociale klassen’. H. bij voorbeeld, die niet alleen blowde maar ook dealde, en later vrolijk ergens wethouder kon worden, en N., dochter van een docente. Niet veel later blowden vooral leerlingen van de havo-afdeling aan de Mecklenburglaan, en nog wat later verspreidde drugsgebruik zich naar kinderen van de onderbouw en de mavo. Maar toen ging het steeds vaker om hard drugs, gepusht door dealers van buiten, die onder andere schaarste creëerden in hennepproducten. Speed, lsd en heroïne kon je niet ruiken in de docentenkamer, dus dat was kennelijk alleen ons probleem.

Maar wacht eens. Die Rietveld werkte al eerder mee aan een gedenkboek, toen het Libanon 70 jaar bestond, in 1979. Daarin lezen we, dat het gezag over De Kelder tijdens schooluren bij de schoolleiding lag (niet waar overigens), “maar daarbuiten bij het nog onervaren Kelderbestuur zelf. Zo was het vrijwel onvermijdelijk dat zich in deze zelfstandige ruimte uitwassen toonden [sic] van de “nieuwe vrijheid” van de late zestiger jaren: druggebruik, soms zelfs in verontrustende mate, andere omgangsvormen, opvallende veranderingen in uiterlijk en kleding, begeleid door harde muziek; dit alles doorbrak de vertrouwde “Libanonstijl” op vaak schokkende wijze. Oorbellen, stickies en oude bontjassen ruimden verouderde gedragspatronen op; misschien het duidelijkst gedemonstreerd tijdens Popfestivals, zoals dat in het Kralingse Bos van 1970.” Probeer de redenering te volgen (oorbellen die verouderde gedragspatronen opruimen, bij voorbeeld), en stel vast dat in 1979 het nog niet de schuld was van ons, arbeiderskindertjes (‘leerlingen met een andere sociale achtergrond’).

Ook in 1984 stelde Rietveld een herdenkingsboek samen. Daarin laat hij een anonieme verzekeringsagent die de hbs had doorlopen, over het jaar 1969 zeggen, dat De Kelder een belangrijke en geruchtmakende sociale functie had, waarbij een “radikale [sic] maar kleine groep” nogal nadrukkelijk zijn stempel drukte, niet alleen op het beeld van die Kelder, maar zelfs op dat van de leerlingen, waardoor “sensatieverhalen over alcohol- en drugsgebruik” de kans kregen een vertekend beeld te geven. Weer zo’n merkwaardige redenering, en weer niets over de verspreiders van die sensatieverhalen. Laten we er eens een van hen in het daglicht zetten.

Bron van veel verzinsels is vooral oud-docent H., die in het meest recente gedenkboek nadrukkelijk wordt bedankt. H. had alles van doen met Kelderopvolger Ramzes, en niets met De Kelder. Zijn blik op de werkelijkheid was toen al door veel Kralingse vooroordelen en een constante alcoholbeneveling sterk vertekend. Voor hem waren brave PvdA-leden, niet opgegroeid in een van de lanen, al gauw een kleine groep ‘radikalen’.

Aan het eind van mijn schoolloopbaan zat ik met enkele medeleerlingen diep in de nacht bij H. in de auto, toen hij in een zijstraat van de Oudedijk door de politie werd klemgereden vanwege zijn zeer slingerend rijgedrag. Wij leerlingen mochten verder lopen, H. werd meegenomen en was weer voor lange tijd zijn rijbewijs kwijt. Hij was niet de enige docent, die bijna constant onder invloed les stond te geven. Te dronken om auto te rijden, maar voor een klas kinderen staan was in die tijd blijkbaar geen probleem. Een goed idee voor een volgend gedenkboek: een hoofdstuk over alcohol in de klas.

Bronnen:

– Els Oosterlaan en Dick Rietveld (samenstelling), Libanon 1909-2009. Z.pl, september 2009.

– D. Rietveld (samenstelling), 75 jaar Libanon; 1909-1984. Rotterdam, mei 1984.

– G.R. Hendriks, J.M. van Lier, D. Rietveld en P. Verschoor (red.), Libanon 70 jaar. Rotterdam, mei 1979.

Lekker belangrijk na zoveel jaar, hoor ik je al denken. Klopt, ’t is ook niet iets waar ik van wakker lig. Maar gedenkboeken zijn bedoeld als geschiedschrijving, en als die vol verzinsels staan, mag je dat natuurlijk wel vaststellen. Bovendien: het geeft mooi weer waarom ons onderwijs nog steeds relatief achterloopt, waar het gaat om externe democratisering: de toegankelijkheid voor kinderen uit minder bevoorrechte milieus. Al op je twaalfde word je voorgesorteerd, waarbij afkomst nog steeds een grote rol speelt. Want de panikerende anti-Mammoetwet docenten van toen, bang voor statusverlies en verandering in het algemeen, hebben deels ‘gewonnen’. Ook dat blijkt uit de gedenkboeken.

Natuurlijk: is er veel veranderd. Maar dat ligt niet aan een grote groep docenten. CITO-toetsen, toegenomen welvaart en betere toegang tot informatie speelden een veel grotere rol. En wie, zoals ik, op zowat alle niveaus van het voortgezet onderwijs heeft gewerkt, weet, hoeveel verborgen drempels de toegang voor velen belemmeren. Nog steeds hebben kinderen ‘met andere gedragspatronen en omgangsvormen’ en een opvallend ander uiterlijk het moeilijk op veel scholen.

 

(Het heeft even geduurd, maar nu staat het genoteerd: het is allemaal niet onopgemerkt gebleven).

aug. 2015