Floralia en Park Frankendael

Floralia en Park Frankendael

Een rustig en beschaafd gezelschap, dat hier vandaag op Frankendael aanwezig is. Dat was bijna op de dag af 139 jaar geleden, op woensdag 3 september 1873, wel anders. Toen renden er hier honderden kinderen rond. Ze klommen in palen, waren aan het koekslaan,  aan het zaklopen, ringsteken,  deden gymnastiekoefeningen of liepen achter de muziek aan. En dat alles voor mooie prijzen: suikerbroden, hele hammen, zelfs een zilveren horloge. Het waren niet zomaar kinderen. Nee, ze waren afkomstig uit de meest deplorabele Amsterdamse achterbuurten en hadden, als ze uit de Jordaan kwamen,  meer dan een uur moeten lopen, soms op blote voeten, naar deze ver buiten de stad liggende buitenplaats. (Velen kwamen wellicht voor het eerst buiten de stad of zelfs buiten hun buurtje.) Ze deden aan de kinderspelen mee omdat hun ouders aan de Floralia-tentoonstelling en -wedstrijd meededen. Wat was dat?

Een jaar eerder had een Zwolse adellijke weduwe, de douairière Backer, samen met haar tuinman, aan de armen in de stad stekjes van geraniums, fuchsia’s, dahlia’s uitgedeeld die ze moesten opkweken voor een wedstrijd in het najaar.  Wie de mooiste planten inleverde, kon een prijs winnen: een geldbedrag of een diploma.

Een briljant idee, vonden verschillende groepen vooraanstaande Amsterdammers. Om te beginnen de mannen van de tuinbouwmaatschappij Linnaeus, vijf jaar eerder opgericht en al direct koninklijk, en hier gevestigd op Frankendael. Linnaeus  timmerde hard aan de weg. Er kwam een school met internaat,  kassen,  een weekblad. Het sponsoren van zo’n kweekwedstrijd is een mooie vorm van reclame, zal men gedacht hebben.

Linnaeus benaderde de Vereeniging tot Veredeling van het Volksvermaak, die een jaar eerder door dominee Hugenholtz was opgericht. Na decennia actie tegen de jaarlijkse kermis had de gemeenteraad besloten deze binnen enkele jaren op te heffen. Die kermis was in de ogen van velen een bron van ernstige verdorvenheid en ellende, vooral voor de werkende stand. Bizar dus, dat men verwees naar de  Romeinse lentefeesten ter ere van Flora. Die Floralia overtroffen in losbandigheid en verdorvenheid alle Amsterdamse kermissen bij elkaar. In Rome draaide het om openbare sex en gratis drank en gedoe met dieren in het Circus Maximus. Maar goed: in Amsterdam  waren er alternatieve feestelijkheden nodig en Volksvermaak nam die taak op zich.

De derde club die meedeed was het departement Amsterdam van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen, onder leiding van dominee Perk (de vader van dichter Jacques Perk). Het Nut bevorderde al bijna honderd jaar spaarzaamheid en huiselijkheid. Op 13 maart richtte Perk met tien heren van stand in lokaal de Karseboom het comité Floralia op. Een collecte onder hun standgenoten leverde 1000 gulden op, genoeg om de stekjes te subsidiëren, maar minder dan gehoopt. Linnaeus stelde daarom dit terrein, Frankendael, om niet ter beschikking voor de tentoonstelling, het kinderfeest en alles wat erbij kwam kijken.

Op zes plekken in de stad konden leden van de werkende stand in het voorjaar van 1873 voor vier cent per stuk stekjes bestellen. Alleen in de Jordaan was er sprake van enige belangstelling. Uiteindelijk haalden 370 mensen hun stekjes op, en die kregen daarbij een toegangsbewijs voor de tentoonstelling én een deelnamebewijs voor twee kinderen voor de kinderspelen.

Op 28 augustus leverden 325 mensen hun opgekweekte planten in. Een jury koos de winnaars, twee dagen later opende  de tentoonstelling haar deuren. Burgemeester Van Tienen van de Watergraafsmeer was daarbij, zijn Amsterdamse collega Den Tex kwam natuurlijk te laat (drukdrukdruk, en best wel ver). Wel op tijd waren de leden van het organiserend comité, herkenbaar aan een groen strikje, zoals ds. Perk, ds. Adama van Scheltema, de filantroop J.F. Wertheim,  C.A.A. Dudok de Wit en H.D. Willink van Collen van Guntherstein.

Op lange tafels stonden de dertienhonderd fuchsia’s, geraniums en begonia’s opgesteld.  Op die eerste dag, een zaterdag, bezochten zo’n tweehonderd mensen de tentoonstelling. De volgende dag kwamen er wel zesduizend opdagen. ’s Avonds werd er een concert gegeven. Om de schaarse stoelen werd nog net niet gevochten, maar een groepje dronkenlappen moest wel door de politie worden verwijderd.

Op maandagavond werden de prijzen uitgereikt. Er waren heel wat prijzen, maar de grote winnaar was ene Ten Napel. De deftige heren moesten wel een beetje lachen om zijn uitspraak van Lineus (rijmt op reus), maar zagen toch dat ze het hart der mindere klasse hadden weten te raken.

Het jaar daarop, 1874, werd het tijdelijke comité omgevormd tot een vereniging, de eerste Floralia-vereniging in Nederland. Men had geleerd van wat er goed en fout was gegaan, en het festijn werd met veel groter succes herhaald. Negenduizend stekjes werden er aangevraagd. Half augustus dit keer opende de tentoonstelling in stromende regen, en weer hier op Frankendael. Op woensdag kwamen honderden kinderen onder leiding van hun onderwijzers chaotisch en zingend naar de Watergraafsmeer gelopen. Ze mochten direct weer terug. Vanwege het slechte weer was het feest uitgesteld naar zaterdag. Het Handelsblad deed van die zaterdag in twee grote artikelen bijna live verslag.

(Uit Het Handelsblad: 1954 kinderen deden er mee met de wedstrijden. 152 kinderen deden mee aan het mastklimmen, 113 liepen er over de boegspriet, 366 sprongen touwtje, 104 wierpen hoepels, bij de poppenkast van L. Sampimon waren 500 plaatsen. Weer was er een muziekkorps (de militaire kapel van Sonneman), en weer waren B&W van Amsterdam en de burgemeester van Watergraafsmeer aanwezig. De regen bleef weg. De prijzen: zilveren horloges, gouden stelletjes, werkdoosjes, breimandjes, zakdoeken, hammen, stoffen om broeken van te maken: er was veel te winnen. Iedereen kreeg een prijs dankzij de loterij zonder nieten. Het was waanzinnig druk in de Watergraafsmeer. Rondom Frankendael stonden handelaren. Op de molenvaart barstte het van de scheepjes. De lanen van het landgoed stonden vol met eenvoudige tentjes van de ouders van de kinderen.)

De stekjeswedstrijd was ook een groot succes. De tentoonstelling stond er beter bij dan het jaar daarvoor: de stekjes stonden nu uitgestald op tafels aan weerszijden van de grote laan daar verderop. Vijftien deelnemers wonnen de eerste prijs: een gouden tienguldenstuk. Dat was voor velen bijna een dubbel weekloon! Een zelfde aantal tweede prijzen (vijf guldenstukken) werden uitgedeeld. De derde prijs was een getuigschrift. Dat getuigschrift werd niet uitgereikt aan P. van der Linden. Die werd betrapt als oplichter: hij had zijn plant niet zelf opgekweekt! Van der Linden maakte pijnlijk duidelijk wat er mis was met de stekjeswedstrijd.  Want wat voor de heren van stand een interessante uit Engeland overgewaaide hobby was: tuinieren, was voor velen in de kelderwoningen en krotten van de Jordaan en andere buurten toch wel iets raars. De helft van de Amsterdammers behoorde tot de werkende stand, een kwart daarvan woonde in éénkamerwoningen in kelders, op zolders enzovoort. In die bedompte hokken ontbrak het aan twee belangrijke voorwaarden voor de plantengroei: licht en water. De plantjes stonden dan ook in dakgoten, op platjes of buiten op de vensterbank (waardoor er nog minder licht binnenkwam). Niet zo gek dat sommigen slim dachten te zijn om voor een paar centen vlak voor de tentoonstelling bij een professionele kweker een plant te kopen en die in te zenden. Als gezegd: er waren mooie prijzen en een behoorlijke kans om er één te winnen: dat konden velen prima berekenen. Er was een kans van misschien wel 1 op 50 op een geldprijs 

Dus moesten de heren van het comité maatregelen nemen. Ze stopten eerst stukjes lood bij de stekjes. Won je een prijs, dan kon met wat graven worden vastgesteld of dat wel terecht was. Makkelijk te vervalsen, natuurlijk. Dus moest men gaan controleren middels onaangekondigde huisbezoeken: stond er wel ergens een fuchsia te groeien? Stekjes bleken een breekijzer om achter de voordeur van de armen te komen: “alle [deelnemers aan Floralia] kunnen dus elk oogenblik de komst van een der [bestuurs]leden verwachten”, en dat alleen al zou zorgen voor netheid en orde, schreef dominee Perk in 1881. Woonbeschaving, huiselijkheid, had hij inmiddels ontdekt,  moest onder begeleiding aangeleerd worden. Huisbezoeken bij armoedzaaiers (het achter de voordeur komen): dat was nieuw. Ongeveer dezelfde tijd begon Liefdadigheid naar Vermogen daarmee in Amsterdam,  naar Duits voorbeeld: het Eberfelder stelsel.

Het Nut komt wellicht door zijn ervaringen met huisbezoeken als deze in 1890 met een zeer invloedrijk rapport over de huisvesting van arbeiders. Het rapport was een belangrijke stap op weg naar de Woningwet. Het Nut stelde in dat rapport vast dat volksopvoeding pas kon beginnen als de volkshuisvesting wordt verbeterd. Betere woningen, maar ook: streng toezicht en huisbezoeken door woningopzichteressen, nu naar Engels voorbeeld (Octavia Hill).

Frankendael was al lang uit het zicht verdwenen. Al snel na het begin verplaatsten de tentoonstellingen zich naar de stad, wellicht vanwege toenemende kritiek op de bazen van Linnaeus: een topzwaar management: drie directeuren en een huismeester waar een enkele huismeester genoeg zou zijn geweest, schrijft iemand in de krant. Professionele kwekers hadden last van de valse concurrentie. Linnaeus ging vanwege financieel wanbeheer niet veel later ten onder. De Floralia-manifestaties waren toen al naar Amsterdam zelf verplaatst, en voortaan zonder de kinderfeesten.

In 1876 waren er ernstige onlusten in de stad geweest vanwege het niet plaatsvinden van de kermis: het kermisoproer. Tien jaar later haalden Jordaners hartje zomer (eind juli) een oud volksgebruik uit de mottenballen: over de Lindegracht werd een levende paling gehangen die vanuit bootjes moest worden losgetrokken. Dat mocht niet. De politie greep hardhandig in. Rellen. De politie werd verjaagd. Het leger werd ingezet. De bewoners bekogelden de soldaten vanuit hun huizen en vanaf de daken met van alles en nog wat, waaronder veel bloempotten met daarin vast en zeker al bijna volgroeide fuchsia’s en begonia’s. Er werd met scherp teruggeschoten: 26 doden, honderden gewonden. De Amsterdamse Floraliavereniging intussen kwijnde weg. In 1908 was het voorbij. Elders, bij voorbeeld in Nieuwe Niedorp, bestaan er nog steeds Floraliaverenigingen.

Theo Kentie

Sept. 2012

Het Dakpark: de voorgeschiedenis

(juni 2018: dit verhaal is volop in ontwikkeling)

 

In het tweede deel van de 18e en het begin van de 19e eeuw groeide Rotterdam onstuimig. De machtige directeur Gemeentewerken G.J. de Jongh probeerde die groei in banen te leiden door steeds weer bijgestelde plannen. Hij werd daarbij uiteindelijk geholpen door de Woningwet van 1901. Die verplichtte het opstellen van uitbreidingsplannen, voorloper van de bestemmingsplannen. In het Uitbreidingsplan van 1903 werd niet alleen de ontwikkeling van de Boschpolder geschetst maar waren ook plannen voor de rest van het buitendijkse gebied van Delfshaven, dat in 1886 geannexeerd was, opgenomen.

Aan de linker Maasoever waren veel nieuwe havens gepland. Reders en verladers wilden ook aan de rechter Maasoever uitbreiding van de havenfaciliteiten, vooral voor stukgoed, vanwege de verbinding met het achterland. Aan de linker Maasoever werden de nieuwe havens door een havenspoorlijn van de Staatsspoorwegen ontsloten. Die ontbrak nog aan de rechterkant. De HIJSM (‘Holland Spoor’) legde daarom een havenspoorlijn aan, die in 1908 gereed kwam, en waarvoor verschillende bedrijven moesten wijken.

Wilton in 1918. Op de voorgrond het havenspoor.

 Ter hoogte van de Havenstraat kwam goederenstation Rechter Maasoever. Aanvankelijk was er nog geen groot rangeerterrein. De eerste nieuwe havens, Parkhaven, Sint Jobshaven en Schiehaven, waren toen al gereed. Voor de aanleg van de Parkhaven moest scheepsbouwer Wilton verhuizen. De nieuwe werf kwam aan de Schiemond te liggen.

In de rivier de Ruigeplaat met doorbraak, dijken en schutsluis.

Voor die Schiemond lag in de rivier een groot eiland, de Ruigeplaat. Die belemmerde de scheepvaart vanuit Delfshaven in toenemende mate. Er was al eens ter hoogte van de Schie een doorbraak gegraven dwars door de Ruigeplaat. Ook werd er een boogvormige dijk over gelegd ter bescherming tegen hoog water, met in het midden in de doorbraak een sluis: de Oostkousdijk en de Westkousdijk.  Op dat eiland stonden bedrijven: de gemeentedrinkwaterleiding, de gasfabriek, zalmvisserij Prins Hendrik. In 1909 werd besloten om naast de geplande Keilehaven een nieuwe gasfabriek neer te zetten. Al eerder was bij de Schiehaven de eerste grote elektriciteitscentrale gebouwd. (In 1930 volgde een nog grotere centrale aan de Galileistraat bij de Merwehaven).

Zalmvisserij Prins Hendrik op de Ruigeplaat, 1903.

De gemeente kocht de Ruigeplaat. De oevers van de Maas werden genormaliseerd (rechtgetrokken)  en dus moest het eiland weg.  Zalmvisserij Prins Hendrik verhuisde naar Schiedam, maar stopte er in 1915 mee, omdat er in de Nieuwe Maas door toenemende vervuiling nauwelijks meer een zalm zwom. In 1912 kwam het groene licht voor de aanleg van Keile-, Lek- en IJsselhaven, gereed in 1916, in 1927 gevolgd door de Merwehaven. De uitgegraven bagger werd gebruikt voor de ophoging van de Boschpolder en andere te bebouwen gebieden. Die Boschpolder werd al snel volgebouwd met vooral woningen, bedoeld voor arbeiders, en vooral gebouwd door particuliere beleggers. Zo werd er in 1914 druk gebouwd aan de Hudsonstraat. In 1912 werd ook besloten tot de aanleg van een groot rangeerterrein ter hoogte van de drie nieuw geplande havens, langs diezelfde Hudsonstraat.

Dat rangeerterrein was al gauw veel te klein. Op dringend verzoek van de Kamer van Koophandel werd het in 1915 fors vergroot. Oversteken ervan werd een probleem voor arbeiders op weg naar de vele bedrijven aan de andere kant. Er werd dus een voetbrug geplaatst, waarna het rangeerterrein met een groot hek werd afgesloten.

Voetbrug over het rangeerterrein ter hoogte van de Catharina Beersmansstraat. Op de achtergrond de Hudsonstraat. Tekening 1942.

Ter ontsluiting van de nieuw ontwikkelde gebieden in het westen van de stad was een brede verkeersweg nodig tussen Het Park en de Schiemond. Het hele dijkvak van de oude zeedijk  tussen Noordschans en stadscentrum werd daartoe in 1909 gekocht van het Hoogheemraadschap Schieland.

Deltaplan.

De nieuwe stadswijken Bospolder en Tussendijken lagen buitendijks. Dat was geen probleem, want het gebied werd opgehoogd tot dijkhoogte met de bagger afkomstig uit de nieuwe havens en van de normalisatie van de rivier. Sta je op de Mathenesserdijk ter hoogte van Spangen, dan zie je het verschil. Spangen, en ook de verderop gelegen wijken Oud-Mathenesse en het Witte Dorp,  ligt meters onder de dijk, in tegenstelling tot Tussendijken aan de andere kant. 

De Watersnoodramp en het daarop volgende Deltaplan had ook voor Rotterdam ingrijpende gevolgen. De Schielandse Hoge Zeedijk tussen Gouda en Hoek van Holland was sinds de aanleg in de 13e eeuw nog nooit doorgebroken, maar had het in de nacht van 31 januari op 1 februari 1953 maar nipt gehouden. Op een enkel punt bleek de dijk te laag en liep ze over, zoals bij het begin van de Honingerdijk. Grote delen van Rotterdam-Zuid waren veel ernstiger onder water komen te staan.

Had de Hoge Zeedijk het niet gehouden, dan was de schade immens geweest: grote delen van Zuid-Holland waren ondergelopen. De Deltawerken begonnen dan ook met de bescherming van dit economisch cruciale gebied. Als eerste werd dan ook de stormvloedkering in de Hollandse IJssel bij Capelle aan de IJssel gebouwd: het verhogen van de dijken ten oosten ervan was te duur en zou te veel tijd vergen. Tegelijkertijd werd besloten, dat de Schielandse Hoge Zeedijk ten westen van de stormvloedkering fors zou moeten worden verhoogd. Die dijk liep dwars door Rotterdam: Schaardijk, Nesserdijk, Honingerdijk, Oostzeedijk, Hoogstraat, Westzeedijk, Havenstraat, Mathenesserdijk en de Schiedamseweg na het Marconiplein. Door de verhoging verdween de kern van Kralingseveer. Maar waar de dijk in de stad geïntegreerd was geraakt, was verhoging niet mogelijk zonder grote gevolgen voor complete woonwijken en het hele stadscentrum. De aanleg van de Maasboulevard was de oplossing voor het oostelijk stadsdeel en het centrum. De Westzeedijk werd opgehoogd. Tussen Vasteland en Maastunnel over de gehele breedte: de panden aan de zuidzijde liggen lager dan de dijk. Tussen Parksluizen en Hudsonplein werd alleen het fietspad aan de zuidzijde verhoogd.

Een ander bebouwd gedeelte bestond uit Havenstraat en Mathenesserdijk. Daar was een bypass de oplossing: een dijk tussen Westzeedijk en Marconiplein langs het rangeerterrein in de Hudsonstraat. Begin jaren zestig werd deze dijk aangelegd. Deze dijk maakt nu deel uit van het Dakpark.

 

 

 

Komt eraan:

Russen en andere vluchtelingen.

Sinds het begin van de Eerste Wereldoorlog in 1914 was Rusland in oorlog met Duitsland. Het was de eerste grote oorlog, waarin oorlogvoerende landen krijgsgevangenen humaan moesten behandelen. Dat lukte nog niet overal en altijd. Vaak gaven zulke grote groepen soldaten zich tegelijk over, dat ze voor het gemak massaal werden doodgeschoten. De gelukkigen belandden in kampen. Al gauw waren er heel veel krijgsgevangenen in overvolle kampen. Ook was de voedselsituatie in de meeste oorlogvoerende en omliggende landen al gauw dramatisch slecht, voor de gewone burgers, en dus ook voor de krijgsgevangenen. Rusland behandelde Duitse gevangenen heel erg slecht: er was nauwelijks voedsel, de manschappen kregen geen kleding. Als vergelding werden de Russen in Duitsland ook slecht behandeld. Ze kregen ook nauwelijks te eten, zaten in de slechtste kampen, deelden met drie man een matras in beroerde barakken.  Men was bovendien overgeleverd aan willekeur: niet alle bewakers gedroegen zich beschaafd. En er heersten in de  kampen ernstige epidemieën.

In Duitsland zaten aan het eind van de oorlog ruim twee miljoen soldaten gevangen. Anders dan in Engeland was ontsnappen niet zo moeilijk. Veel Russen, Polen en andere gevangenen lukte dat. Het neutrale Nederland was dan vaak de bestemming, in de hoop vandaar via Engeland terug te keren naar eigen land. Dat bleek niet zo makkelijk: internationaal reizen was bijna onmogelijk geworden. En dus bleven ze hier, vooral in havenstad Rotterdam. Er waren ook vluchtelingen en deserteurs uit andere oorlogvoerende landen, maar Russen vormden de grootste groep. Het ging overigens niet alleen om ontsnapte krijgsgevangenen, maar ook om gevluchte burgers en studenten die in een van de oorlogvoerende landen hun studie moesten onderbreken.

Russische vluchtelingen worden geregistreerd in het Russische Consulaat.

Al gauw, begin 1917, diende weduwe Frederica Meijwes-Altona zich aan om de Russen in haar hotel Wilson in de Hudsonstraat onder te brengen. Dat was geen naastenliefde: het Russisch consulaat betaalde de opvang: 1,50 à 2,00 gulden per dag aan logementkosten. Soldaten kregen daarnaast hun soldij van 25 à 50 cent per week. Het hotel was al gauw te klein. De weduwe huurde daarom panden in Schippersstraat, Haspelsstraat en Hudsonstraat. De daar wonende huurders werden, er was geen enkele vorm van huurbescherming, op straat gezet. 

 

Het voormalige hotel Wilson, nu hoek Schippersstraat/Haspelsstraat, in 1917 was het adres Hudsonstraat 57, en verbouwd tot woningen.

De straatarme Russische soldaten zorgden snel voor grote problemen. Ze zagen er haveloos uit, hadden niks te doen en hingen dus de hele dag op straat, ze plunderden bakkerskarren, zwommen naakt in de Keilehaven, zopen zich voortdurend lam, verduisterden fietsen, rolden zakken in de tram, pleegden straatroof, staken politieagenten neer, vochten met elkaar, vergrepen zich aan meisjes uit de buurt (die zich soms zelf zouden hebben aangeboden), en pleegden ontucht, waaronder ‘onnatuurlijke’.

Het inpikken van de huizen van de Hollanders en het ongewenste gedrag leiden tot en stroom van klachten, in de pers en bij de gemeente. Dit moest wel leiden tot ingrijpen. Het hielp niet dat een in maart 1917 geconstateerde stijging van huid- en geslachtsziektes door de gemeente direct werd gelinkt aan de komst van de Russen. 

Als eerste stap begon men de grootste probleemfiguren onder te brengen in een schip, dat gelegen was in de Parkhaven onder toezicht van de daar gevestigde rivierpolitie. Dat was niet echt een goede oplossing, want het vaartuig was te klein en veel Russen waren goede zwemmers. De gemeente vroeg vervolgens aan de regering om een speciaal Russenkamp te openen en anders honderden Russen buiten Rotterdam te huisvesten. Dat laatste gebeurde door duizend Russen en Polen in Schiedam onder te brengen. Helaas bleef ook voor hen Hudsonstraat en omgeving de ideale hangplek: de wijkbewoners schoten er niets mee op.

In juli kwam een volgende oplossing: lastige Russen en Polen konden worden ondergebracht in het zogenaamde interneringsdepot voor deserteurs in het Noord-Hollandse Bergen.

Ansichtkaart van het interneringsdepot in Bergen.

 

In 1918 werden er Duitse krijgsgevangenen in gehuisvest. Hier staan ze in de Haspelsstraat.

Duitse krijgsgevangenen (onderofficieren van de 5e compagnie) in de Haspelsstraat, 1918.

 

Koninklijk bezoek.

(Hospitaaltrein in Hudsonstraat wordt bezocht door Wilhelmina en Hendrik).

Het is 2 januari 1918, zes uur ’s avonds op de Rotterdamse Westzeedijk, op dat tijdstip een verlaten stukje stad. Het is donker, mistig, koud, het begint te sneeuwen. De stilte wordt doorbroken door een klaroenstoot van een wisselwachter. Een enorme Duitse hospitaaltrein, beschilderd met rode kruisen, trekt langzaam op. Vaag verlicht zijn in de coupés houten kribben zichtbaar, en soms daar bovenuit een vermoeid hoofd op een kussen. Een enkel keertje zie je zo’n “typisch Engelse kop”, met een brede glimlach, wuivend met een zakdoek. De trein rijdt over het verlaten rangeerterrein en draait het terrein van de Rotterdamsche Lloyd op, op weg naar een daar liggend schip, dat de Engelsen naar het Engelse havenstadje Boston zal gaan transporteren.

Op de trein was gewacht, lang gewacht. De trein kwam meer dan drie uur te laat op de Lloydkade aan. Maar al een half jaar eerder waren over dit transport afspraken gemaakt, in Den Haag op een conferentie tussen de elkaar op leven en dood bestrijdende vijanden Duitsland en Engeland, onder leiding van het neutrale Nederland.

De hospitaaltrein was die dag uit Aken vertrokken met 28 Engelse officieren en 209 onderofficieren en manschappen aan boord, twee man meer dan doorgegeven. Ze waren al jaren eerder krijgsgevangen genomen. Velen waren zwaar invalide of ‘insane’.  Sommigen waren er zo slecht aan toe, dat ze liggend in houten kribben vervoerd moesten worden. Er reisden veertig medische begeleiders mee, mannen en vrouwen. Deze “lange wagenreeks met haar gruwelijke last van enkel zwaar verminkt oorlogsafval” vervoerde de eerste groep Britse krijgsgevangenen die naar huis mocht: ze waren zo beschadigd dat ze niet meer in de oorlog konden worden ingezet.

De Duitse hospitaaltrein met Engelse krijgsgevangenen op 2 januari 1918 op weg naar Rotterdam: tussenstop op station Roosendaal.

Ze waren dus ook over het rangeerterrein aan de Hudsonstraat gereden. Daar stond wellicht nog de Nederlandse hospitaaltrein, die in 1917 middels een inzamelingsactie was aangeschaft.

En ze waren langs hotel Wilson gereden, in diezelfde Hudsonstraat. In dat hotel en enkele omliggende panden zou ongeveer tegelijkertijd een grote groep Duitse krijgsgevangenen gehuisvest worden, een deel van de gevangenen tegen wie ze waren uitgeruild. Militairen en geïnterneerde burgers die niet meer ingezet konden worden, mochten naar huis. De Rotterdamse Lloyd verzorgde vanaf de Lloydkade de overtochten. Duitsers en Engelsen die wel weer inzetbaar waren, werden in ons land opgevangen, de Engelsen vooral in Den Haag, de Duitsers vooral in Rotterdam. De uitgewisselde militairen waren onderofficieren en officieren: gewone manschappen die krijgsgevangen waren gemaakt, mochten volgens de in 1909 in Den Haag opgestelde verdragen als dwangarbeider worden ingezet.

De vele vooral Belgische vluchtelingen en de stagnatie in de bouw door gebrek aan bouwmaterialen hadden in het hele land gezorgd voor woningnood, maar er werd toch nog plaats gevonden. Duitse officieren werden ondergebracht in dure hotels in het centrum van de stad: hun vrouwen en hun personeel waren al vooruit gereisd.

Duitse officieren worden na aankomst uit Engeland door hun vrouwen en chauffeurs afgehaald aan de Lloydkade.

De Duitse onderofficieren hadden het ook niet echt zwaar. Zo lang ze niet terugkeerden naar Duitsland, mochten ze gaan en staan waar ze wilden. Ze werden gehuisvest in zojuist gereedgekomen nieuwbouwwoningen aan o.a. de Schiedamseweg en de Burgemeester Meineszlaan. En in hotel Wilson en andere panden in Haspelsstraat, Schippersstraat en Hudsonstraat van eigenaar weduwe Frederica Meijwes-Altona. Ze had weer plek: de Russische vluchtelingen waar ze al goed aan had verdiend, waren vanwege de overlast die ze gaven over de gehele stad verspreid.