Mijn contacten met de CIA.

In 1981 gaf ik een berucht CIA-agent een hand.

In 1981 woonde ik met Marian en Josje op de Rooseveltlaan in Amsterdam. Op 19 mei werd dochter Roos geboren. Dat jaar 1981 was ook het jaar van de grote vredesdemonstratie in Amsterdam. Bijna een half miljoen mensen demonstreerden op 21 november tegen de plaatsing van kruisraketten, waaronder wij.

De demonstratie werd georganiseerd door het IKV, en niet door het Comité Stop de Neutronenbom, dat door velen (waaronder ik) gezien werd als een mantelorganisatie van de CPN. Het comité werd, zo bleek later, zelfs opgericht op verzoek van Moskou: de Sovjets wilden de banden met de CPN herstellen, nadat haar grote leider Paul de Groot eindelijk aan de kant was geschoven. Via de DDR ontving dit Comité zijn gelden,  en zoiets werd in de tijd zelf door velen al vermoed.

Natuurlijk wisten de Amerikanen dit toen ook al. In ons land was het verzet tegen de neutronenbom gigantisch, en in de loop van 1981 besloten ‘de Amerikanen’ om een tegenoffensief te starten, in eerste instantie door journalisten te benaderen en van tegeninformatie te voorzien.

Marian was journalist. Ze had bovendien een goede vriendin, Kathy Heckscher. Kathy was typiste bij het SISWO, een inmiddels opgeheven sociaal-wetenschappelijk instituut, en woonde toen in de Amsterdamse Ruyschstraat op een zolderverdieping. Daar stond trots het standaardwerk van haar vader over Rembrandts anatomische les van Dr. Tulp[1].

Toen Roos werd geboren, stuurde die vader van Kathy een pot vitaminen naar Marian vanuit Martha’s Vineyard in de Verenigde Staten. William S. Heckscher was een beroemd kunsthistoricus. Tussen 1955 en 1965 was hij hoogleraar in Utrecht, en daar leerden Kathy en Marian elkaar kennelijk kennen. Als zoon van de Duitse ambassadeur leefde hij net na de Eerste Wereldoorlog enkele jaren in Den Haag. Prins Hendrik himself reed hem rond in Den Haag in diens koets. Hij ging daar naar school, en sprak dus goed Nederlands: hij zat met de latere koningin Juliana op het Nederlandsch Lyceum in Den Haag, had er de bijnaam ‘spitsmuis’,  en werd in 1920 van school geschopt [merkwaardige memoires, uitgetypt vanaf tape: zie https://archive.org/stream/gratiadeisumquis00heck/gratiadeisumquis00heck_djvu.txt).

William Heckscher kwam van oorsprong uit Hamburg, waar hij in de jaren dertig bij Panofsky had gestudeerd. Panofsky vluchtte als Jood naar Amerika, en werd een van de belangrijkste kunsthistorici daar, hoogleraar in Princeton. Ook Heckscher belandde daar in 1936, maar in 1940 werd hij als Duitser geïnterneerd in het Verenigd Koninkrijk en Canada. Na zijn vrijlating raakte hij bevriend met Albert Einstein. In 1961-1962 schreef hij daarover in het Hollands Maandblad, in het Nederlands en als Willem S. Heckscher. In dat blad schreef hij wel vaker.

William had een broer, Henry Heckscher, en die belandde bij de CIA. Er is veel geheimzinnigheid om hem heen. Veel foto’s zijn er niet van hem overgeleverd. Hij speelde een grote of mindere grote rol bij belangrijke historische gebeurtenissen. Zo komt hij aan de oppervlakte rondom de moord op Kennedy, in 1963[2].

Figuur 1: Henry Heckscher

Heckscher was ook eind jaren dertig naar de VS vertrokken, nam dienst in het leger, maakte deel uit van de invasie in Normandië en raakte gewond in Antwerpen[3].

Hij werd geworven door de OSS (Office of Strategic Services), een voorloper van de CIA en interviewde o.a. topnazi Julius Streicher. In 1947 kwam hij in dienst bij de CIA en werd hoofd van de contraspionage in Berlijn. Toen in 1953, direct na de dood van Stalin, in Berlijn rellen uitbraken,  vroeg hij bij zijn bazen toestemming om de relschoppers te bewapenen. Het verzoek werd geweigerd. De Sovjets konden de opstand onderdrukken, en er was ook geen escalatie naar een groter conflict. In Berlijn was Heckscher ondergeschikt aan William King Harvey, die al vroeg clashte met Kim Philby en Guy Burgess. Hij en Heckscher waren beiden natuurlijk betrokken bij het geheime tunnelproject Operation Gold. Harvey schakelde later de maffia in om Castro te elimineren, en bouwde later in Italië het beruchte Gladio netwerk op. Ook doken hij én Heckscher op in samenzweringstheorieën rondom de moord op Kennedy.

Vervolgens werd Heckscher ‘koffiehandelaar’ in Guatemala. De CIA startte daar de operatie PB/SUCCESS met als doel een coup te plegen tegen president Jacobo Arbenz, samen met de latere Watergateverdachte Richard Helms. Henry kocht militaire bevelhebbers om. De jonge Argentijn Ernesto Che Guevara probeerde daarom burgermilities te bewapenen, maar dat mislukte dankzij omgekochte militairen. Een door de CIA betaald rebellenleger dreigde vanuit Nicaragua op te rukken. Arbenz vreesde een bloedbad, en trad af.

President Eisenhower was zo verguld met dit succes, dat hij Heckscher en anderen, waaronder CIA-directeur Allen Dulles, voor een debriefing uitnodigde op het Witte Huis. In 1958 werd Heckscher CIA-baas in Laos. Hij was het niet eens met de Amerikaanse neutraliteitspolitiek daar en begon geheime operaties om het land te ontregelen. De Amerikaanse ambassadeur vroeg daarom om zijn overplaatsing. Heckscher belandde in Thailand en deed daar geheime grensoverschrijdende activiteiten in de Gouden Driehoek. In 1959 duikt hij in Japan op, maar al snel gaat hij aan de slag in de geheime operaties om Fidel Castro te vermoorden. Hij was de case-manager van de Cubaan Manuel Artime. Deze Artime probeerde vanaf het begin van diens machtsovername Castro omver te werpen. Zo wierp hij in 1959 vanuit een CIA-vliegtuig pamfletten boven Havana, waarin hij opriep tot een opstand. Toen dat niet gebeurde, vluchtte hij met een hoop geld naar de VS. Hij raakte bevriend met Bobby Kennedy, was een van de leiders bij de Varkensbaai-operatie, werd gevangen genomen en vrijgekocht door vrienden. Vervolgens maakte hij met o.a. E. Howard Hunt, ook bekend geworden door het Watergateschandaal, allerlei plannen om Castro te vermoorden. Er is wel gesuggereerd, dat Artime een dubbelagent was, maar hij kreeg in 1963 7 miljoen dollar van de CIA om vanuit Nicaragua met een legertje van 300 man Castro te verjagen. Na de moord op Kennedy stopte president Johnson deze operatie. Artime leverde later het zwijggeld aan de Watergate-inbrekers. Toen hij in 1975 voor de senaatscommissie moest verschijnen die mogelijke CIA- en FBI-moorden onderzocht (waaronder de moorden op Kennedy en Martin Luther King), stierf hij binnen de kortst mogelijke keren aan kanker, volgens stafonderzoeker Gaeton Fonzi van deze commissie een mysterieuze dood: ‘he got cancer awfully fast’.

Heckscher ondertussen werd in 1967 CIA-chef in Chili. Hij en ambassadeur Korry probeerden tevergeefs te voorkomen, dat Salvador Allende tot president werd gekozen. Later werkte hij samen met Patria y Libertad, en met CIA-agent Michael Townley. Deze club en Townley waren betrokken bij veel politieke moorden op tegenstanders van het nieuwe rechtse regime. Zo vermoordden ze voormalig legerhoofd Carlos Prats, die na een door Townley georkestreerde campagne in augustus 1973 vervangen werd door generaal Augusto Pinochet.  Op 30 september 1974 werd Prats, met zijn vrouw, vermoord in Buenos Aires. Het was Townleys taak, inmiddels werkzaam voor de geheime dienst van Pinochet, de Dina,  om dissidenten uit de weg te ruimen. In september 1975 werd voormalig vice-president Bernardo Leighton in Rome door fascisten vermoord. Ze werden aangestuurd door Townley. In september 1976 werd in hartje Washington oud-minister onder Allende Orlando Letelier door een autobom vermoord. Hiervoor werd Townley veroordeeld[4].

In 1970 was Allende ondanks alles toch gekozen. Heckscher speelde vervolgens als lokale CIA-baas een grote rol in FUBELT, de geheime operatie om Allende middels een coup te verjagen, wat in september 1973 uiteindelijk lukte. In 1971 was Heckscher overigens officieel met pensioen gegaan. In de zomer van 1981 kwam hij naar Amsterdam om met Marian te spreken over het nut van neutronenbommen. Ik weet niet, of ze het daar over hebben gehad. Voordat ze samen naar de Utrechtsestraat vertrokken om er te eten, gaf ik voormalig CIA-agent Henry Heckscher een hand. Hij stierf in 1990. Hij had in zijn leven geprobeerd vier regeringen omver te werpen, en slaagde daar twee keer in[5].

 

 

[1] William S. Heckscher, Rembrandt’s Anatomy of Dr. Nicolaas Tulp. New York: New York University Press, 1958.

[2] Legacy of Secrecy: The Long Shadow of the JFK Assassination

Door Lamar Waldron,Thom Hartmann. P. 39.

[3] Het volgende ontleend aan http://spartacus-educational.com/JFKhecksher.htm.

[4] Over Townley: http://spartacus-educational.com/JFKtownleyM.htm. Deze moorden staan mij goed bij. Ik was in 1975 en 1976 secretaris van het Utrechtse Chili-comité, een comité waarin ook ander Chileense partijen dan de PS participeerden.

[5] Zie ook: http://educationforum.ipbhost.com/topic/9138-henry-hecksher/

Voorouders V: Den Bommel, Zaltbommel: who cares? Het korte leven van Maria Berkhof.

(In ontwikkeling)

 

Van mijn voorouders die geboren werden vanaf zeg circa 1750 is niet veel bekend. Anders dan van hun voorgangers kennen we van de meesten wel een geboorte- of doopdatum, de data van ondertrouw en huwelijk en wanneer ze overleden of werden begraven. Soms kennen we een beroep, of weten we welk stuk grond ze ooit pachtten. Maar daarmee houdt het ongeveer op. Ze waren te arm en onbeduidend om indruk te maken, en leefden een niet of nauwelijks geregistreerd leven. Alleen de grootste pechvogels maakten kans op nog wat meer sporen: zij die in een of ander instituut belandden: een gasthuis, een gevangenis, een kolonistenkolonie. Een van hen is een oudtante van mijn oma Kentie (Alida Berkhof). Ze had de pech syfilis op te lopen en in Veenhuizen te belanden.

Maria Berkhof was de jongste zus van oma’s grootvader. Ze werd op 11 augustus 1819 in Den Bommel op Goeree-Overflakkee geboren als dochter van Cornelis Arents Berkhof en Francina Kaghelland. Van haar vader kennen we geen sterfdatum, mijn laatste voorouder bij wie dat het geval is.

Maria duikt op in Amsterdam: ze wordt op 12 augustus 1844 in het Buitengasthuis opgenomen, lijdend aan syfilis. Ze is 25, heeft geen beroep, krijgt kribbe T34 toegewezen, is ongehuwd, woont aan de Goudsbloemgracht, maar komt uit [Den] Bommel. Haar vader, Cornelis, was werkman, beide ouders zijn overleden, en ze is g[ereformeerd]. Op 1 december 1844 mag ze naar huis.

Had je in die tijd een zwak gestel, dan kon je beter niet in een ziekenhuis belanden, maar al helemaal niet in het Buitengasthuis in Amsterdam. In 1853 berekende een van de twee geneesheren van het Buitengasthuis, dat in de twaalf jaar daarvoor 231 patiënten waren gestorven niet zozeer vanwege hun ziekte, maar door het gasthuis zelf. Bezoekende buitenlandse artsen zien in die jaren ‘un asile de douleur’, ‘un véritable enfer’, met personeel, dat ‘abschreckende Bilder der Roheit, Trägheit und Unreinlichkeit sind’.  Binnenkomende patiënten, onder wie veel bedelaars, werden niet gebaad en kregen geen ziekenhuiskleding, maar werden met vuile kleren vol ongedierte in de kribben gelegd.

[J.A. Verdoorn (1991), p. 134-135.]

Figuur 1: Het Buitengasthuis in 1883.

Op 22 februari 1845 is Maria weer terug. Ze woont nu in de Barndesteeg in het centrum van Amsterdam (zie F. Bordewijk, Bij gaslicht (1947) over ‘het grootste armoedepand’ van Amsterdam in de Barndesteeg). Nog steeds staan er in die straat overblijfselen van het oude Bethaniënklooster, circa 1450 gesticht voor ‘gevallen vrouwen’. Het klooster werd na 1578 veranderd in woonruimte. Het is nog steeds een straat met raamprostitutie. Het is natuurlijk niet zeker, dat Maria prostituee was. Maar syfilis, woonadressen en het feit, dat ze later naar Veenhuizen wordt afgevoerd, zijn sterke indicaties.

Op 24 juni mag ze weer naar huis. Op 9 juli het jaar daarop wordt ze weer opgenomen. Ze is nu ergens dienstmeid, woont in de Hoefijzergang (dat waren er twee, de Nieuwe en de Oude) bij de Koestraat, “inpandige krotten”, waar grote ellende heerste (http://www.onsamsterdam.nl/component/content/article/15-dossiers/dossiers/2735-de-koestraat-sjiek-en-sjofel).

Figuur 2: De Nieuwe Hoefijzergang bij de Koestraat.

Ze wordt dat jaar niet ontslagen: ze verblijft meer dan een jaar in het Buitengasthuis. Pas op 2 juli 1847 gaat ze naar huis. Het kan niet anders, of ze was er beroerd aan toe. We verliezen ook even zicht op haar, maar vier jaar later duikt ze weer op in de archieven: ze overlijdt op 17 mei 1851 om 9 uur ’s ochtends in het Derde Gesticht te Veenhuizen (Norg). Ze is van beroep ‘koloniste’. Ze is 31 jaar. Haar doodakte wordt opgemaakt in Zaltbommel, een plaats waar ze waarschijnlijk nooit is geweest, maar waar haar overlijden desondanks wordt verwerkt in de Burgerlijke Stand.  Zaltbommel ligt zo’n 100 kilometer van Den Bommel.

Figuur 3: De binnentuin van het Derde Gesticht in Veenhuizen.

Vier weken nadat Maria het Buitengasthuis voor de laatste keer verlaat, op 29 juli 1847, wordt Gerritje Spinhoven opgenomen vanwege een vrouwenziekte. Ook zij heeft een dienstje en is ongehuwd. Ze is 28, woont in de Weesperstraat op nummer 27 en het is onbekend wie haar ouders zijn. Op 11 oktober mag ze weer naar huis.

Op 15 juli 1848 is ze terug, op 24 juli wordt ze weer ontslagen. Maar op 19 september wordt ze weer opgenomen. Ze zou nu werkster zijn, en woont in de Weesperstraat op de hoek van de Keizersgracht, op nummer 26. Pas op 30 juni 1849 kan ze weer naar huis. Twee weken later, op 13 juli 1849, overlijdt ze, ergens op de Overtoom in Amsterdam. Ook zij werd 31 jaar.

Maar Gerritje had Veenhuizen overleefd. Ze werd op 9 november 1817 geboren in Utrecht. Haar moeder heette ook Gerritje, en is een voorouder van mijn dochter (via haar moeder, natuurlijk). Moeder Gerritje had op 8 maart 1803 al een kind laten dopen, van wie de vader niet bekend was. Ze trouwt twee jaar later met Arij van der Tol, kreeg met hem enkele kinderen, en was nog steeds officieel met hem gehuwd, toen Gerritje werd geboren. Het kind krijgt desondanks moeders achternaam: de vader is onbekend.

Een maand later, op 9 december 1817 om 9 uur ’s avonds wordt Gerritje op de Prinsengracht in Amsterdam vlak bij de Utrechtsestraat, dus waarschijnlijk voor de deur van het Aalmoezeniersweeshuis, gevonden. Ze heeft een briefje bij zich met haar naam. Ze had een hemdje en een borstrokje aan, en een navelbandje, en wat wollen lappen om zich heen. Op het briefje staat ook haar geboortedatum, dat ze niet is gedoopt, maar wel ‘griffermeerd’.

Het Aalmoezeniersweeshuis aan de Prinsengracht was voor de meest hopeloze wezen en vondelingen: de allerarmsten die vaak geen band met de stad hadden en ook niet met een kerkgenootschap. Rond de tijd dat Gerritje werd opgenomen groeide het aantal weeskinderen enorm. De stad wist zich geen raad. In 1818 werd de Maatschappij van Weldadigheid opgericht, die in het Drentse Veenhuizen  wezen en vondelingen ging opvangen. Vanaf 6 november 1822 moesten Amsterdamse vondelingen en wezen zonder andere opvang allemaal naar Veenhuizen zodra ze zes jaar waren. In het archief van het weeshuis staat, dat Gerritje in 1824 naar Veenhuizen zou zijn gestuurd. Ze is dan zes. In het archief van Veenhuizen staat als aankomstdatum 11 augustus 1829. Wellicht ging het hier om een interne verhuizing.

In april 1839 werd ze, meldt het archief van het Aalmoezeniersweeshuis, uit Veenhuizen ‘ontslagen’. Ze is dan 21.

 

Cees Engel de stad Utrecht uit gejaagd.

Voor de zoveelste keer is Cees Engel in het nieuws, de laatste jaren als eigenaar van Fort Oranje, een vrijstaat in Rijsbergen. Hij is zo te zien jaren ouder geworden, maar toch lijkt hij nog steeds op de Cees Engel die ik eind jaren zeventig in Utrecht als huisbaas had.

Ik kwam in 1993 weer in Rotterdam wonen, en een van de eerste weken keek ik even naar buiten. Een man met een bril reed op een oude herenfiets aan de overkant van de straat, met op de bagagedrager onder de snelbinders een doos. Verdomd, Cees Engel! Ik had al begrepen, dat hij zich tegenwoordig in Rotterdam ophield en de bijnaam ‘krottenkoning’ had verworven. Hij bezat honderden, vaak uiterst beroerde woningen, vooral in Rotterdam-West. En soms vlogen die panden in brand, volgens geruchten moedwillig. Zo was enkele dagen voordat hij langs fietste, iets verderop in mijn straat een huis afgebrand. Een voorbijganger had een baby gered, de andere bewoners overleefden het ook. Niet iedere bewoner van een Engel-pand was overigens zo gelukkig, ontdekte ik wat later. En inderdaad, het afgebrande pand verderop was van Engel. Hem kennende was hij zelf iets gaan repareren, het gereedschap in een doos onder de snelbinders.

In mei 1998 schreef de Volkskrant een stuk over Engel:

“De biochemicus Engel promoveerde in de jaren zestig aan de Universiteit van Utrecht. Hij kwam naar Rotterdam om op het laboratorium van het tabaks- en koffiebedrijf Van Nelle te werken. Na een gecompliceerde longontsteking raakte hij arbeidsongeschikt. Engel herstelde en ontdekte een nieuwe hobby. Begin jaren tachtig kocht hij zijn eerste pand en verhuurde daarin kamers. Hij ondervond dat in die branche snel geld te verdienen was en bouwde in hoog tempo een waar imperium op. Vijfhonderd huizen bezat Engel op een gegeven moment, het ene nog rotter en vuiler dan het andere.”

En dat van dat eerste pand klopt dus niet. Want in 1977 en de jaren erna huurde ik een kamer (eigenlijk twee piepkleine kamertjes) in een pand met studenten en werkende jongeren, in de Justus van Effenstraat in Utrecht. En wie was de huisbaas? Cees Engel. Zelf woonde hij aan een van de Daalsedijken. Hij was gepromoveerd biochemicus, en werkte bij de smaakstoffenfabriek Chemische Fabriek Naarden. En ook toen al nam hij het niet zo nauw met de brandveiligheid. Ik herinner me, dat hij op last van de gemeente aanpassingen moest doen. En dus kwam hij op zaterdagen op een oude herenfiets, kinderzitje met de kleine Jan voorop, gereedschap in een doos onder de snelbinders achterop, naar ons huis om de meest noodzakelijke dingen te doen.

Het pand waarin ik woonde, zou hij hebben gekocht van het geld dat hij kreeg nadat hij een proces tegen de Nederlandse Staat had gewonnen bij het Europese Hof van de Rechten van de Mensen. Het was in die tijd zeer ongebruikelijk, dat Nederlanders bij dat Hof procedeerden tegen de Nederlandse Staat, en de case ‘Engel and others vs. the Netherlands’ eind 1975, begin 1976 is een beroemde zaak geworden, waarover op internet een en ander te vinden is.

Het ging vooral om de toepassing van het militaire tuchtrecht tegen leden van de dienstplichtigenbond VVDM. Engel had zich gekandideerd voor het vice-voorzitterschap van de VVDM. Hij vroeg verlof om de VVDM-vergadering op 17 mei 1971 te bezoeken, zonder zijn kandidatuur te vermelden. Enkele dagen daarvoor meldde hij zich ziek. De keuringsarts vond, dat hij op 18 mei weer aan de slag moest en keurde het goed, dat hij op 17 mei zijn huis verliet. Zijn commandant had nog geen besluit genomen betreffende het aangevraagde verlof, en stuurde op 17 mei een controleur langs Engels adres. Maar die liet zich die dag kiezen tot vice-voorzitter van de VVDM, en was dus niet thuis. De volgende dag verscheen Engel op de kazerne, waar hij door zijn commandant tot vier dagen licht arrest werd veroordeeld. En daar was Engel het niet mee eens, want daardoor kwam zijn doctoraal examen een week later in gevaar. Hij probeerde dat aan de orde te stellen, maar kon zijn commandant niet vinden. Hij ging naar huis, omdat hij dacht dat dat ok was bij licht arrest. En dat liep verder uit de hand met degradatie en verzwaard arrest. Hij ging in beroep, de straffen werden verlicht, maar deels gehandhaafd. Al die tijd werd Engel niet bijgestaan door een advocaat. Het Europees Hof oordeelde, dat een en ander ‘unlawful’ was verlopen. Lees het verder zelf maar na: http://hudoc.echr.coe.int/eng#{“dmdocnumber”:[“695356″],”itemid”:[“001-57479”]}, of google deze case.

Engel kreeg uiteindelijk een schadevergoeding, hoog genoeg om ‘ons’ huis te kopen. Dat was althans het verhaal, dat onder ons kamerhuurders rondging, net als het verhaal dat hij het pand samen met de latere D’66-politicus Gerrit Jan Wolffensperger had gekocht.

Ik woonde dus in twee kleine kamertjes, aan beide einden van de gang op de bovenste verdieping van dat vier verdiepingen hoge pand. Een daarvan mocht niet eens bewoond worden: het was de vluchtroute naar het balkon. We betaalden bij elkaar een enorm bedrag aan huur, en na een tijdje begon het bij mij, de actievoerder, toch een beetje te klemmen, dat we daar niks aan deden. Dus nam ik het initiatief om een procedure te starten bij de huurcommissie, en vervolgens de kantonrechter. Het kostte wat moeite om voldoende huisgenoten mee te krijgen: sommigen vonden het ‘zielig’ voor Engel. Maar uiteindelijk deed iedereen mee. We namen contact op met het Advokatenkollektief Utrecht in de Twijnstraat. Via Titia Beukema kende ik Wout van Veen, een van de advocaten, en ik kende  ook kantoorgenoot Bernhard Tomlow, nu een rechts overkomende vaak de publiciteit opzoekende advocaat, toen een niet onbelangrijk CPN-lid (ik kende hem als fractiemedewerker van die partij) met een achtergrond bij het Utrechts Studentencorps! Met hem gingen we in zee. De huurcommissie berekende op basis van de huurwetten nieuwe huren: een fractie van de huur die we betaalden. Ik herinner me, dat we met zijn allen zo’n 400 gulden per maand moesten opbrengen. Maar Engel ging niet akkoord met een huuraanpassing. Dus werd het een zaak van de kantonrechter. Inmiddels was Tomlow bij het advocatencollectief vertrokken, en dus deden we zaken met een andere compagnon, Sjef de Laat. Tomlow vond overigens, dat wij met hem naar zijn nieuwe kantoor hadden moeten meegaan.

Engels advocaat wees de rechter op een beding in ons huurcontract: indien gewenst, en indien zeer ruim van tevoren besteld, konden we voor tien gulden een ontbijt bestellen! Het was geen kamerverhuur, maar een pension, zo stelde hij. De rechter stelde vast, dat dit een onzinbepaling was, en legde de huurprijzen als berekend door de huurcommissie vast. Ook moest Engel het teveel betaalde huurbedrag over een vastgesteld aantal jaren terugbetalen! Voortaan woonden we bijna voor niks, terwijl iedereen geld toe kreeg! Bijna onmiddellijk verkocht Engel het pand met forse winst aan een andere huisjesmelker. We hadden Cees Engel klein gekregen. Hij vertrok al snel uit Utrecht om in Rotterdam met meer succes (want aanvankelijk  met stille steun van de gemeente) huisjesmelker te worden.

Update 22 juni 2017. Engel blijkt zijn camping sneller te sluiten dan de gemeente eist. Natuurlijk, hij heeft zijn afkoopsom binnen. Want dat lijkt toch een belangrijk doel van Engel te zijn: het zich laten vergoeden door de overheid, eerst vanwege de VVDM-zaak, later in Rotterdam, en nu weer in Noord-Brabant. Het lukt hem, moet je toegeven, al 50 jaar.

http://www.ad.nl/rotterdam/cees-engel-die-man-was-compleet-maf-br~a38b7ff9/

De oorlogsjaren van mijn vader, deel 9: bijlagen.

9. Bijlagen.

 

 

  1. Brieven aan de dominee.

[Briefkaart]

Hannover, 20 Nov. 1942.

Geachte Dominé,

In Duitschland aangekomen, zal ik u vast mijn adres schrijven. Daar ik pas één dag ben kan ik geen verdere bijzonderheden nog mededelen, doch ik hoop U spoedig een brief te sturen. Mijn adres is:

C. Kentie

D.A.F. Gemeinschaftslager P.T.T.

Schierholzstrasse

Hannover-Buchholz

Duitschland

Met vr. groeten en vaste hoop

 

[w.g.] C. Kentie

 

 

– – – – – – – – – – –

 

 

 

Hannover, 1 Januari 1943

Geachte Dominé,

Voor de derde maal zal ik trachten U een brief te schrijven. Tot twee maal toe heb ik, om een bepaalde reden, de brief terug gestuurd gekregen.

Hoe hier de toestand in Duitschland is, valt moeilijk te schrijven. De bevolking zelf is tegenover ons zeer hoffelijk. Dat is hier dan ook een eisch. ook onderling [?] zijn ze zoo.

We zijn tijdelijk ondergebracht in een z.g. Gemeinschaftslager. Als ik nu ‘we’ schrijf, bedoel ik daarmee mijn Hollandsche collega’s en ikzelf. In het lager is van alles ondergebracht, Polen Franschen, Duitschers, Italianen, Hollanders en zelfs Arabieren.

Onder mijn collega’s hebben zich direct kringetjes gevormd, bestaande uit stadgenoten, enz. Ook zijn hier enige Protestanten onderling verenigd. Alleen moet ik U tot mijn spijt mededelen, dat er weinig Christelijke of hun geloof uitdragende hier zijn. Het is dan ook een pracht taak, die hier voor een Christen is weggelegd.

Er valt voor een vreemdeling hier niet veel te beleven, als bioscoop, café, enz.

Het meest wordt hier gesnakt naar goede Hollandsche lectuur, want die ontbreekt hier totaal.

Dominé, ik moet gaan eindigen en hoop dat deze brief U dan moge bereiken. Ik wensch U tevens nog een door God gezegend Nieuwjaar toe en groet U.

Van Uw oud-cathechisant,

[w.g.] C. Kentie

 

Hannover, 25 Januari 1943

– – – – – – – – – – – – – –

Geachte Dominé,

Reeds Woensdag heb ik Uw brief ontvangen, maar kon door verhuizing niet eerder antwoorden.

We zijn n.l. uit het Gemeinschaftslager vertrokken naar een eigen onderkomen, een nieuw nog niet in gebruik genomen Postkantoor, wat gedeeltelijk afgebouwd is. We liggen nu als Holl. Postbeambten alleen in dit gebouw. Het is veel frisscher en gezonder als het vorige onderkomen, want daar lagen allerlei Nationaliteiten. Men mag niemand wel ergens om verachten, maar als Hollander kijkt men toch wel eens raar, zoo vuil als Polen en Franschen zijn en dan blijft men liever toch maar een beetje uit de buurt.

Wat de Godsdienst betreft is hier maar weinig te doen. Vele kerken zijn gesloten wegens de groote leegte en misschien nog wel om een andere reden.

Als Christenen en Hollanders onder elkaar houden we over de Bijbel en haar inhoud dikwijls diepgaande gesprekken. Ook niet Christenen doen daar aan mee. Het gebeurt dikwijls dat er tot 12 à 1 uur des nachts over gepraat wordt.

Waarom oorlog? Omdat we er niet uit kunnen komen. Dominé, ook hier rijzen de vragen omhoog, maar ook hier kunnen we deze [?] niet beantwoorden op een bevredigende manier.

Daartegenover is het toch heerlijk, dat er Een is Die er antwoord op kan en wil geven. Heerlijk is het te weten, dat er Een is die nooit verlaat, ook al werkt men in den vreemde niet. Hij is het die mij hier naar toe haalt, en Hij zal, als Hij dat wil me ook weer terugbrengen. Ik bid alleen dat het spoedig moge zijn. Dat is hier ook de eenige en grote troost die men kan en zal vinden.

Dominé, ik ga U weer groeten tot een volgende keer. Met blijvende hoop

 

(w.g) Cornelis Kentie

 

 


 2. Het vonnis.

Abschrift

6 S Ls. 92/43.

21/24 S 1 – 110/ 43

Im Namen des Deutschen Volkes

Srafsache

gegen den holländischen Postfacharbeiter Cornelius K e n t i e aus Hannover, geb. Am 28. 9. 1919 zu Rotterdam, zurzeit in H a f t,

wegen Postdiebstahls.

./.

Das Sondergericht Abteilung 1 für den Oberlandesgerichtsbezirk Celle beim Landgericht in Hannover hat in der Sitzung vom 21. Mai 1943, an der teilgenomen haben:

Landesgerichtsdirektor Dr. Stein

als Vorsitzer

Amtsgerichtsrat Dr. Hamelberg

Landgerichtsrat Dr. Schmedes

als Beisitzer

Staatsanwalt Hille

als Beamter der Staatsanwaltschaft

für R e c h t erkannt:

Der Angeklagte wird als Volksschädling wegen

Amtsunterschlagung zahlreicher Feldpostpäckchen

zum T o d e

und zum lebenslänglichem Ehrverlust verurteilt.

Die Kosten des Verfahrens fallen dem Angeklagten zur Last.       .!.

G r ü n d e

Der 23 jährige, ledige Angeklagte ist holländischer Staatsangeh[ö]riger. Nach dem Besuch der Volkssch[ü]le seines Geburtsortes Rotterdam besuchte er vom 11. Bis 15. Lebensjahre eine hohere Schule. Anschliessend arbeitete er bis zum 19. Lebensjahre auf einem Büro in Rotterdam. In den Jahren 1938 /39 war er Soldat. In Mai 1941 wurde er als Hilfszusteller bei der holländischen Postverwaltung eingestellt. Am 19. November 1942 wurde er nach Deutschland vermittelt. Er wurde dem Postamt I in Hannover zur Beschäftigung überwiesen. Er war in der Brief abgab[e]stelle [t]ätig. Seine Dienstobliegenheiten bestanden darin, dass er die Briefe abstempeln, zu ordnen und aufzustellen, dass er die Post zu den Zügen zu bringen und Briefkasten zu legen hatte.

Von Januar 1943 an bis seiner Festnahme am 7. April 1943 nahm der Angeklagte fortlaufend ins Feld gehende Feldpostpäckchen die ihm bei seiner Beschäftigung bei der Post in die Hände kamen, weg. Er [ö]ffnete sie und nahm den Inha[l]t, der vor allem in Keks und Kuchen, sowie Süssigkeiten bestand, heraus und verzehrte ihn. Es fielen ihm aber auch Rauchwaren und ein Füllhalter in die Hände. Die Umhüllungen der Päckchen versteckte er in seinen zwei Koffern, die er in dem Lager, das er in Kleefeld bewohnte, stehen hatte. Der Angeklagte nahm insgesamt 47 Feldpostpäckchen weg. Der Angeklagte gibt diesen S[a]chverhalt zu. Er will zu dem Verbrechen gekommen sein, weil er Hunger gehabt habe. Dies ist keine Entschuldigung für sein Verhalten. Nach seinen eigenen Angaben hat er das Mittagessen in der Kantine erhalten und er hat hierfür w[ö]chentlich nur 40 gr. Fett und 150- 200 Gr Fleischmarken, sowie Kartoffelmarken abgeben brauchen. Es blieben also für die [ü]brige Verpflegung noch genügend Lebensmittel, mindestens ebensoviel wie der deutschen Bevölkerung und auch seinen holländischen Arbeitskameraden. Von einer besonderen Notlage kann daher nicht gesprochen werden.

Der Angeklagte war Beamter im Sinne des § 359 STGB denn er war zu Verrichtungen bestellt, die zu der von der Post als Hoheitsverwaltung ausge[ü]bten Beförderungstätigkeit geh[ö]ren. Er hat sich daher durch die Fortnahme und Oeffnung der 47 Päckchen in fortgesetzter Handlung der Amtsunterschlagung – § 350 ST- GB und der unbefugten Er[ö]ffnung von Postsendungen  – § 354 STGB- schuldig gemacht. Gleichzeitig hat er dadurch, dass er die mit dem Poststempel abgestempelten, auf der Packetumhüllung angebrachte Empfängeranschriften- [ö]ffentliche, ihm anvertraute Urkunden in seinen Koffer verschwinden liess und damit beiseitegeschaffte, eine Urkundenunterdrückung im Amte § 348 Abs. 2 STGB begangen. Da er hierbei in der Absicht handelte, sich den Inhalt der Päckchen, einen Verm[ö]gensvorteil zu verschaffen, liegt eine erschwerte Urkundenunterdrückung – § 349 STGB vor.

Der Angeklagte hat zugleich aber auch gegen § 4 der Volksschädlingsverordnung verstossen. Er hat die Straftat unter Ausnutzung der durch den Krieg verursachten aussergew[ö]hnlichen Verhältnisse begangen. Die Feldpost ist eine durch den Krieg notwendig gewordene Einrichtung, die bei den meist grossen Entfernungen zwischen Absender und Empfänger und der dadurch längeren Dauer der Bef[ö]rderung schwer zu überwachen ist. Darüber hinaus sind aber auch bei allen Postsendungen infolge der durch den Personalmangel hervorgerufenen verringerten Dienstaufsicht die Verluste von Postsendungen zahlreicher geworden und die M[ö]glichkeit die Verluste aufzudecken, erschwert. Diese kriegsbedingten Umstände und die Tatsache, waren dem Angeklagten bekannt. Er hat sie ausgenutzt, um sich in den Besitz der von ihm begehrten Dinge zu setzen. Die Tat der Angeklagten ist besonders verwerflich denn der Angeklagte hat sich an dem Gut vergriffen, dass sich deutsche Volksgenossen unter erheblichen Einschränkungen abgespart haben, um ihren Angeh[ö]rigen an der Front eine Freude zu machen und ihnen die Gewissheit zu geben, dass die Heimat an sie denkt. Wenn der Angeklagte hierfür als Ausländer vielleicht auch nicht das richtige Empfinden gehabt hat, so hat er doch verstandesgemässig erkannt, wie sehr sein Verhalten geeignet war, die Verbindung zwischen Front und Heimat zu st[ö]ren.

Es kann dem Angeklagten nicht widerlegt werden, dass er bei seiner Einstellung nur auf die gewissenhafte und uneigennützige Erfüllung seiner Dienstobliegenheiten und auf die Befolgung der Gesetze und Anordnungen der Nat. soz. Staats verpflichtet worden sei, dass ihm aber nichts über die schwere Bestrafung von Feldpostpackchendiebstählen gesagt worden sei, und dass er hiervon auch in der folgenden Zeit seiner Dienstleistung nichts erfahren habe, denn der Sachverständige Oberpostinspektor M e y e r ware nicht in der Lage, f[ü]r den Angeklagten ungünstige Angaben in dieser Aufsicht zu machen.  Das Gericht hat aber keinen Zweifel, dass der Angeklagte sich bewusst war, dass er ein schweres Verbrechen beging. Mit Rücksicht auf die grosse Zahl der von dem Angeklagten in der verhältnissmäsig kurzen Zeit von 3 Monaten geraubten Päckchen ist seine Straftat besonders verwerflich. Wenn sich der Angeklagte bisher auch straffrei geführt hat, so wiegt sein Verbrechen doch schwer, dass seine Bestrafung als Volksschädling gemäss § 4 der Volksschädlingsverordnung geboten ist. Das gesunde Volksempfinden verlangt zum Schutze der Einrichtung der Feldpost und der Verbindung von Heimat und Front die Verhängung der Todesstrafe gegen den Angeklagten.

Als Volksschädling sind dem Angeklagten die bürgerlichen Ehrenrechte auf Lebensdauer aberkannt worden. § 32 S[tPO]. Die Kostenentscheidung beruht auf § 465 StPO.

Gez. Stein                                             gez. Dr. Hamelberg                            gez. Dr. Schmedes

Beglaubigt:

gez. Jaffa Just. Assistent

Als Urkundsbeamter der Geschäft des Landsgerichts.

 

3. Krantenartikel. 

http://www.braunschweig-spiegel.de/index.php/politik-2/kultur/5693-jva-wolfenbuettel-zwei-tage-im-april-11-april-1945-und-11-april-2015

11. April 1945(vor 70 Jahren)

Gegen Mittag war nach der “Übergabe” der Stadt Wolfenbüttel an die 9. US-Armee durch den nationalsozialistischen Bürgermeister Fritz Ramien endlich befreit. Schon bald darauf öffneten GI’s die Zellen im Gefängnis und befreiten die dort eingepferchten 1512 registrierten Häftlinge.

Zeitzeuge dieses Ereignisses war Fritz Counradi, der in den Gefängnisbetrieben seit Ende 1943 die Produktion optischer Geräte der Firma Voigtländer für die Wehrmacht geleitet hatte. Seine Erinnerungen veröffentlichte Wilfried Knauer, Leiter der Gedenkstätte von 1990 bis 2015, im Heimatbuch des Landkreises Wolfenbüttel 1995.

Ausschnitte dieses eindrucksvollen Berichts sollen hier zitiert werden:
Am Morgen des 11. April waren offensichtlich nur noch der Lazarettbeamte und der für die sogenannte „Kammer” mit der privaten Habe der Gefangenen zustän­dige Wachtmeister im Dienst. Fritz Counradi und seine Kollegen hatten schon seit dem Abtransport „ihrer” N.N.-Gefangenen, mit denen sie über 16 Monate ge­meinsam gearbeitet hatten, keine Möglichkeiten zur Fortsetzung der Produktion. Sie blieben in ihren Werkstätten und bei den Anlagen, um den ganzen Betrieb ordnungsgemäß den alliierten Truppen zu übergeben.

Eine merkwürdige Unruhe hatte an diesem Morgen die ganze Anstalt erfaßt. Aus den Fenstern, die zum Herzogtore lagen, beobachtete Counradi, wie amerikani­sche Infanteristen gebückt, die Gewehre schußbereit im Anschlag und an den Straßenrändern Deckung suchend in Richtung Breite Herzogstraße vorrückten. Wenige Minuten später drang ein leichter Panzer durch das hintere Tor in die Anstalt ein. Sofort setzte ein ohrenbetäubender und inferna­lischer Lärm” ein. Die Gefangenen schlugen in ihren Zellen mit den Hockern gegen die zum Teil eisenbeschlagenen Türen, sie schrien und heulten.

Ein baum­langer, farbiger amerikanischer Soldat hatte offensichtlich Schlüssel gefunden, die er einem im Grauen Hause umherlaufenden Hausarbeiter zuwarf. Dieser rannte über die Galerien und öffnete jede einzelne Zelle. Mit rasender Geschwindigkeit bewegten sich Hunderte von Gefangenen zum Küchengebäude und zur Kammer. Der Kammerbeamte, ein kleingewachsener, älterer Mann, der sich auf der Treppe schützend vor den Eingang des Gebäudes stellte, „flog” im hohen Bogen über die Köpfe der Gefangenen hinweg auf den Holzhof. Die Kammer wurde geplündert.

Dem Lazarettbeamten, der bis zum Schluß bei „seinen” Patienten ausgeharrt hatte, halfen Gefangene mit einer Leiter über die Mauer. Die wegen krimineller Delikte Verurteilten beschafften sich sofort Zivilkleidung in der Kammer, sollen wohl anschließend auch ihre Personalakten  und sonstige möglicherweise bela­stende Unterlagen beseitigt haben, um dann zu verschwinden. (…)

In der Küche fanden die Gefangenen zu ihrer großen Überraschung umfangreiche Lebensmittel bestände vor, die sogleich verteilt wurden. In den hinter dem Küchen­gebäude liegenden Stallungen war noch der gesamte Bestand an Mastvieh vor­handen, so daß einige Gefangene begannen, die Schweine, ca. 200 Stück, und den gesamten Kaninchenbestand zu schlachten. Über offenen Feuerstellen, die auf dem Holzhof eingerichtet wurden, briet man das Frischgeschlachtete. Große Kessel mit Fleisch wurden in der Küche aufs Feuer gesetzt. Die Szene schien geradezu idyllisch. So zog am Abend dieses denkwürdigen Tages, wie Fritz Counradi berichtet, der lange vermißte Duft von gebratenem und gekochtem Fleisch über das Anstaltsgelände. Aber schon wenige Stunden später erfüllte entsetzliches Schreien und Stöhnen die Zellengebäude. Viele der völlig ausgehun­gert Gefangenen vertrugen das frischgeschlachtete, fettige Fleisch nicht und starben unter großen Qualen noch in derselben Nacht.

Die Anzahl auch dieser Opfer wird wohl nicht mehr festzustellen sein. Der Abwicklungsbericht des Registrators Walter Niemeier resümiert die Ereignis­se dieses 11. April 1945 und gibt ihnen folgende Deutung: „Die in hiesiger Anstalt herrschenden vorhergehenden Zustände lassen das Verhalten der Gefangenen bei ihrer Befreiung einigermaßen erklären, insofern der Ernährungszustand fast sämtlicher Gefangenen als unterernährt zu bezeichnen war. Den Inhaftierten wurden nicht im Mindesten ausreichende Nahrung zuteil,… dabei wurde aber das tägliche Arbeitspensum verlangt.” Das durchschnittliche Körpergewicht lag so­mit unter 100 Pfund.

2093_4429_1_g
Afbeelding 1: Soldaten der 9. US Armee nehmen am 11. April 1945 in den Straßen von Wolfenbüttel Deutsche Wehrmachtssoldaten gefangen.

  

 

De oorlogsjaren van mijn vader, deel 8.

8. Thuiskomst.

Op 27 februari 1946 meldde het informatiebureau van het Nederlandsche Roode Kruis aan de familie Kentie op de Noorderhavenkade 44b te Rotterdam, dat een opsporingsteam van het Rode Kruis had ontdekt, dat “Cornelis Kentje” op 6 april 1945 van het tuchthuis Celle naar Wolfenbüttel was overgebracht, maar dat verdere gegevens ontbreken. Weet de familie meer? Op 5 maart 1946 wordt het schrijven ontvangen en per kerende post schrijft mijn vader zelf terug, dat hij geen Kentje maar Kentie heet. In de nacht van 5 op 6 april 1945[i], zo meldt hij, is hij inderdaad op transport gesteld naar Wolfenbüttel. Hij kwam er ’s middags aan[ii]. Enkele dagen later werd hij door Amerikaanse troepen bevrijd. Hij is toen gaan lopen naar Hannover (een afstand van circa 80 km), waar hij enkele dagen over deed. Hij werd vervolgens opgenomen in het Krankenhaus Ricklingen. Dat deels weggebombardeerde ziekenhuis had toen 280 bedden[iii].

siloah_krankenhaus_altbau

Afbeelding 1: Krankenhaus Ricklingen, Hannover (nu: Siloah).

Op 9 mei ging hij met een transport naar Eindhoven, waar hij twee dagen later aankwam. Daar bracht hij enige weken in de omgeving door. Op 12 juni 1945 kwam hij weer thuis in Rotterdam[iv]. Hij werd een onbekende tijd later opgenomen in het hulpziekenhuis van het Rode Kruis aan de Mecklenburglaan in Kralingen. Waarvoor en hoe lang is niet bekend, waarschijnlijk tot december 1945 toen hij weer aan de slag ging bij de PTT. Hij ontmoette in het ziekenhuis mijn moeder, die er als hulpverpleegster werkte. Op 12 november 1946 trouwden ze.

noodhospitaal-mecklenburglaan
Afbeelding 2: Hulpziekenhuis Mecklenburglaan.

 

Het einde van de oorlog betekende overigens niet, dat mijn vader van zijn straf af was. Op 5 juli 1945 constateert de Oberstaatsanwalt in Hannover, dat Kentie nog 7 jaar en 10 maanden moet zitten, tot 20 mei 1953. Maar waar is hij? Tuchthuis Celle meldt, dat Coneluis Kentje werd overgeplaatst naar Wolfenbüttel. Op 21 februari 1946 vraagt de Oberstaatsanwalt aan de gevangenisautoriteiten, of Cornelius Kentie zich daar nog bevindt. Op 1 maart antwoordt men, dat hij er vandoor is. Op 18 maart 1946 wordt het dossier officieel gesloten: het ziet er niet naar uit, dat Kentie weer gegrepen kan worden. Hij is bij de invasie van de geallieerden uit gevangenschap verdwenen en waarschijnlijk naar zijn vaderland teruggebracht. Aanbevolen wordt te doen alsof hij vrijgelaten is op basis van een besluit van de militaire regering. Het heeft, zo vindt men,  weinig zin om de zaak verder te onderzoeken.

noorderhavenkade-april-45
Afbeelding 3: Noorderhavenkade, met puin gedempt, april 1945.

Op 11 december 1945 ging hij weer aan de slag bij de PTT. Pas op 26 juli 1947 kreeg hij weer een vaste aanstelling. Toen mijn vader dacht 25 jaar in overheidsdienst te zijn, bleek dat de PTT de jaren van zijn gevangenschap niet meetelde. Hij was vervolgens een jaar ziek thuis. Bij zijn pensioen als briefsorteerder (expediteur 2e klasse) kreeg hij een kalenderstandaard, waaraan een ieder jaar te ontvangen losbladige kalender voor gepensioneerde PTT’ers gehangen kon worden. Op de standaard stonden zijn dienstjaren vermeld, twee aaneengesloten periodes met een nadrukkelijk hiaat, bestaande uit zijn oorlogsjaren. Toch stond deze standaard gewoon in de kamer. Mijn broer Martin weet zich nog iets anders te herinneren. Bij de officiële plechtigheid vanwege zijn pensionering kreeg hij van de PTT ook een oorkonde, met daarop vermeld zijn dienstjaren. Thuisgekomen in de flat in Ommoord smeet mijn vader deze oorkonde vanaf het balkon naar beneden.

Tot zijn dood in 1998 bleef zijn veroordeling officieel van kracht, inclusief het eeuwige eerverlies. Pas in 1998 nam het Duitse parlement de Gesetz zur Aufhebung nationalsozialistischer Unrechtsurteile in der Strafrechtspflege aan: veel veroordelingen, waaronder alle op basis van de Volksschädlingsverordnung, werden herroepen[v].

 

[i] In het verslag van Trampmann [?] is slechts sprake van één transport van Celle naar Wolfenbüttel met 4 april als vertrekdatum. Gezien de afstand (70 km) kan de tocht nooit in één dag gedaan zijn, ervan uitgaande, dat er niet per trein werd gereisd, maar zoals meestal per voet of per open kolenwagen, zoals het transport naar Butzow, dat daar overigens een week over deed (brief afdeling Oude IJssel van het Rode Kruis, 26 februari 1946).

[ii] N.B.: vertrektijd uit Celle en duur van de tocht  wijken af van de gegevens van Trampeman.

[iii]  http://de.wikipedia.org/wiki/KRH_Klinikum_Siloah en http://www.klinikum-hannover.de/sil/his/2postwar.htm. Het ziekenhuis bestaat nog steeds onder zijn oorspronkelijke naam Siloah.

[iv] Archief Rode Kruis, Den Haag.

[v] Gesetz zur Aufhebung nationalsozialistischer Unrechtsurteile in der Strafrechtspflege (1998):

  • 1

Durch dieses Gesetz werden verurteilende strafgerichtliche Entscheidungen, die unter Verstoß gegen elementare Gedanken der Gerechtigkeit nach dem 30. Januar 1933 zur Durchsetzung oder Aufrechterhaltung des nationalsozialistischen Unrechtsregimes aus politischen, militärischen, rassischen, religiösen oder weltanschaulichen Gründen ergangen sind, aufgehoben. Die den Entscheidungen zugrunde liegenden Verfahren werden

eingestellt.

  • 2

Entscheidungen im Sinne des § 1 sind insbesondere

  1. Entscheidungen des Volksgerichtshofes,
  2. Entscheidungen der aufgrund der Verordnung über die Einrichtung von Standgerichten vom 15. Februar 1945 (RGBl. I S. 30) gebildeten Standgerichte,
  3. Entscheidungen, die auf den in der Anlage genannten gesetzlichen Vorschriften beruhen.

Anlage:

  1. Verordnung gegen Volksschädlinge vom 5. September 1939 (RGBl. I S. 1679)

 

De oorlogsjaren van mijn vader, deel 7.

7. Terug naar Wolfenbüttel.

De gevangenisautoriteiten hadden al de nodige ervaring met verplaatsingen van grote groepen geïnterneerden: de bommenregens van de geallieerden zorgden voortdurend voor verhuizingen. Toen de fronten in het oosten en het westen dichterbij kwamen, trokken steeds grotere groepen gevangenen bijna dagelijks van gevangenis naar tuchthuis of andersom, van het ene concentratiekamp naar het andere, soms per trein of op open wagens, meestal lopend. Thierack had in 1943 al duidelijk kenbaar gemaakt, dat gevangenen niet mochten worden vrijgelaten, op hele lichte gevallen na. In Hamburg hadden de autoriteiten na het zware bombardement van eind juli 1943, waarbij verschillende strafinrichtingen zwaar waren beschadigd, grote aantallen gedetineerden, ook langgestraften, vrijgelaten. Dat was dus niet de bedoeling. De Hamburgse Oberstaatsanwalt werd hiervoor tot vier maanden gevangenis veroordeeld.

Eind 1944 werden veel gevangenissen in het westen en oosten van Duitsland ontruimd. De geëvacueerden werden naar het midden van het land getransporteerd. Er kwamen officiële richtlijnen over hoe te handelen bij ontruimingen, met een ongebruikelijk element in nazi-Duitsland: men mocht improviseren. Dat vergrootte de chaos. Kortgestraften mochten worden vrijgelaten, anderen moesten eventueel worden overgedragen aan andere autoriteiten, maar een grote groep politieke gevangenen en langgestraften moest naar elders worden overgebracht, of desnoods ‘geneutraliseerd’, met verwijdering van alle sporen, door ze dood te schieten.

In januari werden strafinrichtingen in het oosten verder ontruimd. Op 12 januari was het winteroffensief van de Sovjets begonnen. 35.000 gevangenen gingen op pad, onder chaotische omstandigheden, meestal lopend. Uitgehongerde mannen en vrouwen liepen zeer lange afstanden in ijzige kou, met minimale rantsoenen of helemaal niks te eten, slecht gekleed en op houten slippers of blootvoets. Gevangenen uit Stargard liepen bij voorbeeld gedurende zeventien dagen naar het 315 kilometer westelijker gelegen Bützow. De gevangenisdirecteur noteerde:

“De weersomstandigheden waren rampzalig. De voortgang van de tocht werd belemmerd door zware sneeuwval, de kou, de massa voertuigen van vluchtelingen en het leger, en het terugstromen van massa’s troepen, krijgsgevangenen enz. Elke weg was verstopt, zodat de groepen soms uren op dezelfde plek moesten wachten om niet meer dan een paar honderd meter vooruit te komen”.

Duizenden kwamen om. De vrouwengevangenis in Fordon werd op 21 januari 1945 geëvacueerd naar Krone. Veertig van de 565 vrouwen overleefden deze tocht.

Gevangenen bezweken van de honger, de kou, de uitputting, of werden doodgeschoten. Soms voor de lol, door gefrustreerde SS’ers, die een groep gevangenen uit Krone met machinegeweren neermaaiden. Bij de  beruchtste dodenmarsen uit de concentratiekampen vielen meer dan een kwart miljoen doden.  Gevangenispersoneel was meestal niet te vergelijken met de SS, hoewel aan het eind van de oorlog heel wat van het oostfront teruggekeerde SS’ers in gevangenissen en tuchthuizen aan het werk gingen. Cipiers die de marcherende groepen gevangenen moesten bewaken, deden dat vaak met tegenzin: ook hun hachje was nu in groot gevaar. Vaak ook waren ze slecht bewapend. Soms wisten grote groepen gevangenen dan ook, ondanks het bevel om iedere wegloper te executeren, er vandoor te gaan.

Verantwoordelijk voor de transporten uit Celle in april 1945 was volgens een verslag van Richard Trampmann ene Langebartels, die sinds 1933 lid van de NSDAP was. De gevangenen werden op transport gestuurd vanwege de oprukkende Engelsen. Volgens de schrijver werden ze de dood ingestuurd. Op 4 april 1945 vertrok onder leiding van SS-Sturmführer Baumgarten (die op de vlucht voor de Russen in Celle was beland) een groep gevangenen naar de gevangenis van Wolfenbüttel. Hij en zijn ondergeschikten sloegen de gevangenen tot bloedens toe. Het ging daarbij vooral om gevangenen die op sterven na dood waren, en het marstempo niet bij konden houden. Sommigen die niet meekonden, werden langs de kant van de weg achtergelaten. De rest joeg Baumgarten met pistolen op om verder te marcheren. Hij schoot diverse malen, maar de auteur weet niet of hij iemand raakte. Sommigen moesten meegesleept worden. Voor velen was dat extra pijnlijk, omdat ze hun houten slippers waren kwijtgeraakt. Een ondergeschikte, Kubiak, had een doornentak afgesneden en sloeg daarmee gevangenen in het gezicht. De gevangenen kregen ’s morgens om vier uur een dunne plak brood, en mochten toekijken hoe de bewakers zich tegoed deden aan hele broden en spek uit de gevangeniskeuken[i].

Dezelfde Baumgarten was ook de baas over het transport van gevangenen van Celle naar Bützow-Dreibergen, in een open kolenwagen. Tijdens dat transport bezweken circa 180 man. De gevangenis was vol, dus werden de overlevende gevangenen in een nabij gelegen kamp ondergebracht. Op 10 april braken daar tyfus en buikloop uit, waaraan nog eens ongeveer 860 gedeporteerden stierven[ii].

Op 6 april 1945 kwam het transport met mijn vader aan in de gevangenis van Wolfenbüttel: hij had de helse tocht van zo’n 70 kilometer overleefd[iii]. Twee dagen later werd een groep NN-gevangenen, waaronder Smedts, uit Wolfenbüttel afgevoerd: per trein naar het oosten, naar Maagdenburg, vervolgens naar Burg en tenslotte naar tuchthuis Brandenburg-Görden, dat pas op 27 april door de Russen werd bevrijd[iv]. Ook op 8 april ontruimden de Duitsers diverse buitenkampen in de omgeving van Celle en zetten ze meer dan 4000 gevangenen per trein op transport naar Bergen-Belsen.  ’s Middags stopte de trein op het goederenstation in Celle. Enkele uren later vielen Amerikaanse bommenwerpers Celle aan. De trein kreeg de volle laag. De schattingen lopen uiteen, maar volgens sommige onderzoekers stierf meer dan de helft van de treinpassagiers. Veel overlevenden vluchtten de bossen of de stad in. Soldaten, politie en burgers begonnen een klopjacht. Honderden gevangenen  vonden daarbij de dood. Vijfhonderd gevangenen die het bombardement op hun trein hadden overleefd, werden alsnog door gewone soldaten naar Bergen-Belsen gedreven, en ook bij deze dodenmars vielen vele doden. Een grote groep werd in Celle zonder enige verzorging opgesloten in een kazerne. Daar werden ze twee dagen later,  vaak stervend of al dood, op 12 april door de Britten gevonden.

2093_4429_1_g
Afbeelding 1: 11 april 1945: Amerikaanse militairen houden in de straten van Wolfenbüttel enkele Wehrmachtssoldaten onder schot.

Mijn vader was op tijd uit Celle vertrokken, en moet er bij geweest zijn, toen de gevangenis van Wolfenbüttel op 11 april, vijf dagen na zijn terugkeer, door de Amerikanen werd bevrijd. Een tank ramde de poort open, vertelde Ton Velder. Bewakers maakten een paar cellen open, gaven de sleutels aan de mannen die naar buiten kwamen om de andere deuren te openen en vluchtten weg. Iedereen stormde de trappen af. Buiten stond een overijverige bewaker met een machinegeweer voor de deur. Enkele Franse gevangenen leidden hem af: hij werd totaal onder de voet gelopen, wat hij niet overleefde. De keuken werd bestormd. Niemand had oog voor de ander. Sommigen werden doodgedrukt op de trap naar boven. Daar lag het warme brood nog in de oven. Er waren er die zich niet konden beheersen: ze pakten een stuk vet en begonnen te likken. Er waren erbij, die deze overvloed niet aan konden: ze stierven aan hun vraatzucht. Dood rolden ze de trap af.

gevangenis-wolfenbuttel-april-1945
Afbeelding 2: Direct na de bevrijding in de gevangenis van Wolfenbüttel, april 1945.

Velder was erbij, toen de verstopte valbijl weer werd opgegraven. Hij had de bijl zelfs in zijn handen. Ook bekeek hij voor het eerst het executiegebouwtje van binnen. In de dodencellen lag een laag stront, de executieruimte zelf was bedekt met bloed.

 

[i] Einige Erlebnisse […]. Gezeichnet: Richard Trampmann [?}. In archief NIOD.

[ii] Zie hierboven en een brief van de afdeling Oude IJssel van het Nederlandsche Roode Kruis aan het Informatiebureau van het Rode Kruis, gedateerd 26 februari 1946, aanwezig bij het NIOD, met daarin een verslag van ene J.H.L. Evers.

[iii] Op diezelfde dag werden in het nabije Hannover de vijf ‘KZ-Aussenlager’ van Neuengamme geëvacueerd, juist richting het noorden. Men passeerde Celle nog, maar Neuengamme werd niet bereikt. Degenen die de dodentochten overleefden, belandden omstreeks 8 april in Bergen-Belsen. Rainer Fröbe u.a. (1985), p. 503-513.

[iv] Smedts (1978), p. 147-152.

De oorlogsjaren van mijn vader, deel 6.

6. Tuchthuis Celle.

Op 26 mei 1944 stuurde de Oberstaatsanwalt van het Sondergericht te Hannover naar het tuchthuis te Celle het bericht, dat mijn vader daarheen zou worden overgeplaatst. Op 3 juni 1944 werd hij om 7 uur ’s morgens afgevoerd naar de politiegevangenis in Hannover. Op 9 juni stond hij om 5:10 uur in de ochtend klaar op station Hannover om naar Celle te worden gebracht. Na een treinreis van 1 uur en 25 minuten kwam hij daar aan. Niet veel later arriveerde hij in het vlakbij het station gelegen tuchthuis van Celle.

pa-celle-03
Afbeelding 1: Direct na aankomst in Celle, begin juni 1944.

Twee dagen later volgde de officiële inboeking. Hij moest een vragenformulier invullen en een korte levensbeschrijving op papier zetten. Zijn handschrift is nog verbazend vast. Hij noemt zich zelf foutief maar conform eerder opgestelde papieren Cornelius, en meldt dat er in Rotterdam een invalidenkaart aanwezig is, maar dat zal een vergissing zijn. Een fotograaf maakte twee foto’s, en profil en en face. Hij ziet er met zijn kaal geschoren hoofd slecht uit. Hij woog 51 kilo, en was dus met zijn 1 meter 73 ernstig ondervoed.

levensloop
Afbeelding 3: Levensloopformulier

De gevangenis in Celle werd begin 18e eeuw, naar Frans voorbeeld gebouwd als tuchthuis, werkhuis en, tot 1833,  gekkenhuis. Boven de ingang staat dan ook: “Puniendis facinorosis custodiendia furiosis et mente captis publico sumptu dicata domus”[i].  Achter een stevige muur rijst het monumentale hoofdgebouw op, omklemd door twee vleugels. De oorspronkelijke laagbouw erachter werd later vervangen door kazerneachtige hoogbouw, waarin de cellen zaten en zitten.

Een tuchthuisstraf, zeker van tien jaar, was in nazi-Duitsland inmiddels niets anders dan een doodstraf met vertraging geworden.  Om steeds geringere feiten werd voortdurend zwaarder gestraft en daardoor raakten de gevangenissen en tuchthuizen overvol. Daarom besloten minister van justitie Thierack en Himmler op 18 september 1942 om ‘asociale elementen’ in de gevangenissen onder het gezag van de Gestapo te brengen en ze “te vernietigen door arbeid”.   In eerste instantie ging het om gevangen gezette Joden, Sinti en Roma, en Russen en Polen die tot meer dan drie jaar waren veroordeeld. Duitsers en leden van ‘broedervolken’ die veroordeeld waren tot een tuchthuisstraf van meer dan acht jaar, zouden individueel worden beoordeeld. Een commissie van het ministerie van justitie moest de mate van onmaatschappelijkheid onderzoeken, en wie voorgoed zonder waarde voor de volksgemeenschap was, werd aan de politie overgedragen[ii].  Verschillende gevangenen uit Celle, ook doodzieke die in het gevangenishospitaal lagen, werden in het kader van de Vernichtung durch Arbeit afgevoerd naar Neuengamme of voor wegenonderhoud in het Noorden van Noorwegen aan het werk gezet[iii]. Op 24 april 1943 waren er al 14.700 asociale Duitsers en leden van broedervolken geïdentificeerd en naar werkkampen afgevoerd. Het waren meestal gewone misdadigers, maar ook politieke gevangenen. Het doel werkte: het sterftecijfer in Mauthausen bij voorbeeld was 35%, per maand. De gemiddelde overlevingstijd was daar dus drie maanden.

tuchthuis-celle-in-1930-model
Afbeelding 4: Maquette van het tuchthuis in Celle (1930).

Mijn vader werd dit lot bespaard. Op het eerder genoemde overplaatsingsverzoek van 26 mei 1944 stond nadrukkelijk vermeld, dat hij niet als crimineel (Gestrauchelter) moest worden beschouwd (onderstreping op het formulier). Niet duidelijk is, waarom dat zo was. Was dat overeengekomen met de personen die de gratie hadden weten te bewerkstelligen? Was er al een onderzoek naar zijn eventuele asocialiteit geweest?

Maar ook in tuchthuis Celle was je je leven niet zeker. Het viel weliswaar onder het gewone gevangeniswezen, maar het regime was er bikkelhard. In december 1938 begon Bernhard Hartung als arts in het tuchthuis. Hij zou dat blijven tot 15 januari 1944, toen hij werd overgeplaatst. Wel bleef hij wonen in de dienstwoning direct naast het tuchthuis. In 1986 publiceerde hij zijn deels op bewaarde documenten gebaseerde  memoires als wat late ‘aanklacht en apologie’. Ja, hij kon niet anders dan lid worden van de SA en de NSDAP, en ja, hij had een foto van Hitler in huis hangen, maar niet boven zijn bureau! En natuurlijk had hij niet in het openbaar kritiek geleverd op het regime. Maar hij had vanuit zijn functie als tuchthuisarts wel diverse malen geprobeerd te protesteren tegen de behandeling van de gevangenen.

Zo schreef hij op 13 juli 1942 de hoofdofficier van justitie over het afnemen van het gemiddelde gewicht van de gevangenen, in enkele maanden van 61,5 naar 57 kg. Sommige mannen van 175 à 176 cm wogen nog maar 50 kg of minder. De gevangenen kregen in die tijd steeds minder te eten, en wat ze kregen was van belabberde kwaliteit. Door deze ondervoeding en de verlenging van de arbeidsdag tot elf uren konden de gevangenen natuurlijk veel minder produceren, terwijl de productie-eisen steeds hoger werden en de straffen voor het niet halen daarvan steeds harder. Er trad hongeroedeem op, en er waren, door gebrek aan weerstand,  steeds meer gevallen van ziektes als tbc, ook een groot risico voor het personeel. Broodrantsoenen mochten echter niet worden verhoogd, ook niet voor de mannen in de ziekenzaal.

Mishandelingen door beambten, hulpbeambten, hulpopzichters en kennelijk voorgetrokken gevangenen namen toe, vooral bij de buitencommando’s. Steeds meer bij de buitencommando’s tewerkgestelden gingen dood zonder voorafgaande ziekte, steeds meer werden ‘op de vlucht’ neergeschoten, ook al zou geen normaal mens overdag in gevangeniskledij op de vlucht slaan. Sommige gevangenen werden als gevolg van  de honger bevangen door een soort toeval, liepen verdwaasd de verkeerde kant op en werden dan neergeschoten.

Bij het NIOD bevindt zich een slechte kopie van een typoscript van ene Richard Trampeman, een politieke gevangene die in 1934 tot levenslange tuchthuisstraf was veroordeeld en in Celle verbleef tot april 1945. Celle was een tuchthuis met een verzwaard regime. Er zaten politieke gevangenen, Joden, zigeuners en buitenlanders, maar de meeste gevangenen waren gewone criminelen.  Trampeman werkte vooral in de timmerwerkplaats waar zo’n 50 man werkten, 30 daarvan criminelen. Er werkten vier Nederlanders, twee Belgen, twee Fransen, twee Russen, een Oekraïner en een Joegoslaaf. En negen politieke gevangenen. Vooral het laatste jaar was de gevangenis overbevolkt. De capaciteit was 450, maar er zaten 1600 gevangenen, die stierven als ratten: zes tot tien man per dag: 30% van alle gevangenen was ziek. In de timmerwerkplaats moesten de doodskisten worden getimmerd, dus wie daar werkte, kon het aantal doden vaststellen. Ook in de timmerwerkplaats werden gevangenen  zwaar mishandeld, hoewel er nooit  één werd doodgeslagen. Maar in het algemeen  werd het gauw slechter. Zo sloeg ziekenverzorger Leppelt iedere dag de doodzieken in de ziekenzaal, en liet ze vervolgens aan hun lot over. Velen stierven.

Trampeman vertelt het geval van de Hollander Sipke de Hoop. Die werd ernstig ziek: hij had wekenlang zware arbeid verricht. Dat en de slechte voeding bezorgden hem een zware longontsteking. Hij kon niet meer werken, en dus werd hij op doodscommando gestuurd. Dan waren de omstandigheden nog veel slechter en werkte je dus tot je dood neerviel.

Vooral de buitenlanders werden zeer slecht behandeld. Trampeman praatte met de buitenlanders, en daarom noemden de bewakers hem ‘staatsvijand nummer één’: al zijn gesprekjes werden gerapporteerd bij de politie, waar hij zich geregeld moest verantwoorden.

Ook in Celle moesten de gevangenen werken voor allerlei bedrijven. In diverse afdelingen werden elektromotoren gemaakt (ankerwikkelaars) voor het bedrijf Trillke-Werke uit Hildesheim, een bedrijf dat door Albert Speer tot militair modelbedrijf was aangewezen, en onderdeel was van het Bosch-concern[iv]. Anderen werkten bij de meubelmakerij of in de drukkerij, de schoenfabriek van Gehrken uit Celle, in een recyclingbedrijf van oude legeronderdelen, de zakkenfabriek, de mattenfabriek of in de wagenfabriek. De werkzaamheden werden beloond met 10, 20, 30 of 40 Pfennig per dag. Er waren naast de zogenaamde Außenkommandos in onder andere Tiste en Westermünde ook nog drie à vier ‘boerencommando’s’. Tot slot waren er nog ‘stadscommando’s’ in Ratsmühle, en in de Trillke-fabrieken.

Mijn vader begon op 13 juni 1944 bij het mattenbedrijf, tot 6 september dat jaar. Toen werd hij wegens longtuberculose opgenomen in de ziekenzaal, een lange brede ruimte met grote ramen[v],  waar hij ruim vier maanden verbleef, tot 8 januari[vi]. In die eerste maand van 1945 stierven zeventien gevangenen en tot de bevrijding door de Britten op 15 april nog eens 211 in het inmiddels door overplaatsingen overvolle complex[vii].

Bij ons bezoek aan de gevangenis in 2001 konden mijn broer Martin en ik vaststellen, dat er nog steeds een meubelmakerij is, nu als Arbeitstherapie. Prijzen van houten speelgoed en meubelen op aanvraag.

celincelle
Afbeelding 5: Cel in tuchthuis Celle. Situatie 1963. Ansichtkaart.

Bij het NIOD ligt een lijst met Hollanders die tussen 1940 en 1945 in Celle vastzaten[viii]. Ik heb een kopie van een deel van die lijst, met 54 namen. De meesten waren, als ze niet in voorarrest zaten, veroordeeld wegens diefstal, heling, vervalsen. Er was iemand bij, die ook wegens onderduiken werd veroordeeld, een ander volgde bevelen van de regering niet op. Een paar luisterden naar een buitenlandse radiozender. Straffen voor deze groep varieerden van enkele maanden tot anderhalf jaar, een enkeling kreeg meer, tot zes jaar toe. Voor hoogverraad kreeg iemand vijf jaar tuchthuis, een ander voor voorbereidingen tot hoogverraad twee jaar. Een homoseksueel (althans een man die veroordeeld werd voor tegennatuurlijke ontucht) moest zes jaar zitten. Iemand die een deserteur had geholpen, werd tot twee jaar veroordeeld. De langst gestrafte was een deserteur: twaalf jaar en zes maanden. Niet veel korter moesten twee andere mannen zitten: tien jaar voor postdiefstal, en tien jaar voor ambtsverduistering. Deze laatste is mijn vader. Tien mannen van de lijst waren in de loop der tijd aan de politie overgedragen. Eén Nederlander werd officieel bij een vluchtpoging doodgeschoten (op 14 maart 1945). Zes van de 54 stierven tussen maart en april 1945 in het tuchthuis te Celle. Hoeveel doden er waren bij de Nederlanders die tussentijds naar andere gevangenissen en tuchthuizen werden afgevoerd, staat niet vermeld.

Begin april 1945 werden elf Nederlanders naar de gevangenis in Wolfenbüttel afgevoerd [ix].

 

[i] Dit huis werd gebouwd met publiek geld om de criminelen te bestraffen en de dwazen en de gekken te bewaken.

[ii] Wachsmann (2005), p. 272 e.v.

[iii] Hartung (1986), p. 183-184.

[iv] Manfred Overesch, Bosch in Hildesheim, 1937-1945: Freies Unternehmertum und Nationalsozialistische Rüstungspolitik. Göttingen. 2008.

[v] Karl Tuttas (1980), p. 257. Tuttas was een Duitse communistische verzetsstrijder., die eind jaren dertig twee keer een korte periode in Celle vastzat.

[vi] Data afkomstig uit brief Rode Kruis, Oorlogsnazorg aan mij, begin 2003 (eerste bladzijde ontbreekt).

[vii] http://www.celle-im-nationalsozialismus.de/Stationen/Zuchthaus.html

[viii] NIOD: ongedateerde Werklijst van de hand van L. Meijers uit Blerick (g[01.039]315.1).

[ix] Niet alleen naar Wolfenbüttel, ook naar Bützow-Dreibergen werd een groep afgevoerd.

De oorlogsjaren van mijn vader, deel 5.

5. ‘Hergabe seiner ganzen Arbeitskraft’.

Op 10 september 1943 wijzigde Rijksminister van Justitie Dr. Otto-Georg Thierack, en daartoe gemachtigd door de Führer zelf, de doodstraf van Cornelius Kentie in een tuchthuisstraf van 10 jaar[i]. Dit feit werd hem overigens pas tien dagen later op 20 september, waarschijnlijk door Staatsanwalt Goerck persoonlijk, in de gevangenis van Wolfenbüttel medegedeeld. Vervolgens verbleef hij nog eens negen maanden in Wolfenbüttel, zonder ooit bezoek te ontvangen.

Direct de dag nadat hem de gratieverlening was medegedeeld werd mijn vader aan het werk gezet. Gevangenisarbeid was lang een vorm van verheffing geweest, maar de nazi’s vonden, dat werken door veroordeelden een vorm van boetedoening was. Een veroordeelde moest door “Hergabe seiner ganzen Arbeitskraft dem Volksganzen” dienen. In 1939 werkten 250 van de 931 gedetineerden in de gevangenis zelf zoals in de Holzhof of de eigen tuinen, of ze werkten voor private ondernemingen, al dan niet gevestigd binnen de gevangenis. Onder deze bedrijven waren rubberverwerker Schroers & Simmerling, kachelpijpfabriek Grüttemans Nachfolger, de nog steeds bestaande lijmfabriek Ludwig Noltemeyer, erwtensorteerder Conrad Wrehde en de Hamburgse fabrikant van rubber matten H.C. Meyer jun. Bijna 500 gevangenen werkten bij zogenaamde Außenbetriebe bij bedrijven buiten de gevangenis. Ze verlieten nog vóór zes uur onder bewaking de gevangenis en kwamen ongeveer twaalf uur later weer terug. Enkelen van hen werkten bij tuinders. Anderen werkten in de kalkfabriek Bahl & Conen, bij de ‘Reichswerke Hermann Göring’ in Börßum en Braunschweig (nu onderdeel van Salzgitter), bij de railfabriek van Büssing & Sohn, bij transportbedrijf Walter Wagner of bij wegwerkbedrijf Gustav Stabbert. De meesten werkten bij de nog bestaande wegenbouwer Friedrich Preuße. Later werkten steeds meer gedetineerden bij Außenkommandos die direct voor de oorlogsindustrieën werkten. Deze gevangenen, uiteindelijk meer dan 800, werden gehuisvest bij hun arbeidsplaats.

buitencommando
Afbeelding 1: Een buitencommando aan het werk.

Op het formulier A36 uit de gevangenis van Wolfenbüttel staan voor mijn vader drie soorten door hem verrichte werkzaamheden vermeld: Zwiebeln, Gümmi en Matten. De uien hebben als begindatum 21 september 1943. Een maand later, op 19 oktober, gaat hij kennelijk aan het werk bij rubberverwerker Schroers & Simmerling. Wat hij ook deed, het betekende minstens elf uur per dag, zes dagen per week, het hele jaar door zonder enige pauze op de korte middagpauze na, werken.

holzhof-in-de-gevangenis-van-wolfenbuttel
Afbeelding 2: De Holzhof in de gevangenis van Wolfenbüttel.

‘s Ochtends kregen de gevangenen een stukje brood, tussen de middag was er koolraapsoep met wellicht wat aardappels erin, als je het geluk had één der laatsten te zijn die zijn portie kreeg, en ‘s avonds weer een stukje brood. Het was iedere dag honger lijden. Werkte hij buiten, op houten slippers en met veel te weinig kleren, zodat het in de winter voortdurend kou lijden was, dan was hij wellicht in staat wat te jatten, zoals Ton Velder vertelde.

Velder werd op 16-jarige leeftijd in Utrecht bij een razzia in Utrecht gearresteerd. De Duitsers zagen in zijn Ausweis een vervalsing, omdat ze niet konden geloven dat de ouder uitziende Velder pas 16 was. Via Scheveningen en Kleve belandde hij in Wolfenbüttel, waar hij tot de bevrijding verbleef. Hij was aan het werk gezet op de Holzhof, en vertelde me op 30 november 2001 over de werkomstandigheden. Het magere rantsoen wist hij een heel klein beetje aan te vullen dankzij de varkens. In een grote ruimte ergens in de gevangenis werden varkens gehouden. Op het binnenterrein stond ook een klein houten huisje, dat als wc diende. Erin stond een emmer, die, als hij vol was, geleegd moest worden in het varkenshok. Na het legen stopte men gauw wat bieten of knollen die voor de varkens bestemd waren, in de emmer. Met behulp van een uit blik gemaakt ‘mesje’ werden ze geschild, vooral om de poep en de pis te verwijderen. Als het binnenste was genuttigd, bestormden Polen en Russen het hok: zij aten de vervuilde schillen zonder aarzelen op. Eens in de zoveel dagen kwam er een kar met voer voor de varkens. Had je geluk, dan kon je uit de laadbak wat half rotte aardappels of ander voer gappen.

Er was sprake van enorme honger, en alleen al daarom was je nooit je leven zeker, zo vertelde Velder. Want van enige solidariteit onder de gevangenen was geen sprake. Voor een stukje brood kon je vermoord worden, en je wist nooit wie je kon vertrouwen. Je zat weliswaar met drie man in een cel, maten die je wellicht op den duur kon vertrouwen, maar de kans dat die op zekere dag op transport werden gesteld naar een andere gevangenis was groot. Gevangenen praatten niet veel met elkaar, want je kon zomaar verraden worden: anderen kon je niet vertrouwen. Je kon het zelfs wel eens treffen met de bewakers, in dienst van het ministerie van Justitie, en dus geen Gestapo of SS. Toch waren de meesten volgens Ton Velder allesbehalve zachtzinnig. Werkte je niet hard genoeg, of praatte je met een medegevangene, dan kon je een afstraffing met de gummilat verwachten. Betrapten ze je op sabotage, dan wachtte de guillotine. Want sabotage was zelfs bij het hout hakken mogelijk: een gevangene met technische kennis van de houtgeneratoren waarvoor ze waren bestemd, wist in welke vorm je ze moest hakken om de generatoren te verstoppen.

Ook volgens Velder wist iedereen van de doodstraffen. Dat lag als een doem over alle gevangenen. Hij zag vaak hoe ruwhouten kisten op een kar werden geladen en de gevangenis uit werden gereden. De kisten van gevangenen die waren gestorven door ziekte, honger of geweld stonden op een andere plek.

 

[i] In zijn dossier, aanwezig in het Niedersächsische Hauptstaatsarchiv te Hannover (Hann. 171A, nr. 638) is een afschrift van deze beschikking aanwezig, gedateerd 9 november 1944. De Staatsanwalt had daar op 26 mei 1944 om gevraagd omdat de originele stukken door ‘Feindeinwirkung’  vernietigd waren.

De oorlogsjaren van mijn vader, deel 4.

4. ‘Todeskandidat’ in Wolfenbüttel.

Mijn vader liet nooit de naam Wolfenbüttel vallen. Het was dan ook een verrassing toen ik bij het NIOD  zijn gevangenisdossier aantrof in een map van de strafgevangenis in die stad. Op 7 juni 1943 om 9.40 uur werd mijn vader in Wolfenbüttel ‘ingeboekt’ als nummer 271 onder de naam Cornelius Kentie en opgesloten in Haus II, het zogenaamde Rode Huis. Bij hem werd een bedrag van 77,28 RM aangetroffen, terwijl maximaal 50 RM in zijn bezit mocht blijven. Het teveel werd in beslag genomen, en later vond men nog eens 159,98 RM. Zijn weekloon bij zijn arrestatie was overigens 21 RM. Hij vulde de Aufnahmeverhandlung (formulier nr. 36 van het gevangeniswezen) in en werd in Einzelhaft en geboeid opgesloten, naar alle waarschijnlijkheid in een dodencel.

modell-der-anlage1
Afbeelding 1: Maquette van de gevangenis van Wolfenbüttel.

De gevangenis in Wolfenbüttel heeft zijn hoofdingang in een nauwe straat in het met eeuwenoude vakwerkhuizen volgebouwde historische centrum. Het hoofdgebouw van de gevangenis stamt uit 1506. In 1619 werd het voor het eerst een (militaire) gevangenis. Sinds 1790 is het een tuchthuis. In 1873 werden achter het hoofdgebouw twee cellencomplexen gebouwd, Haus I en Haus II. Her en der op het terrein staan werkplaatsen. De gevangenis werd vanaf het begin van de machtsovername door de nazi’s gebruikt voor het opsluiten van politieke gevangenen. In de tweede helft van de jaren dertig was bijna de helft van de circa 800 gevangenen veroordeeld vanwege politieke delicten. De gevangenis werd beheerd door regulier justitiepersoneel, en dat was aanvankelijk te merken. Joden mochten bij voorbeeld Pesach vieren en gebedenboeken hebben. Soms werd iemand tegen de zin van de Gestapo op strikt juridische gronden vrijgelaten. Maar de Gestapo kreeg in de loop der tijd steeds meer grip op de gevangenis, en het werd een beruchte gevangenis voor Nacht-und-Nebel-gevangenen (NN-gevangenen)[i].   De gevangenis had een capaciteit van duizend gevangenen, maar gedurende de oorlog verdubbelde dat aantal tot tweeduizend.

haus-ii
Afbeelding 2: Haus II te Wolfenbüttel, het Rode Huis (2001).

Op het binnenterrein van de gevangenis staat een oud gebouwtje, de oude smederij. Deze smederij werd in 1937 tot een executieplaats omgebouwd, nadat besloten was de voltrekking van de doodstraf te centraliseren in elf executieoorden. Een valbijl (guillotine), afkomstig uit een gevangenis in Hannover en een galg werden geplaatst, een bloedgoot gegraven, enkele ruimtes tot dodencellen verbouwd. Vanaf de herfst van 1943 werd Haus I, het ‘Grauen Haus’ de gevangenis van  de NN-gevangenen[ii]. Over hun verblijf weten we wat meer. Op de begane grond bevonden zich de dodencellen, die in 2001 nog als gewone cellen in gebruik waren.  Op de tweede verdieping, in de voormalige kapel, moesten deze gevangenen verrekijkers van de firma Voigtländer u. Sohn in elkaar zetten, iedere dag van zes uur ’s morgens tot zes uur ’s avonds. Alleen op dinsdag stopten ze al om vijf uur. Dan kwamen de beulen: dinsdag was executiedag.

grauen-haus
Afbeelding 3: Haus I, het ‘Grauen Haus’.

De Todeskandidaten werden door de wachtmeesters naar de guillotine gebracht. Hoeveel er op een dag werden geëxecuteerd, kon je dinsdagochtend al weten, omdat dan de ongebruikelijk korte kisten werden afgeleverd. Kort, want er werd op hout bezuinigd en de onthoofde lichamen waren nu eenmaal korter. Het afgehakte hoofd kon er altijd wel bij gepropt worden[iii]. De ter dood veroordeelde NN-gevangenen (meer dan 70 werden in Wolfenbüttel geëxecuteerd) zaten in de cellen op de begane grond, dag en nacht geboeid. Ook eten deden ze met de boeien om. Het galgenmaal was soep. Als dat op was, moesten ze zich uitkleden. Hun handen werden op de rug geboeid. Na 3 december 1943 kregen ze standaard een spuitje om het spreken onmogelijk te maken. Op die dag had een man uit Poitiers de Marseillaise gezongen tot het moment, dat zijn hoofd op de grond viel.

dodencellen
Afbeelding 4: De dodencellen in het ‘Grauen Haus’.

De gevangenen op de hogere etages van het Grauen Haus mochten niet kijken als de ter dood veroordeelden hun laatste gang maakten, maar deden dat toch en zagen dan hoe de ter dood veroordeelden tussen twee bewakers naar de oude smederij werden gevoerd. Daar namen twee mannen met bebloede schorten hen over en verdween men in het gebouwtje. Het onthoofden ging razendsnel: op 3 december 1943 werden bij voorbeeld in nauwelijks meer dan een kwartier tien leden van de verzetsgroep Renard geëxecuteerd[iv]. Na enige tijd arriveerde de vrachtwagen, waarmee de kisten werden afgevoerd, samen met het mes: dat moest geslepen worden voor de volgende keer.

Dat zijn details die de latere hoofdredacteur van Vrij Nederland Mathieu Smedts ooit opschreef. Smedts kwam op 14 maart 1944 in Wolfenbüttel aan. Hij was als verzetsstrijder op 17 november 1943 in Utrecht ter dood veroordeeld, en werd als NN-gevangene afgevoerd naar tuchthuis Sonnenburg (een speciale NN-gevangenis, waar per maand bijna twintig procent van de gevangenen stierf) en vervolgens naar Wolfenbüttel. Daar was het na Sonnenburg “pure verrukking de eerste dagen”, schreef hij later[v]. De cellen waren helder, er waren wc’s, veel bewakers waren redelijk correct. Maar toch werd Wolfenbüttel “een verschrikkelijker ervaring dan alles wat wij tot dan toe hadden beleefd”. En dat kwam door een klein huisje met daarin een guillotine. “Week in week uit, bijna elke dinsdag kwamen de beulen om enkele ter dood veroordeelden te onthoofden”.

Ook Smedts monteerde in de oude gevangeniskapel verrekijkers tot zes uur ’s middags. Op dinsdag werd er een uur eerder gestopt,

“want dan moesten onze brave wachtmeesters de ter dood veroordeelden uit hun cel naar de guillotine brengen. Zij zaten gelijkvloers beneden ons, de Todeskandidaten, zoals zij genoemd werden. Altijd waren zij geboeid. ’s Morgens werden de boeien hun twintig minuten afgenomen om hun bedden uit de cel te slepen en op de gang te leggen, twintig minuten ’s avonds om ze weer terug te halen. Ze aten met de boeien aan, zij zaten de hele dag alleen te wachten op hun dinsdag” [vi].

Toen Smedts er zat, was mijn vader geen Todeskandidat meer, maar de kans is heel groot, dat ook hij maandenlang in een dodencel angstig heeft gewacht op zijn dag des oordeels. Smedts hoorde ter dood veroordeelden in afwachting van hun executie krankzinnig worden. ’s Nachts werd soms de stilte doorbroken door “een gehuil dat je door merg en been ging. Een man die te lang alleen met zijn gedachten over zijn komende executie had gezeten, kon zich niet meer beheersen”[vii].

oude-smederij
Afbeelding 5: De oude smederij.

Overigens vermeldt dominee Hans Hüneke, die bij veel executies aanwezig was, een heel ander tijdschema. Eerst om de veertien dagen, later bijna elke dag werd er geëxecuteerd. Afwisselend met dominee Schubert was Hüneke twee keer per week als zielzorger aanwezig. Het ritueel begon ’s avonds om 19 uur. De verantwoordelijke officieren van justitie in hun toga’s, de griffier, een evangelisch en een katholiek geestelijke en twee ambtenaren betraden dan het executiegebouwtje. Vloer en wanden waren er met tegels bedekt. Een gordijn deelde de ruimte in tweeën. Achter het gordijn bevond zich de guillotine.

executieruimte
Afbeelding 6: De executieruimte in de oude smederij.

In het deel voor het gordijn stond een zwart bedekte tafel, waarachter men plaats nam. Vervolgens kwamen de ter dood veroordeelden één voor één binnen, gekleed in blauwe gevangeniskledij op houten slippers, de handen op de rug gebonden. De verantwoordelijke officier van justitie las nog eens het doodsoordeel voor, deelde mede dat het gratieverzoek was afgewezen en vertelde vervolgens dat de straf de volgende morgen om 5 uur zou worden voltrokken. De veroordeelde werd dan naar de cel in het gebouwtje gebracht.

mobiliar-der-todeszelle
Afbeelding 7: Meubels in een dodencel in de oude smederij.

Om 5 uur ’s morgens werd de executieklok in het torentje op de smederij geluid. Hetzelfde gezelschap als de avond ervoor verzamelde zich, aangevuld door een arts (om de dood van de onthoofden formeel vast te stellen), de beul en zijn twee helpers. De beul, een wat oudere vriendelijke man, was gekleed in rokkostuum met hoge hoed. Ook zijn helpers waren stemmig gekleed.

valbijl
Afbeelding 8: De valbijl.

Vervolgens werd de veroordeelde binnengebracht, met een blauw jasje over zijn ontbloot bovenlijf. De verantwoordelijke aanklager las nog eens voor, dat er geen gratie was verleend en zei dan: “Beul, doe uw plicht”.  Het gordijn werd opengetrokken, de guillotine werd zichtbaar. De beul ging ernaast staan, zijn helpers gingen aan beide kanten van de veroordeelde staan, trokken zijn jasje uit en grepen hem bij de armen. Snel brachten ze hem naar het schavot, legden hem op zijn buik neer. De nekplank werd vastgezet. En dan drukte de beul op een aan de zijkant bevestigde knop. De bijl viel met een luide klap, het hoofd viel in een leren zak, het bloed spoot sissend uit de halsslagader, de houten slippers vielen van de slap geworden voeten met een tik op de betegelde grond. Het gordijn werd weer gesloten. De beul kwam ervoor staan, en zei: “Das Urteil ist vollstreckt”.  De aanwezige geestelijke sprak hardop een Onzevader, waarbij alle aanwezigen hun hoofd ontblootten. Alles had nog geen vijf minuten geduurd. Vervolgens werden de andere veroordeelden onthoofd, eerst die in de dodencellen in de oude smederij, daarna de NN-gevangenen uit het Grauen Haus. Die moesten over het binnenhof gevoerd worden. Daarom stonden er overal gevangenbewaarders met geladen karabijnen, die er ook voor zorgden dat geen van de gevangenen naar buiten keek[viii]. Dominee Hüneke deed zijn werk in Wolfenbüttel tot maart 1943.

 

[i] Knauer (2000), p. 85-86.

[ii] Knauer (1990), p. 37. Gevangenisaalmoezenier Unverhau noemt in 1946 echter mei 1943: ibidem, p. 42.

[iii] Smedts (1978), p. 129.

[iv] Knauer (1990), p. 48-51.

[v] Smedts (1962), p. 57.

[vi] Smedts (1962), p. 57.

[vii] Cornelissen (2006), p. 64-65.

[viii] Hans Hüneke, Zehn Stunden vor der Hinrichtung; meine Arbeit an dem Strafgefängnis zu Wolfenbüttel 1942/43. Typoscript. Salzdahlum, juni 1951.

De oorlogsjaren van mijn vader, deel 3.

3. Sondergericht Hannover.

Na zijn arrestatie werd Cornelis Kentie waarschijnlijk gevangen gehouden in de politiegevangenis te Hannover, deel uitmakend van het hoofdbureau van politie in de Hardenbergstraße. Het lijkt waarschijnlijk, dat hij ook vast heeft gezeten in de Gerichtsgefängnis, gelegen direct achter het Centraal Station. Daar kan hij, zoals hij mij ooit vertelde, communistenleider Ernst Thälmann hebben gezien, die daar tot 11 augustus dat jaar als ‘Stargefangene’ was geïnterneerd[i].

polizei-hannover
Afbeelding 1: Hoofdbureau van politie in Hannover, 2001.
grundriss-erd
Afbeelding 2: Begane grond van het hoofdbureau van politie. Goed zichtbaar is het cellenblok.
deutschersohninhaft
Afbeelding 3: Ernst Thälmann in de Gerichtsgefängnis Hannover, 1943.

Op 21 mei 1943 verscheen Kentie voor het Sondergericht Abteilung I für den Oberlandesgerichtsbezirk Celle beim Landgericht in Hannover. Rechters bij deze bijzondere rechtbank waren Dr. Stein als voorzitter, dr. Hamelberg en dr. Schmedes[ii]. Verder was aanwezig de openbaar aanklager (Staatsanwalt) Hille[iii]. Er was waarschijnlijk geen tolk aanwezig. Onduidelijk is wie de toegewezen ‘Offizial-Verteidiger’ was. Beroep was na een uitspraak van zo’n bijzondere rechtbank niet mogelijk.

De Sondergerichte waren zeven weken na de machtsovername van de nazi’s, op 21 maart 1933 ingesteld. Ze waren nadrukkelijk bedoeld om de strijd van de nazi’s tegen hun politieke tegenstanders een juridische basis te geven. Zij moesten bij voorbeeld ertoe bijdragen om de vooral communistische en sociaaldemocratische tegenstanders van het Derde Rijk, die de nieuwe orde stiekem zouden proberen te ondergraven, ‘vollständig auszurotten’[iv].

Rechters bij de bijzondere rechtbanken waren vaak fanatieke nazi’s, die de opdracht hadden snelrecht te plegen en streng te straffen. Het waren ‘soldaten van het thuisfront’, die streden tegen ‘volksparasieten’, de Volksschädlinge[v]. In de loop der jaren nam het aantal verordeningen op grond waarvan de bijzondere rechtbanken recht spraken, toe. Daarbij ging het aanvankelijk vooral om de Heimtückeverordnung en de Rijksdagbrandverordening, maar na het begin van de oorlog kwamen daar onder andere de radioverordening (waarmee het verboden werd naar buitenlandse zenders te luisteren), de oorlogseconomieverordening en de zogenaamde Volksschädlingsverordnung (1 september 1939) bij. Daarmee verschoof het zwaartepunt van het strafrecht van de gewone rechtbanken naar de Sondergerichte. De Heimtückeverordnung verbood het onbevoegd dragen van uniformen, maar was vooral van belang vanwege paragraaf 3. Daarin werd een ieder met gevangenisstraf bestraft die opzettelijk een onwaarheid verspreidde met als doel het beschadigen van het Rijk of de achter het Rijk staande partijen of organisaties. Het bleek een effectief muilkorfartikel.

De al eerder gepubliceerde Reichtstagsbrandverordnung was opgesteld als reactie op het in brand steken van de Rijksdag door Marinus van der Lubbe op 27 februari 1933. De dag erna werd de verordening door president Hindenburg afgekondigd. Ze was officieel gericht tegen gewelddaden van communisten, maar beperkte in één klap de belangrijkste grondrechten. Het recht op vrije meningsuiting, de pers- en de vergadervrijheid werden afgeschaft. Voor afluisteren, vastzetten en het doen van huiszoekingen was geen enkele rechterlijke toetsing meer nodig.

Het Sondergericht Hannover (één van de uiteindelijk 74) voerde tussen 1933 en 1945 ongeveer 4200 processen. In 1943 werden de meeste gevoerd: ongeveer 820. Vanaf het begin van de oorlog (1 september 1939) tot 10 april 1945 sprak het 210 doodstraffen uit, 59 in 1943 alleen. 170 in die periode veroordeelden werden daadwerkelijk geëxecuteerd. 99 doodvonnissen waren gebaseerd op de Volksschädlingsverordnung van 5 september 1939.

In het Derde Rijk werden waarschijnlijk circa 45.000 doodvonnissen geveld. Meer dan de helft daarvan werd uitgesproken door de krijgsraden. 5243 doodvonnissen werden door het Volksgerichtshof geveld. De overige rechtbanken kwamen tot een totaal van zo’n 15.000, de meeste daarvan (zo’n 10.000) bij de 74 bijzondere rechtbanken.

Achttien vrouwen werden door het Sondergericht Hannover ter dood veroordeeld. Meer dan een kwart van de mannen (57) was buitenlander, de helft daarvan (29) Pool, en vier Nederlanders. Die vonnissen werden meestal in de executieruimte in Wolfenbüttel, waar een guillotine en een galg stonden, ten uitvoer gebracht. 24 doodvonnissen werden door de Rijksminister van Justitie omgezet in gevangenisstraffen. Het betrof zes vrouwen, één Pool en drie Nederlanders. Van de doodvonnissen tegen buitenlanders werd overigens 89%, vaker dan die van Duitsers, daadwerkelijk voltrokken[vi].

Met de Volksschädlingsverordnung konden ook simpele vergrijpen zwaar worden bestraft, zoals blijkt uit § 4:

“Wer vorsätzlich unter Ausnutzung der durch den Kriegszustand verursachten außergewöhnlichen Verhältnisse eine sonstige Straftat begeht, wird unter Überschreitung des regelmäßigen Strafrahmens mit Zuchthaus bis zu 15 Jahren, mit lebenslangem Zuchthaus oder mit dem Tode bestraft, wenn die das gesunde Volksempfinden wegen der besonderen Verwerflichkeit der Straftat erfordert”.

Deze paragraaf maakte het dus bovendien mogelijk om zowat iedere overtreding en ieder misdrijf door een bijzondere rechtbank  te laten behandelen. En dat was ook de bedoeling, zo liet het Rijksministerie in 1939 de rechters en aanklagers weten. De parasiet die zich aan het volk vergrijpt, heeft immers geen plaats meer in de Duitse gemeenschap. De verordening was ook niet zozeer tegen nauw omschreven daden, als wel tegen een bepaald daderstype gericht. Ze was gericht tegen mensen die volgens de nazi’s tekort schoten in hun op de gemeenschap gerichte houding. Dankzij de Volksschädlingsverordnung konden rechters en officieren van justitie naar totale willekeur straffen[vii].

De SS meldde op 3 februari 1941 dat het verduisteren en stelen van met name veldpostpakjes door postbeambten de laatste tijd enorm was toegenomen[viii]. In april 1942 werden de voedselrantsoenen drastisch gekort, en dat leidde tot een verdere toename van de diefstallen. Justitie reageerde met steeds zwaardere straffen, en het vaker uitspreken van de doodstraf op grond van de volgende redenering. Wie zich bezondigde aan het stelen van pakjes in zijn functie als ambtenaar, kon niet anders dan een Volksschädling zijn. Hij jatte immers Liebesgaben, die door de familie van een soldaat letterlijk uit de mond gespaard waren, terwijl de niet bereikte geadresseerde zich ook nog eens zorgen ging maken over de reden van het uitblijven van nieuws van het thuisfront. Zeer zware straffen waren dus op hun plaats. De hoeveelheid gestolen waar was daarbij niet zo van belang. Pakjes bevatten gewoonlijk ook niet veel levensmiddelen of tabak. Maar het was een misdrijf tegen de veldpost als instituut, en daarmee was het een aanval op een van de fundamenten van de oorlogsvoering. Je moest wel een gewetenloze misdadiger zijn als je je daaraan schuldig maakte. Je maakte je dan ook niet zozeer schuldig aan het overtreden van een bepaalde wet, maar je handelde tegen het gesunde Volksempfinden, de gezonde opvattingen van het volk. En dus was je extra schuldig. Dat gezonde volksgevoel hoefde verder niet gedefinieerd te worden of in wetten vastgelegd.  De bijzondere rechter van het Sondergerichte vertegenwoordigde dat volksgevoel[ix]. Bij het stelen van veldpost was het toepassen van de Volksschädlingsverordnung dan ook verplicht.

Die redenering werd ook gehanteerd tegen mijn vader. De diefstal van de zevenenveertig pakketten was niet alleen strafbaar volgens de paragrafen 359, 350, 354, 348 en 349 van de strafwet, zo luidde het oordeel van de rechters, maar was vooral een vergrijp tegen genoemde § 4 van de Volksschädlingsverordnung, want hij had gebruik gemaakt van de bijzondere oorlogsomstandigheden. Veldpost bestond immers als gevolg van die oorlog, en er was door de oorlogsinspanningen gebrek aan toezichthoudend personeel. Het misdrijf was des te verwerpelijker, omdat hij zich had vergrepen aan goederen, die de “deutsche Volksgenossen  ondanks de schaarste bij elkaar hadden gespaard om hun verwanten “an der Front eine Freude zu machen und ihnen die Gewissheit zu geben, dass die Heimat an sie denkt”.  Als de dader als buitenlander dat niet helemaal had kunnen navoelen, dan had hij toch met zijn gezond verstand kunnen begrijpen, dat hij met zijn daad de band “zwischen Front und Heimat” verstoorde, zo stelde de rechtbank. De dader wist toch ook dat hij zich aan de wetten van de nationaalsocialistische staat diende te houden. Het verweer dat hij zich niet bewust was dat deze daad zo zwaar gestraft werd, hield geen stand. Bijzonder verwerpelijk was volgens de rechtbank, dat Kentie in zo’n korte tijd zoveel pakjes had weten te jatten. En ook al had aangeklaagde een blanco strafblad, het gesunde Volksempfinden vereiste ter bescherming van de veldpost en de band tussen front en vaderland de doodstraf. Aanvullend werd mijn vader veroordeeld tot eeuwig eerverlies.

 

 

[i] http://hannover.vvn-bda.de/ggh.php?kapitel=13. Dezelfde bron meldt, dat alle gearresteerden eerst in de Gerichtsgefängnis werden geïnterneerd:  http://hannover.vvn-bda.de/ggh.php?kapitel=5.  In eerdere versies stelde ik, dat mijn vader beweerd had Thälmann in Bergen-Belsen te hebben gezien. En dat dat dus niet waar kon zijn. Wellicht is Bergen-Belsen verkeerd herinnerd, maar hij kan dus wel degelijk Thälmann gezien hebben.

[ii] Dr. Gernot Stein (24-8-1912) was directeur van het Landesgericht te Celle. Na de oorlog klom hij op tot Senatspräsident van het Oberlandesgericht te Celle. Ook Hamelberg en Wilhelm Schmedes (1899-1978) vervolgden na de oorlog hun carrière tot in de jaren zestig. Mechler, p. 17-18 (n. 15). Schmedes sprak circa 80 keer de doodstraf uit, maar dat belette hem niet om directeur van het Landesgericht in Hannover te worden. In 1962 werd zijn nazi-verleden onthuld. Hij ging daarop met pensioen (Rohde, Reinhard (2003): Niedersächsische Juristen. Ein biographisches Lexikon; in: Revista 21, Dez.    2003 / Jan. 2004, S. 14).

schmedes
Afbeelding 4: Dr. Wilhelm Schmedes.

[iii] Fritz Hille (4 maart 1907) was na de oorlog Oberstaatsanwalt te Detmold.

[iv] Mechler (1997), p. 31.

[v] Wachsmann (2005), p. 109, 187.

[vi] Mechler (1997), p. 31-46.

[vii] Knauer (1990), p. 81.

[viii] Heinz Boberach, Meldungen aus dem Reich 1938-1945; die geheimen Lageberichte des Sicherheitsdienstes der SS. Hersching: Pawlak Verlag, 1985. P. 1971. Geciteerd in Mechler, p. 168 (n. 505).

[ix] Mechler (1997), p. 169.