Floralia en Park Frankendael

Floralia en Park Frankendael

Een rustig en beschaafd gezelschap, dat hier vandaag op Frankendael aanwezig is. Dat was bijna op de dag af 139 jaar geleden, op woensdag 3 september 1873, wel anders. Toen renden er hier honderden kinderen rond. Ze klommen in palen, waren aan het koekslaan,  aan het zaklopen, ringsteken,  deden gymnastiekoefeningen of liepen achter de muziek aan. En dat alles voor mooie prijzen: suikerbroden, hele hammen, zelfs een zilveren horloge. Het waren niet zomaar kinderen. Nee, ze waren afkomstig uit de meest deplorabele Amsterdamse achterbuurten en hadden, als ze uit de Jordaan kwamen,  meer dan een uur moeten lopen, soms op blote voeten, naar deze ver buiten de stad liggende buitenplaats. (Velen kwamen wellicht voor het eerst buiten de stad of zelfs buiten hun buurtje.) Ze deden aan de kinderspelen mee omdat hun ouders aan de Floralia-tentoonstelling en -wedstrijd meededen. Wat was dat?

Een jaar eerder had een Zwolse adellijke weduwe, de douairière Backer, samen met haar tuinman, aan de armen in de stad stekjes van geraniums, fuchsia’s, dahlia’s uitgedeeld die ze moesten opkweken voor een wedstrijd in het najaar.  Wie de mooiste planten inleverde, kon een prijs winnen: een geldbedrag of een diploma.

Een briljant idee, vonden verschillende groepen vooraanstaande Amsterdammers. Om te beginnen de mannen van de tuinbouwmaatschappij Linnaeus, vijf jaar eerder opgericht en al direct koninklijk, en hier gevestigd op Frankendael. Linnaeus  timmerde hard aan de weg. Er kwam een school met internaat,  kassen,  een weekblad. Het sponsoren van zo’n kweekwedstrijd is een mooie vorm van reclame, zal men gedacht hebben.

Linnaeus benaderde de Vereeniging tot Veredeling van het Volksvermaak, die een jaar eerder door dominee Hugenholtz was opgericht. Na decennia actie tegen de jaarlijkse kermis had de gemeenteraad besloten deze binnen enkele jaren op te heffen. Die kermis was in de ogen van velen een bron van ernstige verdorvenheid en ellende, vooral voor de werkende stand. Bizar dus, dat men verwees naar de  Romeinse lentefeesten ter ere van Flora. Die Floralia overtroffen in losbandigheid en verdorvenheid alle Amsterdamse kermissen bij elkaar. In Rome draaide het om openbare sex en gratis drank en gedoe met dieren in het Circus Maximus. Maar goed: in Amsterdam  waren er alternatieve feestelijkheden nodig en Volksvermaak nam die taak op zich.

De derde club die meedeed was het departement Amsterdam van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen, onder leiding van dominee Perk (de vader van dichter Jacques Perk). Het Nut bevorderde al bijna honderd jaar spaarzaamheid en huiselijkheid. Op 13 maart richtte Perk met tien heren van stand in lokaal de Karseboom het comité Floralia op. Een collecte onder hun standgenoten leverde 1000 gulden op, genoeg om de stekjes te subsidiëren, maar minder dan gehoopt. Linnaeus stelde daarom dit terrein, Frankendael, om niet ter beschikking voor de tentoonstelling, het kinderfeest en alles wat erbij kwam kijken.

Op zes plekken in de stad konden leden van de werkende stand in het voorjaar van 1873 voor vier cent per stuk stekjes bestellen. Alleen in de Jordaan was er sprake van enige belangstelling. Uiteindelijk haalden 370 mensen hun stekjes op, en die kregen daarbij een toegangsbewijs voor de tentoonstelling én een deelnamebewijs voor twee kinderen voor de kinderspelen.

Op 28 augustus leverden 325 mensen hun opgekweekte planten in. Een jury koos de winnaars, twee dagen later opende  de tentoonstelling haar deuren. Burgemeester Van Tienen van de Watergraafsmeer was daarbij, zijn Amsterdamse collega Den Tex kwam natuurlijk te laat (drukdrukdruk, en best wel ver). Wel op tijd waren de leden van het organiserend comité, herkenbaar aan een groen strikje, zoals ds. Perk, ds. Adama van Scheltema, de filantroop J.F. Wertheim,  C.A.A. Dudok de Wit en H.D. Willink van Collen van Guntherstein.

Op lange tafels stonden de dertienhonderd fuchsia’s, geraniums en begonia’s opgesteld.  Op die eerste dag, een zaterdag, bezochten zo’n tweehonderd mensen de tentoonstelling. De volgende dag kwamen er wel zesduizend opdagen. ’s Avonds werd er een concert gegeven. Om de schaarse stoelen werd nog net niet gevochten, maar een groepje dronkenlappen moest wel door de politie worden verwijderd.

Op maandagavond werden de prijzen uitgereikt. Er waren heel wat prijzen, maar de grote winnaar was ene Ten Napel. De deftige heren moesten wel een beetje lachen om zijn uitspraak van Lineus (rijmt op reus), maar zagen toch dat ze het hart der mindere klasse hadden weten te raken.

Het jaar daarop, 1874, werd het tijdelijke comité omgevormd tot een vereniging, de eerste Floralia-vereniging in Nederland. Men had geleerd van wat er goed en fout was gegaan, en het festijn werd met veel groter succes herhaald. Negenduizend stekjes werden er aangevraagd. Half augustus dit keer opende de tentoonstelling in stromende regen, en weer hier op Frankendael. Op woensdag kwamen honderden kinderen onder leiding van hun onderwijzers chaotisch en zingend naar de Watergraafsmeer gelopen. Ze mochten direct weer terug. Vanwege het slechte weer was het feest uitgesteld naar zaterdag. Het Handelsblad deed van die zaterdag in twee grote artikelen bijna live verslag.

(Uit Het Handelsblad: 1954 kinderen deden er mee met de wedstrijden. 152 kinderen deden mee aan het mastklimmen, 113 liepen er over de boegspriet, 366 sprongen touwtje, 104 wierpen hoepels, bij de poppenkast van L. Sampimon waren 500 plaatsen. Weer was er een muziekkorps (de militaire kapel van Sonneman), en weer waren B&W van Amsterdam en de burgemeester van Watergraafsmeer aanwezig. De regen bleef weg. De prijzen: zilveren horloges, gouden stelletjes, werkdoosjes, breimandjes, zakdoeken, hammen, stoffen om broeken van te maken: er was veel te winnen. Iedereen kreeg een prijs dankzij de loterij zonder nieten. Het was waanzinnig druk in de Watergraafsmeer. Rondom Frankendael stonden handelaren. Op de molenvaart barstte het van de scheepjes. De lanen van het landgoed stonden vol met eenvoudige tentjes van de ouders van de kinderen.)

De stekjeswedstrijd was ook een groot succes. De tentoonstelling stond er beter bij dan het jaar daarvoor: de stekjes stonden nu uitgestald op tafels aan weerszijden van de grote laan daar verderop. Vijftien deelnemers wonnen de eerste prijs: een gouden tienguldenstuk. Dat was voor velen bijna een dubbel weekloon! Een zelfde aantal tweede prijzen (vijf guldenstukken) werden uitgedeeld. De derde prijs was een getuigschrift. Dat getuigschrift werd niet uitgereikt aan P. van der Linden. Die werd betrapt als oplichter: hij had zijn plant niet zelf opgekweekt! Van der Linden maakte pijnlijk duidelijk wat er mis was met de stekjeswedstrijd.  Want wat voor de heren van stand een interessante uit Engeland overgewaaide hobby was: tuinieren, was voor velen in de kelderwoningen en krotten van de Jordaan en andere buurten toch wel iets raars. De helft van de Amsterdammers behoorde tot de werkende stand, een kwart daarvan woonde in éénkamerwoningen in kelders, op zolders enzovoort. In die bedompte hokken ontbrak het aan twee belangrijke voorwaarden voor de plantengroei: licht en water. De plantjes stonden dan ook in dakgoten, op platjes of buiten op de vensterbank (waardoor er nog minder licht binnenkwam). Niet zo gek dat sommigen slim dachten te zijn om voor een paar centen vlak voor de tentoonstelling bij een professionele kweker een plant te kopen en die in te zenden. Als gezegd: er waren mooie prijzen en een behoorlijke kans om er één te winnen: dat konden velen prima berekenen. Er was een kans van misschien wel 1 op 50 op een geldprijs 

Dus moesten de heren van het comité maatregelen nemen. Ze stopten eerst stukjes lood bij de stekjes. Won je een prijs, dan kon met wat graven worden vastgesteld of dat wel terecht was. Makkelijk te vervalsen, natuurlijk. Dus moest men gaan controleren middels onaangekondigde huisbezoeken: stond er wel ergens een fuchsia te groeien? Stekjes bleken een breekijzer om achter de voordeur van de armen te komen: “alle [deelnemers aan Floralia] kunnen dus elk oogenblik de komst van een der [bestuurs]leden verwachten”, en dat alleen al zou zorgen voor netheid en orde, schreef dominee Perk in 1881. Woonbeschaving, huiselijkheid, had hij inmiddels ontdekt,  moest onder begeleiding aangeleerd worden. Huisbezoeken bij armoedzaaiers (het achter de voordeur komen): dat was nieuw. Ongeveer dezelfde tijd begon Liefdadigheid naar Vermogen daarmee in Amsterdam,  naar Duits voorbeeld: het Eberfelder stelsel.

Het Nut komt wellicht door zijn ervaringen met huisbezoeken als deze in 1890 met een zeer invloedrijk rapport over de huisvesting van arbeiders. Het rapport was een belangrijke stap op weg naar de Woningwet. Het Nut stelde in dat rapport vast dat volksopvoeding pas kon beginnen als de volkshuisvesting wordt verbeterd. Betere woningen, maar ook: streng toezicht en huisbezoeken door woningopzichteressen, nu naar Engels voorbeeld (Octavia Hill).

Frankendael was al lang uit het zicht verdwenen. Al snel na het begin verplaatsten de tentoonstellingen zich naar de stad, wellicht vanwege toenemende kritiek op de bazen van Linnaeus: een topzwaar management: drie directeuren en een huismeester waar een enkele huismeester genoeg zou zijn geweest, schrijft iemand in de krant. Professionele kwekers hadden last van de valse concurrentie. Linnaeus ging vanwege financieel wanbeheer niet veel later ten onder. De Floralia-manifestaties waren toen al naar Amsterdam zelf verplaatst, en voortaan zonder de kinderfeesten.

In 1876 waren er ernstige onlusten in de stad geweest vanwege het niet plaatsvinden van de kermis: het kermisoproer. Tien jaar later haalden Jordaners hartje zomer (eind juli) een oud volksgebruik uit de mottenballen: over de Lindegracht werd een levende paling gehangen die vanuit bootjes moest worden losgetrokken. Dat mocht niet. De politie greep hardhandig in. Rellen. De politie werd verjaagd. Het leger werd ingezet. De bewoners bekogelden de soldaten vanuit hun huizen en vanaf de daken met van alles en nog wat, waaronder veel bloempotten met daarin vast en zeker al bijna volgroeide fuchsia’s en begonia’s. Er werd met scherp teruggeschoten: 26 doden, honderden gewonden. De Amsterdamse Floraliavereniging intussen kwijnde weg. In 1908 was het voorbij. Elders, bij voorbeeld in Nieuwe Niedorp, bestaan er nog steeds Floraliaverenigingen.

Theo Kentie

Sept. 2012