Mijn contacten met de CIA.

In 1981 gaf ik een berucht CIA-agent een hand.

In 1981 woonde ik met Marian en Josje op de Rooseveltlaan in Amsterdam. Op 19 mei werd dochter Roos geboren. Dat jaar 1981 was ook het jaar van de grote vredesdemonstratie in Amsterdam. Bijna een half miljoen mensen demonstreerden op 21 november tegen de plaatsing van kruisraketten, waaronder wij.

De demonstratie werd georganiseerd door het IKV, en niet door het Comité Stop de Neutronenbom, dat door velen (waaronder ik) gezien werd als een mantelorganisatie van de CPN. Het comité werd, zo bleek later, zelfs opgericht op verzoek van Moskou: de Sovjets wilden de banden met de CPN herstellen, nadat haar grote leider Paul de Groot eindelijk aan de kant was geschoven. Via de DDR ontving dit Comité zijn gelden,  en zoiets werd in de tijd zelf door velen al vermoed.

Natuurlijk wisten de Amerikanen dit toen ook al. In ons land was het verzet tegen de neutronenbom gigantisch, en in de loop van 1981 besloten ‘de Amerikanen’ om een tegenoffensief te starten, in eerste instantie door journalisten te benaderen en van tegeninformatie te voorzien.

Marian was journalist. Ze had bovendien een goede vriendin, Kathy Heckscher. Kathy was typiste bij het SISWO, een inmiddels opgeheven sociaal-wetenschappelijk instituut, en woonde toen in de Amsterdamse Ruyschstraat op een zolderverdieping. Daar stond trots het standaardwerk van haar vader over Rembrandts anatomische les van Dr. Tulp[1].

Toen Roos werd geboren, stuurde die vader van Kathy een pot vitaminen naar Marian vanuit Martha’s Vineyard in de Verenigde Staten. William S. Heckscher was een beroemd kunsthistoricus. Tussen 1955 en 1965 was hij hoogleraar in Utrecht, en daar leerden Kathy en Marian elkaar kennelijk kennen. Als zoon van de Duitse ambassadeur leefde hij net na de Eerste Wereldoorlog enkele jaren in Den Haag. Prins Hendrik himself reed hem rond in Den Haag in diens koets. Hij ging daar naar school, en sprak dus goed Nederlands: hij zat met de latere koningin Juliana op het Nederlandsch Lyceum in Den Haag, had er de bijnaam ‘spitsmuis’,  en werd in 1920 van school geschopt [merkwaardige memoires, uitgetypt vanaf tape: zie https://archive.org/stream/gratiadeisumquis00heck/gratiadeisumquis00heck_djvu.txt).

William Heckscher kwam van oorsprong uit Hamburg, waar hij in de jaren dertig bij Panofsky had gestudeerd. Panofsky vluchtte als Jood naar Amerika, en werd een van de belangrijkste kunsthistorici daar, hoogleraar in Princeton. Ook Heckscher belandde daar in 1936, maar in 1940 werd hij als Duitser geïnterneerd in het Verenigd Koninkrijk en Canada. Na zijn vrijlating raakte hij bevriend met Albert Einstein. In 1961-1962 schreef hij daarover in het Hollands Maandblad, in het Nederlands en als Willem S. Heckscher. In dat blad schreef hij wel vaker.

William had een broer, Henry Heckscher, en die belandde bij de CIA. Er is veel geheimzinnigheid om hem heen. Veel foto’s zijn er niet van hem overgeleverd. Hij speelde een grote of mindere grote rol bij belangrijke historische gebeurtenissen. Zo komt hij aan de oppervlakte rondom de moord op Kennedy, in 1963[2].

Figuur 1: Henry Heckscher

Heckscher was ook eind jaren dertig naar de VS vertrokken, nam dienst in het leger, maakte deel uit van de invasie in Normandië en raakte gewond in Antwerpen[3].

Hij werd geworven door de OSS (Office of Strategic Services), een voorloper van de CIA en interviewde o.a. topnazi Julius Streicher. In 1947 kwam hij in dienst bij de CIA en werd hoofd van de contraspionage in Berlijn. Toen in 1953, direct na de dood van Stalin, in Berlijn rellen uitbraken,  vroeg hij bij zijn bazen toestemming om de relschoppers te bewapenen. Het verzoek werd geweigerd. De Sovjets konden de opstand onderdrukken, en er was ook geen escalatie naar een groter conflict. In Berlijn was Heckscher ondergeschikt aan William King Harvey, die al vroeg clashte met Kim Philby en Guy Burgess. Hij en Heckscher waren beiden natuurlijk betrokken bij het geheime tunnelproject Operation Gold. Harvey schakelde later de maffia in om Castro te elimineren, en bouwde later in Italië het beruchte Gladio netwerk op. Ook doken hij én Heckscher op in samenzweringstheorieën rondom de moord op Kennedy.

Vervolgens werd Heckscher ‘koffiehandelaar’ in Guatemala. De CIA startte daar de operatie PB/SUCCESS met als doel een coup te plegen tegen president Jacobo Arbenz, samen met de latere Watergateverdachte Richard Helms. Henry kocht militaire bevelhebbers om. De jonge Argentijn Ernesto Che Guevara probeerde daarom burgermilities te bewapenen, maar dat mislukte dankzij omgekochte militairen. Een door de CIA betaald rebellenleger dreigde vanuit Nicaragua op te rukken. Arbenz vreesde een bloedbad, en trad af.

President Eisenhower was zo verguld met dit succes, dat hij Heckscher en anderen, waaronder CIA-directeur Allen Dulles, voor een debriefing uitnodigde op het Witte Huis. In 1958 werd Heckscher CIA-baas in Laos. Hij was het niet eens met de Amerikaanse neutraliteitspolitiek daar en begon geheime operaties om het land te ontregelen. De Amerikaanse ambassadeur vroeg daarom om zijn overplaatsing. Heckscher belandde in Thailand en deed daar geheime grensoverschrijdende activiteiten in de Gouden Driehoek. In 1959 duikt hij in Japan op, maar al snel gaat hij aan de slag in de geheime operaties om Fidel Castro te vermoorden. Hij was de case-manager van de Cubaan Manuel Artime. Deze Artime probeerde vanaf het begin van diens machtsovername Castro omver te werpen. Zo wierp hij in 1959 vanuit een CIA-vliegtuig pamfletten boven Havana, waarin hij opriep tot een opstand. Toen dat niet gebeurde, vluchtte hij met een hoop geld naar de VS. Hij raakte bevriend met Bobby Kennedy, was een van de leiders bij de Varkensbaai-operatie, werd gevangen genomen en vrijgekocht door vrienden. Vervolgens maakte hij met o.a. E. Howard Hunt, ook bekend geworden door het Watergateschandaal, allerlei plannen om Castro te vermoorden. Er is wel gesuggereerd, dat Artime een dubbelagent was, maar hij kreeg in 1963 7 miljoen dollar van de CIA om vanuit Nicaragua met een legertje van 300 man Castro te verjagen. Na de moord op Kennedy stopte president Johnson deze operatie. Artime leverde later het zwijggeld aan de Watergate-inbrekers. Toen hij in 1975 voor de senaatscommissie moest verschijnen die mogelijke CIA- en FBI-moorden onderzocht (waaronder de moorden op Kennedy en Martin Luther King), stierf hij binnen de kortst mogelijke keren aan kanker, volgens stafonderzoeker Gaeton Fonzi van deze commissie een mysterieuze dood: ‘he got cancer awfully fast’.

Heckscher ondertussen werd in 1967 CIA-chef in Chili. Hij en ambassadeur Korry probeerden tevergeefs te voorkomen, dat Salvador Allende tot president werd gekozen. Later werkte hij samen met Patria y Libertad, en met CIA-agent Michael Townley. Deze club en Townley waren betrokken bij veel politieke moorden op tegenstanders van het nieuwe rechtse regime. Zo vermoordden ze voormalig legerhoofd Carlos Prats, die na een door Townley georkestreerde campagne in augustus 1973 vervangen werd door generaal Augusto Pinochet.  Op 30 september 1974 werd Prats, met zijn vrouw, vermoord in Buenos Aires. Het was Townleys taak, inmiddels werkzaam voor de geheime dienst van Pinochet, de Dina,  om dissidenten uit de weg te ruimen. In september 1975 werd voormalig vice-president Bernardo Leighton in Rome door fascisten vermoord. Ze werden aangestuurd door Townley. In september 1976 werd in hartje Washington oud-minister onder Allende Orlando Letelier door een autobom vermoord. Hiervoor werd Townley veroordeeld[4].

In 1970 was Allende ondanks alles toch gekozen. Heckscher speelde vervolgens als lokale CIA-baas een grote rol in FUBELT, de geheime operatie om Allende middels een coup te verjagen, wat in september 1973 uiteindelijk lukte. In 1971 was Heckscher overigens officieel met pensioen gegaan. In de zomer van 1981 kwam hij naar Amsterdam om met Marian te spreken over het nut van neutronenbommen. Ik weet niet, of ze het daar over hebben gehad. Voordat ze samen naar de Utrechtsestraat vertrokken om er te eten, gaf ik voormalig CIA-agent Henry Heckscher een hand. Hij stierf in 1990. Hij had in zijn leven geprobeerd vier regeringen omver te werpen, en slaagde daar twee keer in[5].

 

 

[1] William S. Heckscher, Rembrandt’s Anatomy of Dr. Nicolaas Tulp. New York: New York University Press, 1958.

[2] Legacy of Secrecy: The Long Shadow of the JFK Assassination

Door Lamar Waldron,Thom Hartmann. P. 39.

[3] Het volgende ontleend aan http://spartacus-educational.com/JFKhecksher.htm.

[4] Over Townley: http://spartacus-educational.com/JFKtownleyM.htm. Deze moorden staan mij goed bij. Ik was in 1975 en 1976 secretaris van het Utrechtse Chili-comité, een comité waarin ook ander Chileense partijen dan de PS participeerden.

[5] Zie ook: http://educationforum.ipbhost.com/topic/9138-henry-hecksher/

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.