Voorouders I: de Bernhard-tak

Hier wordt nog gewerkt.

Voorouders Bernhard.

Tot en met de zevende generatie van mijn voorouders, dus vanaf ongeveer 1700, is meer dan 95% traceerbaar in de archieven. Ze kwamen bijna allemaal van Goeree-Overflakkee, uit de Alblasserwaard of uit de omgeving van Woudrichem: Zuid-Hollandse, zwaar calvinistische klei, ook al hoort Woudrichem nu tot Noord-Brabant. Als we Dordrecht als centrum nemen, dan werden de ‘verste voorouders’ hooguit zeventig kilometer verderop geboren (Ouddorp, Oud-Vossemeer): een paar uurtjes fietsen, minder dan twee dagmarsen.

De Bernhards.

Een opvallende uitzondering is de Bernhard-tak. Schippersknecht Johan Hendrik trouwde weliswaar in 1825 in Sliedrecht, en vestigde daarmee de Sliedrechtse dynastie, die zich aan het eind van de 19e eeuw verbond met de Kentie-dynastie. Maar zijn directe voorouders lieten een spoor na dat loopt vanuit Pruisen en Hessen via Den Haag en Leiden naar Hoorn, Enkhuizen, Alkmaar en Amsterdam. De eerste voorouder Bernhard in ons land zag zelfs Kaapstad en Batavia.
Zo’n zwerftocht is voor onderzoek in doop-, trouw- en begrafenisboeken niet erg handig. Het lijkt er bovendien op, dat Johan Hendrik en zijn nakomelingen hun uiterste best hebben gedaan om latere archiefonderzoekers het leven zuur te maken. Hij, zijn vrouw en zijn nakomelingen komen voor met allerlei naamsvarianten. Bovendien krijgen sommigen precies dezelfde naam als van vader, een oom of een tante. Er worden verschillende geboorteplaatsen vermeld van de stamvader en dat van zijn vrouw. Hun drie dochters trouwden met drie broers, alle drie met de achternaam Rondhout, ook weer een achternaam met de nodige spellingvarianten. Zijn vijf kinderen werden dankzij verhuizingen in verschillende steden geboren. Maar waar precies is bij drie van de vijf nakomelingen niet bekend.
De eerste vrouw van zoon Balthasar heeft een achternaam die verder in ons land nauwelijks voorkomt en voorkwam. Dat geldt ook voor de achternaam van zijn schoonmoeder. Balthasars tweede vrouw, die hij in Amsterdam trouwt, heeft een naam die juist heel vaak voorkomt: in Amsterdam alleen gaat het om tientallen naamgenoten met ongeveer gelijke leeftijden. En dus zijn haar sporen vooralsnog niet te traceren.
Toch laten de Bernhards juist weer meer sporen dan gemiddeld na. Ze zijn van oorsprong evangelisch-luthers. Veel lidmaatschapsboeken van dit kerkgenootschap zijn bewaard gebleven, en gepubliceerd. Gezien de omvang van de evangelisch-lutherse kerk zijn die te overzien. Helaas lijken er wel veel overschrijffouten te zijn gemaakt. Plaatsnamen waarvandaan een ingeschreven Bernhard zou komen, lijken vaak niet te kloppen.

Van Den Haag via Leiden naar Hoorn.

Johan Hendrik Bernhard kwam volgens de ene bron uit Aschersleben, volgens een andere uit Gröningen, Pruisen dus. Hij trouwde in Den Haag, op 18 maart 1753, met Maria Elisabeth Discher (of Disschern of iets wat daar op lijkt). Wellicht was dat de Maria Elisabeth Disser die in 1733 in Mainhausen-Zellhausen, in Hessen, werd geboren. Het trouwregister spreekt van het 75 kilometer westelijker gelegen Schlangenbad. Johan Hendrik zou ruiter geweest zijn en dus wellicht als huurling zijn gekomen, maar in militaire archieven op internet is hij niet terug te vinden.
In Den Haag werd in 1754 zoon Balthasar Leonhard geboren. Twee dochters werden vervolgens in Leiden gedoopt: Maria Elizabeth op 18 april 1755 en Maria Christina op 20 maart 1758. Maria Christina heet later, ook officieel, Engeltje Christina. Er volgden nog twee kinderen: Rosina Frederica, in 1766 (zij zou wel eens in Haarlem geboren kunnen zijn), en Johan Bernard, waarschijnlijk geboren in 1774, wat dan in Hoorn moet zijn gebeurd, maar dat is niet terug te vinden in de bewaard gebleven doopboeken.
Want in 1758 duikt de familie in Hoorn op. Waarom ze daar terechtkwam, is niet duidelijk. Hoorn was overigens, als een van de VOC-steden een ‘multiculturele’ samenleving. Op 1 oktober werden de ouders als lidmaten van de evangelisch-lutherse kerk ingeschreven: Johan Hendrik uit Aschersleben, en Maria Elizabeth Tissen uit een voor de uitgever van het lidmaatschapsregister onleesbare plaats. Ze worden door die uitgever ook al vermeld op 1 oktober 1753, maar dat moet een overschrijffout zijn. Zijn drie dochters doen overigens in 1771, 1774 en 1778 geloofsbelijdenis in die Hoornse kerk.
Dan neemt het leven een merkwaardige wending: Johan Hendrik monsterde aan op het VOC-schip Bredenhof en vertrok op 7 december 1773 naar Batavia . Het spiegelretourschip was in 1771 in Hoorn gebouwd en had een bemanning van ruim 250 man onder commando van Marten Pietersz. Mooy. Johan Hendrik is hooploper, de laagste rang aan boord: een hulpje voor de matrozen. Een vreemde carrièrestap voor iemand die toch boven de veertig moet zijn. Dat suggereert armoede en wanhoop. Of zocht hij het avontuur? Wilde hij weg van problemen thuis? Op 21 juli 1774 arriveerde hij, na een tussenstop op de Kaap, in Batavia. Ergens in dat jaar moet zijn jongste zoon zijn geboren.
Na anderhalf jaar varen is hij terug: op 24 april arriveerde het schip op de rede van Texel, op 24 juli 1775 monsterde hij in Hoorn af. Tijdens zijn terugvaart was niet alleen een zoon geboren, maar overleed ook zijn vrouw Maria Elisabeth Discher: op 12 november 1774, als Johan Hendrik zich midden op de Indische Oceaan bevindt, wordt hij weduwnaar.
Johan Hendrik zat niet bij de pakken neer. Al op 10 december 1775 hertrouwde hij met Helena Cornel uit de Nieuwe Westerstraat in Enkhuizen. Een jaar later werd zijn nieuwe echtgenote ingeschreven als lidmaat van zijn kerk. Waarschijnlijk begon hij in die tijd een loopbaan als kleermaker. Of was hij dat al eerder? Hij wordt gesignaleerd als woonachtig in de Koperen Pot aan het Nieuwland in Hoorn, en hij haalt de geschiedschrijving met zijn bedgordijnen! Voor zijn bedstee hingen blauwe en rode gordijnen, waar anderen gordijnen van groene saai of, soms, bont bedrukte katoenen sits hadden!
Je verwacht grote armoede. Kleermakers verdienden gemiddeld niet veel. De meeste (minstens 92%) bleven, althans in 1742 in zestien Hollandse steden, met hun inkomen onder de taxatiegrens: ze verdienden minder dan 600 gulden per jaar. Maar zestien jaar na zijn afmonsteren is Johan Hendrik niet onbemiddeld, zoals we zullen zien.

De kinderen.

Op 23 juli 1780 trouwde zoon Balthasar in Hoorn met Anghanita Dwingers. Als Agnita Dwingers deed ze op 19 maart 1771 geloofsbelijdenis in de evangelisch-lutherse kerk van Hoorn. Ze zou volgens de kerkregisters afkomstig zijn uit Doornik. Dat kan niet kloppen. Haar ouders kwamen, minstens drie jaar eerder, uit Den Briel naar Hoorn. Broer Casper Dwingers deed in 1768 geloofsbelijdenis in voornoemde kerk. De achternaam Dwingers is overigens zeer zeldzaam. Ook Agnita’s moeder heeft een extreem zeldzame achternaam: Ridderhuis.
Maria Elizabeth ging op 14 mei 1784 in Enkhuizen met Ouker Rondhout in ondertrouw. Op dezelfde dag ging zus Rosina Frederica in ondertrouw met Oukers broer, Nanning. Zus Engeltje Christina trouwde tien maanden later, op 4 maart 1785, ook in Enkhuizen met de broer van Ouker en Nanning, Cornelis, een kleermaker.
Een jaar later duikt Engeltje Christina met Cornelis op in Alkmaar: Engeltje wordt lidmaat van de evangelisch-lutherse kerk daar, maar woont in het nabijgelegen Bergen. Hun dochtertje Hillegonda Cornelis wordt op 3 april 1787 in Bergen gedoopt, Engeltjes zus Maria Elizabeth is getuige. Ook zij verhuist richting Alkmaar: op 1 juli dat jaar wordt zij ingeschreven als lidmaat van voornoemde kerk, twee weken nadat broer Balthasar er werd ingeschreven. Maria’s man, Ouker, is vanaf 1789 commies bij de Stedelijke Middelen van Alkmaar. Hij incasseerde de havengelden aan de Boompoort, de toegang tot de stadshavens. Hij was een verdienstelijk kunstschilder, sinds 1789 lid van het lokale Sint-Lucasgilde. Het Stedelijk Museum in Alkmaar heeft zeven werken van hem, allemaal stadsgezichten van of vanuit zijn werkplek.

Erfenissen.

Balthasar ging ook in Alkmaar aan de slag, als kleermaker, net als zijn vader, maar heel wat minder succesvol. Hij was in het voorjaar van 1788 weduwnaar geworden, en straatarm: op 3 april begroef Balthasar zijn dan 35-jarige vrouw. Pro deo, dus in een armengraf. Twee kleine kinderen bleven achter. Balthasar gaat enkele jaren later failliet. Hij kon of wil niet meer voor zijn kinderen zorgen. Om die reden trad de Weeskamer van de stad Alkmaar op als toeziend voogd: de stad besteedde de twee kinderen uit bij Balthasars schoonmoeder in Enkhuizen, Johanna Ridderhuijs weduwe Dwingers, voor 20 gulden per maand.
In de Oprechte Haarlemse Courant van donderdag 26 mei 1791 wordt ieder die iets te ‘pretenderen’ heeft van de insolvente boedel van ‘Kleedermakers Baas’ Balthasar Leonhard Bernhard uit Alkmaar opgeroepen zich te melden bij advocaat Hendrick Carbosius of procureur Michiel Johan de Lange, uiterlijk tot 5 juli 1791. De stad Alkmaar wikkelt als grote schuldeiser het faillissement af.
Alkmaar heeft dan ook belang bij de forse erfenis die stamvader Johan Hendrik nalaat, als hij op 18 oktober 1791 overlijdt. De Oprechte Haarlemse Courant van donderdag 29 december dat jaar en die van donderdag 19 januari daaropvolgend en de Amsterdamse Courant van dinsdag 31 januari 1792 (kranten van vier en twee pagina’s dik) bevatten de volgende advertentie:
“Alle de geene, die iets te pretendeeren heeft van, of verschuldigd is aan den Boedel van wylen J. H. BERNHARD, overleeden op ’t Nieuwe Land te Hoorn, gelieve daarvan ten spoedigste opgaave te doen aan S. Gerrits of D. Hoffman aldaar, of aan J.P. Hebel, Makelaar, op de Nieuwezyds Voorburgwal, over de Nieuwe Kerk, te Amsterdam.”
Uiteindelijk werden de bezittingen van Johan Hendrik Bernhard geveild: huizen, obligaties, meubilair en andere roerende goederen. Dat leverde voor zijn vier solvente kinderen en de schuldeisers van Balthasar fl. 5507,19 op. Bij de erfenis werd het bedrag gevoegd, dat vader Johan Hendrik aan Balthasar had geleend en het geld, dat hij ten behoeve van Balthasars twee kinderen, Maria Elisabeth en Johanna, had besteed, in totaal fl. 159:4:8. Vandaag zou dat ongeveer € 1300,- zijn. De boedelscheiding vond op 10 augustus 1792 plaats bij notaris Sybrand Pereboom in Hoorn. Voor die schuld vaardigden de Schepenen van Alkmaar eerder genoemd procureur De Lange en advocaat Carbosius af. De drie zussen waren alle drie met hun Rondhout-echtgenoot aanwezig. Broer Johan Hendrik, apotheker in Amsterdam, was alleen. Hij was enkele maanden eerder in de hoofdstad in het huwelijk getreden met Cornelia van Wijk, die inmiddels zwanger was van de op 1 maart 1793 gedoopte Maria Elisabeth.
De erfgenamen hadden in totaal dus fl. 5667:3:8 te verdelen, meer dan € 45.000,- in huidige waarde. Een ieder kreeg fl. 1133:8:11 1/5, maar de vertegenwoordigers van de stad Alkmaar moesten van dat deel natuurlijk eerst Balthasars schuld aan zijn vader betalen.
Alkmaar hield fl. 974:4:3 1/5 over, waarmee Balthasars schuldeisers een klein beetje konden worden gecompenseerd. Natuurlijk kregen de preferente crediteuren eerst hun totale schulden betaald: 56 gulden en vier stuivers. De overige schuldeisers mochten de na aftrek van andere kosten resterende € 911,- verdelen. Voor een ieder was maar 8% beschikbaar. Balthasar had al met al een aanzienlijke schuld weten op te bouwen: bijna fl. 11.500,-, zo’n € 100.000,- in huidige waarde. De lijst schuldeisers is enorm. Sommige hadden heel veel geld te goed, andere, vaak vrouwen, kleine bedragen: werkten ze voor hem, de kleermakersbaas?

In 1794 duikt Balthasar in Amsterdam op. Hij trouwde er, op 22 juli, met Antje Hendrikse Dirks. Pas op 6 maart 1805 werd hij als lidmaat van de Amsterdamse evangelisch-lutherse kerk ingeschreven. Op 5 februari 1796 en op 2 augustus 1798 werden zoon Johan Hendrik en dochter Antje Hendrikse geboren. Op 15 januari 1799 volgde dochter Maria Elizabeth. Op 5 december 1800 overleed een Antje Hendriks Dirks uit het Duitse Norden in het Gasthuis of het Pesthuis in Amsterdam. Verdere informatie ontbreekt. Ook Balthasar overleed in de hoofdstad, op 3 oktober 1817.

De kunstschilder.

Een jaar later stierf zijn zwager Ouker Rondbout, op 17 november 1818 om 22:30 uur. Diens crouw, Maria Elizabeth Bernhard, is dan al overleden. Ouker woonde in een eenkamerwoning in het Huis van Achten, officieel het Provenhuis van Johan van Nordingen: een hofje, bestemd voor acht hulpbehoevenden, gesticht in 1665 en onafgebroken tot mei 1981 als verzorgingshuis in gebruik. Via zijn schuifraam keek Ouker uit op de Lombardstraat, nu de Lombardsteeg. Hij was commies bij de Stedelijke Middelen van de stad Alkmaar.

Vrederechter Adrianus Bolten en zijn griffier onderzochten de dag na het overlijden het huis. Een andere bewoner van het hofje, Jan Vreede, bood zich daarbij aan om op alles te letten. Rechter en griffier inspecteerden de boedel, en schreven die minutieus op. Alles van waarde en 22 gulden en 20 cent werden in de laden van het aanwezige witwerkersbureau gestopt. De laden gingen op slot en vervolgens werd er een stoffen band om het bureau geknoopt, aan de bovenkant verzegeld met rode zegels. Twee uur zijn ze bezig, en ze weten, dat ze dat doen voor de twee dochters, van wie er een nog minderjarig is. De jongste, Hillegonda Dorothea, woont als dienstmeisje ‘aan De Helder’. De oudste is in dienst bij broodbakker Westerholt aan het Luttik in Alkmaar-Oudorp.
In de boedel troffen Bolten en zijn griffier enkele schilderijen, een paar portretten, een map met tekeningen en penselen en verf. Er stonden twee beelden: een zwart gebrand en een wit ‘pleisten’. Het kamertje was behoorlijk volgestouwd. Het was zeker geen armoe troef. Er was een fauteuil met matten zittingen, vijf stoelen. Een tafeltje, wat boeken, een blikken blaker, een blikken kwispedoor, een aardenwerk theeservies, en tabakspot, heel wat kleren, twee paar schoenen, een paar laarzen, een kleed op de vloer en katoenen bedgordijnen.
Enkele maanden later, op 23 maart 1819 om 9 uur ’s ochtends bezocht Adrianus Bolten met zijn griffier weer de kamer van Ouker. Ze waren in gezelschap van Oukers dochter Maria Elizabeth en van Jacob Jozias de Lange, procureur, door de rechtbank te Alkmaar aangesteld om de belangen van de minderjarige dochter Hillegonda Dorothea, dienstmeid te Den Helder, te vertegenwoordigen. De zegels op de linten om het bureau werden ongeschonden aangetroffen en verbroken. Met de twee sleutels opende de griffier de laden. De boedel was nog geheel intact. Zelfs al het geld was nog aanwezig.

Enkele maanden later, op 23 maart 1819 om 9 uur ’s ochtends bezocht Adrianus Bolten met zijn griffier weer de kamer van Ouker, nu in gezelschap van Oukers dochter Maria Elizabeth en van Jacob Jozias de Lange, procureur, door de rechtbank te Alkmaar aangesteld om de belangen van de minderjarige dochter Hillegonda Dorothea, dienstmeid te Den Helder, te vertegenwoordigen. De zegels op de linten om het bureau werden ongeschonden aangetroffen en verbroken. Met de twee sleutels opende de griffier de laden: de boedel is nog geheel intact. Zelfs het geld is nog aanwezig.[8]

Opoe.
De neef van de twee erfgenamen, de zoon van Balthasar, schippersknecht Johan Hendrik trouwde op 23 december 1825 met Marrigje Teeuw. In Sliedrecht: Marrigje is door en door Sliedrechts. Hun kleindochter Engelina trouwde in 1885 met Mattheus Adrianus Kentie. Engelina, opoe Kentie noemde mijn moeder haar, overleed in 1950 in IJsselmonde. Twee jaar voor mijn geboorte.

 

 

Theo Kentie

Oktober 2014

 

 

Zie ook: http://www.historie-sliedrecht.nl/Gen%20Bernhard.htm

 

 

 

[1] http://arch.vortmes.nl/documents/

[2] Nationaal Archief: Nummer toegang: 1.04.02, inventarisnummer: 14495, folionummer: 219.

[3] Liesje Schram, Inrichting van Hoornse woonhuizen eind 18e eeuw. In:  West-Frieslands Oud & Nieuw, 58e bundel, pagina 132-137. Uitgave: Historisch Genootschap ‘Oud West-Friesland’, 1991

[4] Jan de Vries & Ad van der Woude, Nederland 1500-1815; de eerste ronde van moderne economische groei. Amsterdam: Balans, 1995.  P. 662-663

[5] Scheen, 1981. Zie: https://rkd.nl/explore/artists/341186

[6] Boedelscheiding en lijsten met schuldeisers: Regionaal archief Alkmaar, archief Weeskamer Alkmaar. Toegangnr. AmrRAA_10.3.007. Inv. Nr. 71, doos B2.

[7] Noord-Hollands Archief. 41-54 Vredegerecht Alkmaar, 1811-1838. 1818, Nr. 58.

[8] Noord-Hollands Archief. 41-54 Vredegerecht Alkmaar, 1811-1838. 1818, nr. 86.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.