De oorlogsjaren van mijn vader, deel 4.

4. ‘Todeskandidat’ in Wolfenbüttel.

Mijn vader liet nooit de naam Wolfenbüttel vallen. Het was dan ook een verrassing toen ik bij het NIOD  zijn gevangenisdossier aantrof in een map van de strafgevangenis in die stad. Op 7 juni 1943 om 9.40 uur werd mijn vader in Wolfenbüttel ‘ingeboekt’ als nummer 271 onder de naam Cornelius Kentie en opgesloten in Haus II, het zogenaamde Rode Huis. Bij hem werd een bedrag van 77,28 RM aangetroffen, terwijl maximaal 50 RM in zijn bezit mocht blijven. Het teveel werd in beslag genomen, en later vond men nog eens 159,98 RM. Zijn weekloon bij zijn arrestatie was overigens 21 RM. Hij vulde de Aufnahmeverhandlung (formulier nr. 36 van het gevangeniswezen) in en werd in Einzelhaft en geboeid opgesloten, naar alle waarschijnlijkheid in een dodencel.

Afbeelding 1: Maquette van de gevangenis van Wolfenbüttel.

De gevangenis in Wolfenbüttel heeft zijn hoofdingang in een nauwe straat in het met eeuwenoude vakwerkhuizen volgebouwde historische centrum. Het hoofdgebouw van de gevangenis stamt uit 1506. In 1619 werd het voor het eerst een (militaire) gevangenis. Sinds 1790 is het een tuchthuis. In 1873 werden achter het hoofdgebouw twee cellencomplexen gebouwd, Haus I en Haus II. Her en der op het terrein staan werkplaatsen. De gevangenis werd vanaf het begin van de machtsovername door de nazi’s gebruikt voor het opsluiten van politieke gevangenen. In de tweede helft van de jaren dertig was bijna de helft van de circa 800 gevangenen veroordeeld vanwege politieke delicten. De gevangenis werd beheerd door regulier justitiepersoneel, en dat was aanvankelijk te merken. Joden mochten bij voorbeeld Pesach vieren en gebedenboeken hebben. Soms werd iemand tegen de zin van de Gestapo op strikt juridische gronden vrijgelaten. Maar de Gestapo kreeg in de loop der tijd steeds meer grip op de gevangenis, en het werd een beruchte gevangenis voor Nacht-und-Nebel-gevangenen (NN-gevangenen)[i].   De gevangenis had een capaciteit van duizend gevangenen, maar gedurende de oorlog verdubbelde dat aantal tot tweeduizend.

Afbeelding 2: Haus II te Wolfenbüttel, het Rode Huis (2001).

Op het binnenterrein van de gevangenis staat een oud gebouwtje, de oude smederij. Deze smederij werd in 1937 tot een executieplaats omgebouwd, nadat besloten was de voltrekking van de doodstraf te centraliseren in elf executieoorden. Een valbijl (guillotine), afkomstig uit een gevangenis in Hannover en een galg werden geplaatst, een bloedgoot gegraven, enkele ruimtes tot dodencellen verbouwd. Vanaf de herfst van 1943 werd Haus I, het ‘Grauen Haus’ de gevangenis van  de NN-gevangenen[ii]. Over hun verblijf weten we wat meer. Op de begane grond bevonden zich de dodencellen, die in 2001 nog als gewone cellen in gebruik waren.  Op de tweede verdieping, in de voormalige kapel, moesten deze gevangenen verrekijkers van de firma Voigtländer u. Sohn in elkaar zetten, iedere dag van zes uur ’s morgens tot zes uur ’s avonds. Alleen op dinsdag stopten ze al om vijf uur. Dan kwamen de beulen: dinsdag was executiedag.

Afbeelding 3: Haus I, het ‘Grauen Haus’.

De Todeskandidaten werden door de wachtmeesters naar de guillotine gebracht. Hoeveel er op een dag werden geëxecuteerd, kon je dinsdagochtend al weten, omdat dan de ongebruikelijk korte kisten werden afgeleverd. Kort, want er werd op hout bezuinigd en de onthoofde lichamen waren nu eenmaal korter. Het afgehakte hoofd kon er altijd wel bij gepropt worden[iii]. De ter dood veroordeelde NN-gevangenen (meer dan 70 werden in Wolfenbüttel geëxecuteerd) zaten in de cellen op de begane grond, dag en nacht geboeid. Ook eten deden ze met de boeien om. Het galgenmaal was soep. Als dat op was, moesten ze zich uitkleden. Hun handen werden op de rug geboeid. Na 3 december 1943 kregen ze standaard een spuitje om het spreken onmogelijk te maken. Op die dag had een man uit Poitiers de Marseillaise gezongen tot het moment, dat zijn hoofd op de grond viel.

Afbeelding 4: De dodencellen in het ‘Grauen Haus’.

De gevangenen op de hogere etages van het Grauen Haus mochten niet kijken als de ter dood veroordeelden hun laatste gang maakten, maar deden dat toch en zagen dan hoe de ter dood veroordeelden tussen twee bewakers naar de oude smederij werden gevoerd. Daar namen twee mannen met bebloede schorten hen over en verdween men in het gebouwtje. Het onthoofden ging razendsnel: op 3 december 1943 werden bij voorbeeld in nauwelijks meer dan een kwartier tien leden van de verzetsgroep Renard geëxecuteerd[iv]. Na enige tijd arriveerde de vrachtwagen, waarmee de kisten werden afgevoerd, samen met het mes: dat moest geslepen worden voor de volgende keer.

Dat zijn details die de latere hoofdredacteur van Vrij Nederland Mathieu Smedts ooit opschreef. Smedts kwam op 14 maart 1944 in Wolfenbüttel aan. Hij was als verzetsstrijder op 17 november 1943 in Utrecht ter dood veroordeeld, en werd als NN-gevangene afgevoerd naar tuchthuis Sonnenburg (een speciale NN-gevangenis, waar per maand bijna twintig procent van de gevangenen stierf) en vervolgens naar Wolfenbüttel. Daar was het na Sonnenburg “pure verrukking de eerste dagen”, schreef hij later[v]. De cellen waren helder, er waren wc’s, veel bewakers waren redelijk correct. Maar toch werd Wolfenbüttel “een verschrikkelijker ervaring dan alles wat wij tot dan toe hadden beleefd”. En dat kwam door een klein huisje met daarin een guillotine. “Week in week uit, bijna elke dinsdag kwamen de beulen om enkele ter dood veroordeelden te onthoofden”.

Ook Smedts monteerde in de oude gevangeniskapel verrekijkers tot zes uur ’s middags. Op dinsdag werd er een uur eerder gestopt,

“want dan moesten onze brave wachtmeesters de ter dood veroordeelden uit hun cel naar de guillotine brengen. Zij zaten gelijkvloers beneden ons, de Todeskandidaten, zoals zij genoemd werden. Altijd waren zij geboeid. ’s Morgens werden de boeien hun twintig minuten afgenomen om hun bedden uit de cel te slepen en op de gang te leggen, twintig minuten ’s avonds om ze weer terug te halen. Ze aten met de boeien aan, zij zaten de hele dag alleen te wachten op hun dinsdag” [vi].

Toen Smedts er zat, was mijn vader geen Todeskandidat meer, maar de kans is heel groot, dat ook hij maandenlang in een dodencel angstig heeft gewacht op zijn dag des oordeels. Smedts hoorde ter dood veroordeelden in afwachting van hun executie krankzinnig worden. ’s Nachts werd soms de stilte doorbroken door “een gehuil dat je door merg en been ging. Een man die te lang alleen met zijn gedachten over zijn komende executie had gezeten, kon zich niet meer beheersen”[vii].

Afbeelding 5: De oude smederij.

Overigens vermeldt dominee Hans Hüneke, die bij veel executies aanwezig was, een heel ander tijdschema. Eerst om de veertien dagen, later bijna elke dag werd er geëxecuteerd. Afwisselend met dominee Schubert was Hüneke twee keer per week als zielzorger aanwezig. Het ritueel begon ’s avonds om 19 uur. De verantwoordelijke officieren van justitie in hun toga’s, de griffier, een evangelisch en een katholiek geestelijke en twee ambtenaren betraden dan het executiegebouwtje. Vloer en wanden waren er met tegels bedekt. Een gordijn deelde de ruimte in tweeën. Achter het gordijn bevond zich de guillotine.

Afbeelding 6: De executieruimte in de oude smederij.

In het deel voor het gordijn stond een zwart bedekte tafel, waarachter men plaats nam. Vervolgens kwamen de ter dood veroordeelden één voor één binnen, gekleed in blauwe gevangeniskledij op houten slippers, de handen op de rug gebonden. De verantwoordelijke officier van justitie las nog eens het doodsoordeel voor, deelde mede dat het gratieverzoek was afgewezen en vertelde vervolgens dat de straf de volgende morgen om 5 uur zou worden voltrokken. De veroordeelde werd dan naar de cel in het gebouwtje gebracht.

Afbeelding 7: Meubels in een dodencel in de oude smederij.

Om 5 uur ’s morgens werd de executieklok in het torentje op de smederij geluid. Hetzelfde gezelschap als de avond ervoor verzamelde zich, aangevuld door een arts (om de dood van de onthoofden formeel vast te stellen), de beul en zijn twee helpers. De beul, een wat oudere vriendelijke man, was gekleed in rokkostuum met hoge hoed. Ook zijn helpers waren stemmig gekleed.

Afbeelding 8: De valbijl.

Vervolgens werd de veroordeelde binnengebracht, met een blauw jasje over zijn ontbloot bovenlijf. De verantwoordelijke aanklager las nog eens voor, dat er geen gratie was verleend en zei dan: “Beul, doe uw plicht”.  Het gordijn werd opengetrokken, de guillotine werd zichtbaar. De beul ging ernaast staan, zijn helpers gingen aan beide kanten van de veroordeelde staan, trokken zijn jasje uit en grepen hem bij de armen. Snel brachten ze hem naar het schavot, legden hem op zijn buik neer. De nekplank werd vastgezet. En dan drukte de beul op een aan de zijkant bevestigde knop. De bijl viel met een luide klap, het hoofd viel in een leren zak, het bloed spoot sissend uit de halsslagader, de houten slippers vielen van de slap geworden voeten met een tik op de betegelde grond. Het gordijn werd weer gesloten. De beul kwam ervoor staan, en zei: “Das Urteil ist vollstreckt”.  De aanwezige geestelijke sprak hardop een Onzevader, waarbij alle aanwezigen hun hoofd ontblootten. Alles had nog geen vijf minuten geduurd. Vervolgens werden de andere veroordeelden onthoofd, eerst die in de dodencellen in de oude smederij, daarna de NN-gevangenen uit het Grauen Haus. Die moesten over het binnenhof gevoerd worden. Daarom stonden er overal gevangenbewaarders met geladen karabijnen, die er ook voor zorgden dat geen van de gevangenen naar buiten keek[viii]. Dominee Hüneke deed zijn werk in Wolfenbüttel tot maart 1943.

 

[i] Knauer (2000), p. 85-86.

[ii] Knauer (1990), p. 37. Gevangenisaalmoezenier Unverhau noemt in 1946 echter mei 1943: ibidem, p. 42.

[iii] Smedts (1978), p. 129.

[iv] Knauer (1990), p. 48-51.

[v] Smedts (1962), p. 57.

[vi] Smedts (1962), p. 57.

[vii] Cornelissen (2006), p. 64-65.

[viii] Hans Hüneke, Zehn Stunden vor der Hinrichtung; meine Arbeit an dem Strafgefängnis zu Wolfenbüttel 1942/43. Typoscript. Salzdahlum, juni 1951.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.