De oorlogsjaren van mijn vader, deel 3.

3. Sondergericht Hannover.

Na zijn arrestatie werd Cornelis Kentie waarschijnlijk gevangen gehouden in de politiegevangenis te Hannover, deel uitmakend van het hoofdbureau van politie in de Hardenbergstraße. Het lijkt waarschijnlijk, dat hij ook vast heeft gezeten in de Gerichtsgefängnis, gelegen direct achter het Centraal Station. Daar kan hij, zoals hij mij ooit vertelde, communistenleider Ernst Thälmann hebben gezien, die daar tot 11 augustus 1943 als ‘Stargefangene’ was geïnterneerd[i].

Afbeelding 1: Hoofdbureau van politie in Hannover, 2001.
Afbeelding 2: Begane grond van het hoofdbureau van politie. Goed zichtbaar is het cellenblok.
Afbeelding 3: Ernst Thälmann in de Gerichtsgefängnis Hannover, 1943.

Op 21 mei 1943 verscheen Kentie voor het Sondergericht Abteilung I für den Oberlandesgerichtsbezirk Celle beim Landgericht in Hannover. Rechters bij deze bijzondere rechtbank waren Dr. Stein als voorzitter, dr. Hamelberg en dr. Schmedes[ii]. Verder was aanwezig de openbaar aanklager (Staatsanwalt) Hille[iii]. Er was waarschijnlijk geen tolk aanwezig. Onduidelijk is wie de toegewezen ‘Offizial-Verteidiger’ was. Beroep was na een uitspraak van zo’n bijzondere rechtbank niet mogelijk.

De Sondergerichte waren zeven weken na de machtsovername van de nazi’s, op 21 maart 1933 ingesteld. Ze waren nadrukkelijk bedoeld om de strijd van de nazi’s tegen hun politieke tegenstanders een juridische basis te geven. Zij moesten bij voorbeeld ertoe bijdragen om de vooral communistische en sociaaldemocratische tegenstanders van het Derde Rijk, die de nieuwe orde stiekem zouden proberen te ondergraven, ‘vollständig auszurotten’[iv].

Rechters bij de bijzondere rechtbanken waren vaak fanatieke nazi’s, die de opdracht hadden snelrecht te plegen en streng te straffen. Het waren ‘soldaten van het thuisfront’, die streden tegen ‘volksparasieten’, de Volksschädlinge[v]. In de loop der jaren nam het aantal verordeningen op grond waarvan de bijzondere rechtbanken recht spraken, toe. Daarbij ging het aanvankelijk vooral om de Heimtückeverordnung en de Rijksdagbrandverordening, maar na het begin van de oorlog kwamen daar onder andere de radioverordening (waarmee het verboden werd naar buitenlandse zenders te luisteren), de oorlogseconomieverordening en de zogenaamde Volksschädlingsverordnung (1 september 1939) bij. Daarmee verschoof het zwaartepunt van het strafrecht van de gewone rechtbanken naar de Sondergerichte. De Heimtückeverordnung verbood het onbevoegd dragen van uniformen, maar was vooral van belang vanwege paragraaf 3. Daarin werd een ieder met gevangenisstraf bestraft die opzettelijk een onwaarheid verspreidde met als doel het beschadigen van het Rijk of de achter het Rijk staande partijen of organisaties. Het bleek een effectief muilkorfartikel.

De al eerder gepubliceerde Reichtstagsbrandverordnung was opgesteld als reactie op het in brand steken van de Rijksdag door Marinus van der Lubbe op 27 februari 1933. De dag erna werd de verordening door president Hindenburg afgekondigd. Ze was officieel gericht tegen gewelddaden van communisten, maar beperkte in één klap de belangrijkste grondrechten. Het recht op vrije meningsuiting, de pers- en de vergadervrijheid werden afgeschaft. Voor afluisteren, vastzetten en het doen van huiszoekingen was geen enkele rechterlijke toetsing meer nodig.

Het Sondergericht Hannover (één van de uiteindelijk 74) voerde tussen 1933 en 1945 ongeveer 4200 processen. In 1943 werden de meeste gevoerd: ongeveer 820. Vanaf het begin van de oorlog (1 september 1939) tot 10 april 1945 sprak het 210 doodstraffen uit, 59 in 1943 alleen. 170 in die periode veroordeelden werden daadwerkelijk geëxecuteerd. 99 doodvonnissen waren gebaseerd op de Volksschädlingsverordnung van 5 september 1939.

In het Derde Rijk werden waarschijnlijk circa 45.000 doodvonnissen geveld. Meer dan de helft daarvan werd uitgesproken door de krijgsraden. 5243 doodvonnissen werden door het Volksgerichtshof geveld. De overige rechtbanken kwamen tot een totaal van zo’n 15.000, de meeste daarvan (zo’n 10.000) bij de 74 bijzondere rechtbanken.

Achttien vrouwen werden door het Sondergericht Hannover ter dood veroordeeld. Meer dan een kwart van de mannen (57) was buitenlander, de helft daarvan (29) Pool, en vier Nederlanders. Die vonnissen werden meestal in de executieruimte in Wolfenbüttel, waar een guillotine en een galg stonden, ten uitvoer gebracht. 24 doodvonnissen werden door de Rijksminister van Justitie omgezet in gevangenisstraffen. Het betrof zes vrouwen, één Pool en drie Nederlanders. Van de doodvonnissen tegen buitenlanders werd overigens 89%, vaker dan die van Duitsers, daadwerkelijk voltrokken[vi].

Met de Volksschädlingsverordnung konden ook simpele vergrijpen zwaar worden bestraft, zoals blijkt uit § 4:

“Wer vorsätzlich unter Ausnutzung der durch den Kriegszustand verursachten außergewöhnlichen Verhältnisse eine sonstige Straftat begeht, wird unter Überschreitung des regelmäßigen Strafrahmens mit Zuchthaus bis zu 15 Jahren, mit lebenslangem Zuchthaus oder mit dem Tode bestraft, wenn die das gesunde Volksempfinden wegen der besonderen Verwerflichkeit der Straftat erfordert”.

Deze paragraaf maakte het dus bovendien mogelijk om zowat iedere overtreding en ieder misdrijf door een bijzondere rechtbank  te laten behandelen. En dat was ook de bedoeling, zo liet het Rijksministerie in 1939 de rechters en aanklagers weten. De parasiet die zich aan het volk vergrijpt, heeft immers geen plaats meer in de Duitse gemeenschap. De verordening was ook niet zozeer tegen nauw omschreven daden, als wel tegen een bepaald daderstype gericht. Ze was gericht tegen mensen die volgens de nazi’s tekort schoten in hun op de gemeenschap gerichte houding. Dankzij de Volksschädlingsverordnung konden rechters en officieren van justitie naar totale willekeur straffen[vii].

De SS meldde op 3 februari 1941 dat het verduisteren en stelen van met name veldpostpakjes door postbeambten de laatste tijd enorm was toegenomen[viii]. In april 1942 werden de voedselrantsoenen drastisch gekort, en dat leidde tot een verdere toename van de diefstallen. Justitie reageerde met steeds zwaardere straffen, en het vaker uitspreken van de doodstraf op grond van de volgende redenering. Wie zich bezondigde aan het stelen van pakjes in zijn functie als ambtenaar, kon niet anders dan een Volksschädling zijn. Hij jatte immers Liebesgaben, die door de familie van een soldaat letterlijk uit de mond gespaard waren, terwijl de niet bereikte geadresseerde zich ook nog eens zorgen ging maken over de reden van het uitblijven van nieuws van het thuisfront. Zeer zware straffen waren dus op hun plaats. De hoeveelheid gestolen waar was daarbij niet zo van belang. Pakjes bevatten gewoonlijk ook niet veel levensmiddelen of tabak. Maar het was een misdrijf tegen de veldpost als instituut, en daarmee was het een aanval op een van de fundamenten van de oorlogsvoering. Je moest wel een gewetenloze misdadiger zijn als je je daaraan schuldig maakte. Je maakte je dan ook niet zozeer schuldig aan het overtreden van een bepaalde wet, maar je handelde tegen het gesunde Volksempfinden, de gezonde opvattingen van het volk. En dus was je extra schuldig. Dat gezonde volksgevoel hoefde verder niet gedefinieerd te worden of in wetten vastgelegd.  De bijzondere rechter van het Sondergerichte vertegenwoordigde dat volksgevoel[ix]. Bij het stelen van veldpost was het toepassen van de Volksschädlingsverordnung dan ook verplicht.

Die redenering werd ook gehanteerd tegen mijn vader. De diefstal van de zevenenveertig pakketten was niet alleen strafbaar volgens de paragrafen 359, 350, 354, 348 en 349 van de strafwet, zo luidde het oordeel van de rechters, maar was vooral een vergrijp tegen genoemde § 4 van de Volksschädlingsverordnung, want hij had gebruik gemaakt van de bijzondere oorlogsomstandigheden. Veldpost bestond immers als gevolg van die oorlog, en er was door de oorlogsinspanningen gebrek aan toezichthoudend personeel. Het misdrijf was des te verwerpelijker, omdat hij zich had vergrepen aan goederen, die de “deutsche Volksgenossen  ondanks de schaarste bij elkaar hadden gespaard om hun verwanten “an der Front eine Freude zu machen und ihnen die Gewissheit zu geben, dass die Heimat an sie denkt”.  Als de dader als buitenlander dat niet helemaal had kunnen navoelen, dan had hij toch met zijn gezond verstand kunnen begrijpen, dat hij met zijn daad de band “zwischen Front und Heimat” verstoorde, zo stelde de rechtbank. De dader wist toch ook dat hij zich aan de wetten van de nationaalsocialistische staat diende te houden. Het verweer dat hij zich niet bewust was dat deze daad zo zwaar gestraft werd, hield geen stand. Bijzonder verwerpelijk was volgens de rechtbank, dat Kentie in zo’n korte tijd zoveel pakjes had weten te jatten. En ook al had aangeklaagde een blanco strafblad, het gesunde Volksempfinden vereiste ter bescherming van de veldpost en de band tussen front en vaderland de doodstraf. Aanvullend werd mijn vader veroordeeld tot eeuwig eerverlies.

 

 

[i] http://hannover.vvn-bda.de/ggh.php?kapitel=13. Dezelfde bron meldt, dat alle gearresteerden eerst in de Gerichtsgefängnis werden geïnterneerd:  http://hannover.vvn-bda.de/ggh.php?kapitel=5.  In eerdere versies stelde ik, dat mijn vader beweerd had Thälmann in Bergen-Belsen te hebben gezien. En dat dat dus niet waar kon zijn. Wellicht is Bergen-Belsen verkeerd herinnerd, maar hij kan dus wel degelijk Thälmann gezien hebben.

[ii] Dr. Gernot Stein (24-8-1912) was directeur van het Landesgericht te Celle. Na de oorlog klom hij op tot Senatspräsident van het Oberlandesgericht te Celle. Ook Hamelberg en Wilhelm Schmedes (1899-1978) vervolgden na de oorlog hun carrière tot in de jaren zestig. Mechler, p. 17-18 (n. 15). Schmedes sprak circa 80 keer de doodstraf uit, maar dat belette hem niet om directeur van het Landesgericht in Hannover te worden. In 1962 werd zijn nazi-verleden onthuld. Hij ging daarop met pensioen (Rohde, Reinhard (2003): Niedersächsische Juristen. Ein biographisches Lexikon; in: Revista 21, Dez.    2003 / Jan. 2004, S. 14).

Afbeelding 4: Dr. Wilhelm Schmedes.

[iii] Fritz Hille (4 maart 1907) was na de oorlog Oberstaatsanwalt te Detmold.

[iv] Mechler (1997), p. 31.

[v] Wachsmann (2005), p. 109, 187.

[vi] Mechler (1997), p. 31-46.

[vii] Knauer (1990), p. 81.

[viii] Heinz Boberach, Meldungen aus dem Reich 1938-1945; die geheimen Lageberichte des Sicherheitsdienstes der SS. Hersching: Pawlak Verlag, 1985. P. 1971. Geciteerd in Mechler, p. 168 (n. 505).

[ix] Mechler (1997), p. 169.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.