De oorlogsjaren van mijn vader, deel 2.

2. Arrestatie.

De Pertzstrasse ligt in een in de jaren twintig of dertig gebouwde woonwijk aan de noordoostkant van de stad. Nummer 17 is nog steeds[i] het laatste pand. Naar het noorden en naar het oosten strekten zich toen uitgebreide weilanden uit. Mijn vader verbleef in de Pertzstrasse, toen hij op 7 april 1943 werd gearresteerd. In zijn twee koffers vond men de verpakkingen en de afgestempelde adreskaarten van de pakketten die hij had opengemaakt. Het ging om 47 pakjes, veldpost, dus bestemd voor soldaten aan één van de fronten. Hij had, zo luidde de aanklacht, daaruit koeken en koekjes gepikt, evenals rookwaren en een vulpen. Hij had het gedaan uit honger, zo was later voor de rechter zijn verweer. Maar dat vond de rechtbank niet zo’n sterk excuus. Want hij had in de kantine middageten gekregen, waarvoor hij per week slechts 40 gram vet, 150 à 200 gram vleespuree en aardappelpuree van zijn Lebensmittelmarken  hoefde af te staan. Hij had dus net zo veel als de Duitsers en zijn Hollandse Arbeitskameraden gekregen.

Dat was dan niet veel, zo klaagden de eerder genoemde 63 ‘arbeidskameraden’ bij Postkantoor II. Die lieten vaak voedsel door familie sturen, en wie dat niet voor elkaar kreeg, leed domweg honger, want ze kregen per week maar iets meer dan twee kilo brood de man. Ze moesten zonder echte pauzes heel hard werken. In de kantine van het postkantoor konden ze met behulp van hun bonnen redelijk eten, maar de porties waren veel te klein.

pa-hannover
Afbeelding 1: politiefoto’s Hannover.

Diefstallen van postzendingen kwamen vaker voor. Meer dan 150 Nederlandse PTT’ers werden ervoor gearresteerd. Aanvankelijk werden ze op staande voet ontslagen en naar Nederland teruggestuurd. Maar vanaf eind 1942 of begin 1943 werd dat niet meer geaccepteerd door de met Rijkscommissaris Seyss-Inquart meegekomen Oberpostrat, Dr. W. Linnemeyer. Iedere postdiefstal moest voor een Duitse rechtbank afgehandeld worden, beleid dat aansloot bij dat in Duitsland zelf, waar steeds strenger werd opgetreden tegen dit soort vergrijpen. Nederlandse PTT’ers werden vanwege diefstallen door die Duitse rechtbanken veroordeeld van een week hechtenis tot tien jaar tuchthuis of heel soms zelfs de doodstraf. Directeur-generaal Ir. W.L.Z. van der Vegte van de PTT, een door Seyss-Inquart benoemde NSB’er, kwam tegen deze laatste straffen in het geweer en wist soms met succes gratie te verkrijgen[ii].

[i] In 2001.

[ii] Visser (1968), p. 242.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.