Ad Knotter en de USF

(Wordt nog aan gewerkt)

Ik stuitte bij toeval (dat wil zeggen via internet) op een artikeltje, dat Ad Knotter twintig jaar geleden schreef als ‘oud-activist’ 1). Hij probeert daarin te verklaren, waarom zoveel studenten, onder wie hij zelf, lid werden van de CPN.

Knotter was een jaar lang voorzitter van de studentenvakbond USF (dat vermeldt hij niet), het jaar voordat ik als secretaris buitenland bestuurslid werd van diezelfde USF, toen onder voorzitterschap van Geert van der Kolk. Ik was het enige niet-communistische bestuurslid, en nog erger: lid van de PvdA. Ook in die tijd vroeg ik me geregeld af, hoe slimme studenten als Ad Knotter lid konden zijn van een partij, waarin je niet geacht werd zelfstandig te denken. En een partij, die in mijn ogen uitermate ‘burgerlijk’ was. Ik herinner me bij voorbeeld, dat eind 1971 of begin 1972 het Rotterdamse gemeenteraadslid Heiltje Vos woedend jongerencentrum Exit verliet, omdat gedurende een verkiezingsdebat onder leiding van John Jansen van Galen pornobeelden op de muur werden geprojecteerd. Mevrouw Vos belde als gemeenteraadslid, zo werd verteld, gedurende lastige debatten met kamerlid Marcus Bakker om te horen, wat ze moest vinden.

Knotter probeert een verklaring te geven voor de opkomst van het studentencommunisme. Hij denkt (blz. 56), dat een vrij grote groep studenten voor de CPN koos, maar dat waag ik te betwijfelen. En vervolgens weet hij zeker, dat de ‘massificatie’ een rol speelt: de snelle groei van het aantal studenten in de jaren zestig en zeventig. Hij beroept zich daarbij op Hobsbawn. Deze verklaring lijkt me sterk: Knotter studeerde geschiedenis, en ondanks de groei van het aantal studenten aan dat instituut aan de Kromme Nieuwe Gracht was het er in zijn tijd nog zeer overzichtelijk, en volgens mij ‘fysiek, organisatorisch en mentaal’ nog goed in staat de studentenaantallen te verwerken. Toch leverde dat instituut een groot aantal CPN-studenten. Veel massaler waren de rechten- en de geneeskundefaculteiten, maar daar kwam je nauwelijks of geen communisten tegen.

Vervolgens meent hij, dat de studentenbeweging vooral kon ontstaan doordat de universiteiten volstroomden met kinderen uit de middenklassen met ouders die zelf geen universitaire opleiding hadden genoten. Natuurlijk is daar een verband, hoewel het speculeren is hoe dat verband er uitziet. En dan stelt hij, dat de discrepantie tussen de verwachtingen en voorstellingen van deze nieuwe groepen studenten en de feiten, bestaande uit pogingen van de regering om de toestroom enigszins te reguleren middels hogere collegegelden, scherpere selectie en ‘verlaging van het niveau van de opleiding’ reden was voor de radicalisering van groepen studenten. Hij beroept zich daarbij op Trienekens, die deze frictie tussen perceptie en satisfactie gebruikt om veranderingen op het platteland te verklaren.

Ik geloof er niks van. Veel te gemakkelijk past Knotter grote maatschappelijke ontwikkelingen toe op micro- of mesoniveau. Dat de groei van studentenaantallen natuurlijk alleen maar kon, omdat kinderen uit niet-universitaire milieus gingen studeren, is evident. Maar de impliciete veronderstelling, dat ook CPN-studenten allemaal middenklassekinderen waren, gaat er bij mij niet in. Mij viel juist op, dat nogal wat CPN’ers uit ‘de betere kringen’ kwamen. Ik zal nooit vergeten, dat een CPN’er met de adellijke naam Von Bönninghausen (ik ben zijn voornaam vergeten) mij toesiste, dat ik als sociaaldemocraat niet wist hoe ‘arbeiders’ leefden. Hij had ons moeten zien, met ons achten op een bovenwoninkje met drie kamers (en een piepklein zijkamertje). Govert de Lussanet  hield wijselijk zijn tweede achternaam (de la Sabloniere) verborgen.

Er waren hoogleraarzoontjes en burgemeesterdochters onder de communisten, en de zoon van de directeur van de Rijksvoorlichtingsdienst (hoewel deze nooit officieel lid werd). En een dochter van een vroegere ARP-voorzitter. Sommigen kwamen uit ondernemersgezinnen, van twee waren de ouders vanwege de belastingen naar België uitgeweken. Ik voelde me soms erg misplaatst in deze kringen, als zoon van een brievensorteerder met ploegendienst.

En er zijn meer rare opmerkingen. Hij vindt, dat de studentenbeweging uit de jaren zeventig niet zo zeer syndicaal (opkomend voor eigen groepsbelangen) maar vooral moreel was: de eis voor gratis onderwijs en onbeperkte toegang tot de universiteit zou immers leiden tot  overaanbod op de arbeidsmarkt en dus in de toekomst lagere lonen. Zo verklaart hij het ontbreken van acties tegen studentenstops bij geneeskunde uit de volgens hem zeer ‘gesloten sociale recrutering’ van medicijnenstudies. Maar van zo’n gesloten rekrutering was natuurlijk helemaal geen sprake.  Arbeiderskinderen die goed konden leren, kozen in die tijd (net als nu bij bepaalde groepen allochtonen) juist voor zeer arbeidsmarkt gerichte studies als rechten en medicijnen. Anekdotisch ‘bewijs’: mijn oudste broer ging medicijnen studeren.

USF-acties rondom jongerenhuisvesting waren overigens wel degelijk gericht op het dienen van vermeende eigenbelangen: studentenflats mochten bij voorbeeld onder geen beding open worden gesteld voor werkende jongeren.

Op blz. 53 geeft hij wellicht een betere verklaring voor die vermeend morele acties voor gratis onderwijs en onbeperkte toegang tot onderwijsvoorzieningen: het was communistische ideologie. De CPN meende, dat collectieve voorzieningen (zo stelt Knotter het) ‘een arena van klassenstrijd waren’: er moest zoveel mogelijk geld naartoe. Achterliggende gedachte was, dat dit de communistische zaak zou steunen, omdat daardoor onoverbrugbare sociale en economische tegenstellingen werden blootgelegd, waardoor ‘de arbeidersklasse’  eindelijk tot het juiste inzicht zou komen. Dus was iedere bezuiniging op collectieve voorzieningen (behalve dan het leger) een reden voor actievoeren. Dit lag in het verlengde van de CPN-eis ‘lagere prijzen, hogere lonen’.

De meeste andere studenten waren voor dit simplistische actiedenken niet makkelijk te porren. Dat merkte je, als je handtekeningen voor een of andere inkomenseis probeerde te verzamelen en uit contacten met andere PvdA-studenten. Over verbetering van de inhoud wilden velen het wel hebben, maar de meeste studenten, zeker zij die uit niet-universitaire milieus kwamen, vonden zich bevoorrecht. Geregeld werd er door de studentenvakbonden in Amsterdam gedemonstreerd voor hogere beurzen, lagere collegegelden en onbeperkte toegang, maar alleen het geharde kader uit Utrecht en andere universiteitssteden kwam daarvoor op. De meeste demonstranten waren leden van de Amsterdamse afdeling van de ANJV, de jongerenorganisatie van de CPN.

Knotter vindt in 1996, dat hij en zijn studievrienden ‘grotendeels gelijk’ hadden. Hij zal daarbij doelen op wat hij in het artikeltje vermeldt. En natuurlijk, er was niets op tegen, dat studenten zich organiseerden om hun belangen te verdedigen. Veel daarvan was ook achteraf zeer gerechtvaardigd. Maar hij laat een aantal belangrijke zaken weg, die te maken hadden met de politieke praktijk van hem en zijn CPN-maatjes.

Een voorbeeld van die praktijk. In de Grondraad (de verenigingsvergadering) werd vergaderd over een volgende demonstratie in Amsterdam. CPN’ers vonden niets zo belangrijk als overeenstemming over de leuzen. Dus daar ging het over. Voorzitter Van der Kolk kwam met voorgestelde leuzen (die niet in het bestuur, althans niet in mijn bijzijn, waren voorbesproken). De Grondraad wees ze af: men wilde de inhoud van het onderwijs centraal stellen, en niet weer inkomenseisen. Maar de affiches met de CPN-leuzen waren al gedrukt, de CPN-eisen bleven overeind.

Grondraadvergaderingen waren er niet vaak, maar ze werden vooraf gegaan door een oeverloos verhaal van de voorzitter, in mijn tijd dus Geert van der Kolk. Wat hij ging zeggen, weigerde hij in het bestuur te bespreken. Ik en enkele niet-communistische Grondraadsleden wisten wat ons te doen stond: we lazen het commentaar in De Waarheid van de dag ervoor, en scoorden tijdens Van der Kolks toespraak de overeenkomsten.

Ab Harrewijn (als USF-voorzitter opvolger van Geert van der Kolk), ook CPN-lid, vertelde me ooit, dat CPN-studenten geacht werden zich om de zoveel tijden te vervoegen bij Ton van Hoek en zijn partner Ina Brouwer. Daar werd dan ‘gediscussieerd’ over de partijlijn, maar dat discussiëren vond plaats in het kader van het ‘democratisch centralisme’: je mocht wel een mening uiten, maar je mocht niet afwijken van de partijlijn.

Dat aspect, het kritiekloos willen volgen van een Leider of een stringente ideologie, dat was wat mij het meest verbaasde bij al die CPN-studenten. Het maakte ze onbetrouwbaar als bestuursleden van een studentenvakbond: niet de leden, maar de Partij beschikte. Die behoefte aan het blindelings volgen van gezag was mij vreemd. “Don’t follow leaders”, zong Dylan (terwijl ik dit schrijf, wordt bekend, dat hij de Nobelprijs heeft gekregen), en dat was en is mijn motto.

suharto
USF-sectie buitenland voert actie! Ik sta links. Foto: Werry Crone

Aanvulling.

Op 26 oktober 2017 was ik bij de presentatie van de nieuwste roman van Geert van der Kolk, De witte reiger. Ik had hem in geen veertig jaar gesproken. Niet alleen ik, ook andere oud-USF-bestuurders waren aanwezig: Han, Michiel en Hans, die het jaar erop in het USF-bestuur zat. Ook Maarten liet zich zien. Het was natuurlijk grappig geweest, als het dezelfde verzuurde en rechtlijnige hardliners waren geweest, maar nu een andere zaak toegediend: mijn mede door vooroordelen beïnvloede herinneringen bevestigd. Niets van dat alles. De oud-commies met name waren vriendelijke zestigers geworden. Mooi natuurlijk. En ook mijn herinneringen werden bijgewerkt: was ik bij voorbeeld wel het enige niet-communistische bestuurslid?

Op een enkeling had de Tunesiër Ben Kassem Daieb indruk gemaakt. Daarover later meer.

 

  1. Ad Knotter, ‘De UHSK en de studentenbeweging in de jaren zeventig terugblik van een oud-activist.’ In: H.C. Teitler en P. van Hees (red.), Studeren en promoveren in Utrecht. Utrechtse Historische Cahiers, jg. 17 (1996), nr. 1. Uitgegeven vanwege de Vakgroep Geschiedenis der Universiteit Utrecht. P. 45-60.

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.